Skip to main content

Full text of "Bijdragen voor de geschiedenis van het Bisdom van Haarlem"

See other formats


PURCHASEDFORTHE 


UNIVERSITY  OF  TORONTO  UBRARY 

FROM  THE 

HUMANITIES  RESEARCH  COUNCIL 

SPECIAL  GRANT 

FOR 

ARTS  OF  THE  LOW  COUNTRIES  AND 

THE  GERMANYS,  1600  - 1850 


BIJDRAGEN 


GESCHIEDENIS 


BISDOM    VAN    HAARLEM 


ONDER    RKDACTIE    VAK 


C.  J.  GONNET,  J.  J.  GRAAF,  J.  J.  DE  GRAAF,  Dr.  A.  H.  L.  HENSEN, 
J.  C.  VAN  DER  LOOS  en  E.  H.  RIJKENBERG. 


ZES-EN-DERTIGSTE   DEEL.       "^    (^ 


G.  F.  THÉONVILLE, 

(Firma  J.  W.  van   Leeuwen), 

LEIDEN. 

I915. 


^: 


3/ 


03 


Drukkerij  ThÉonville,  Steenschuur  9,  Leiden. 


INHOUD. 


Blz. 
De  »vergaderinghe  der  Maechden  van  den  Hoeck"  te  Haarlem. 

( Vervolg  671  slot  van  Deel  XXX  V,  bis.  464) .    j.  j.  GRAAF       i 

Faberdom,  Faberdoen,  Fabredon j.  j.  G.     24 

Carmelitessen-kloosters    in    Nederland    vóór    de  Hervorming. 

P.  fr.  C.  DE  BOER,   Ord.  Carm.     25 

Abdij   van  Loosduinen S.  DROSSAERS     39 

Bijdrage  tot  de  geschiedenis  der  bedevaarten  naar  San  Jago 

de  Compostella  omstreeks  1520    .....  Dr.  j.  DE  hullu     42 

Runxputte  te  Heilo  in  1807 M.  kramer     46 

Pastoor    Warmelink  en  kapelaan  Paep  van  Assendelft  en  de 

eed  van  21  Augustus  1795 M.  kramer     50 

Het    bidden    in    de    kerken    voor  koning  Lodewijk  Napoleon 

in    1809 M.    KRAMER      54 

Uit  oude  bescheiden:  Vicarie  v.  h.  S.  Jozefs  altaar  in  S.  Bavo 

te  Haarlem C.  F.  A.  huilmand,  Pr.  63 

Pastoor  Michiel  van  Riemsdijk C.  w.  b.  63 

Een  feestvierend  pastoor  van  Heemskerk     .     .     .     .    C.  j.  G.  65 

Nuyens-fonds 66 

Kerkgeschiedenis  van  Amstelland.  {Vervolg  van  Deel  XXXV, 

blz.   83)       . J.    C.    VAN   DER   LOOS      67 

Het  Convent  der  Predikaren  te  Haarlem.     .     .  C.J.  GONNET.  165 
Godfried  van  Mierlo. 

§  5.  Het  in  bezit  nemen  van  de  volle  bisschoppelijke  juris- 
dictie, ( Vervolg  van  Deel  XXX  V,  blz.  346). 

Dr.   A.    H.    L.    HENSEN.   212 

Geschiedenis  van  Langeraar  na  de  Reformatie.  {Vervolg  van 
Deel  XXXV,  bis.  114) ign.  m.  p.  a.  wils.  249 

Godfried  van  Mierlo. 

§  6.  Overige  maatregelen  van  bestuur  in  1571 — 1572.  (F<?r- 

volg  van  Deel  XXXVI,  blz.  248).  Dr.  A.  H.  L.  HENSEN.  289 

Alimentatie  der  kloosterlingen  van  Mariënhaven  te  Warmond. 

Dr.   A.   H.    L.   HENSEN.   315 

Repertorium  op  de  Nederlandsche  tijdschriften. 

W.   G.   C.   BYVANCK.    317 

Leuvensch  boekenfonds 319 


Blz 

Moordrecht J.  C.  van  DER  LOos  321 

Een  viertal  visitatiebrieven  van  Leeuwenhorst. 

Dr.   A.    H.   L.    HENSEN   358 

Het  hofje  van  Nieuwkoop  in  Den  Haag. 

A.  J.   SERVAAS   VAN   ROOYEN    388 

Enchusana. 

I.  Oostelijk  Enkhuizen  vóór  de  hervorming. 
II.  Gommerskarspel. 

III.  Kloosters  vóór  de  hervorming. 

IV.  Andere  geestelijke  stichtingen  vóór  de  hervorming. 

Rector  E.  H.  rijkenberg  392 
Namen     van    priesters    uit    het    tegenwoordige    Bisdom    van 
Haarlem,    voorkomende    in    het   tijdschrift  De  Godsdienst- 
vriend      .     J.   C.   VAN   DER   LOOS  en   L.  J.   VAN   DER   HEIJDEN   447 
Alphabetisch  Register E.  H.  rijkenberG  464 


DE    „VERGADERINGHE  DER  MAECHDEN  VAN 

DEN  HOECK"  TE  HAARLEM. 

(Vervolg  en  slot  va?i  Deel  XXXV,  blz.  464). 


Dagelijksch  leven  der  „Maechden". 

Misschien  zal  een  der  lezers  vragen,  of  de  Haarlemsche 
Maagden  ook  een  eigene  /'/^é'^zw^  droegen.  Het  antwoord 
op  deze  vraag  is  door  mij  reeds  vroeger  ^)  met  eenige 
uitvoerigheid  gegeven,  en  is  geweest,  dat  er  inder- 
daad gedragen  werd  wat  ,,geestelijck  habijt"  heette 
en  onderscheiden  was  van  het  wereldsche ;  dat  het 
echter  niet  bestond  in  een  vaste  en  alle  maagden  ver- 
plichtende dracht,  gelijk  de  kloosterlijke  was  van  vroegere 
tijden.  Het  eigenaardige  van  haar  geestelijk  habijt  bestond 
in  een  bijzonderen  eenvoud  2).  Ik  heb  dit  kunnen  be- 
wijzen door  de  afbeelding  van  een  portret  der  Friesche 
Jonkvrouw  Berber  Juckema,  klopje  van  den  Hoek,  en 
hetwelk  nog  heden  als  familiestuk  te  Leeuwarden  aan- 
wezig is.  Üok  is  boven  '•'')  reeds  die  eenvoud  in  kleeding 
ter  sprake  gekomen  bij  de  vermelding  van  de  soberheid 
der  Maagden  in  spijze.  En  dat  deze  stemmigheid  in 
kleederdracht  ook  kennelijk  was  voor  de  onkatholieken, 
wordt  bewezen  uit  het  feit,  dat  de  klopjes  in  1641 
gevaar   geloopen    hebben   van  uiteengejaagd  te  worden, 


i)  Bijdragen.  Deel  XX,   blz.    148  —  59. 

2)  Het   heette   daarom    wel    T>'t  slechte   of  geestelicke  habijt*':,  -l^t\.  der 
M.  I,  blz.  243,  286. 

3)  Bladz.  425—426. 


en  gedwongen  tot  aflegging  van  haar  geestelijk  kleed. 
Aldus  namelijk  wordt  gemeld  in  het  Verslag,  door  den 
Apostolischen  Vicaris  Rovenius  in  1642  te  Rome  in- 
gediend 1).  Van  de  Vergadering  zelve  (het  vinde  hier 
eene  geschikte  plaats  ter  mededeeling)  wordt  voorts  nog 
gezegd,  dat  het  getal  der  Maagden  meer  dan  tweehonderd 
beliep,  en  dat  zij  in  de  beste  orde  en  met  groote  stichting 
God  dienden  onder  de  leiding  van  den  Haarlemschen 
Deken  en  van  Geestelijke  Moeders.  Het  gevaar  van 
gestoord  te  worden  was  door  bidden  en  betalen  afgekeerd, 
zoodat  ze  nog  in  vrede  gelaten  werden,  gelijk  ook  de 
twee  andere  Vergaderingen  die  er  mede  te  Haarlem 
bestonden.  Eene  dezer  twee  laatste  was  gewis  die  welke 
in  1636  door  den  Haarlemschen  Kanunnik  Blommert 
in  de  Koksteeg  werd  opgericht,  en  „de  Cleyne  Hoeck" 
genoemd  werd  ~).  Tot  de  geschiedenis  van  deze  ver- 
gadering behoort  ook  wat  in  het  Leven  van  Geertje 
Claes  3)  verhaalt  wordt,  dat  in  de  dorpen  bij  Hoorn,  waar 
Geertje's  Heerbroer  pastoor  was.  Mr.  Frans  [Lissius]  ^), 
ook  geestelijke  maagden  zich  vereenigd  hadden,  waar- 
van „er  veel  te  Haerlem  sijn  gecomen  metterwoon, 
onder  de  beleydinghe"  van  denzelfden  Mr.  Frans,  die 
op  21  April  1621  als  „Sacellanus  curatus"  van  Haarlem 
overleed.  „Sijn  na  de  doot  van  Mr.  Frans  Sal.  ghestelt . . . 


1)  Arch.  V.  Utr.  XVIII,  blz.  36.  »Est  Harlemi  jam  a  multis  annis 
congregatio  virginum  seu  filiarum  spiritualium,  ducentarnm  et  amplius 
personarum,  quae  optimo  ordine  cum  magna  aedificatione  Deo  serviunt 
sub  directione  decani  Harlemensis  et  matrum  spiritualium.  Conati  sunt 
haeretici  anno  elapso  illas  dissipare  et  cogere  ad  habitum  devotum 
deponendum,  sed  prece  et  pretio  interveniente  adhuc  relinquuntur  in 
pace,  uti  et  aliae  ibidem  duo  virginum  congregationes." 

2)  La),  de/-  Maechden  II,  48a;  III,  13  vo.,  245 ;  en  verg.  ^^V/a.  XXX 
blz.  314. 

3)  f  A°.   1640.  III,  blz.   13—14. 

4)  Uitvoeriger  medegedeeld  in   Bi/dr.  XV^III,   blz.  68, 


onder  Mr.  Claes  Nommius.  Ende  na  de  doot  van  Sijn  E. 
onder  Pater  Bloemert,  daer  zij  haer  onder  elcken 
E.  Oversten  seer  simpel  gheset  hebben.  Eerst  met 
malkander  wonende  op  de  Bakenessegracht  bij  de  stats- 
vest;  onder  Mr.  Claes  Nommius  in  de  Wijngaertstraet ; 
bij  Pater  Bloemert  weder  op  de  Bakenessegracht  in 
S.  Anna".  De  andere  zal  er  eene  geweest  zijn,  die  bij 
de  Paters  Jesuieten  bestond ;  want  uit  een  paar  plaatsen 
der  Levens  blijkt,  dat  ook  zij  maagden  onder  hunne 
„beleiding"  hadden  ^). 

Ook  reeds  in  een  vroeger  Verslag,  van  1622,  heeft 
Rovenius  van  den  Hoek  melding  gemaakt,  waarbij  het 
getal  op  150  werd  gesteld,  met  de  bijzonderheid,  dat, 
aangezien  ze  uit  de  deftige  burgers  der  stad  waren  en 
van  zeer  voorbeeldig  leven,  ook  de  onkatholieken  haar 
met  eere  bejegenden  -). 

Hier  zou  ook  nog  op  zijn  plaats  zijn  de  levendige 
beschrijving  welke  door  Trijntgen  Jans  gegeven  is  over 
het  dagelijksche  leven  en  bedrijf  van  Cniertgen  Dircxs  3), 
die  in  den  Hoek  bijna  veertig  jaar  lang  den  E.  Overste 
„met  een  oprechte,  ghetrouwe  liefde"  gediend  heeft, 
„kloek,  proffitich,  voorsichtich,  wel  gheordineert  in  de 
huyshoudinghe,  alles  doende  met  een  goede  regel  ende 
orbcrlik".  Hoe  merkwaardig  echter  de  uitvoerige  schil- 
dering ook  zij,  moge  het  voldoende  zijn  den  belang- 
stellenden lezer  te  verwijzen  naar  de  Bijdragen  (XIV, 
29 — 31),  waar  alles  bijna  volledig  is  overgedrukt.  Ik 
wil    hem    echter    niet  een  kleiner  tafereeltje  onthouden, 


\)  Bijdr.  XVIII,  blz.  88  en  114.  Lev.  der  M.  II,  blz.  223  vo., 
III,  blz.    176  en   330. 

2)  Virgines  illae,  cum  ex  honeslioribus  sint  civitatis,  et  exeniplaris 
admodum  vitae,  hinc  fu,  ut  etiam  Haeretici  illas  honorent."  Arch.  v. 
Utr.  XX,  blz.  368. 

3)  f  8  Deo.    1647    III,  blz.    198-209. 


waarin  Lijsbet  Jans  Ban  i)  staat  uitgeteekend  zooals  zij 
bedrijvig  was  „in  de  vergadering  daer  G.  Moeder  was 
Trijntje  Dirks  Wij ;  in  een  cleyn  huys,  met  veel 
maechden  bewoont,  op  een  cleyn  camertgen ;  't  welk 
haer  een  grote  verandering  was,  mitsdien  sij  in  een 
groot  huys  ghewent  waer  .  .  .  met  liefde  haer  begevende 
tot  de  minste  wercken  van  bediensticheyt  tot  haer  even- 
naesten.  Veel  jaren  te  merkt  gaende,  haer  niet  ontsiende 
regen  oft  wint,  coude  of  hitten.  Tuys  comende  hilp 
dan  de  vis  breken,  de  spijs  ghereet  maecken ;  droech 
de  sorch  van  't  huys.  Ende,  doen  se  crachten  hadt, 
deede  de  minste  wercken  over  't  huis,  ende  de  boot- 
schappen van  de  maechden  met  een  grote  vlijticheyt 
ende  liefde.  Sneet  het  vlees  voor,  van  ouwe  cost  ende 
vers ;  't  welk  al  een  swaer  offitie  was,  mitsdien  't  getal 
groot  was,  soodat  se  een  hele  middach  altemets  werk 
hadt  om  een  ander  te  bedienen  ende  te  besorghen." 

Reeds  hebben  de  lezers  af  en  toe  kennis  gemaakt 
met  hetgeen  in  de  Sermoenen  op  de  „beaerdingé'''  of 
„uytvaerf  door  de  E.  Oversten  tot  lof  van  de  over- 
ledene en  onderrichting  der  levenden  gepreekt  werd. 
In  een  dier  sermoenen  -),  gaf  Joost  Cats  over  dit  gebruik 
zelf  zijne  meening  te  kennen  met  de  volgende  woorden : 
„Niemant  behoeft  hem  te  verwonderen,  dat  men  verhaelt 
in  de  uutvaert  de  deuchden  van  de  overledenen,  want 
sulks  is  geweest  al  een  out  ghebruik  in  de  H.  Kercke. 
Den  H.  Gregorius  Nissenus,  den  H.  Baselius  magnus, 
den  H.  Benedictus  hebben  seer  loffelijcke  gepresen  de 
duechden  van  haer  overleden  susters.  De  beaerdmge  van 
de  dooden  is  eigentlick  om  de  lichame  met  de  ChristeHjcke 
ceremonie    te    vereren,    ende    om  ons  te  leeren  wat  wij 


1)  f  9  Jan.    1647.  III,  blz.   177  —  178. 

2)  Op  de  uitvaart  van  Lijsbet  Hendriks  Verwer,  -J-  3  Juli  1633.  II,  144. 


5 

door  de  doot  sullen  worden.  Maer  de  imtvaert  is  om 
te  verhaelen  de  duechden  van  de  overledenen,  om  door 
haer  goede  exempelen  verwekt  te  werden  tot  naevolginghe, 
ende  te  bidden  voor  die  siele,  of  se  in  enige  pijn  des 
vageviers  mocht  sijn,  dat  se  Godt  belieft  te  verlossen. 
Waerin  wij  ons  nu  eensdeels  ghequeten  hebben  met  de 
vigilie  te  singen,  't  H.  Sacrificie  der  misse  op  te  ofiferen, 
ende  ghij  t'  samen  vigilie  te  lesen^  daer  ghij  meerder 
in  doet  als  ick  wel  van  u  soude  vereischen.  Maer  also 
wij  doen  aen  de  overledenen,  sel  Godt  voegen  dat  aen 
ons  sel  gheschieden  als  wij  gestorven  sijn.  Ende  laet 
ons  vorder  volherden  in  't  ghebet.  Amen." 

Wat  de  begrafenis  aangaat,  treffen  we  in  de  Levens 
stichtende  voorbeelden  aan  tot  bewijs,  dat  klopjes  die 
om  haar  afkomst  veel  deftigheid  en  statie  konden 
vooruit  zien,  uit  eenvoud  en  ootmoed  dit  zochten  te 
verhinderen.  Zoo  wordt  van  Grietgen  Gijsberts  Grauert  ^) 
vermeld:  „Tot  een  teecken  dat  se  de  ootmoedige  neder- 
heyt  liefhadt,  begeerde  se  een  simpele  begraefenis,  jae 
liet  het  uitdruckkelijck  stellen  in  haer  testament  (vresende 
of  haer  vrienden  anders  na  den  Adels  manier  soude 
bcgraeven,  't  geen  sij  in  haer  leven  verlaeten  hadt), 
wilden  se  niet  dat  men  nae  haer  doot  haer  lichaem 
mede  soude  festeren.  Hierom  voorquam  dat  met  haer 
testament."  —  Niet  anders  ook  de  Friesche  jonkvrouwen 
van  Emminga,  waarvan  Eeltgen  2)  ,,niet  en  begeerden 
nae  haer  staet  begraven  te  sijn,  maer  beval  't  dicwils 
in    haer    sieckte,    dat    se    begeerde  begraven  te  sijn  als 


i)  14  Juni  1630.  I,  285.  »Van  gholtoortc  nul  Sticht  van  Utrecht. 
Van  edele  ouders  uut  den  treffelicsten  adel  van  't  lant  van  vader  en 
moeders  weghen.  Den  vader  was  ghenaemt  Joncker  Gijsbertus  Grauert .  .  . 
van  redelicke  tijtelicke  middelen.  Maer  also  daer  negen  kinderen  waeren, 
soo  deelden  't  wat  clein,  soodat  se  edelder  waeren  als  rijck." 

2)  t   5  Juli    1906.  II,  blz.  81. 


een  arme  maecht,  jae  dat  men  maer,  mochtet  sijn,  een 
pelslap  op  haer  kist  soude  leggen ;  ende  soo  't  anders 
geschiede,  waer  't  moochelijck  dat  se  nae  haer  doot 
mocht  wedcrcomen,  soude  se  straffen  dien  't  anders 
ghedaen  hadde,  haer  vvoort  niet  achtervolgende."  En 
ook  Annetgen  ^)  „vercoos  een  slechte  begraeffenis,  jae 
dat  se  met  ghemene  dootcleet  mocht  begraven  werde. 
Evenwel,  soo  veel  een  dootcleet  coste,  soude  [men]  om 
Godswil  geeven.  Maer  sij  heeft  dese  haer  begeerten 
vergeten  aen  haer  Biechtvader  te  openbaren.  VVaerdoor 
het  ghebuert  is,  dat  de  begrafenis  anders  geweest  is 
als  haer  begeeren ;  want  de  Oversten  hem  met  de  be- 
grafenis niet  bemoeijende  [is],  maer  laet  daer  de  vrienden 
mede  begaen  ;  tensij  saek  [dat]eyt  op  hem  expres  begeert 
is,  sooveel  sijn  E.  ken  soeckt  dat  nae  te  comen.  Hierom, 
de  simpelheit  aengaende",  zoo  waarschuwt  nu  Joost  Cats, 
„die  in  sulks  eit  begeert,  mach  dat  mondeling  of 
schriftelijk  aen  de  Oversten  kendelijck  maecken ;  [hij] 
sel  sijn  beste  daerin  doen  om  die  begeerten  te  achter- 
volghen." 

Over  het  rouw-dragen  door  de  maagden,  is  het  volgende 
te  vermelden  :  „Lysbet  Willems  '-)  „hadt  lief  d'  uutwendige 
simpelheit,  wesende  in  spijs  ende  drank  tevreden  met 
een  slecht  sobere  portie ;  in  haer  cleding  puntich  en 
schickelik,  niet  sindelik  ^).  Is  oorsaek  geweest  dat  het 
gebruik  om  te  draeghen  roti  met  de  geperste  huicken 
afquam  (mitsdien  sij  merckten  datter  sulcken  sindelicheit 
onder  quam).  Als  haer  suster  Josijntje  Willems  begraeven 
worden,  sat  sij  met  de  maechden  met  ongeperste  huicken 
bij  't  lijk  of  in  de  begraeffenis.  Ende  van  dien  tijt  af  is 
't  in  't  gebruik  geweest  onder  die  maechden." 


i)  -J-  25  Nos.   1632.  II,  blz.  86  V^.  Sermoen  op  de  uitvaert. 

2)  f  23  Juli   1637,   II,  blz.  47. 

3)  Zinnelijk. 


We  komen  ook  nog  eenige  bijzonderheden  te  hooren 
over  de  „statie'''  die  anders  wel  gebruikelijk  was,  door- 
dien de  E.  Overste  Boudwijn  Cats  in  zijn  Sermoen  op 
de  uitvaart  van  Stephanietgen  de  Vos  i)  preekte,  dat 
zij  gelijk  was  geweest  aan  ,,de  H.  Monica  welcke 
buitenslant  op  haer  uuterste  liggende,  hoorden  dat  haer 
soon  den  H.  Augustinus  becommert  was,  waer  men  se 
soude  begraeven,  soo  sprak  sij :  mijn  soon,  hebt  geen 
becommernis  met  mijn  lichamelike  begraeffenis,  noch 
en  maect  daer  niet  veel  statie  mede.  Godt  ken  mijn 
op  alle  plaetsen  wel  vinden ;  maer  dit  is  mijn  begeeren, 
dat  ghij  mijn  toch  gedachtich  wil  sijn  aen  den  outaer, 
als  ghij  opofifert  die  H.  onbevlekte  ofiferhande,  alsdan 
voor  mijn  ziele  biddende.  Also  beval  dese  aen  haer 
moeder,  dat  sij  met  haer  lichaem  niet  veel  statie  wilde 
maecken :  't  huys  met  geen  swert  laecken  behangen, 
noch  driemacl  luijen,  geen  dubbelde  bacr  noch  ver- 
roefde  kist,  maer  veel  gebet  ende  H.  Sacrifitie  voor 
haer  ziel ;  't  welk  de  moeder  ook  liet  volbrengen,  nae 
haer  begeerten."  —  Ook  Trijntgen  Wouters  van  der 
Mij  2)j  „also  zij  ootmoedich  is  gheweest  in  haer  leeven, 
heeft  ook  vercoren  een  ootmoedige  begraefitenisse,  dat 
se  als  een  van  de  armste  maechde  mocht  begraeven 
worden.  Sij  hadt  gesien  op  de  kist  van  een  arm  maech- 
deken,  dat  een  caers  in  wat  potaerde  geset  worde; 
hadt  wel  gewilt,  dat  van  haer  soo  gedaen  worde.  Godt 
voechden    haer    wat   vernederinge    toe,    mitsdien  in  die 


1)  23  Jan.  1649.  III,  blz.  248.  »Van  gheboorte  van  Haerlem,  van 
treffelicke  Catholike  Godsvruchtige  eerlicke,  rijcke  ouders.  De  vaeder 
genaemt  Symon  Tijse  de  Vos;  de  moeder  Maritge  Claes  Ban  (was  de 
susters  dochter  van  de  E.  Goddelicke  maecht  Trijntge  Dirks  Wij). 
Verg.  verder  voor  het  geslacht  Ban  Bijdr.  I,  blz.  61. 

2)  f  29  April  1636.  III,  blz.  402.  Bijzonderheden  over  het  geslacht 
in  BiJdr.  XVIII,  blz.    197 — 210. 


tijt  de  pestilentiale  siekte  wat  begon  te  vermerderen, 
de  magestraet  van  de  stadt  voorsichtich  sijnde,  ordinerden 
dat  men  geen  hoetges  ^)  om  de  kiste  soude  doen.  Dese 
E.  was  d'erste  onder  die  maechden  welcke  sonder  enich 
vercierscl  om  de  kiste  begraven  worde.  Maer  al  en  socht 
sij  d'eere  niet,  sij  volchde  haer.  D'E.  Oversten  haer 
Biechtvader  gaf  een  scer  goet  lof  van  dese,  seggende 
dat  sijn  gevoelen  was:  sij  een  onnosele  siele  Godt  op- 
geoffert  hadt,  gelijk  een  kindt  dat  van  't  doopsel  comt, 
hierom  het  sielken  rechtop  nae  den  hemel  gegaen  was. 
Sijn  E.  heeft  altoos  voor  een  gewoonte  in  't  sermoen 
van  de  uutvaert  over  de  dooden,  in  't  leste  te  versoecken 
't  gemene  gebedt ;  maer  niet  in  dit  sermoen.  'T  was  of 
't  sijn  E.  uut  sijn  memorie  genomen  was,  seide  hij 
naemaels.  Desgelijks  alle  de  maechden  des  vergaderings 
hadden  een  goet  gevoelen  van  dese  E.  overledene,  ende 
spraken  daer  ook  seer  loffelick  van.  Alsook  haer  vriende 
quamen  allegader  van  Amsterdam  seer  trefelick  mede 
te  begraeffenis.  .Sij  hadde  een  seer  grote  kerkgank, 
wordende  vereert  met  die  catholijkste  trefifelicste  borgers. 
Haer  vader  vereerden  sijn  simpelste  dochter  met  die- 
selfde te  laeten  doot  uutschilderen,  houdende  die  schilderie 
in  een  sonderlinge  waerde  alsof  't  van  een  H.  mensche 
geweest  hadt.  Om  haer  vier  en  veertichste  jaer  is  in 
den  Heer  gherust." 

Dat  verbod  van  den  Haarlemschen  magistraat  verdient 
eenige  toelichting.  Men  weet,  dat  het  een  aloud  katholiek 
gebruik  geweest  is,  de  lijken  van  kinderen  en  onge- 
huwde personen  met  bloem  en  krans  te  sieren.  En  nog 
houdt  de  Kerk  deze  gewoonte  in  eere,  als  zij  in  het 
Rituale    Romanuin  ^)    schrijft :    dat    aan  het  kinderlijkje 


1)  Kransjes. 

2)  Ordo  Sepeliendi  parindos.   «Imponitur  ei   corona  de   tloribus  seu  de 
herbis    aromaticis    et   odoriferis,    in    signum    integritalis    et  virginitatis." 


een  kroontje  van  bloemen  of  van  kruidig  en  geurig 
loof  op  het  hoofd  gezet  wordt,  ten  teeken  van  de  onge- 
reptheid des  lichaams  en  van  de  maagdelijkheid.  Bekend 
is  verder  ook,  dat  in  de  jaren  1635 — '^6  een  besmette- 
lijke ziekte,  de  „heete  sieckte"  of  ook  „de  gave  Gods" 
genoemd  i)  onze  streken,  en  bijzonderlijk  de  steden 
Delft,  Haarlem  en  Leiden  geteisterd  heeft.  Het  blijkt 
echter,  dat  er  achter  die  magistraatsverboden,  meer 
stak  dan  „voorsichticheit".  Immers  al  op  den  29611  April 
1602  had  Prins  Maurits  het  volgende  bevelschrift  ge- 
richt aan  den  schout  van  Voorburg:  "2)  „Alsoe  wij  ver- 
staen  hebben  ende  onderrecht  sijn,  dat  binnen  Voorburch, 
in  't  begraven  van  den  overleden  persoonen  gebruyckt 
wert,  dat  de  graven  verciert  werden  met  hocdekens 
van  bloemen,  stellen  van  cruycen  ende  diergelijcke,  ende 
dat  oock  deselve  graven  nyet  en  werden  geslecht  maer 
verheven  blijven  legghen.  Ende  want  't  selve  nergens 
anders  toe  en  dient  dan  tot  onderhoudinge  ende  voedinghe 
van  de  pauselijcke  superstitien ;  behalve  dat  mits  de 
contagieuse  sieckte  der  peste  die  aldaer  regneert,  den 
reuk  der  blommen  (die  op  geïnfecteerde  plaetsen  mede 
contagieus  is)  een  schrick  maeckt,  ende  oock  periculeus 
es  voor  dengeenen  die  aldaer  passeren  ende  repasseren, 
ende  derhalven  daerinne  dient  voorsien  ende  geremi- 
dieert :  Soo  ist  dat  wij  goetgcvondcn  hebben  ....  te 
ordonneren,  dat  ghij  terstont  ende  metterdaet  ordre 
stelt,  teneynde  de  voers.  manieren  van  doen  voortaen 
werden  naergelaten"  enz. 

Zoo  werd  dan  in  dien  tijd  het  heerschen  van  be- 
smettelijke ziekte  een  welkome  gelegenheid  om,  op 
aansporing  der  predikanten  wier  kerkleer  niet  bijster  veel 


1)  Verg.  boven   blz.   441. 

2)  Medegedeeld  in  Z>i/W/:  v.  H.  Deel  VI,  blz.    149. 


ophad  met  de  meerdere  voortreffelijkheid  van  den 
niaagdelijken  staat,  een  gebruik  uit  te  roeien,  dat  zij 
niet  goed  lijden  mochten.  En  dan  moesten  ook  de 
onnoozele  blommekcns  het  ontgelden,  (verbeeld  u,  zoo 
„contagieus  ende  periculeus")  waarmee  de  katholieken 
zoo  gaarne  hunne  „maechden"  vereerden. 

Nog  is  er  bij  de  begrafenis  van  Grietgen  Cornelis  i) 
heel  iets  merkwaardigs  gebeurd,  dat  als  volgt  door 
Trijntgen  Jans  werd  opgeteekend :  „Maer  tot  stichtinge 
zullen  wij  hier  noch  een  weinich  bij  setten,  't  geen  ge- 
buert  is  als  dese  E.  maecht  begraven  worde ;  waeruut 
wij  moegen  bemercken,  hoe  sonderling  het  Godt  ge- 
voecht  heeft,  dat  dese,  die  gesocht  hadde  verborgen  en 
onbekent  te  leeven,  in  haer  begravenisse  vereert  worden. 
Te  weten,  doen  't  lijck  gedragen  worde  na  de  kerck, 
soo  was  bij  geval  onder  weech  de  schutterie,  waeronder 
waren  die  treffelicste  burgers  der  stadt.  Diewelcke, 
siende  't  lijck  coomen,  hebben  gheweeckcn  aen  beyde 
sijden,  staende  met  bloote  hoofde,  met  sulcken  reverende 
en  eerwaerdicheyt  alsof  't  lijck  van  een  groote  Princesse 
gheweest  hadt.  Waerdoor  dengeen  die  dese  eerbiedinge 
sagen  tot  een  verwondering  ende  danckbaerheyt  beweecht 
worden."  —  Van  eenig  belang  ten  laatste  is  nog  de 
bijzonderheid,  dat  Jacob  Reyers  weduwe  2),  die  de  moeder 
was  van  klopje  Dieuwer  Jans,  en  zich  ook  onder  de 
gehoorzaamheid  van  de  E.  Oversten  gesteld  had,  op 
Asch- woensdag  te  sterven  kwam  „als  zij  noch  met 
groote  devotie  hadde  ontvangen  de  H.  Asse,  met  welcke 
teecken  zij  geleegen  heeft  iii  de  kist."  Dezelfde  werd 
ook  geschetst  in  een  tafereeltje  het  penseel  van  een 
oud-hollandschen  meester  niet  onwaardig:  „Sij  was  zeer 

i)  •\   4  Febr.  1610.  I,  blz.  39  vo. 
2)  f  13  Febr.  i6o6.  I,  blz.  56. 


buerhoudende  ende  ghespraecsaem ;  nochtans  en  ver- 
suimden  daerom  niet  haer  leesen,  zoodat  se  dicwils  op 
de  stoep  sadt  en  las,  met  V  roosenhoetgen  onder  haer 
schorte-cleet!' 

De  gebruiken  en  ceremoniën  van  uitvaart  en  begrafenis 
brengen  ons  weer  terug  tot  de  liturgie  en  de  kerkelijke 
kunst.  Reeds  werd  boven  plaats  verleend  aan  hetgeen 
gevonden  werd  over  kerkdijken  zang,  over  speldewerk 
en  borduurarbeid.  Er  zijn  echter  nog  eenige  wetens- 
waardige zaken,  meestendeels  wel  niet  van  zoo  bijzonder 
gewicht,  maar  die  toch  nog  altijd  de  aandacht  waard 
zijn  om  de  eigenaardige  en  bevallige  wijze,  waarmee  ze 
vaak  verteld  worden. 

Meermalen  al  maakten  de  lezers  kennis  met  het  werk 
der  kosteressen,  dat  uit  verschillenden  hoofde  waarlijk 
niet  gering  was,  zóó  zelfs  dat  van  de  Schrijfster  zelve, 
Trijntgen  Jans,  gezegd  werd  i),  dat  er  in  haar  tijd  „maer 
(n.b.  maer)  drie  costerse  waeren"  (waarvan  zij  er  een 
was),  „en  het  meeste  werck  op  twee  aenquam,  en  sij 
oock  niet  veel  hulp  van  de  maechden  hadden,  maer  sij 
veechden  en  schuerden  almeest  selfs.  Daer  waeren  doen 
ter  tijt  trappen  aen  de  kerck,  die  widt  geschuert  worden  ; 
hetwelcke  sij  om  den  anderen  dach  mosten  doen."  — 
Maritgen  Goverts  -)  hadt  alle  voormiddach  meest  werck 
om  de  kerck  dageliks  op  te  schicken  ende  dan  weder 
op  te  breken,  die  duer  inwaer  te  nemen  om  't  volk  in 
ende  uut  te  laeten.  Sij  wies  het  linwaet  van  den  outaer 
en  schuerden  de  candelaers  en  het  goet,  ende  dat  uut 
liefden  ende  met  liefden,  want  het  loon  soo  cleyn  waer 
dat  se  daarvan  hadt,  datct  een  stuver  daechs  mocht 
bedraegen.    Ende    also    die    Goddelike    maechden  voor- 


1)  III,  blz.  425  V. 

2)  f  3  Juni  1637.  III,  blz.  316  en  318  vo. 


noemt  die  kerk  uut  liefden  in  haer  huys  naemen  ^), 
dienden  sij  dien  uyt  liefden.  Ende  sij  vvaeren  wederom 
niet  nau  siende  tegens  haer ;  maer  die  liefde  was  van 
twe  sijen."  En  iets  later  volgt :  „vSeer  getrou  tot  de 
dienst  van  de  kerck,  als  ghij  voorgaende  ghehoort  hebt. 
Langhe  jaeren  wies  sij  het  outaerlinden,  dede  dat  met 
zulcken  zorchvuldicheit  om  te  hebben  die  uuterste 
witticheit.  Die  relijiuese  welke  quaemen  uut  Brabant 
tot  haeren  huise,  was  sij  zeer  behulpelijk,  maer  besonder 
die  susterkens  uut  het  clooster  van  Boextel ;  wist 
daarmede  te  gaen  bij  die  rijcke  lieden  ende  milde 
hertgens,  krijgende  voor  haer  veel  aelmissen."  —  En 
die  „werkjes  hoe  cleyn  se  waeren :  met  liefden  nam 
sij  ^)  se  aen,  als  op  't  choor  die  blaeckers  en  snuiters 
te  schueren  ende  schoon  te  maken",  —  of^)  „bloemen 
te  haelen  voor  de  kerck,  of  rieckers  te  maecken  voor 
den  outaer",  —  of'*)  „koorkleeden  te  stijven  en  te 
vouwen  daer  se  soo  exterordinaris  net  in  was.  — 
Areiaentgen  Clemens ")  had  zoo  „grote  devocie  tot 
vercieringhe  van  den  outaer"  dat  zij  „drie  ueren  voer 
haer  doot,  als  haer  spraek  meest  geleydt  was  wijsende 
wat  sij  begeerden,  [te  kennen  gaf]  datter  nog  linde  in 
haer    cas    was   dat    se    ter  eeren  't  H.  Sacrament  wilde 


1)  Dit  was  eigenlijk  niet  in  den  Hoek  maar  »op  't  Bagijnhof  bij 
haer  nichten  Aechgen  Boggen,  Lijsbet  Jans  Boggen  ende  haer  muetgen 
Neeltge  Crijnen."  Zij  hadden  de  kerk  in  huis  «gevende  daertoe  haer 
hele  huys  ten  besten  tot  haer  slaepplaets  ende  eetplaets  toe.  Achtjaeren 
hadden  se  die  kerck  gestadich  in  haer  huis;  noyt  dach  of  sij  hadden 
't  H.  Sacrifitie  van  de  Mis,  met  grote  toeloop  niet  alleen  van  de  bagijntjes 
of  maechden  maer  ook  van  de  borgers."  Men  ziet  hieruit  wat  boven 
bedoeld  is  met  -ode  kerk  dageliks  op  te  schicken  ende  dan  weder  op 
te  breken  r 

2)  Machteltgen   Bontenos,   •]•   3  Jan.    1638.   III,   hlz.   373  v^. 

3  Lev.    V.    Giertgen   Isbrants  Deimen.  •]-    I    Maart    1629.    I,   blz.   257. 

4)  '\   13  juli    1629.  I,   264. 

5)  Lev.    V.    Anne    Clacs    van   Arres,  -j-   26  Nov.    1645.   ^j   blz.    166. 


13 

opofferen  om  op  de  muenichtaefifel  i)  te  leggen".  —  En 
aansluitend  aan  hetgeen  zoo  pas  over  Maritgen  Goverts 
werd  meegedeeld,  volge  hier  de  werkzaamheid  van 
Lijsbet  Jans  Boggen,  al  meer  genoemd  ^).  „Veel  jaeren 
had  se  wonende  op  den  hof,  de  kercke  in  haeren  huys, 
waervan  sij  veel  moeiten  en  ongherijf  hadt,  doordien 
haer  woonplaats  weinich  vertreck  hadt,  soodat  se  alte- 
mael  worden  gebruickt  ter  eeren  Gods,  jae  in  haer 
slaepplaets  (doordat  die  de  verste  was  van  de  straet) 
stondt  den  outaer,  soodat  se,  of  't  haer  wel  of  qualijcke 
lusten,  altoos  's  morgens  most  vroech  opstaen  om  alle 
dinghen  uut  de  wech  te  doen.  Dede  hetselfde  met  sulcken 
vriendelicheit,  treffelicheyt  ende  sorchvuldicheyt,  dat  het 
een  stichtinge  was  om  te  sien.  Noch  en  liet  die  goede 
oeffeninghe  niet  achter,  alhoewel  sij  een  wijl  tijts  over- 
vallen worden  met  een  seer  groote  vrees  (doordien  de 
schout  ofte  den  ofifecier  tot  haeren  huyse  de  Goddelicke 
dienst  ghestoort  hadde) ;  ginck  evenwel  met  haer  goede 
oeffeninghe  voort.  Noch  en  verwachten  niet  dat  de 
begijnkens  soude  coomen  om  alle  dinghen  ghereet  te 
maecken  (want  het  die  toequam  doordien  haeren  Pater 
het  gherijf  hadt  in  haeren  huis) ;  ofte  dat  dien  de  Kerck 
souden  schoon  maecken,  maer  liet  het  van  haer  maechden 
binnenshuys  doen,  ende  hielp  selfs  mede  sooveel  zij 
conde,  vercierende  oock  veel  op  haeren  costen  den 
outaer  met  een  innighe  devotie."  Ik  geloof  niet,  dat 
ooit  juister  en  aanschouwelijker  beschreven  is  geworden, 
hoe  men  zich  vroeger  in  de  huiskerken  heeft  moeten 
behelpen. 

Op    drie     plaatsen     wordt    vermeld,    dat    Geertruydt 
(Giert)    Jans  s)    „langhe  jaeren    /ie^  misbroot  backte  dat 


1)  Communiebank. 

2)  I,  blz.  203  vo. 

3)  f  9  ^'ct.    1625.   I,   blz.    198  v^'. ;  II,   blz.   395   en    III,   blz.   254. 


14 

men  op  den  outaer  des  Heeren  ghebruyckten,  seer 
suiver  en  perfekt  ende  met  devotie."  —  En  van  haar 
had  Sijtgen  Heyndriks  ^)  „de  cunst  van  de  hostie  te 
backen  afgeleert.  Dede  hctselfde  soo  suiver,  net  en 
perfect  als  sij  conde,  met  grote  devotie  tot  het  leste 
van  haer  leven,  besorcht  sijnde,  dat  het  nae  haer  doot 
mocht  gedaen  sijn  van  sodaenigen  maecht,  dien  't  mede 
op  sijn  zuiverste  ende  perfectste  soude  doen.  Won 
hiermede  moy  geit,  maer  en  gebruicte  dese  tytlicke 
middelen  niet  tot  aencleventheyt,  maer  nam  voor  haer 
zelven  die  sobere  nootdruft,  vloeyden  met  hetselfde  tot 
dienst  ende  hulp  van  haer  naesten  medesusters  ende 
den  armen." 

Reinou  Gerrets  ")  „vercierden  den  outaer  des  Heeren 
met  freye  ornamenten  op  haeren  eighen  costen,  on- 
treckende  't  selfde  bij  nae  van  haeren  nootdruft.  Desgelijkx 
hadde  sij  ook  groote  devocie  tot  de  H.  Moeder  .S".  Amia, 
latende  maecken  een  beelt  tot  haerder  eeren,  't  geen  sij 
schonck  aen  de  kerck."  —  Aechge  Baertes  ^)  liet 
beeldversiering  aanbrengen :  „nege  Seraphins hoofde  met 
vluegelen  seer  frey,  ter  eeren  de  nege  coore  der  Engelen, 
dien  gebruickt  werde  omhooch  aen  den  outaer  en  aen 
't  verwulft  tot  devocie  ende  vercieringhe."  En  de  bij- 
zondere reden  waarom  zij  dit  deed  wordt  ook  nog 
omstandig  gemeld.  Zij  was  „van  Godt  besocht  met 
groot  strijt,  dorricheit  en  desolaetheyt,  met  sulcken 
inwendighen  geperstheyt  en  verlaetenheyt,  datet  scheen 
bijnae  haer  krachten  te  booven  ghinck;  en  duerde 
omtrent  drie  jaeren.  Viel  haer  veel  swaerder  als  een 
ander  doordien  sij  ghewoon  was  altoos  soet  en  levendich 


1)  -]•  i6  Juni  1638.  II,  blz.  395  vo. 

2)  7  30  Nov.  1624.  I,  blz.  152. 

3)  f  22  Dcc.  1621.  I,  blz.  290. 


15 

van  geest  in  Godt  te  sijn ;  was  dat  voor  dien  tijt 
gantsch  quyt.  Maer  Godt,  dien  de  sijne  niet  en  verlaet, 
heeft  haer  vertroost  op  den  feestdach  van  S.  Machiel 
met  alle  H.  Engelen,  neemende  't  haer  subyt  af,  over- 
stortende  haer  met  sijn  invloeiende,  voorcomende  gratie, 
soodat  se  wederom  soo  levendich  inwendich  in  Godt 
werde,  alsof  se  een  hemeltgen  inwendich  in  haer  zelven 
hadt.  Ende  om  dese  weldaet  dien  haer  op  desen  dach 
geschiet  was",  liet  zij  die  versiering  maken. 

Dat  de  „maechden"  voor  haar  eigen  devotie  vaak 
oude  beelden  verzamelden,  werd  boven  al  verhaald. 
Hier  kan  nog  vermeld  worden,  dat  Breghjen  Willems  ^) 
een  beelt  van  de  H.  Moeder  Gods  op  haer  outaertgen 
hadt,  weleer  ghecomen  van  de  H.  Kercke.  Hier  hadt  sij 
soo  groten  levendigen  devotie  toe.  'T  was  of  't  haer 
aensprak  en  toelachten,  soodat  sij  in  haer  swaricheyt 
en  droefheit  hier  een  sonderlinge  consolatie  uut  schepten, 
met  een  inwendige  versterckinge  des  ghemoets."  — 
Lijsbet  Jans  Boggen  -)  „hadt  veel  waerdighe  treffelijcke 
boecken  en  veel  devoci-schilderiën  ende  beeldend  — 
Maritgen  Adriaens^)  „maeckten  uut  devotie  veel  verder  de 
kaskens  en  tabernakeltgens  ter  eeren  de  H.  Moeder  Gods 
daer  haer  beeldekens  in  staen  zoude."  Maar  een  echt 
zeventiende-eeuwsch  binnenhuisje  wordt  geschilderd  met 
„het  camerken  of  celleken  van  Maritgen  Isbrants  uit 
de  leste  jaeren  haers  levens,"  toen  zij  „door  haer  swac- 
heyt  de  kerk  niet  cost  gebruicken  noch  het  Goddelicke 
woort  hooren,  binnenshuys  biechten  [moest]  en  met  de 
maechden  haer  gratie-daeghen  hadt ....  Als  sij  eyt 
cost,  stont  's  morgens  vroech  op  om  alle  haer  dingetjes 


1)  f  30  Sept.   1646.  III,  blz.  325. 

2)  I,  blz.  204. 

3)  f    15  Dec.    1620.   I,   blz.    72. 


i6 

acn  deen  sijcle  te  schicken ;  dede  haer  aygen  werkje 
sooveel  sij  cost,  maecten  haer  gereet  om  de  H.  Com- 
muni  op  haer  kniën  t'ontfangen  met  reverentie  en  devotie. 
Sij  was  in  een  cleyn  camerken  of  celleken,  dat  was 
soo  claer,  perfect  verciert  met  beeldekens,  outacrtgen, 
schilderijtjes,  dat  men  tot  devotie  beweeght  werden 
als  men  daerin  quam,  alsof  men  in  een  capelletgen  ghe- 
comen  hadt.  Dit  was  haer  recreatie  met  sodanige  devotie 
van  vercierceltjes  haer  te  vermaken,  also  sij  daer  van 
jongs  aen  ^)  daerin  een  goede  ghenegentheyt  toe  ghe- 
hadt  hadde." 

Met  devote  prentjes  hadden  de  maagden  natuurlijk 
ook  veel  op.  Sommigen  waren  de  kunst  machtig  om  „de 
beeldekens  af  te  setten''  dat  is  met  goud  en  kleuren  te 
beschilderen,  zooals  Aechtjen  Cornelis  van  Veen,  van 
wier  borduurkunst  we  reeds  gehoord  hebben  '-)  en  die  ^) 
„oock  seer  devoot  was  in  beeldekens  ende  briefkens  af 
te  setten,  deelende  dien  mede  aen  den  armen  om  dien 
tot  devocie  te  verwecken ;  verporden  tot  dese  exercitie 
oock  andere  maechdekens  om  't  selfde  ter  eeren  Gods 
te  doen.  Leerden  dese  cunst,  alsoock  van  7  perdueren 
voort  aen  twe  arme  maechdekens  (met  veel  moeitens), 
dien  eerlijcken  haer  cost  daermede  wonne.  Ende  dien 
't  perdueren  conde,  dede  hetselfde  om  een  clein  loon, 
soodat  daerduer  de  devocie  van  de  menschen  vermeer- 
derden, also  datter  veel  freie  ornamenten  tot  dienst  van 
't  H.  Sacrificie    hierdoor    gemaect    worden."    —  In  het 


1)  De  schrijfster  denkt  hier  gewis  aan  hetgeen  zij  vroeger  had  verteld 
over  de  eerste  aanleiding  van  Maritgen's  trek  naar  het  geestelijk  leven, 
toen  zij  als  »jong  dochterken  van  elf  jaeren"  bij  eene  «maecht  quam 
in  den  Hoek,  welk  in  haer  devotie  was,  met  noch  een  andere  maecht, 
ende  daer  hing  een  duister  lampgen  en  brande."  Hel  geval  is  al  mede- 
gedeeld boven  Deel  XXXIV,  blz.  323. 

2)  Verg.  boven  Deel  XXXV,  blz.  299—303. 

3)  I,  blz.   105. 


17 

Leven  van  Jannetgen  Dirks  i)  lezen  we :  „Daer  was  een 
maechdeken  dien  familiaer  met  haer  was,  welk  begaeft 
waer  met  de  cunst  van  freye  briefjes  af  te  setten.  Soo 
hadt  se  voor  dese  een  frey  briefgen  afgeset  van  de 
berch  van  Calvarie  met  de  Joden  en  krijgsvolck,  daer 
onsen  Salichmaker  van  leet.  Haer  dat  schenckende 
meinde,  dat  se  haer  een  aengenaem  beeldeken  gaf; 
maer  sij  toonde  weinich  dancbarheit.  Sij  dat  merckende, 
vraechden,  oft  haer  niet  angenaem  was  ?  Antwoorde : 
daer  is  soo  veel  volks,  te  kennen  gevende,  dat  sij  liever 
hadt  een  beeldeken  dat  simpel  en  eenvuldig  was.  Soo 
practiseerde  dese  maecht  een  beelt  daer  Christus  alleen 
hangt  aen  't  cruis,  verciert  oft  omset  met  de  wapenen 
van  sijn  lijcn ;  onder  leit  de  Bruit,  in  't  hertge.  Hierin 
hadt  se  grote  devotie  om  de  eenvuldicheit  ende  het  ruste 
van  de  Bruidt  in  't  hertge  van  haer  beminde."  En 
Trijntgen  Jans  voegt,  na  het  Leven  van  deze  maagd 
besloten  te  hebben,  tusschen  enkele  punten  „die  haer 
E.  Overste  op  de  beaerdinge  gepreect  heeft,"  het  vol- 
gende in:  „Noch  een  weinich  sullen  wij  seggen  't  welk 
haer  E.  Oversten  tot  lof  verhaclt  heeft  bij  een  perticuliere 

maecht  ~),  te  weten Op  een  tijt,  ick  bij  haer  comende, 

hadt  sij  bij  haer  gestelt  al  haer  boekgens,  mijn  biddende 
oft  ik  se  wilde  doorsien.  Antwoorde:  ik  wist  [dat]  haer 
oefifeninge  goedt  ware,  en  was  't  niet  van  node  [dat]  ick 
haer  boecxkens  doorsach.  Noch  liet  sij  mijn  sien  een  slecJit 
briefgen  3)  van  haer  lijende  Salichmaker  seer  doorwont  en 
doorkorst,  seggende  dat  se  hier  meer  devotie  in  hadt  als  in 
costelicke  vergulde  briefgens.  Ick  seide,  sij  sou  haer  vrij 
met  devotie  daertoe  keren ;  waerin  sij  seer  verblijt  was." 


1)  f  28  Jan.  1636.  II,  280. 

2)  We     zullen     wel     mogen    begrijpen,    dat    met    deze    «perticuliere 
maecht"  de  Schrijfster  zelve  gemeend  is. 

3)  Eenvoudig  prentjen. 

2 


Zulke  „afgesctte  beeldekens"  werden  uitgedeeld  door 
Maria  Bastiaens  van  Craenhals  i) :  „Deelde  oock  veel 
briefjes,  beeldekens,  gedrukte  gebedekens  mede.  Elken- 
mael  alsser  een  maecht  de  geestelike  kleren  hadde  aen- 
getrocken,  gaf  dien  dan  een  frey  beeldeken,  ende  alsser 
eymant  van  buyten  op  haer  camerken  quam.  Sij  was 
seer  aentreckelik  ende  angenaem  bij  alle  menschen  om 
haer  onnoselheyt  ende  mindelikc  mewaerdicheyt."  Dat 
zij  zelfs  ook  steenen  of  houten  beelden  uitdeelde  is 
boven  al  verhaald  -).  —  Nog  wordt  er  ook  met  een 
enkel  woord  gesproken  3)  van  een  „ouwe  maecht,  te 
weten  Maria  Jans,  dien  de  beeldekens  vercocht,"  en 
die  ook  tevens  „exterordinaris  leevendich  was  in  het 
spreecken  van  innige  geestelicke  leeringhe,  want  sij  veel 
geestelicke  boecken  schreef"  ^). 

Een  tweetal  berichten  mogen  hier  nog  worden  bijge- 
voegd, die,  alhoewel  ze  den  Hoek  niet  raken,  toch  eenig 
belang  hebben  voor  de  geschiedenis  der  kerkelijke  kunst. 
Het  eerste  luidt  ^) :  „Dese  onse  E.  G[eestelicke]  M[oeder] 
Trijntgen  Dirckx,  out  sijnde  omtrent  veertien  jaeren 
begon  haer  doen  merckelick  te  setten  tot  den  dienst 
van  Godt;  daertoe  haer  veel  beweechden  een  schricke- 
lijcke  schilder  ie  van  7  uiUerste  oor  del  \  't  geen  seer  wel 
nae  't  leeven  geschildert  waer  in  de  Kerk  van  de 
Preecheren  binnen  de  stadt  Haerlem.  Welke  dese  onse 
E.  met  een  diepe  consideratie  aensag.  Ende  daerduer 
een  grote  vreesbaerheit  in  haer  zelven  bevindende,  nam 
voor  haer  hier  liever  allen  ding  te  verlaten,  opdat  sij 
sonder    vrese   mocht  sijn  in  dien  vreselicken  dach  ende 


1)  -j-  26  Maart   1640.  III,  blz.  33. 

2)  Deel  XXXV,  bladz.  403—404. 

3)  In  het  Leven  van  Maritgen  Isbrants.  III,   253  vo. 

4)  Haar  leven  is  niet  beschreven. 

5)  I,  blz.  319. 


met  de  uutvercoornen  Gods  aen  de  rechterhant  gestelt 
worden." 

Het  andere  bericht  komt  voor  in  het  sermoen,  door 
den  E.  Overste  Boudewijn  Cats  gehouden  op  de  uit- 
vaart van  Claesgen  Jans,  eene  maagd  die  op  loDec.  1643, 
bijna  negentig  jaar  oud  gestorven  was,  en  die  ^)  „noch 
jonck  sijnde,  vier  of  vijf  jare,  in  't  closterkerkgen  gink 
dicht  bij  haer  huis  [te  Hoorn]  daer  een  groot  beeltviz.% 
van  Christus  op  de  coiide  stee?i,  menichmael  daervoor 
sittende,  haer  kintse  devotie  bewijsende." 

Aan  het  eind  nog  de  gewichtige  bijzonderheid  dat 
de  E.  Overste  (Joost  Cats)  op  een  goeden  dag  een 
klem  hondje  ten  geschenke  kreeg,  toen  Weijntgen 
Gerrets  2),  een  „van  de  eerste  maechden  welcke  sijn 
E.  angenomen  heeft"  in  de  Vergadering  trad.  „Sij  hadt 
een  cleyn  hondeken,  dat  se  zeer  beminde,  maer  souden 
dat  d'Overste  schencken.  'T  geen  zij  dede."  Dit  kleine 
voorval  heeft  toch  nog  eenig  belang,  omdat  Trijntgen  Jans 
er  onmiddellijk  aan  toevoegt:  „Maer  sijn  E.  was  weynich 
angenaem  't  uutwendich  hondeken."  Het  staat  er  zoo 
aardig  kenschetsend  „7  uutxvendich  hondeken"  en  ver- 
raadt den  geest  van  de  Schrijfster  zoowel  als  van  den 
E.  Overste,  die  beiden  evenzeer  beducht  waren  voor 
alles  wat  maar  afbreuk  kon  doen  aan  „eenicheyt"  en 
„innicheit". 

En  ten  bewijze  daarvan  is  zeer  merkwaardig  wat 
Trijntgen  Jans  toevoegde  aan  het  Leven  van  Jannetgen 
Cornelis  '^),  eene  maagd  in  welke  zij  veel  deugd  en 
gaven  geprezen  had,  zoodat  zij  haar  leven  besluiten 
kon  met  de  woorden:  „Also  dese  E.  haer  veel  jaere 
in  volmaecte  wcrcken  ende  innichej't  geoefifent  hadt,  is 


i)  III,  100  vo. 

2)  f  7  Juni  1640.  III,  blz.  42. 

3)  f  II  Febr.  1614.  I,  36  v. 


gecoomen  den  tijt  dat  de  Hernelschen  Bruidegom  zijn 
Bruidt  heeft  willen  loonen,  en  is  godsvruchtelick  ghe- 
storven  in  'tjaer  ons  Heeren  1614  den  elfden  Februari". 
Nu  was  het  geschied,  dat,  terwijl  zij  te  Haarlem  in 
de  Vergadering  woonde,  haar  zuster  te  Purmerend  ge- 
storven was,  „latende  een  huys  met  cleyne  kinderkens", 
enz.  Ofschoon  het  nu  wel  meermalen  voorkwam,  dat  in 
zulke  omstandigheden  de  klopjes  als  „buytenmaechden" 
voor  korter  of  langer  tijd  met  toestemming  van  den 
E.  Oversten  afwezig  bleven:^)  zoo  schijnt  toch  hare 
bemoeiing  met  het  gezin  te  Purmerend  niet  volkomen 
naar  den  zin  van  den  Overste  te  zijn  geweest,  doch 
vooral  tot  schade  aan  haar  goeden  geest.  En  zoo  schreef 
dan  Trijntgen,  onmiddellijk  achter  het  zoo  pas  meege- 
deelde slot,  als  volgt :  „Dese  E.  maecht  Johanna  Cornelis 
is  waerdich  gheweest  alle  prijs  en  lof,  gelijcken  wij 
haer  ghegeven  hebben ;  maer  voor  soo  langhe  sij  was 
in  de  vergaderinghe  te  Haerlem  onder  de  ghehoor- 
saemheyt  van  haer  wettighe  Oversten.  Maer  daer  wat 
afwijckende  heeft  verlooren  de  glants  van  haere  duechden. 
'T  welcke  gheschiet  is  ter  oorsaeken  [dat]  dese  haeren 
waerlicke  suster  te  Purmerent  ghestorven  is,  latende 
een  huys  met  cleine  kinderkens  achter,  met  weinich 
middelen,  sodat  de  vader  most  sijn  broot  op  de  see 
winnen.  Soo  dese,  onder  't  schijn  van  goet  om  die 
kinderkens  in  de  vrese  Gods  ende  in  een  Godtvruchtich 
leeven  op  te  voeden,  gaf  haer  tot  die  uutkeer,  ende 
dat  buyten  de  ghehoorsaemheyt  van  haer  Biechtvader. 
Hierdoor  heeft  se  gheleden  zeer  grote  schade  aen  haeren 
geest ;  want  dengeene  wien  in  't  beginsel,  doen  se  eerst 
daer    quam,    was    een    toevlucht    van    de    maechdekens 


i)  Verschillende  gevallen  werden  vroeger  meegedeeld.  Bijdr,  XXXIV, 
biz.  329—336. 


dier  plaetse,  doordien  sij  uut  haer  vervulde  memorie 
wist  voort  te  brengen  sooveel  H.  propoosten,  uut  haer 
verlichte  verstant  soo  verlichte  kennisse  ende  uut  haer 
vierighe  gheest  de  voncxkens  van  H.  affectie,  verloor 
allenskens  't  selfde  en  verslapten  in  de  volmaectheyt 
des  geest ;  soodat  de  maechden  bijnae  van  weeck  tot 
weeck  conde  sien  dat  se  verslapten  in  haeren  geest 
ende  worden  seer  uuterlick,  soodat  se  haer  gheselschap 
schonden.  Ons  allen  tot  een  groote  waerschouinge,  dat 
niemant,  hoe  verstorven  hij  schijnt,  hoe  ghevordert  in 
de  duecht,  mach  sijn  zelven  stellen  in  't  minste  peryckel 
of  uutkeer,  buyten  de  ghehoorsaemheyt,  noch  oock  om 
eenich  vordcl  of  proffijt  't  sij  lichamelijck  of  geestelijck 
voor  sijn  evennaestcn.  Soude  men  nae  menschelijcke 
manier  gheoordelt  hebben :  men  soude  gheseydt  hebben, 
dat  daer  bijnae  niemant  onder  de  vergaederinghe  be- 
quamer  toe  was  om  sonder  hinder  haer  uut  te  keeren 
als  dese.  Ende  immers  i)  heeft  men  bevonden,  dat  den 
uutkeer  haer  soo  schadelijcke  gheweest  is,  ende  weinich 
of  geen  proffijt  ghedaen  in  de  kinderen  van  haeren 
suster.  Ende  ter  contrarie  haer  joncste  suster  Griete 
Cornelis  -),  dien  haer  hiel  in  de  vergaderinghe  aen  de 
ghehoorsaemheyt,  scheen  geen  affectie  te  hebben  tot 
haer  vrienden,  ende  heeft  met  haer  innighe  ghebeeden 
daer  de  meeste  vruchten  onder  ghedaen.  Hierom  laten 
wij  ons  houden  in  eenicheyt  en  innicheyt  onder  de 
ghehoorsaemheyt,  ende  niet  geeven  tot  de  minste  uut- 
keer als  met  de  ghehoorsaemheyt.  Soo  en  sel  den  uut- 
keer ons  niet  schadelijck  sijn,  maer  een  oorsaeck  van 
volmaeckter  inkeer." 

Deze   toevoeging   is    ook    om  nog  eene  andere  reden 


1)  Immers  =  toch. 

2)  f  4  Febr.   1610.  I,  blz.   38—39. 


voor  ons  merkwaardig,  omdat  er  zoo  duidelijk  uit  blijkt, 
dat  het  schrijven  der  Levens,  niet  slechts  bedoelde  op 
te  wekken  tot  navolging  der  deugden,  maar  ook  wel 
degelijk  tot  onderrichting,  en  waarschuwing  tegen  ge- 
breken en  misbruiken.  De  lezers  hebben  al  meermalen 
kunnen  opmerken,  dat  onvolmaaktheden  en  fouten 
volstrekt  niet  verzwegen  werden  noch  uit  eerzucht 
goedgepraat,  en  dat  er  menig  wijs  lesje  of  waarschuwing 
puntig  en  raak  werd  uitgedeeld.  Ik  heb  hier  in  de 
noot  ^)  verscheidene  plaatsen  verzameld,  welke  in  de 
drie  boeken  der  Levens  getuigenis  daarvan  geven.  En 
zoo  vinden  we  dan  ook  over  de  Schrijfster  verhaald  ^), 
dat  zij  „een  naerstich  waeckend  ooch  had  over  de  ge- 
breecken  van  haer  evennaesten,  te  weten :  haer  onder- 
saeten  die  haer  bevoolen  waeren,  en  die  haer  .stonden 
te  verbeeteren ;  maer  die  haer  niet  bevoolen  en  waeren, 
daer  sach  se  meer  in  nae  de  deuchden  als  nae  de 
ghebreecken."  Immers  „als  haer  gevraecht  worden,  wat 
de  oorsaeck  was,  dat  haer  beweechden  om  sooveel 
arbeyts  te  doen  tot  het  beschrijven  van  de  deuchden 
van  de  maechden,  zoo  gaf  se  tot  antwoort :  omdat 
sulcx  van  ons  kan  worden  nagevolcht ;  want,  seyde  sij, 
in  't  leeven  van  de  Heylighen  is  veel  beschreeven  dat 
voor  ons  is  meer  te  verwonderen  als  nae  te  volghen. 
Maer  hetgeene  dat  ick  beschrijf  dat  kunnen  wij  met 
gemack  naevolghen  doordien  dat  wij  hetselve  met  onse 
ooghen  hebben  gesien." 

En  hiermede  zijn  de  mededeelingen  ten  einde,  die, 
als  belangrijk  voor  onze  kerkelijke  geschiedenis,   uit  de 

1)  I,  66,  121,  152  vo.,  161  vo.,  191  vo.,  227,  229,  304,  308 — 309, 
332,  390,  II,  43,  44>  46,  61,  62,  64,  266  vO.,  297  vo.,  346—348, 
III,  276,  279  volg.,  377,  399. 

2)  In    haar    Leven,   beschreven  door  Maria  van  Wieringen  III,  428. 


23 

„Levens  der  Maechden"  aan  het  licht  werden  gebracht. 
Zoo  werd  vooreerst  in  de  deelen  XVII — XX  dezer 
Bijdragen  bijeenverzameld  wat  er  wetenswaardig  be- 
vonden werd  over  kerkelijke  personen,  plaatsen  en 
toestanden  sedert  de  Reformatie  en  in  de  eerste  helft 
der  i/f^e  eeuw.  Het  werd  onder  plaatsnamen  naar  het 
abc  gerangschikt.  Vervolgens  werd  de  bijzondere 
geschiedenis  van  den  Haarlemschen  Hoek  behandeld 
volgens  de  orde  van  Geestelijke  Oversten  en  Moeders 
en  het  dagelijksche  leven  der  klopjes. 

Toch  is  met  dat  alles  nog  lang  niet  volledig  mede- 
gedeeld wat  onder  ander  dan  kerkgeschiedkundig  op- 
zicht van  belang  mag  worden  geacht,  maar  daarom 
dan  ook  in  de  Bijdragen  minder  op  zijn  plaats  is.  Zoo 
heb  ik  vele  aanteekeningen  kunnen  verzamelen  over 
het  eigenlijke  ascetische  leven  der  Maagden,  en  tal  van 
bijzonderheden  ook  over  bijzondere  deugden  en  gaven. 
De  Levens  toch  werden  tot  stichting,  onderrichting  en 
opwekking  geschreven  ;  en  de  vraag  mag  worden  gesteld, 
of  we  niet  in  deze  vrome  boeken  eene  navolging  hebben 
te  zien  van  de  middeleeuwsche  zede,  waaraan  we  bijv. 
de  Levens  van  de  Broederen  des  Gcmeenen  Levens 
mogen  danken,  zooals  die  door  Brinkerink  en  Thomas 
van  Kempen  beschreven  werden.  Het  wil  mij  daarom 
voorkomen,  dat  er  uit  de  drie  quartijntjes  ook  nog  voor 
onze  dagen  een  echt  stichtelijk  boek  zou  zijn  saam  te 
stellen  tot  degelijke  opbouwing  van  hooge  deugd.  Aan 
vrome  spreuken  en  bijzonder  innige  uitdrukkingen  ont- 
breekt het  in  de  Levens  niet,  want  de  Schrijfster  heeft 
voor  alles  wat  het  geestelijke  en  volmaakte  leven  raakt 
een  bewonderenswaardigen  rijkdom  van  taal  en  zegswijze 
ten  haren  dienste.  Daarom  zou,  dunkt  mij,  ook  de  taal 
zelve  een  nadere  beschouwing  verdienen,  onder  ver- 
gelijking tevens  met  de  spreekwijze,  welke  in  de  zuidelijke 


24 

Nederlanden  toentertijd,  blijkens  de  ascetische  boeken, 
gebruikelijk  was.  Doch,  zelfs  afgezien  van  het  geestelijk 
karakter,  mag  aan  de  spraak  dezer  zeventiende-eeuwsche 
boeken  de  belangstelling  verzekerd  zijn  wegens  den 
overvloed  van  eigenaardige  woorden  en  uitdrukkingen, 
waarvan  de  Schrijfster  zich  bedient,  en  die  te  meer 
nog  de  aandacht  vragen,  omdat  hare  taal  zoo  onge- 
kunsteld en  argeloos  werd  neergeschreven,  heelenal 
vaak  uit  den  keuvelenden  mond  van  den  dagelijkschen 
omgang.  Af  en  toe  reeds  moesten  sommige  ervan  voor 
den  gewonen  lezer  verklaard  worden ;  doch  een  niet 
onaanzienlijk  aantal,  door  mij  verzameld,  zou  nog  be- 
handeling, althans  medgdeeling,  verdienen. 

Zoo  heeft  dan  klopje  Trijntgen  Jans,  gewis  meer  dan 
zij  zelf  zal  hebben  voorzien,  zich  voor  het  nageslacht 
verdienstelijk  gemaakt;  aan  ons  de  voldoening  van 
welgemeend  in  te  stemmen  met  den  wensch  die  met 
dankbaar  hart  werd  neergeschreven  i)  „God  den  Heer 
wil  haer  een  groote  glorie  gheven  van  haeren  getrouwen 
arbeyt." 

Overveen,   lo  Juni   1913.  J.  J.  Graaf. 


FABERDOM,  FABERDOEN,  FABREDON. 
(Vergelijk    Bijdragen    XXXV,    blz.    168    en    41  g). 


Een  belangstellend  lezer,  vraagt,  of  niet  met  deze 
woorden  het  bekende  faiix-boiirdon  (falso  bordone)  zal 
bedoeld  zijn.  Daar  is,  dunkt  mij,  niet  aan  te  twijfelen. 
J.  J-  G. 

l)  Door  Maria  van  Wieringen,  de  Haarlemsche  maagd,  die  op  hare 
beurt  Trijntgen's  leven  beschreef.  III,  445  vo. 


CARMELITESSEN-KLOOSTERS  IN  NEDERLAND 
VOOR  DE  HERVORMING. 


Haarlem  en  Rotterdam. 

In  deze  Bijdragen  dl.  XXXIV,  bl.  174  wordt  ge- 
sproken over  den  Zaligen  Joannes  Soreth,  Generaal  der 
Carmelietenorde,  die  in  1457  het  Haarlemsche  Carme- 
lietenklooster  reformeerde  en  de  kloosterlijke  tucht 
herstelde.  Zijne  zorg  strekte  zich  evenwel  niet  uit  tot 
de  ordebroeders  alleen  ;  doch  ook  over  hen,  die  behoorden 
tot  de  ,, tweede  orde". 

Van  het  ontstaan  der  verschillende  Orden  af,  vooral 
der  Mendicantes,  zijn  er  immer  vrome  vrouwen  en 
maagden  geweest,  die  aangedreven  door  de  begeerte 
en  het  heilig  verlangen,  zoo  volmaakt  mogelijk  God  te 
dienen  en  de  Evangelische  Raden  te  beoefenen,  het 
leven  der  monniken  navolgden.  Zij,  die  het  gedeeltelijk 
beoefenden  en  zooverre  de  plichten  van  hun  staat  het 
gedoogden,  werden  affiliatae  genoemd.  Uit  deze  personen 
vooral  ontstond  de  derde  Orde,  opgericht  door  een 
BuUe  van  Paus  Nicolaas  V  in  het  jaar  1452  en  nader 
bevestigd  door  Paus  Sixtus  IV  in  1476.  Anderen 
echter  gaven  zich  geheel  aan  God ;  bouwden  een  celletje 
in  de  schaduw  des  kloosters  en  werden  reclusae  ge- 
noemd. De  zalige  Thomas  Waldensis  (f  142 1)  bevorderde 
ten  zeerste  dit  leven  van  volmaaktheid.  Vooral  in 
Engeland    vond    men    vele    reclusae^    doch    ook    wel  in 


26 


andere    landen.    Een    der    meest    bekende    is    de  zalige 
Johanna  van  Toulouse. 

Voornamelijk  uit  deze  personen  onstond  de  tweede 
Orde,  canoniek  opgericht  bij  Bulle  van  7  October  1452 
door  Paus  Nicolaas  V.  Met  blijde  dankbaarheid  ontving 
de  zalige  Joannes  Soreth  deze  pauselijke  gunst.  Reeds 
den  I4en  October  1453  stichtte  hij  te  Geldern  (bij 
Kevelaer)  het  eerste  Carmelitcssen-klooster  ^) ;  het  tweede 
te  Luik;  verder  te  Dinant,  Namen,  Vilvoorden  en 
Haarlem.  In  het  jaar  1465  zond  de  Generaal  Bave  Dirxd. 
en  eenige  medezusters  uit  het  klooster  van  Geldern  naar 
Haarlem  om  aldaar  een  klooster  te  stichten  -).  De  plaats 
van  het  klooster  vinden  wij  in  een  brief  van  Theodoricus 
de  Wassenaer,  pastoor  der  S.  Bavo  te  Haarlem  ■^):  Dirrick 
van  Wassenaer,  Prothonotarius  des  Heyligen  Stoels  van 
Romen,  Proost  en  Archidiaken  der  Kerke  Sinte  Jans 
t  Utrecht,  Persoenre  en  Cureyt  der  Cueren  en  de  Parochi- 
kercke  van  Haerlem,  enz.  Doen  condt  allen  luyden, 
dat  wij  voor  ons  ende  onsen  naecomelinghen  Cureyten 
derselver  Curen  belieft  ende  consenteert  hebben,  believen 
en  consenteren  mit  desen  onsen  brieve  de  Religiose 
ende  devote  suster  Bave  Dircxs,  voir  haer  ende  haer 
mede  Susteren  opt  Nyewelant  binnen  der  Stede  van 
Haerlem  een  Oorde  an  te  nemen  van  onser  liever 
Vrouwen    Broeders    van    den    Berch  van  Carmeli,  ende 


i)  De  plaats  was  Ten  Eisen  genaamd,  en  reeds  —  naar  ik  vermoed  — 
te  voren  door  Begijnen  bewoond. 

2)  Wij  volgen  vooral  de  Batavia  desolata  Cannelitana,  onzen  lezers 
nu  al  welbekend,  doch  putten  ook  uit  andere  bronnen,  o.  a. :  Totmis 
E  seu  quintus  R.  Z'.  J  a  c.  M  i  1  e  n  d  u  n  c  k  Historiae  Provindae  (Stads- 
archief, Frankfort).  Pater  Jacobus  Milendunck  geboren  16 12,  was  sinds 
1640  Prior  te  Aken,  Keulen,  Mainz,  Boppard  enz. ;  sinds  1669  Historio- 
graaf der  Orde.  Hij  benutte  vooral  de  thans  grootendeels  verloren 
gegane  Acten  der  provinciale  kapittels.  Hij  overleed   1682. 

3)  Uit  de  Batavia  des.  Carm.  TJve.  ook  Allan  Geschiedenis  van 
Haarletn,   II,   474. 


27 

die  Capelle  opt  selve  Nyevvelant  mit  haer  toebehoren 
aen  te  vatten,  ende  daer  verheffen  te  stichten,  timmeren 
en  te  bouwen  voir  haer  ende  haer  naecomehnghen 
toecomende  Susteren  een  Clooster  ende  Convent  der 
Oorden  voirz.  getijden  te  houden  nae  den  Regel  der 
selver  Oorden.  Behoudelijck  dat  zij  voir  hun  ende  haer 
convent  ende  Clooster  voirz.  ons  ende  onsen  naecome- 
hnghen Cureyten  der  Kercke  van  Haerlem  voirz,  alle 
jaer  tot  Paesschen  uutreyken  ende  betalen  sullen  eenen 
gouden  Vranckrijcksen  Schilt  oft  Payment  haere  waerden 
dair  voir,  ende  voir  elcke  Suster  oft  dienre  des  selven 
Convents  die  daer  storf  of  begraven  worden,  sullen  sij 
betalen  een  loot  goet  fijns  puers  Silvers.  Ende  waert 
dat  sij  yemandt  die  daer  begeerde  begraven  te  worden 
of  daer  quam  om  begraven  te  ontfangen  ende  begraven, 
daer  sullen  zij  terstont  binnen  een  maent  nae  der  be- 
graevinghe  den  Cureyt  in  der  tijt  wesende  voir  betalen 
vier  Vranckrijckse  Schilden.  Voort  en  sullen  zij  niet 
hanteren,  mit  singhen,  mit  prediken  oft  doen  prediken, 
noch  mit  processien,  met  questien  oft  anders  in  eniger 
manieren.  Ende  of  zij  of  enich  van  hun  den  voirz. 
poincten  alle  of  enich  contrarie  deden,  zoo  kennen  zij 
den  Cureyt  dan  wesende  terstont  vervallen,  ende 
schuldich  te  wesen,  daervoir  een  pond  groot  Vlaems, 
so  dicke  ende  menichwerf  als  zij  dat  doen.  Ende  stellen 
daer  op  quyt  alle  previlegien  daer  zij  hun  tegens  voirz. 
zouden  moegen  mede  behelpen.  Des  t'  oorconde  so 
hebben  wij  Dirick  voirz.  onsen  zegel  an  desen  brief 
doen  hanghen  int  jaer  ons  Heren  1465  op  ten  negenden 
dach  in  Febriario." 

Het  klooster  stond  op  het  Nieuwland  aan  het  einde 
van  de  Barrevoeter.steeg,  niet  ver  van  de  voormalige 
St.  Gangolfskerk  en  kwam  uit  aan  de  (nu  gedempte) 
Volderserracht. 


28 


In  het  jaar  1482  werden  eenige  Zusters  naar  Rotter- 
dam gezonden,  om  aldaar  een  nieuw  klooster  te  stichten. 
Opdat  de  Zusters  te  Rotterdam  in  denzelfden  geest 
zouden  leven  als  die  van  Haarlem,  werd  haar  een  ge- 
zegeld schrijven  medegegeven  van  de  Eerw.  Priorin 
Gertrudis  Gheraertsd.,  van  den  volgenden  inhoud  i):  Wij 
Geertruydt  Gcraertsd.  ootmoedigh  Priorin  onser  Lieve 
Vrouwen  Susteren  cloester  binnen  Harlem  opt  Nieuwe- 
lant  ende  alle  andere  desselven  cloostere  doen  condt 
ende  kennelijck  maken  alle  luyden,  die  desen  onsen 
brief  sullen  sien  ofte  hooren  lesen,  als  dat  onsen  clooster 
ter  allen  tijdt  gestaen  heeft  onder  den  Prior  van  Harlem, 
soodat  hij  naar  onser  begeerte  ons  geset  heeft  een 
biechtvaeder,  bij  consent  des  Provinciaels,  bij  wekken 
onsen  convent  wordt  geregeert  in  manieren  hier  na 
gescreven.  In  den  eersten  soo  en  ontfangen  wij  geen 
postulanten,  dan  bij  wille  ende  consent  van  hem ;  die- 
welcke  soo  ontfangen  de  Prior  heeft  te  kleeden  oft  te 
professen,  oft  iemand  van  hem  geset.  Item,  geen  dinghen, 
die  werkelijk  zijn,  als  van  coopen  en  vercoopen  huys, 
hof,  erf  oft  anders  iets  notabels  doen  wij,  dan  bij  raade 
des  Priors,  Biechtvaeders  ofte  iemand,  daertoe  van  den 
Provinciaelswege  gemachtigt. 

Item,  op  geene  daghen  preect  men  in  onser  Kercken, 
dan  alleen  op  onsen  Kerkmisdagh ;  in  welcken  daghen 
wij  geen  aflaaten  vercondighen,  dan  sympelijck  en  een 
scamel  aelmis  ontfanghen  nae  devotie  des  volcks. 

Item  wij  en  procureeren,  noch  doen  procureeren 
geenerhande  dinghen,  bij  welcke  die  Orde  eenighe 
schade  mochte  vercrijgen  ofte  convent  der  Broederen 
eenigh  achterdeel,  Item  geen  ghilde  ofte  Broederschap 
en  sijn  gesticht  in  onse  kercke,  maer  wij  hebben  altoes 


1)  Gecopieerd  uit  Batavia  des.   Cann. 


29 

van  beginne  tot  desen  daeghen  ons  neerstelijk  te  werck 
gestelt  met  spinnen,  vlassen,  wullen  en  kammen  bij 
daeghe  ende  oock  bij  nachte,  alsoo  dat  wij  met  onsen 
sueren  arbeit  onsen  armen  kost,  huys  en  erf  moesten 
betaelen.  Item,  niet  van  gevvoente,  mer  uit  bede  wille 
sonderwijle  visiteeren  wij  vrienden  in  haer  sieckten, 
dewelcke  sonder  grooten  onwaert  niet  weygeren  en 
moghen.  Is  van  desen  iet  anders  dan  hier  voorgescreven 
staet,  dat  is  kondigh  den  susteren  tot  Rotterdam  van 
cloester  gereist.  Van  desen  voorseyden  puncten  waer- 
achtige  te  doen,  hebben  wij  Priorin  ende  convent  voor- 
seydt  desen  Brief  besegelt  met  onsen  geheymen  segel 
hier  beneden  aangedrukt  in  't  jaer  ons  Heeren  duisent 
vier  hondert  twee  en  'tachtigh  op  den  twintigsten  dagh 
van  November. 

In  het  jaar  1486  was  Eva  Willemsd.  de  overste  van 
het  klooster,  onder  welke  Priorin  de  volgende  over- 
eenkomst getroffen  werd  tusschen  pater  Albertus  Joannis, 
S.  Theol.  doctor  Lovan.,  Prior  van  het  Carmelietcnkloostcr 
en  dit  convent :  Wij  Aeff  Willemsd.  Mater,  Gecrtruyt 
Gerij tsd.  onder-Mater,  Meynburgh  Regersd.  en  Lysbet 
Gerbrantsd.,  Gertruyt  Arentsd.,  Eltsen  Jansd.,  Bart 
Jansd.,  Yde  Martinsd.,  Maritgen  Claesd.  ende  alle  andere 
gemeine  Susteren  des  Convents  van  onse  Lieve  Vrouwe 
Susteren  binnen  Harlem,  Oirconden  ende  kennen,  dat 
wij  voor  ons  ende  onse  naecomelingen  begeert  hebben 
ende  begeeren  voor  nu  en  voor  eeuwighen  tide  een 
biechtvader  te  hebben  naer  onser  begeerte  en  goeden 
wille  des  convents  onser  lieve  Vrouwe  Broederen  te 
Harlem  door  machte  des  Provinciaels  van  Nederale- 
mannen  in  der  tijdt  wesende.  Welcken  biechtvader  wij 
beloven  huisvestinge,  cost  en  kleederen  te  besorgen  en 
te  geven  alsolange  als  hij  in  onsen  dienste  wesen  sal. 
Ende  waert  saecken,  dat  wij  van  hem  ontlast  begeerden 


30 

te  wesen,  soo  sullen  wij  nochtans  hem  sijn  costen  be- 
taelen  sijn  leven  lanck,  in  wat  convent  hij  woenen  sal. 
Ende  waert  saecken,  dat  hij  sieck  of  cranc  woerde,  in 
onsen  dienst  wesende,  soo  sullen  wij  hem  sijn  costen 
en  kleederen  besorghen,  alsoolanck  als  hij  onbequaem 
wesen  sal  den  Ordene  te  dienen.  Ende  alsolanc  als  wij 
van  staede  niet  en  sijn  de  biechtvader  binnen  onsen 
Convente  te  houden,  soo  sullen  wij  den  voors.  Convente 
van  den  Broederen  betalen  jairlix  voor  sijnen  coste 
XX  Rijnsche  gulden  ende  daerenboven  hem  sijn  cleederen 
besorgen ;  des  en  sal  hij  tot  geenen  laste  van  den  convente 
blijven.  Voert  als  wij  van  staede  sullen  wesen  te  hebben 
een  medebroeder  ofte  twee  tot  den  biechtvaders  ende 
t'onsen  dienste,  so  begeeren  wij  (die)  oock  te  mogen  hebben 
bij  goeden  wille  des  convents  door  machte  des  Provin- 
ciaels,  den  wekken  wij  oock  beloven  te  geven  ende  te 
doen,  alle  het  gene  dat  wij  belooft  hebben  en  beloven 
den  biechtvader  als  voorseyt  is,  Ende  dit  alle  t'saemen 
is  geschiet  bij  consente  van  den  Eerw.  Meester  Martin 
van  Mongord  ende  des  Priors  uit  den  convente  voorseyt, 
die  ons  belooft  hebben,  dat  wij  eenen  biechtvader  ende 
medebroeder  hebben  sullen,  nae  den  voorseyden  manieren 
ten  eeuvvighen  daghe,  alle  ding  sonder  arch  en  list.  In 
kennisse  van  desen  soo  hebben  wij  Mater  en  alle  andere 
Susteren  voorseyt  bij  denselve  convente  desen  brief  over 
ons  gesegelt  met  onse  conventssegel  hier  beneden  aen- 
hanghende.  Ende  tot  meerdere  vastigheyt  soo  hebben 
wij  oock  gebeden  den  Eerw,  Meester  Provinciael  Martin 
ende  den  Eerw.  Meester  Aelbrecht,  Prior  van  Haerlem 
ende  den  gemeinen  convente,  dat  zij  desen  brief  mede 
wilden  besegelen  over  ons  en  over  hen  luiyden  in  't  gene, 
dat  hun  aengaet,  't  welck  wij  Meester  Martin,  Provinciael 
ende  Meester  Aelbrecht  Prior  ende  gemeine  convente 
voorseyt   gerne   gedaen    hebben  ende  onse  segelen  hier 


31 

.beneden  aengehanghen.  In  kennisse  der  waerheit  gesciet 
in  't  jaar  ons  Heren  duysent  CCCC  en  sessen  't  achtig 
op  den  seventsten  dagh  Aprilis." 

In  't  jaar  1487  werden  eenige  zusters  van  het 
Haarlemsche  convent  naar  Brugge  gezonden,  waar  een 
Carmelitessenklooster  was  gebouwd.  Zij  moesten  daar 
eenige  jaren  blijven,  om  den  waren  religieusen  geest 
over  te  planten  en  te  doen  beoefenen  in  dit  nieuwe 
klooster.  Na  eenige  jaren  keerden  deze  zusters  weer 
naar  Haarlem  terug.  Vijf  jaar  vroeger  —  1482,  zooals 
boven  reeds  werd  aangegeven  —  waren  er  Zusters 
verplaatst  naar  Rotterdam,  om  aldaar  een  klooster  te 
stichten.  Deze  Zusters  —  over  welke  wij  aanstonds 
zullen  handelen  —  keerden  niet  naar  het  Haarlemsche 
convent  terug.  Als  „Vrouwe-Broerisse"  (sic)  van  ons 
klooster  wordt  ook  nog  vermeld  Caterijne  Jansd.,  eene 
nicht  van  Margaretha  van  Egmond.  De  laatste  besprak 
in  15 12  hare  nicht  Caterijn  „haer  beste  laekense  faly 
ende  haer  swarten  tabbairt  mit  dat  marteren  fou,  00c 
dat  gebruyck  hoir  leven  lanck  van  de  voorz.  casse  ende 
ons  Heeren  geboert,  daertoe  den  duytschen  Bijbel  en 
Passionael  elck  in  twee  stucken  gebonden,  alleen  gebruyck 
dair  of"  zoo  zegt  Alkemade  in  zijn  beschrijving  der 
Abdij  Leeuwenhorst.  Volgens  vuytgeef  ende  betalinge 
(van  stadswege)  gedaen  tot  onderhout,  alimentatie  ende 
traictement  van  conventualen  vuyten  Vrouwen-broers 
convente,  bedroeg,  zoo  zeggen  ons  de  Rekeningen  Geestl. 
goederen  1 581/1582  de  totale  jaarlijksche  „vuytgeef", 
welke  na  de  opheffing  der  kloosters  aan  de  nog  levende 
Zusters  werd  verstrekt,  de  som  van  3 1 5  Z ;  daarvan 
erlangde  Henrick  Cornelisz.  „voormaels  supprlor  van 
't  voors.  Convent  9  Z,." 

Tijdens  het  beleg  der  stad  door  de  Spanjaarden 
(1572 — 1573)    is    het    klooster    grootelijks    beschadigd; 


32 

alleen  de  kerk  bleef  staan.  Volgens  Allan  Geschiedenis 
V.  Haarlem^  dl.  II  blz.  475,  was  in  't  jaar  1609  ^^l^s 
verdwenen  en  de  grond  betimmerd,  behalve  het  kerk- 
hof, dat  eerst  in  1662  verkocht  werd  aan  de  eigenaars 
der  rondom  gelegen  gebouwen. 

Het  Carmelitessen-klooster  te  Rotterdam  is,  als 
gezegd,  ontsproten  uit  het  Haarlemsche.  In  1482 
werden  elf  harer  uit  dit  klooster,  aangewezen  om  te 
Rotterdam  in  de  Oost-  en  Goudse  VVagettstraet  ^)  het 
kloosterleven  voort  te  zetten.  Het  waren:  Aecht  Jansd., 
Mater ;  Aef  Wouters,  Sub-mater  en  Marije  van  Haerlem, 
geprofeste  zuster,  benevens  vijf  novicen  en  drie  postulanten 
of  „noch  niet  ingekleede,  door  zusters  van  zeker  nieuw 
convent  der  zusteren  van  de  Karmelyten-Order  door 
Meester  Aelbrecht  van  Haarlem,  Vikaris  van  den 
Provinciaal  der  Karmelyten  van  Neder-Duytsland,  in 
bescherming,  verdediging,  regel  en  order,  in  Gods  name 
zakelijk  en  metterdaad  aangenomen  en  ontvangen."  In 
den  volgenden  brieft)  had  Meester  Aelbrecht,  de  Vicarius 
Provinciaal  zijn  toestemming  gegeven :  In  den  naam  des 


1)  Over  de  juiste  plaats  van  het  klooster  zijn  alle  schrijvers  't  niet 
eens.  Het  moet  gestaan  hebben  in  de  Oost-  of  Goudschewagenstraat 
op  het  einde  van  de  Kipstraat.  De  eene  kroniekschrijver  —  zoo  zegt 
ons  Dr.  E.  Wiersum,  wien  wij  deze  bijzonderheden  danken  — geeft 
aan:  de  Oostwagenstraat  O.Z.  {Brotwen  voor  Gesch.  /^otterdam  \\, /\.o<)); 
anderen  spreken  van  Westhoek  G.  Wagenstr.  en  N.O.-hoek  Kipstraat 
{Rott.  lil.  I,  237,  n".  669  en  670).  Het  klooster,  toegewijd  aan  de 
H.  Maagd,  schijnt  in  den  volksmond  den  naam  van  St.  Annaklooster 
gehad  te  hebben  ;  ook  in  het  registrum  Georgii  Egmondatii,  ep.  traj.  H,  54 
is  op  23  Febr.  1549  sprake  van  het  Carmelitessenklooster  van  S.  Anna 
te  Rotterdam. 

Volgens  Rott.  in  den  loof  der  eeuwen  U,  33  zou  het  klooster  misschien 
reeds  gesticht  zijn  in  1443,  doch  de  aandachtige  lezer  heeft  reeds 
begrepen,   dat  dit  niet  juist  kan  zijn. 

2)  Zie   Batavia  des.    Carm. 


33 

Heeren.  x\men.  Het  sij  aen  alle  en  aen  ieder  bekent, 
dat  in  het  jaer  naer  des  Heeren  geboort  1482  in  de 
15e  indictie  den  25  November  ten  een  uure  of  daar 
omtrent  in  't  twaalfde  jaer  des  Pausdoms  van  den 
Heiligen  Vader  in  Christus,  Sixtus  door  de  goddelijke 
voorsienigheit  den  IV  Paus  van  dien  naem,  voor  mij 
openbaeren  Notaris  onderschreven  ende  voir  de  onder- 
schrevene  getuigen,  die  daerbij  bijsonderlijk  ontboden 
en  versogt  waren,  in  eigen  persoon  zijn  verschenen  de 
Religieusen  godvruchtige  personen  Agathe  Joansd. 
Moeder  ofte  Bestierdster,  Aef  Woutersd.  onderbe- 
stierdster,  Maria  IJsbrands,  geprofesside  suster,  Ursula 
Jacobsd.,  Dirckje  Aelbertsd.,  Eva  Hendricksd.,  Lysbeth 
Pietersd.  en  Magdalena  Dirxsd.  ingekleede  susters ; 
Anna  Hendriksd.,  Maria  Gysbertsd.,  en  Tytrie  Jansd. 
nog  niet  ingekleede  susters  van  seekere  nieuwe  plantinge 
oft  nieuwe  Convente  der  susteren  van  de  Carmeliten- 
order  te  Rotterdam,  onder  het  bisdom  van  Utrecht 
ende  hebben  heilsamelijk  begeert  en  ten  hoogste  ge- 
wenscht,  dat  se  onder  de  ermen  van  onse  Moeder  de 
H.  Kercke  en  mit  behoirlijke  hulpmiddelen  tegen  aller- 
hande stroomingen  en  quaede  oorblasingen  verdedigt 
en  beschermdt  mochten  worden.  Ten  dien  eynde  hebben 
se  den  Eerweerdighen  en  Religieuse  Vader  Meester 
Aelbert  Johanzoon  ^)  van  Haerlem,  Leezer  in  de  Godt- 
kunde,  als  in  deese  saecke  den  Vicaris  van  den  Meester 
Provinciael  der  carmeliten  van  Nederduytsland,  voor 
haer  selven  en  voor  haer  naesaten  ootmoedelijck  in 
Christus  gebeden,  dat  sij  haer  soo  sij  bovengenoemt 
staen  en  haer  naesaten  in  het  gemelde  convent  van 
Rotterdam  onder  de  bescherming  der  Regel  in  de  Orden 


i)  Pater    Alberlus  Joannis,    Doctor   van  Leuven,  de  Vicaris  van  den 
Provinciaal   (1482)  werd    1484  voor  de  tweede  maal  Prior  te  Haarlem. 

3 


34 

van  de  glorieuse  Maegt  Maria  des  Berghs  Carmeli  met 
alle    voorrechten,    die   aen    de  Orde  vergunt  zijn,  goet- 
gunstelijck     wille     aannemen     en     ontfangen.     Gemelde 
Meester    Aelbert,    door    dese   gebeden  als  rechtmaetigh 
sijnde,    bewogen,    heeft    opt    gezach    van    den    Meester 
Provinciael,  van  wien  hij,  gelijck  bleek  gemachtigd  was, 
het    gemelde    convent    met    de    susteren    in    die    voor- 
schrevene     bescherminghe,     verdedigingh,     regel     ende 
order     in    Godts    naeme    saeckelijk    ende    metter    daet 
aengenomen,    onder   dese    voorwaerde  nochtans,  dat  de 
dry  eerstgenoemde  susteren  van  het  Haerlemse  convent 
voortaen   in  dit  convent  ingelijft  en  de  voornaemste  en 
bestierdsters   van  hetselve  sullen  sijn.  Secundo,  dat  ge- 
melde susters  alhier  sich  eendrachtig  sooals  sij  toegestemt 
hebben,  sullen  houden  ende  vernoecht  sijn  met  de  voor- 
rechten,   vergunninghen,    die    de    Order   vercreghen    en 
ontfanghen    heeft    oft    noch    op    wat  wijse  het  sij,  ont- 
fanghen    en    vercrijgen  sal,  even  eens  gelijck  sij  in  het 
convent   te  Harlem  genieten  ende  dat  sij   in  de  handen 
van   mij  Notaris  plechtigh  en  op  straffe  van  ongehoor- 
saemheyt    sullen  beloven  sich  in  alles  te  voegen  naer  de 
gemelde  susters  van  't  Harlemsch  convent.  Tertio  sullen 
sij    de    conventen    van    haer   Orden  vrij  en  schaedeloos 
houden    van    alle    schulden,    die    sij    of  haere  naesaten 
sullen    maecken   en    sullen  deswege  ten  bequamen  tijde 
een    behoorlijke    versekeringh   ter  hant  stellen,  Gedaen 
in    de    biechtkamer   van  't  voors.  convent  ten  overstaen 
van  de  voorsienige  en  eersaeme  mannen  Hugo  Buscher 
Jacobszoon    en  Jeroen  Albertzoon  leecken  en  Borghers 
van  Rotterdam."  En  was  mede  onderteekend  door  den 
Vicaris    Provinciaal,    de    Eerw.  Mater  en  Sub-mater  en 
eindelijk  door  Jacobus  Mercatoris  „clericus  Trajectensis, 
publicus  sacrae  imperiali  auctoritate  Notarius". 

In    hetzelfde    jaar    1482    ontvingen    zij    de    volgende 


35 

protectiebrief  1)  van  den  Rotterdamschen  Magistraat: 
Wij  Schout,  Borgemeesteren  en  Schepenen  van  Rotter- 
dam doen  condt  allen  luyden,  hoe  dat  wij  bij  gemeenen 
overdachte  en  om  de  lof  en  de  eere  Gots  te  vermeerderen, 
aangenomen  hebben  in  onsen  goeden  hoede  en  bijsondere 
bescermenisse  de  devote  Maegden,  geprofessijt  onder 
den  Regel  van  ons  lieve  Vrouwe  des  Berghs  Carmeli 
ende  op  den  straat  tenden  die  Kipstraet,  ende  omdat 
de  voors.  susteren  te  neerstelijck  en  getrouwelijck  voor 
ons  en  voor  de  gemeene  inwonenden  en  voor  de  ge- 
meene  vvelvaert  van  der  stede  moghen  bidden,  zoo 
hebben  wij  hun  en  haer  naercomelingen  in  't  goeder- 
tierenheyt  gegunt  al  sulcken  vrijheden  als  hiernaer 
bcscreven  staen.  In  den  eersten,  omdat  sij  seer  arm 
sijn  ende  omdat  de  stede  en  poorters  min  last  daervan 
hebben  moghen,  zoo  consenteren  wij,  dat  sij  hun  brood 
zullen  winnen  moghen  met  ambachten  ende  neeringen, 
soo  dat  sij  dit  connen  en  moghen,  en  vrij  van  alle  schot 
en  excynsen  en  al  andere  ongelden,  sonder  iemants 
wederseggen.  Voorts  soo  hebben  wij  gegont  en  consen- 
teeren, allen  jaeren  op  den  goeden  Vrijdag  te  moghen 
keuren  twee  goede  eerbaere  mannen  van  onse  poorteren, 
wien  zij  willen.  Die  sullen  sij  ons  dan  aenbrengen  en 
die  sullen  wij  van  de  stedewegen  macht  geven,  den 
Susteren  hulpelijck,  voordelic  in  de  onderstant  te  wesen 
in  alle  saecken,  die  zij  te  doen  hebben  en  bijsonderlijck 
voor  hen  recht  te  spreken,  te  nemen  en  te  geven,  hetzij 
voor  't  gemeen  convent,  of  voor  een  ieder  bijsonder  in 
het  voornoemt  convent,  alles  sonder  arch  of  list"  2). 


1)  Zie  Batavia  des.   Carm. 

2)  Vergelijk  G.  van  Reyn,  Gesch.  Beschr.  v.  Rotterdam,  I,  212; 
Bronnen  voor  de  Gesch.  van  Rotterdam,  II,  409,  473,  die  ook  aangeven, 
dat  in  hel  jaar  1482  de  zusters  haar  beschermings-  en  vrijdomsacte 
kregen   van   de  stedelijke   regeering. 


36 

De  brief  was  gegeven  in    1482  op  S.  Luciendag. 

Veel  „geschiedenis"  is  nu  verder  over  de  zusters  niet 
te  schrijven. 

Rustig  en  heihg  leefden,  als  te  Haarlem,  ook  hier 
de  vrome  Carmelitessen,  die  ac  node  meditantes  in  lege 
Domini,  gelijk  onze  H.  Regel  het  van  iederen  waren 
Carmeliet  eischt,  als  zijnde  „prima  et  potissima  pars";  in 
gebed  en  versterving  werkende  aan  eigen  heihgmaking, 
maar  tevens  biddende  en  boetende  voor  de  wereld,  erbar- 
ming en  genaden  afsmeekend  voor  zondaren  en  bedroefde 
zielen  en  zoo  grootsche  daden  verrichtende,  evenals  thans 
nog  doen  hare  medezusters  in  de  beide  kloosters  te 
Boxmeer:  op  „Elzendaal"  en  „St.  Josef"  en  te  Zenderen, 
die  allen  het  zuivere  vita  contemplativa  beoefenen ; 
grootsche  en  machtige  daden,  alleen  opgeschreven  in  het 
Boek  des  Levens;  hetgeen  van  meer  blijvende  waarde 
toch    is,    dan    opgeschreven    te    zijn  in  de  historieblaan. 

In  het  stedelijk  archief  van  Frankfort,  {Carmeliteji- 
bücher,  \'jb  blz.  192 — 194)  vinden  wij  nog  eenige 
bijzonderheden  over  het  klooster  der  Rotterdamsche 
Carmelitessen  in  't  jaar  1544.  Wij  zien  er  uit,  dat 
de  financieele  toestand  alles  behalve  rooskleurig  was. 
Uit  een  brief  van  pater  Jacobus  Colcman,  prior  van 
Antwerpen  (tot  wien  de  zusters  haar  toevlucht  hadden 
genomen)  aan  den  provinciaal,  gedateerd  3  November 
1544  zien  wij,  dat  er  toen  in  het  Carmelitessenklooster 
17  bewoonsters  waren,  die  verlof  vroegen  om  het 
klooster  geheel  of  gedeeltelijk  te  verkoopen,  alsmede 
een  bij  het  klooster  behoorend  terrein,  om  daarna  in 
een  ander  klooster  der  Orde  te  gaan  wonen.  In  het 
provinciaal  kapittel  te  Keulen  in  April  1545  werden 
de  prioren  van  Haarlem  ^)  en  van  Schoonhoven  2)  aan- 

1)  P.  Sebastianus  van  Bombergen. 

2)  P.  Cornelius  Korff. 


17 

gewezen,  om  in  den  treurigen  toestand  der  Zusters 
hulp  te  verkenen.  Wijl  echter  deze  beide  prioren  bij 
den  algemeen  desolaten  toestand  der  kloosters  in  1545 
geen  geld  konden  verschaffen,  sloten  zij  den  igen  Mei 
van  dit  jaar  een  verdrag  met  den  Magistraat  van 
Rotterdam. 

Een  deel  van  het  convent  zal  gebruikt  worden  als 
hospitaal  der  stad ;  het  andere  zullen  de  Zusters  blijven 
bewonen.  Daarvoor  neemt  de  stad  de  op  het  klooster 
liggend^  lasten  over  en  betaalt  verder  iedere  klooster- 
zuster 12  gulden  jaarlijks.  Na  den  dood  der  Zusters 
vervalt  het  geheele  convent  met  toebehooren  aan  de  stad. 

In  1546  vinden  wij  in  de  acten  van  den  Provinciaal 
nog  de  namen  van  1 5  Zusters.  Deze  betalen  aan  den 
Provinciaal  3  gulden.  5  Mei  1550  leefden  er  nog  12 
Zusters,  die  het  geheele  huis  aan  de  stad  overdeden,  en 
jaarlijks,  ieder  16  gulden  als  ondersteuning  ontvingen.  Het 
volgend  jaar  (155  i)  besloot  de  vroedschap  definitief,  op 
den  kloostergrond  een  gasthuis  en  twee  pestilentiehuizen 
te  bouwen,  Pas  in  1556  —  aldus  Dr.  E.  Wiersum,  wien 
wij  deze  bijzonderheden  danken  —  verlieten  de  Carmeli- 
tessen  haar  convent  en  namen  zij  tegen  genot  van  een 
lijfrente  van  16  gulden  haar  intrek  in  het  Begijnhof. 
Op  het  kloosterterrein  is  alleen  één  pestilentiehuis  ge- 
bouwd, doch  dit  is  bij  den  hevigen  brand,  die  in  1653 
Rotterdam  teisterde,  in  de  asch  gelegd.  Het  is  later 
weer  opgebouwd,  doch  in  1598  Weeshuis  geworden, 
en  dit  gebouw,  dat  dus  op  den  grond  van  het  Carmeli- 
tessenklooster  gebouwd  is  —  thans  het  Gereformeerd 
Burger  Weeshuis  —  doet  nog  als  zoodanig  dienst.  Het 
overige  terrein  is  voor  den  bouw  van  particuliere  woningen 
en  den  aanleg  van  straten  gebruikt.  De  daar  gelegen 
Karnemelksteeg  (sic)  heette  in  1766  nog  „Karmelitesteeg 
bij  het  Weeshuis"  (Zie  Rott.  Straatnamen  door  Droogen- 


38 

dijk  en  Moquette  blz.  66).  Afbeeldingen  van  het  „St.  Anna" 
Zusterhuis  ±1550  (twee,  zonder  naam  van  vervaardiger) 
en  van  het  CarmeHtessenklooster  ±  1550  (drie,  eveneens 
naamloos)  bevinden  zich  in  de  prentenverzameling  van 
het  Rotterdamsch  Gemeente- Archief  (/?<7^/.  ///.,  I,  n°.  661, 
662,  669,  670  en  671).  De  tijd  van  vervaardiging  is 
onbekend  en  de  voorstelling  moet  op  fantasie  berusten, 
zooals  ook  daaruit  blijkt,  dat  men  er  twee  verschillende 
kloosters  van  gemaakt  heeft. 

Hoogeveen.  P.  fr.  C.  de  Boek, 

Ord.    Carjn. 


ABDIJ  VAN  LOOSDUINEN. 


Frater    Georgius,   de  biechtvader ,  en  zijn  visioen.  1434. 

Onder  de  collectie  charters  van  het  klooster  te  Loos- 
duinen op  het  algemeen  Rijksarchief  bevindt  zich  een 
stuk  dat  een  aangename  afwisseling  is  op  de  andere, 
nagenoeg  alle  transporten  en  schenkingen.  Frater  Georgius, 
confessor  van  het  klooster,  geeft  daarin  een  relaas  van 
een  visioen  dat  zich  in  het  jaar  1434  aan  hem  voor- 
deed terwijl  hij  de  mis  opdroeg,  kort  nadat  hij  een 
afgedwaalde  op  het  rechte  pad  had  teruggebracht.  Aan 
het  slot  staat  met  een  andere  hand  de  volgende  be- 
vestiging geschreven:  Constat  hunc  supradictum  fratrem 
Georgium  monasterii  Lausdunensis  confessorem  fuissc 
et  in  eodem  predictam  vidisse  visionem. 

Het  is  een  perkamenten  blad  met  een  vrij  duidelijke 
en  regelmatige  hand  beschreven,  zelfs  een  marge  is 
niet  vergeten;  het  Latijn  is  hoewel  ver  van  klassiek 
toch  goed  te  volgen  zooals  blijken  zal: 

Ego,  frater  Georgius  habens  a  iuventute  mea  pre- 
cipuam  meam  devocionem  ad  sacramentum  altaris  et 
singulariter  ad  diem  tam  exellentissimi  sacramenti  deduxi 
annos  meos  usque  ad  tempus  incarnationis  domini 
m""  Illlcm  XXXIIII"".  In  profesto  tam  exellentissimi  sacra- 
menti contigit  mihi  quandam  personam  diviantem  a 
bono  proposito  et  graviter  errantem  adiutorio  et  gracia 
dei  exhortationibus  et  allegacionibus  scripturarum,  sub 
forma     secreti     confessionis    ad    viam    salutis    reducere. 


40 

Super  quo  facto  tanta  alacritate  cordis  cxhilaratus  eram 
ut  pias  lacrimas  et  gaudiosas  in  laudem  omnipotentis 
dei  viscerose  obtulerim  denique  instante  die  solemni  et 
me  disposito  ut  incombebat  summam  niissam  celebrare 
actuali  devocione  ut  dingnum  erat  munitus  ventum  est 
usque  ad  ,credo  in  unum'  quori  cum  plenarie  legissem 
more  solito  et  chorus  cum  organo  necdum  ad  medium 
devenisset,  ego  stans  in  oppositum  cxcellentissimi  sacra- 
menti  in  reliqua  ibidem  patenter  supra  altare  constituti 
oculos  mentis  et  carnis  humiliter  et  reverenter  ad  ipsum 
sacramentum  levavi,  dicens  in  corde  meo :  „o,  virginis 
Mariae  fili  benedicte  ymmo  verus  filius  es  dei  omni- 
potentis" cum  recordatione  passionis  eius  et  mortis,  meque 
in  his  verbis  et  recordatione  ad  tempus  unius  ave  Maria 
existente,  ecce,  ille  filius  virginis  pro  sacramento  mihi 
ostensus  est  quidam  perfectus  vultus  vere  speciosior 
omni  forma  filiorum  hominum  in  fronte,  in  palpebris, 
in  superciliis  subnigris,  oculis  submissis,  naso,  genis,  ore 
et  mento,  capillis  eciam  ab  utraque  parte  capitis  depen- 
dentibus  usque  ad  tegmen  auricularum  declinantibus 
perminimum  ad  caniciem  omni  hac  forma  vultus  ceteris 
incomparabiliter  visi  pulcrior.  Quid  putat  homo  vivens 
qualiter  liquefacta  fuerit  anima  mea  in  visione  tam 
mirifica  in  visitatione  tam  beatifica  dulcedo  devocionis 
me  tantum  obtinuit  ut  lacrimas  ex  medullis  viscerum 
anime  mee  si  dici  posset  efifuderim  continuo  ita  quod 
maduerim  quot  vicibus  lintheum  dependens  ad  librum 
nee  defuit  iterum  semper  me  erigente  ipsa  sacratissima 
visio  sed  angustiabar  interdum  si  quis  astancium  altari 
singularem  modum  meum  attenderet.  Finito  , credo  in 
unum'  quo  toto  tempore  visio  protendebatur  oculos 
meos  deinceps  de  tota  missa  ad  ipsum  salutiferum  sacra- 
mentum non  deduxi  tum  in  corde  meo  pensans,  „si 
illud    aspicerem    iterato    sub    forma   sacramenti    vererer 


41 

aliquantulum  minui  de  preterita  visione  tum  eciam 
meditans  me  sollicituni  debere  fore  ut  sacra  misse  mini- 
steria  condingno  honore  et  provida  devocione  consum- 
marem.  Quis  ego  sum,  frater  homuncio  omnibus  in 
notis  publicus  peccator  attamen  ipse  dominus  Jhesus 
Christus  sua  inefifabili  bonitate  et  dementia  dingnatus 
est  hoc  modo  me  visitare  quid  igitur  mirum  si  ut 
frequenter  legimus  sanctis  et  clericis  suis  creaturis  visi- 
tationibus  et  apparicionibus  sua  interna  dulcedine  in 
presenti  vita  se  offerre  voluit,  gracias  ipsi  immensas 
refero,  cui  tarnen  ad  serviendum  semper  indingnus  existo. 
Amen. 

Behalve  om  kennis  te  maken  met  de  mededeelingen 
van  Frater  Georgius  kan  dit  stuk  tevens  dienen  om 
het  lijstje  van  rectoren  en  confessoren  van  het  klooster, 
gegeven  in  Dl.  XXIV  dezer  Bijdragen,  pag.  375,  met 
twee  te  vermeerderen,  n.1.  behalve  met  frater  Georgius 
ook  met  Arnoldus  Petri  Catwijck,  wiens  sterfjaar,  [510 
in  dorso  vermeld  wordt  met  bijvoeging  dat  hij  70  jaar 
oud  was  en  25  jaar  confessor  geweest  is. 

Uit  een  andere  aanteekening  eveneens  in  dorso  zien 
we  dat  het  jaar  143 1  genoemd  bij  Heilwig  van  der  Leek 
in  de  lijst  van  abdissen  t.  a.  p.  haar  sterfjaar  is. 

's-Gravenhage.  S.  DrüsSAERS. 


BIJDRAGE  TOT  DE  GESCHIEDENIS 

DER  BEDEVAARTEN  NAAR  SAN  JAGO  DE 

COMPOSTELLA  OMSTREEKS  1520. 


Met  het  Heilige  Land,  Rome,  Sint  Patrick's  Vage- 
vuur in  Ierland  en  meer  andere  behoorde  San  Jago  de 
Compostella  in  Spanje  tot  de  oorden,  waarheen  de 
middeleeuwsche  christenen  bij  voorkeur  hun  schreden 
richtten  zoo  dikwijls  zij  door  het  doen  van  een  bede- 
vaart hun  godsvrucht  begeerden  te  versterken  of  de 
geloften  vervullen  wilden,  in  dagen  van  nood  en  be- 
nauwdheid door  hen  afgelegd. 

De  hieronder  volgende  aanteekeningen,  die  ontleend 
zijn  aan  een  op  het  Deventer  archief  berustend  register, 
getiteld  „Memoriale  sententiarum  et  aliarum  senten- 
tiarum"  en  hoofdzakelijk  vonnissen  in  handelszaken 
bevattende  van  de  15de  en  i6de  eeuw  ^),  deelen  aan- 
gaande de  wijze  waarop  men  te  San  Jago  de  bede- 
vaartgangers verzorgde,  wie  het  ongeluk  trof  gedurende 
hun  verblijf  aldaar  krank  te  worden,  enkele  bijzonder- 
heden mede,  welke  niet  algemeen  bekend  zijn,  zoo  het 
schijnt,  en  als  een  kleine  bijdrage  mogen  beschouwd 
worden  tot  de  geschiedenis  van  de  bedevaarten  onzer 
vaderen  in  het  algemeen. 

hl  der  sakeu  Johans  van    Windesem. 
Tijs    Vrone    van    Dorsten,  wonende  te  Wesel,  sachte 
dat  hie  in  seekeren  lijfsnoeden  gelaeft  heft  Sanct  Jacob 


i)  Inventaris  van  het  Deventer  Archief  (Dev.   1870)  n.   1222. 


43 

in  Galissen  persoenlick  te  versoecken  ^),  ende  dat  hie 
soe  14  dage  voer  Sanct  Marten  verleden  op  die  reise 
na  Sanct  Jacob  gegaen  is,  ende  aldaer  ter  steden  ge- 
komen mit  seeckten  bevangen  wesende  heft  hie  Sanct 
Jacob  mit  sijn  offer  ende  gebede  versocht.  Ende  vermitz 
dat  hie  seeck  ende  kranck  was  ende  anders  nyet 
herbergen  konde  heft  hie  getreden  in  dat  nije  gasthues 
aldaer,  gehieten  des  koninx  gasthues  wantet  bij  den 
koninck  gesticht  is,  daer  hie  doegentlick ")  ontfangen 
wort.  Ende  so  als  hie  daer  inne  omtrent  8  of  9  weken 
seeck  gelegen  heft,  dat  do  bijnnen  der  tijt  int  selve 
gasthuys  seeck  gekomen  is  een,  die  sich  hiete  Berent 
van  der  Horst.  Ende  als  Tijs  weder  bekoverde  '■^)  ende 
genck  wanderen  in  den  gasthuse  hoerde  hie  Beernde 
Duetsche  tale  spreken,  waruuth  dat  Tijs  Berende  tosprack, 
seggende:  „lantsman,  waer  sijt  ghij  hen"?  Daer  Berent 
op  antwerde,  hie  weer  van  Deventer  uuth  den  sticht 
van  Utrecht,  sodat  sie  beide  do  voert  mit  malkanderen 
kontschap  makeden.  Ende  Tijs  vragede  Berende  vurs. 
vaken,  als  sie  voelle  kallinge  vro  ende  late  mit  mal- 
kanderen hadden,  wo  lange  dat  hie  van  hues  geweest 
weer,  daer  hie  op  antworde :  „wal  5  of  6  jaren"  ;  vragede 
hem  voert  oft  hie  oeck  wederomme  wolde,  dat  sie  tsamen 
reisen  mochten,  daer  Berent  op  antworde :  weer  hie 
weder  gesont,  so  wolden  sie  tsamen  reisen,  ende  mal- 
kanderen loefnisse  op  deden.  Ende  als  Berent  so  in  den 
gasthuse  3  oft  4  weken  gelegen  hadde  is  hie  daer  ge- 
storven, en  heft  to  voeren  eer  hie  int  gasthues  qwam 
in  Sanct  Jacobs  kercke,  als  alle  pelgrijmmen  ende  seecken 
dat  so  doen  moten  eer  sie  in  dat  gasthues  ontfangen 
worden,   sijn  bijcht  gespraken,  ende  sijn  Sacrament  als 


1)  Bezoeken. 

2)  Barmhartiglijk. 

3)  Herstelde. 


44 

een  kerstken  mcnsche  ontfangen  hadde  ijs  hic  gestorven 
als  een  kerstken  mensche  in  den  gasthuse  vors.  den 
I4en  dach  voer  den  Sonnendach  to  Vastelavont  in  der 
nacht  van  den  Sonnendach  opten  Manendach.  Ende  die 
vurs.  Tijs  heft  stede  selves  4de  nementlick  met  2  over- 
lenschen  knechten,  die  een  gehieten  Sijmon  die  ander 
Pauwei,  ende  i  Wolter,  Berendt  vurs.  in  der  sieckten 
bewart  int  uutherste  sijns  levens,  ende  heft  hem  mit 
sijnen  handen  selves  die  oghen  geslaten  ende  gelaken. 
Ende  dat  hie  selves  des  Manendages  omtrent  10  uuren 
voermiddage  Berentz  lijcham  to  kerckhave  gevollicht, 
ende  bueten  der  stadt,  gehieten  op  die  sprake  AUegrasse 
op  een  gewijden  kerckhof,  alleen  bemuert  liggende 
tusschen  der  stadt  ende  een  capelleken  gehieten  Com- 
pestelle,  heft  helpen  begraven,  daer  men  alle  pelgrijmme 
gewontlicken  is  te  begreven.  Ende  als  dat  in  den  selven 
gasthuse  gewontlicken  is  als  men  daer  ijrsten  inkompt, 
kompt  bij  die  pelgrijmme  een  doctor  in  der  medicinen 
ende  beseet  ende  betast  den  pelgrijmmen  den  puls.  Als 
dat  gescheet  is,  secht  hie  totten  scriver,  die  daerto 
ordineert  is,  dat  hie  dat  voert  verwaren  sal,  die  dan 
des  pelgrijms  namen  to  boecke  set  ende  gijft  den  pel- 
grijmmen elck  voer  sijn  hoeft  een  cedelken  in  die  hant, 
daer  sijn  name  in  geteikent  staet,  daer  dan  die  pelgrijm 
voert  mede  baven  op  Sanct  Jacobs  kamer  bij  die  ver- 
wares,  die  die  cedelkens  ontfangen  ende  wijsen  den 
seecken  ende  pelgrijmmen  oer  stede,  ende  steken  dat 
cedelken  an  dat  bedde,  daer  die  pelgrijm  liggen  om  elck 
sijn  stede  to  wetten.  Ende  dat  an  dat  selve  bedde,  daer 
Berent  op  qwam  ende  gestorven  is,  van  beghijn  an  so 
lange  dat  hie  doet  van  daer  gedregen  wort,  gesteken 
heft  tusschen  twee  draden  sijn  cedelken,  dat  hem  gegeven 
was,  ende  die  woerde  des  cedelkens  weren  dese  :  „Berent 
van  der  Horst  van  der  Elborch".  Ende  sachte  dat  Berent 


45 

een  cort,  droich,  veerschaten  i)  knecht  was,  mit  roden 
krusen  haer  ende  i  roden  bart,  scheelaftich  seende, 
weynich  bevende  ende  schuddende  mitten  hoefde,  wair 
hie  geseen  heeft  dat  Berende  dat  haer  als  hie  int  gast- 
hues  ijrst  qwam  ende  sijnre  noch  gheen  kennisse  en 
hadde  wort  afgeschoren  bij  den  gronde,  als  men  ghemeen- 
licken  allen  pelgrijmmen  doet  om  gewoentes  willen. 
Juratum  coram  Reyners  26  May  anno  (15)19. 

In  eadem. 

Steven  Schomaker,  onse  ingeseten  burger,  sachte  dat 
hie  int  yaer  verleden  bedevaert  gewest  heft  t  Sanct 
Jacob  to  Compostell  in  Galijssen,  ende  dat  hie  daer 
gekomen  is  in  den  dach  van  den  Rosen  des  merghens 
to  8  uuren  in  den  Vasten  verleden.  Ende  als  hem  onse 
mederaedt  Jan  van  Winsem  een  breef  medegegeven 
hadde  te  vragen  na  sijnen  neven  Berent  van  der  Horst 
ijs  hie  daermede  gegaen  in  dat  nije  gasthues,  gehieten 
des  koninx  gasthues,  ende  heft  gevraecht  na  Berende 
vurg.,  dair  hem  van  den  verware  geantwort  wort  dat 
hie  daer  gestorven  weer  14  dage  voer  Vastelavont  do 
verleden ;  ende  hebben  hem  geapent  dat  boeck  tot  sijnre 
begerte,  daer  men  gewontlicken  is  in  tscriven  die  namen 
der  seecken,  die  komen  in  dat  gasthues  vurs.,  daer  hie 
inne  gescreven  bevonden  ende  gelesen  heft :  „Berent  van 
der  Horst  van  der  Elborch",  ende  dat  hem  die  gast- 
waere  vorder  gesacht  heft  dat  hie  daer  een  guede  wijle 
zeeck  gelegen  hadde  ende  weer  eens  bijgekomen,  dat 
sie  gemeent  hadden  hie  solde  weder  daeruuth  hebben 
gegaen,  dan  weer  weder  ingevallen  ende  in  den  gasthuse 
witlick  gestorven  die  tijt  vurs. 

Dr.  J.  de  Hullu. 

I)  Sievig  gebouwd,  kloek. 


RUNXPUTTE  TE  HEILO  IN   1807. 


Wie  eenigszins  bekend  is  met  de  geschiedenis  van 
„Capelle"  te  Oesdom  (Heilo),  weet  hoe  in  afgeloopen 
eeuwen  invloedrijke  Hervormden  er  steeds  op  uit  waren, 
om  door  plagerijen  het  den  Roomschen  zoo  lastig 
mogelijk  te  maken  ten  opzichte  van  hun  bedevaarten 
naar  deze  aloude  pelgrimsplaats. 

Van  1795  tot  1807  hebben  de  Roomschen  onder 
inwerking  der  nieuwe  leuze:  Vrijheid,  Gelijkheid  en 
Broederschap,  naar  het  schijnt  volle  vrijheid  gehad  tot 
het  houden  van  bedevaarten.  Maar  van  1807 — 18 10 
bleek  de  Vrijheid  te  zijn  opgeheven  :  de  Hooge  Regeering 
nam  tenminste  een  dreigende  houding  aan  ten  opzichte 
der  pelgrimages  naar  Runxputte. 

In  het  archief  van  Limmen  (gelegen  in  de  onmid- 
dellijke nabijheid  van  „Capelle")  vond  ik  eene  aanwijzing 
van  bedevaartsbemoeilijking  in  1807,  en  wel  bij  de 
notuleering  van  een  Vroedschapsvergadering  op  17  Sep- 
tember van  dat  jaar.  Die  geringe  bijdrage  tot  de  ge- 
schiedenis dezer  aloude  bedevaartsplaats  wil  ik  hier 
mededeelen. 

Het  te  boek  gestelde  kan  tot  toelichting  dienen  van  de 
volgende  regels  uit  het  bekende  „Bedevaartboekje  naar 
Onze  Lieve  Vrouw  ter  Nood  te  Heiloo" : 

„En  al  kwamen  ook  in  den  aanvang  der  19de  eeuw, 
„ondanks  de  vrijzinnige  begrippen,  de  Minister  van 
„Justitie  en  Politie  in  de  jaren    1Ö07 — 18 10  hunne  aan- 


47 

„schrijvingen  en  dreigementen  sturen  i) :  zoo  lieten  toch 
„de  beevaartgangers  niet  af  naar  Heilo  en  „Capelle" 
„te  komen.  Eerst  in  1830 — 1840  is  de  bedevaart 
„vervallen." 

Hier  volgen  de  oude  notulen  : 

„Vroetschap  te  Limmen,    17  Sept.   1807. 

„De  officier  en  Gandarmens  welke  den  4en  dezer 
„alhier  in  cantonnement  zijn  gekomen  nog  alhier  in 
„contonnement  zijnde,  en  de  gerugte  gelopen  hebbende, 
„dat  deselve  Gandarmens  alhier  soude  gelegd  zijn  om 
„de  Processie  naar  en  aan  Capel  onder  Heyloo  indien 
„deselve  mogte  hervat  werden,  desnoods  tegen  te  gaan 
„en  te  beletten,  welke  hervatting  van  de  processie  die 
„op  15  augustus  1.1.  naar  Capel  heeft  plaats  gehad 
„volgens  gerugte  op  den  8  of  den  12  of  13  dezer  soude 
„plaats  hebben.  Is  geresolveert  hier  van  een  missive 
„aan  den  Heer  Landdrost  te  schrijven  en  daar  bij  te 
„versoeken  om  desselfs  vermogen  te  willen  gebruiken 
„ter  verlegging  der  voorn.  Gandarmes  van  hier,  alsoo 
„de  gemelde  8,  12  en  13  dezer  zijn  gepasseert  Sonder 
„dat  daarop  nog  hier  nog  te  Heyloo  iets  buitengewoons 
„heeft  plaats  gehad  en  sonder  dat  andere  dagen  tot 
„het  houden  van  Processie  werden  genoemt,  werdende 
„de  Secretaris  gequalificeert  soodanige  missive  te  con- 
„cipiceren  cii  te  versenden 

In  kennisse  van  mij 

Jb.  Laarman 

secr." 

Zeer  waarschijnlijk  heeft  deze  militaire  maatregel 
als  dreigement  moeten  dienen. 


l)    Wel    zonderling.    Juist    tijdens    de  regeering  van  den   Roomschen 
Koning  van   Holland. 


48 

Eene  korte  beschouwing  over  de  af  te  zenden  missive 
moge  hier  nog  volgen : 

De  bedoeling,  die  de  Vroedschap  er  mee  had,  is 
duidelijk  gezegd :  verwijdering  der  militairen.  Maar  niet 
wordt  medegedeeld  waarom  die  verwijdering  zoo  dringend 
gewenscht  werd.  Er  kunnen  twee  redenen  voor  bestaan 
hebben,  waartusschen  men  heeft  te  kiezen. 

De  missive  kan  als  een  bedekt  protest  bedoeld  zijn 
tegen  de  vrijheidsberooving  der  Roomschen.  Van  de 
435  inwoners  waren  368  katholiek;  de  vroedschap  zal 
dus  ook  wel  overwegend  roomsch  geweest  zijn.  Dit 
lichaam  was  dan  m.  i.  tot  een  dergelijk  protest  als 
aangewezen.  Maar  vreemd  mag  het  dan  genoemd  worden, 
dat  hiervan  met  geen  enkel  woord  melding  wordt 
gemaakt. 

Kan  de  reden  tot  afzending  der  missive  aan  den 
Landdrost  ook  een  andere  zijn  geweest.? 

Al  vele  jaren  achtereen  was  Limmen  (ook  andere 
plaatsen  in  den  omtrek)  lastig  gevallen  met  inkwartiering. 
En  ten  zeerste  was  het  dorp  verarmd  door  den  inval 
der  Engelschen  en  Russen  in  1799,  waarbij  de  „Fransche 
Broeders"  in  het  plunderen  „lang  niet  links  waren".  En 
nu  kreeg  het  verarmde  dorp  weer  inkwartiering !  De 
bezorgde  Vroedschap  zal  daarom  denkelijk  op  louter 
economische  gronden  het  vertrek  der  gendarmes  ge- 
vraagd hebben. 

Hiervan  wordt  in  de  vermelde  notulen  evenmin  iets 
vernomen.  Zeker,  dat  is  ook  zoo.  Maar  in  het  oude 
notulenboek  komen  vóór  en  na  deze  Vroedschapsver- 
gadering herhaaldelijk  klachten  voor  over  de  lasten  en 
nadeelen,  die  Limmen  door  den  laatsten  oorlog  had 
geleden. 

Of  de  brief  goed  gevolg  had  ?  Ze  is  .  .  .  nooit  ver- 
zonden! Eén  dag  na  het  besluit  tot  schrijven   aan    den 


49 

Landdrost  vertrokken  de  gendarmes  (i8  Sept.).  De 
onrustbarende  datums  waren  voorbij. 

In  het  oude  notulenboek  wordt  dit  volgenderwijze 
vermeld : 

„De  officier  en  Gendarms  den  i8  Sept.  1807  van 
„hier  vertrokken  sijnde,  Is  het  onnoodig  en  ondienstig 
„geworden  de  missive  ter  verkrijging  van  het  vertrek 
„te  consipieeren  en  te  verzenden." 

Uit  dit  vertrek  na  de  gevreesde  Septemberdagen  zou 
men  kunnen  afleiden,  dat  dit  mihtaire  „cantonnement" 
tegen  de  bedevaarten  naar  „Capelle"  was  gericht. 

Amsterdam.  M.  Kramer. 


PASTOOR   WARMELINK    EN  KAPELAAN  PAEP 

VAN  ASSENDELFT  EN  DE  EED  VAN 

21   AUGUSTUS   1795. 


De  2iste  Augustus  1795  was  door  de  Municipaliteit 
van  Assendelft  aangewezen  als  de  dag,  waarop  de  ver- 
schillende personen,  die  daarvoor  in  de  termen  vielen, 
den  eed  van  trouw  aan  de  nieuwe  regeering  zouden 
afleggen. 

Een  der  opgeroepenen  weigerde  het;  twee  andere 
maakten  voorbehoud,  n.1.  pastoor  Warmelink  en 
kapelaan  Paep. 

Een  en  ander  daarover  vond  ik  in  het  gemeente-archief 
van  Assendelft  volgenderwijze  genotuleerd. 

„12  Aug.   1795. 

„Verder  is  gelezen  de  missive  van  het  Committé  van 
„Algemeen  Welzijn  in  dato  4  Aug.  aangaande  het 
„doen  van  de  Eed. 

„En  is  tot  het  doen  derselve  bepaald  heden  over 
„8  dagen  sijnde  19  Aug.  en  de  boode  gelast  de  aan- 
„segging  der  gerequireerde  persoonen  ter  sisteering  te  doen. 

„18  Aug. 
„Is  verder  in  bedenking  gekomen  aangaande  het 
„doen  van  den  gerequireerden  Eed  en  is  goed  gevonden 
„de  leden  die  in  dienst  blijven  hetzij  in  de  Munici- 
„paliteit,  hetzij  in  committé  van  Justitie  den  eed  af  te 
„nemen,  als  meede  de  Predikant,  Pastoor,  Cappelaan  en 
„andere  ambtenaren  en  die  in  plaats  van  den  19  dezer 
„te    convoceeren    tegen    den    21   zijnde  e.k.  Vrijdag  en 


51 

„tot  commissie  benoemd  H.  de  Jong  en  G.  op  't  Land. 

„Egter    zijn  de   leden    niet    ontslagen  voor  de  nieuw 
„aangestelde  beëedigd  zijn." 
„21   Aug. 

„Klaas  Stuurman  Collecteur  van  de  doorvaard  op 
„de  turf  1)  aan  de  Nouwernasche  sluys,  in  deeze 
„jurisdictie  woonende,  declareerend,  nadat  het  formulier 
„hem  een  en  ander  maal  was  voorgelezen  den  Eed  niet 
„te  kunnen  doen,  gevende  voor  redenen  niet  te  be- 
„grijpen  de  rechten  van  den  Mensch  en  Burger. 

„Compareerde  de  Capellaan  Paepe  welke  wel  niet 
„den  eed  weygerde,  dog  zoude  gaarne  den  selve  doen, 
„na  dit  onderstaande  declaratoir  door  hem  overgegeven  : 

„Ik  ondergeschreven  Capellaan  der  Roomsch  Catholyke 
„gemeente  van  Assendelft  verklaare  bereydwillig  te  zijn, 
„om  den  gerequireerden  Eed  te  doen  mits  deeze  niet 
„uytgebreyd  worde  tot  eenige  verpligting  die  strijdig 
„is  tegen  den  aard  van  mijn  ampt  of  tegen  de  Leering 
„en  pligten  van  den  Roomschen  Catholijken  Gods- 
„dienst  aan  welken  ik  op  eene  onschendbaarste  wijze 
„verbonden  ben." 

Was  geteekend :  J.  P.  Paep. 

„De  Pastoor  Warmelinks)  produceerd  het  navolgende 
„declaratoir : 

„Ik  ondergeschreven  Pastoor  der  Roomsch  Catholyke 
„gemeente  van  Assendelft enz. 

1)  Klaas  Stuurman  was  ook  schoolmeester  te  Nauerna  (een  gehucht 
van  Assendelft).  Volgens  bovenstaande  notuleering  zou  de  secretaris 
het  coUecteurs-ambt  hooger  gesteld  hebben. 

2)  Eigenaardig,  dat  secretaris  Van  Sypesteyn  niet  het  eerst  pastoors 
W.irmelink's  declaratoir  vermeldt. 

Was  het  misschien,  omdat  hij  nog  al  eens  samenwerkte  met  den  kapelaan? 

Secretaris  Van  Sypesteyn  en  kapelaan  Paep  toch,  waren  den  laen  Febr. 
1795  door  de  Provisioneele  JVIunicipaliteit  van  Assendelft  benoemd  tol 
commissarissen  der  te  ontvangen  Fransche  assignaten. 


52 

Het  „declaratoir"  is  hetzelfde  als  bij  den  kapelaan ; 
alleen  achter  „aan  welken  ik  op  eene  onschendbaarste 
wijze  verbonden  ben",  volgt  bij  den  pastoor  nog: 
„en  blijve". 

Mocht  de  Municipaliteit  van  Assendelft  met  deze 
verklaringen  genoegen  nemen  ?  De  heeren  op  het  raad- 
huis vonden  het  een  lastig  geval.  Ze  wisten  niets  beters 
te  doen  dan  van  een  en  ander  rapport  uit  te  brengen 
aan  de  Hooge  Regeering.  Lezen  we  de  notulen  verder : 

„De  Municipaliteit  van  Assendelft  heeft  niet  op  zich 
„durven  neemen  den  Eed  met  eenige  bepalingen  daar 
„bij  gemaakt  te  doen  verrichten,  vinden  goed  deze 
„declaratoiren  te  zenden  aan  de  Provisioneele  represen- 
„tanten  van  het  Volk  van  Holland. 

„gelasten  den  secretaris  te  concipieeren  eene  missive 
„aan  gemelden  Representanten  van  het  gepasseerde 
„zoo  van  het  een  en  als  anders  bij  den  Eeden  alhier 
„afgelegd : 

„Gemelde  missive  is  van  den  volgenden  inhoud: 

„Vrijheid,  Gelijkheid  en  Broederschap! 

„Aan  de  Provisioneele  Representanten  van  het  Volk 
„van  Holland. 

„Wij  hebben  de  eere  U.  L.  bij  deeze  kennis  te  geven 
„dat  de  gerequireerde  Eeden  alhier  zijn  afgelegd. 

„Uytgenomen  door  den  Roomschen  Priester  en 
„Capellaen,  welke  denselve  wel  niet  geweygerd  hebben, 
„dog  hebben  overgegeven  de  hier  in  originali  nevens- 
„gaande  declaratoiren  versoekende  na  inhoud  van  ge- 
„ melde  declaratoiren  den  Eed  te  mogen  doen. 

„Wij  hebben  niet  op  ons  durven  neemen  den  Eed 
„met  bepalingen  daar  bij  gemaakt  te  doen  afleggen, 
„versoekende  deswegens  U.  L.  nadere  ordere  hoe  zig 
„hier  te  gedragen  hebben. 


53 

„Dog  Claas  Stuurman  Collecteur  op  den  doorvaard 
„van  turf  aan  de  Nouernasche  sluys  en  tevens  School- 
„meester  tot  Nouerna  declareerd  den  Eed  niet  te 
„kunnen  doen,  voor  redenen  gevende,  niet  te  begrijpen 
„de  rechten  van  den  Mensch  en  Burger ;  ook  hier  op 
„versoeken  wij  UEd.  ordere  hoe  ons  in  deese  te  gedragen." 

Eerst  in  de  Vergadering  van  20  Dec.  1795  kwam 
deze  zaak  weer  aan  de  orde.  Den  i  len  Dec.  was  hierover 
een  placcaat  ontvangen.  De  desbetreffende  notuleering 
is  als  volgt: 

„Is  geleezen  't  placaat  van  1 1  dezer  aangaande  het 
„doen  van  den  Eed,  met  de  veranderingen  daar  gemaakt, 

„Is  goedgevonden  2  commissarissen  te  benoemen  om 
„de  amptenaar  te  doen  compareeren,  die  den  Eed 
„gedaan  hebt  daarvan  kennisse  te  geeven  en  die  den 
„Eed  niet  gedaan  hebben,  den  Eed  af  te  nemen  en  bij 
„weygering,  te  doen  na  inhoud  van  gem.  placaat. 

Over  de  beide  Roomsche  geestelijken  wordt  in  de 
verdere  notulen  niet  meer  gesproken.  Blijkbaar  hebben 
de  twee  commissarissen  ze  „doen  compareeren"  en  hun 
mededeeling  gedaan,  dat  door  de  veranderingen  in  den 
voorgeschreven  eed,  de  Regeering  genoegen  kon  nemen 
met  de  beperkende  bepaling,  die  kapelaan  Paep  en 
pastoor  Warmelink  den  21  en  Aug.  hadden  aangebracht. 

Ten  slotte  wil  ik  nog  mededeelen,  dat  Klaas  Stuurman 
bij  zijn  eedsweigering  „persisteerde",  nog  altijd  „de 
rechten  van  den  mensch  niet  kunnende  begrijpen". 

Hij  werd  12  Jan.  1796  als  collecteur  „van  de  door- 
vaard op  de  turf"  —  en  als  schoolmeester  —  ontslagen. 

Amsterdam.  M.  Kramer. 


HET    BIDDEN    IN    DE  KERKEN  VOOR  KONING 
LODEWIJK  NAPOLEON  IN   1809. 


Den  25sten  van  Zomermaand  1806  had  zijn  Excell. 
de  Minister  van  Binnenl.  Zaken  door  het  geheele 
Koninkrijk-Holland  aanschrijving  gedaan,  dat  in  alle 
kerken  gebeden  zou  worden  voor  Koning  Lodewijk 
Napoleon. 

Deze  aanschrijving  heeft  hoogstwaarschijnlijk  aan- 
leiding gegeven  tot  het  onderstaande  gebed,  dat  's  Zondags 
in  de  katholieke  kerken  door  den  priester  werd  gebeden, 
zooals  heden  ten  dage  nog,  alhoewel  in  anderen  vorm, 
gebruikelijk  is,  al  is  thans  het  bidden  voor  de  Koningin 
dan  ook  niet  door  haar  Ministers  voorgeschreven. 

Van  dat  gebed  heb  ik  een  gedrukt  exemplaar  in 
mijn  bezit. 

Het  opschrift  luidt : 

„Manier  om  het  gebed  voor  den  koning  in  de  roomsch- 
katholyke  kerken  te  bidden." 

Het  is  gedrukt  „Te  Amsterdam,  bij  De  Wed.  F.  J.  van 
Tetroode,  Boekverkoopster  in  de  Kalverstraat." 

„Met  Approbatie"  staat  er  onder. 

De  tekst  is  aldus : 

„V.  Domine  salvum  fac  Regem  nostrum  Ludovicum 
„Napoleonem. 

„R.  Et  exaudi  nos  in  die,  qua  invocaverimus  te. 

Oremus. 
„Quaesumus  omnipotens  Deus,  ut  famulus  tuus  Ludo- 
„vicus  Napoleon,  Rex  noster,  qui  tua  miseratione  suscepit 


55 

„regni  gubernacula,  virtutum  etiam  omnium  percipiat 
„incrementa :  quibus  decenter  ornatus,  &  vitiorum  monstra 
„devitare,  &  ad  te  qui  via,  veritas,  &  vita  es,  gratiosus 
„valeat  pervenire.  Per  Dominum  nostrum  &c." 

De  hollandsche  vertaling  is  er  naast  gedrukt  ^). 

Dat  bidden  voor  Koning  Lodevvijk  Napoleon  lijkt 
niet  bij  alle  gezindten  op  de  gewenschte  manier  geschied 
te  zijn.  Van  regeeringswege  alweer,  werd  er  in  1809 
aanmerking  op  gemaakt. 

In  het  gemeente-archief  van  Limmen  vond  ik  zeer 
toevallig  daarover  het  volgende  genotuleerd,  dat  m.i. 
wel  waard  is  gepubliceerd  te  worden,  al  was  het  alleen 
maar  om  deze  reden,  dat  de  katholieken  zich  in  die 
aangelegenheid  blijkbaar  uitstekend  naar  den  wensch 
der  wereldlijke  overheid  gedragen  hebben. 

„Vergadering  gehouden  van  het  Gemeente  Bestuur 
„van  Limmen  26  van  Oogstmaand. 

„Is  gelezen  een  aanschrijving  van  den  Heer  Landdrost 
„van  het  Departement  van  Amstelland  gedateerd  den 
„21  dezer  Lettr.  A.  houdende  aanschrijving  om  de 
„noodige  orders  te  stellen,  dat  op  maandag  den  4den 
„van  herfstmaand  aanstaande  des  voormiddag  ten 
„10  uuren  in  de  gemeente  worde  gehouden  een  Dank- 
„en     Bedestond ;    waarop    gedelibereerd    zijnde    Is    den 


l)  V.  Heer!  behoed  onzen  Koning  Lodewijk  Napoleon. 
R.   En   verhoor  ons  ten   dage  dat  wij   U  aanroepen. 

Laat  ons  bidden. 

Alinagtig  God !  wij  bidden  U,  dat  uw  Dienaar  onze  Koning,  Lodewijk 
Napoleon,  die  door  uwe  genadige  beschikking  het  bestuur  des  Rijks 
bekomen  heeft,  ook  een  aanwas  verkrijge  van  allerlei  deugden,  door 
welke  hij  naar  behoren  voorzien,  hef  wanvoeglijke  der  ondeugd  ver- 
meiden, en  welgevallig  komen  kan  tot  U,  die  de  weg,  de  waarheid, 
en  het  leven  zijt.  Door  Jezus  Christus  onzen  Heer.  Amen. 


56 

„Secretaris  versogt  en  gelast,  aan  de  Leeraar  der  Ge- 
„reformeerde  gemeente  en  aan  de  Leeraar  der  Roomsche 
„gemeente  alhier  te  doen  de  navolgende  aanschrijving: 

Limmcn  den  26  van  Oogstmaand  1809. 

„Het  Gemeente  Bestuur  van  Limmen  ontvangen 
„hebbende  een  aanschrijving  van  den  Heer  Landdrost 
„van  het  Departement  Amstelland  gedateert  den  21  dezer 
„Lettr.  A.  ingevolge  de  intentie  van  Zijne  majesteit 
„houdende  de  nodige  orders  te  stellen,  dat  op  maandag 
„den  4de  van  herfstmaand  aanstaande  des  voormiddags 
„te  tien  uuren  in  de  gemeenten  binnen  deze  Jurisdictie 
„met  de  meest  mogelijke  plegtigheid  in  de  kerken  van 
„ider  gezindheid  wordt  gehouden  een  dank-  en  Bede- 
„stond,  ten  einde  de  beste  zegening  over  Zijne  majesteit 
„van  het  opperwezen  af  te  smeken,  ten  einde  verder 
„voor  dit  Land,  waarvan  een  gedeelte  zich  in  zulke 
„benauwde  omstandigheid  bevind  ^),  redding  en  hulp 
„van  den  Hemel  af  te  bidden  en  om  eindelijk  met 
„dankbare  erkentenis  voor  al  het  goede,  hetgeen  wij 
„nog  in  zulk  een  ruime  mate  genieten,  de  vurigste 
„wenschen  en  gebeden  op  te  zenden  dat  het  Gode 
„behage  onze  dierbare  Koning  nog  lang  te  sparen, 
„Zijne  Regering  voorspoedig  te  maken,  de  krijg  van 
„het  HoUandsche  grondgebied  te  verwijderen,  de  daartoe 
„aangewend  wordende  pogingen  met  den  besten  uitslag 
„te  bekronen  en  door  een  spoedige  en  vaste  vrede 
„wederom  de  verstopte  bronnen  van  voorspoed  en  bloei 
„te  doen  openen. 

„Wordt  door  het  gemeentebestuur  voornoemd  daarvan 
„kennis  gegeven  aan  de  Leerraar  van  de  gereformeerde 
„gemeente  en  aan  de  Leerraar  der  Roomsche  gemeente 


l)   Inval  der  Engelschen  in  Zeeland.  Ook  overstroomingen  hier  en  daar 


57 

„alhier,  met  aanschrijving  en  last,  om  in  de  hare, 
„voor  zo  veel  hem  aangaat,  te  zorgen,  dat  aan  het  daarbij 
„bepaalde  ingevolge  de  intentie  van  Zijne  Majesteit 
„stiptelijk  worde  voldaan  en  daartoe  alvorens  op  Sondag 
„den  a/en  dezer  van  den  Predikstoel  hunne  gemeenten 
„van  het  houden  der  gemelde  Dank  en  Bedestond  kennis 
„te  geven. 

Laarman,  secr. 

Vier  dagen  later  werd  ook  eene  kennisgeving  gericht 
tot  de  Burgerij,  om  —  wegens  den  ernst  der  tijden  — 
zich  op  Maandag  4  Sept.  a.s.  van  festiviteiten  (ter  viering 
des  verjaardags  van  Koning  Lodewijk),  te  onthouden  ^). 

„Het  Gemeente  Bestuur  van  Limmen  brengt  bij  dezen 
„ter  kennisse  van  de  Ingezetenen  van  Limmen,  en  allen 
„die  sulks  verder  aangaat.  Dat  het  de  wil  van  Zijne 
„Majesteit  de  koning  is,  dat  er  geene  buitengewone 
„vreugdebedrij ven  zullen  plaats  hebben,  voor  dat  het 
„grondgebied  van  het  koninkrijk  geheel  van  den  vijand 
„is  bevrijd  en  uit  dien  hoofde  verlangt,  dat  de  Feesten 
„en  vreugdebedrij  ven  welke  op  maandag  de  4de  van 
„Herfstmaand  soude  gevierd  zijn,  geen  plaats  hebben, 
„maar  sich  bepalen  tot  het  opsenden  van  publieke  en 
vurige  gebeden. 

3oen  van  Oogstmaand   1809. 

In  kennisse  van  mij 
Laarman. 

De  ernstige  wensch  van  de  wereldlijke  Overheid  was 
dus     wel     zeer    duidelijk    te    kennen    gegeven    aan    de 


l)  Lodewijk  Bonaparte,  geb.  te  Ajaccio  2  September  1778,  f  te 
Livorno  25  Juli  1846,  zoon  van  Carlo  Bonaparte  en  van  Maria  Laetitia 
Ramolino.  Gehuwd  met  Hortense  de  Beauharnais. 


58 

geestelijkheid  en  het  volk.  Heeft  men  er  zich  aan 
gehouden  ? 

In  de  Vroedschapsvergadering  te  Limmen  op  1 1  No- 
vember 1809  werd  door  den  Voorzitter  het  volgende 
schrijven  voorgelezen : 

„Is  ontvangen  een  aanschrijving  van  deselve  Heer 
„Landdrost  gedateert  den  i8en  van  Herfstmaand  1.1. 
„Lettr.  H.  houdende  dat  niet  in  alle  Hervormde 
„kerken  ^)  wordt  opgevolgd  de  bepaalde  orde  nopens 
„de  wijze  van  bidden  voor  het  Gouvernement  en  dat 
„onderscheidene  Leeraars  niet  dan  algemeene  ge- 
„beden  doen  zonder  den  koning  met  n a m e  daaronder 
„te  bevatten,  dat  sulks  soo  niet  behoorde  en  dat  de 
„gemeente  bestuuren  worden  verantwoordelijk 
„ges telt  dat  aan  de  aanschrijving  van  Zijn  Excellentie 
„de  minister  van  binnenlandsche  Zaken  in  dato  den 
„25en  van  Zomermaand  1806  worde  voldaan.  Waarop 
„door  den  Secretaris  gecommuniceerd  zijnde,  dat  hij  de 
„bevorengemelde  aanschrijvingen  van  den  i8en  van  Herfst- 
„maand  1.1.  Lettr.  H.  ter  kennisse  van  de  gereformeerde 
„gemeente  alhier  had  gebracht  ten  einde  sich  daarna 
„te  kunnen  gedragen,  Is  het  verrigte  van  de  Secretaris 
„geapprobeert." 

Het  schijnt,  dat  op  den  4en  Sept.  scherp  nagegaan  is, 
of  in  de  verschillende  kerken  op  de  gewenschte  manier 
werd  gebeden.  Zeker  waren  ook  nu  weer  —  evenals 
op  de  gewone  Zondagen  —  schuldige  afwijkingen  ge- 
bleken, maar  alleen  in  de  hervormde  kerken.  Daar 
moest  nu  maar  eens  voor  goed  een  einde  aan  komen 
door  den  krassen  maatregel,  dat  de  gemeentebesturen 
in  dezen  verantwoordelijk  werden  gesteld. 


[)  Spatieeringen  van  mij. 


59 

Niet  lang  echter  meer  zou  ook  in  de  herv.  kerken 
de  naam  van  Lodewijk  Napoleon  in  het  voorgeschreven 
gebed  genoemd  worden.  En  geen  enkelen  verjaardag 
zou  hij  meer  in  Holland  vieren ;  zijn  regeeringsdagen 
waren  geteld.  Door  zijn  keizerlijken  broeder  gedwongen, 
deed  hij  den  eersten  Juli  1 8  lo  in  het  Paviljoen  te  Haarlem 
afstand  van  de  regeering. 

Amsterdam.  M.  Kramer. 


UIT  OUDE  BESCHEIDEN. 


I.    ViCARIE   VAN   HET   S.  JOZEF'S  ALTAAR    IN   S.  BAVO 

TE  Haarlem. 

Meermalen  reeds  werd  in  tijdschriften  op  historisch, 
oudheidkundig  en  genealogisch  gebied  gewezen  op  het 
groote  nut,  dat  ook  de  archieven  van  bijzondere  personen 
en  families  bezitten,  om  nog  al  eens  voorkomende 
twijfelingen  aangaande  personen  of  feiten  met  stelligheid 
op  te  lossen. 

Als  sprekend  voorbeeld  van  de  waarheid  dezer  be- 
wering, als  ook  ter  aansporing  om  dergelijke  archieven, 
zoo  mogelijk,  nauwkeurig  te  doorzoeken,  diene  volgende 
mededeeling. 

In  de  „Outheden  en  gestichten  van  Kennemerland, 
Amstelland,  Noortholland  en  Westvriesland,"  beschreven 
door  H.  van  Heussen,  vertaald  en  toegelicht  door 
H.  van  Rijn,  uitgegeven  te  Leiden  in  1725,  blz.  27 
onder  N.  15,  vinden  wij  vermeld,  dat  het  „recht  van 
patroonschap"  van  het  St.  Jozefs  altaar  in  de  Kathedrale 
Kerk  van  St,  Bavo  te  Haarlem  toekwam  „Antoon 
Verburg  of  Floris  van  Adrichem."  De  twijfel  daaromtrent, 
door  bovengenoemde  schrijvers  met  het  woordje  of  uit- 
gesproken, wordt  echter  op  afdoende  wijze  weggenomen 
door  de  authentieke  akte,  berustende  in  het  Archief 
der  familie  van  Brienen  in  het  St.  Nicolaasgesticht  van 
Liefdadigheid  te  Amsterdam,  ook  nog  wegens  andere 
bijzonderheden    belangrijk    genoeg   om    hier   te    worden 


6i 


medegedeeld,  terwijl  wij  hopen  deze  nog  door  meerdere 
dergelijken  te  laten  volgen : 

In  nomine  domini  Amen.  Anno  a  nativitate  ejusdem 
Domini  millesimo  quingentesimo  sexagesimo  secundo, 
indictione  quinta,  mensis  Octobris  die  septima,  ponti- 
ficatus  Sanctissimi  in  Christo  patris  et  domini  domini 
Pil  divina  providentia  papae  quarti  anno  ejus  secundo, 
ac  Illustrissimi  Romanorum  imperatoris  Ferdinandi  anno 
suG  quinto,  in  mei  notarii  publici  testiumque  infrascrip- 
torum  presentia  personaliter  constitutus  nobilis  ac  spe- 
ctabilis  vir  Anthonius  van  der  Burch,  verus  ut  asserunt 
patronus  sive  collator  perpetuae  vicariae  fundatae  et 
erectae  in  altari  Sancti  Josephi  ecclesiae  parochialis  seu 
cathedralis  Haerlemensis,  cujus  ultimus  possessor  extitit 
Magister  Jacobus  Zeeman,  presbiter  ac  canonicus  in 
Ziericxzee  felicis  memoriae,  honestum  et  discretum 
dominum  magistrum  Johannem  van  den  Daele  pre- 
sbiterum  ac  canonicum  collegii  praedicti  in  Ziericxzee, 
omnibus  melioribus  modo,  via,  jure,  stilo,  causa  et  forma, 
quibus  melius  et  efficacius  potuit  et  debuit,  in  Dei  nomine 
et  propter  Deum,  ad  vicariam  presentavit  et  presentari 
voluit  per  presentes,  supplicando  humiliter  venerabili 
domino  archidiacono  seu  ejus  officiali  seu  illi  cui  de 
jure  vel  consuetudine  dictae  vicariae  institutio  pertinere 
dinoscitur,  quatenus  eundem  dominum  Johannem  van 
den  Daele,  ut  premittitur  presentatum,  instituere  et  in- 
vestire  ipsumque  in  corporalem  realem  et  actualem 
possessionem  dictae  vicariae  induci  facere  illique  de 
fructibus  redditibus  et  proventibus  ipsius  responderi 
mandare  literasque  debitas  concedere  velit  et  dignetur. 
Super  quibus  omnibus  et  singulis  premissis,  antedictus 
Antonius  van  der  Burch,  patronus,  petiit  a  me  notario 
publico  subscripto  unum  vel  plura  instrumenta  sibi  confici 


62 


et  tradi  in  meliori  forma.  Acta  sunt  hec  Haerlemi  in 
edibus  honorabilis  ac  discreti  Gualteri  de  Bekesteyn 
quondam  prefecti  ac  burgimagistri  dictae  civitatis  Haer- 
lemensis,  presentibus  ipso  Gualtero  de  Bekesteyn  ac 
Lanceloto  Jacobi  ejusdem  civitatis  incolis  testibus  fide 
dignis,  ad  premissa  vocatis  specialiter  et  rogatis. 

Hieronder  bevindt  zich  ter  rechterzijde  de  volgende 
aanteekening : 

Et  ego  Albertus  Nicolai  Raet  clericus  Trajectensis 
diocesis  publicus  sacris  apostolica  et  imperiali  autoritatibus 
necnon  speciali  curie  Hollandiae  admissione  et  appro- 
batione  notarius,  quia  dictae  collationi  seu  praesentationi 
omnibusque  aliis  et  singulis  dum  sic  ut  premittitur  fierent 
et  agerentur  coram  praenominatis  testibus,  presens 
interfui  eaque  sic  fieri  vidi  et  audivi  ac  in  notam 
sumpsi,  ideo  hoc  presens  publicum  instrumentum  manu 
mea  propria  scriptum  exinde  confeci  subscripsi  et  in 
hanc  publicam  formam  redegi  signoque  et  nomine  meis 
solitis  et  consuetis  signavi,  in  fidem  et  veritatis  testi- 
monium omnium  et  singulorum  premissorum  vocatus  et 
requisitus. 

En  daarnevens  ter  linkerzijde,  als  handteekening  van 
bovengenoemden  Albertus  Nicolai  Raet,  een  merk,  be- 
staande in  een  kruis,  waarvan  de  drie  boveneinden  in 
sierlijken  bladvorm  eindigen,  in  het  midden  in  ruitvorm 
geopend  en  voorzien  van  een  breeden  ring,  die  over 
de  beide  zijarmen,  maar  onder  den  boven-  en  beneden- 
arm  van  het  kruis  loopt,  kruis  en  ring  bezaaid  met 
blokjes  en  figuurtjes.  Het  ondereinde  van  het  kruis  loopt 
breed  uit  in  een  breeden  golvenden  band,  waarop  de 
spreuk:  „Altyt  ten  besten  raet". 

C.  E.  A.  HUILMAND,  Pr. 


PASTOOR  MICHIËL  VAN  RIEMSDIJK 

bediende  in  1567  gedurende  vier  maanden  Twisk  en 
vervolgens  Castricum,  waarvan  de  pastoor  voortvluchtig 
was  en  de  parochianen  zich  niet  met  de  mennonieten 
bemoeiden,  —  dus  vermeldt  pater  A.  van  Lommei  in 
het  tiende  deel,  bl.  398  en  409  dezer  Bijdragen.  Volgens 
de  Oiidhede7i  en  Gestichten  van  Kennemerland,  I  184, 
was  een  Johan  Pietersz.,  die  het  met  de  nieuwe  gezind- 
heid hield,  omstreeks  1570  pastoor  van  Castricum.  Bor, 
uitgaaf  van  1679,  eerste  stuk,  blz.  548,  noemt  echter 
van  Riemsdijk  nog  in  1574  als  zoodanig,  en  wel  als 
trouw  aanhanger  van  het  oude  régime.  Den  26en  Juni 
1574  namelijk  zond  hij  uit  Beverwijk,  met  een  vrouw 
van  daar,  een  brief  aan  den  magistraat  van  Alkmaar 
met  eene  copie  van  het  pardon,  daartoe  gelast  door 
den  heer  van  Grammay.  Hij  ried  aan  om  in  onder- 
werping te  komen,  ook  uit  medelijden  met  de  om- 
zwervende en  hongerlijdende  gevluchten,  en  bood,  zoo 
men  iemand  tot  hem  wilde  zenden,  zijne  bemiddeling 
aan,  zelfs  in  het  belang  der  van  het  pardon  uitgeslotenen. 
Den  8en  Juli  werd  de  vrouw  voor  burgemeesteren  geleid, 
die  haar  ondervroegen  en  aan  den  gouverneur  Sonoy 
zonden.  Deze  liet  haar  gaan  zonder  antwoord  aan  den 
pastoor,  maar  wist  het  zoo  te  beleggen,  dat  hij  den 
schrijver  in  handen  kreeg ;  doch  bevindende,  dat  deze 
„een  goed  slecht  gezel"  was,  die  zich  nooit  bitter  of 
partijdig  tegen  „die  van  de  religie"  had  gedragen,  liet 
hij  hem  „om  een  klein  redelijk  rantsoen"  vrij  —  wat 
ons  van  Sonoy  niet  tegenvalt. 


64 

Met  het  hier  genoemde  pardon  zal  bedoeld  zijn  het 
in  het  begin  van  Juni  1574,  door  Requesens  op  's  konings 
naam  afgekondigde,  hetwelk  veel  zachter  was  dan  dat 
van  Alva  van  16  Juli  van  het  vorige  jaar.  Had  de 
pastoor  naar  aanleiding  van  dit  laatste,  toen  Haarlem 
op  vallen  stond  en  Alkmaars  belegering  te  wachten 
was,  terwijl  men  er  nog  in  twijfel  verkeerde  welke 
partij  te  kiezen,  zijne  poging  beproefd,  wellicht  had  zij 
een  meer  door  hem  gewenscht  gevolg  gehad ;  maar  in 
1574  was  de  toestand  daartoe  reeds  te  zeer  veranderd. 

Dit  alles  brengt  niets  nieuws  aan  het  licht,  maar 
aangezien  het  van  v.  Riemsdijks  standpunt  gezien,  meer 
tot  zijn  eer  dan  tot  zijn  oneer  strekt,  verdient  het 
m.  i.  nog  wel  eens  melding  in  de  Bijdragen. 

C.  W.  B. 


EEN  FEESTVIEREND  PASTOOR   VAN 
HEEMSKERK. 


Van  1542— 1555  is  Heer  Gregorius  Claesz.  pastoor 
geweest  van  Heemskerk,  behoorende  onder  de  Com- 
manderij  van  St.  Jan  te  Haarlem  i).  In  1550  vierde  hij 
zijn  gouden  priesterfeest  en  de  Regeering  van  Haarlem, 
die  op  goeden  voet  stond  met  de  St.  Jans-heeren,  liet 
zich  bij  die  gelegenheid  niet  onbetuigd.  Zij  vulde  de 
kannen  en  kroesen  aan  den  maaltijd,  ter  eere  van  den 
jubilaris  in  de  Commanderij  aangericht,  waarvan  men 
nader  verneemt  uit  de  volgende  aanteekening  in  de 
Thesauriersrekening  A°   1549/ 15  50  blz.  68: 

Roel    de    Camerlinck    betaelt    de    somme    van    drye 

ponden  thien  scellingen,  ter  cause  van  acht  stedekannen 

Rins-wijn,  die  vander  stede  wegen  opten  vijfden  Augusti 

vijftich    geschonken     zijn     inde     feeste     ende    vrolijcke 

maeltijt,    die    gehouden    is  geweest  inden  convente  van 

St.  Jans,  bij  Heer  Gregorius  Claess.,  pastoir  van  Heems- 

kerck,  nair  (nadat)  hij  als  priester-Jubilaris  zijnen  gulden 

misse  gesongen  ende  solemneel  statie  gehouden  hadde, 

elcke     kanne    houdende    zeeven    pinten,    de    pinte    een 

braspenninck  gerekent. 

C.  J.  G. 

I)  Bijdragen   IV,   248. 


NUYENS-FONDS. 


Het  Bestuur  van  het  Nuyens-fonds  brengt  ter  kennis, 
dat  als  nieuwe  prijsvraag  wordt  uitgeschreven : 

„Een  critische  beschouwing  der  werken  van  Jacob 
van  Maerlant  als  geschiedbron  voor  den  godsdienstig 
zedelijken  toestand  van  zijn  tijd.'' 

Voor  deze  prijsvraag  stelt  het  Bestuur  een  prijs  van 
/500  beschikbaar,  met  een  fraai  eere-diploma.  Zij,  die 
naar  deze  prijsvraag  wenschen  mêe  te  dingen,  zijn  ver- 
plicht hun  manuscript,  in  zijn  geheel  en  duidelijk  lees- 
baar, portvrij  aan  den  Voorzitter  te  zenden,  uiterlijk 
I  Januari  igi6.  De  prijsverhandelingen  zullen  bij  voor- 
keur niet  geschreven  zijn  met  de  eigen  hand  van  den 
steller ;  zij  mogen  niet  door  hem  onderteekend  zijn, 
doch  moeten  gekenmerkt  worden  met  eene  zinspreuk 
en  vergezeld  gaan  van  een  verzegeld  briefje,  dezelfde 
spreuk  tot  opschrift  voerende  en  waarin  des  schrijvers 
naam  en  adres  eigenhandig  zijn  opgegeven.  De  bekroonde 
en  niet  bekroonde  prijsverhandelingen  behoeven  niet 
te  worden  teruggezonden  aan  de  inzenders.  Eene  prijs- 
verhandeling kan  slechts  worden  bekroond,  indien  zij 
door  een  katholieken  Nederlander  is  saamgesteld.  Bij 
voorkeur    worden    zij    geschreven   in  het  Nederlandsch. 

De  beslissing  over  de  toe  te  kennen  prijzen  berust 
wederom  bij  een  door  het  Doorluchtig  Episcopaat  te 
benoemen  jury  van  vijf  personen. 

Dr.  J.  V.  De  Groot  O.  P.  (te  Amsterdam), 

Voorzitter. 
Dr.  GiSBERT  Brom  (te  Rome),  Secretaris. 
Utrecht,  25   September   19 13. 


KERKGESCHIEDENIS  VAN  AMSTELLAND. 
{Vervolg;  van  deel  XXXV,  blz.  83). 


Omtrent  den  kerkelijken  toestand  op  het  einde  der 
i6de  eeuw  geven  de  kerkvisitatiën,  welke  in  de  dorpen 
langs  de  Vecht,  maar  behoorende  tot  het  aartsdiaconaat 
van  S.  Jan,  in  de  jaren  1567 — 1568  gehouden  werden, 
eene  treurige  bevinding  ^).  En  vijf  en  twintig  jaren  later 
toen  de  katholieke  kerk,  volgens  de  meening  van  velen, 
haren  ondergang  te  gcmoet  ging  -),  en  het  protestantisme, 
leunende  op  den  sterken  arm  van  den  Staat,  tot  de 
winnende  partij  behoorde,  werd  in  1593,  vanwege  den 
kerkeraad  van  Utrecht  in  de  dorpen  langs  de  Vechtstreek, 
opnieuw  een  onderzoek  ingesteld  naar  de  heerschende 
kerkelijke  aangelegenheden  =*). 

En  in  beide  visitaties,  de  twee  voornaamste  bronnen 
over  dit  tijdperk  der  kerkgeschiedenis,  wordt  op  het 
gehalte  der  geestelijkheid  van  die  dagen  een  beklagens- 
waardig licht  geworpen.  „Het  zout  der  aarde"  was 
bedorven ;  hoe  kon  derhalve  de  dwaling,  die  meer  en 
meer  veld  won,  worden  geweerd  ? 


1)  Rappard,  Ridder  van,  Mr.  F.  A.  L.  en  Mr.  S.  Muller  Fz. :  Verslagen 
van  kerkvisitatiën  in  hel  bisdom  Utrecht  uit  de  1 6de  eeuw,  Amsterdam, 
Johannes  Muller,  191 1,  pag.  417 — 427.  (Hist.  Genootsch.  [Verken, 
3de  Serie,  No.   29. 

2)  Fruin,  R.:  Verspreide  Geschriften, 's-Gravenhage,  Martinus  Nijhofif, 
191 1,   dl.   III,   blz.   249. 

3)  Bijdragen  en  Mededeelingen  v.  h.  Hist.  Gen.:  dl.  VII,  Utrecht, 
Remink  en   Zoon,    1884,   blz.    186 — 267. 


68 

Op  de  synode  van  Edam,  gehouden  den  i6en  Aug. 
1572,  werden  de  bepalingen  vastgesteld,  waarop  de 
papen,  die  in  het  pausdom  waren  overgebleven,  en  zich 
„totten  dienste  des  heylighen  Evangeliums"  wenschten 
te  begeven,  konden  worden  toegelaten  1).  Door  de  Staten 
van  Utrecht  werd  in  1581  aan  de  pastoors,  die  toen- 
maals in  bediening  waren,  vrijheid  gelaten  om  hun 
ambt  te  blijven  waarnemen,  mits  hunne  prediking  niet 
vóór  het  roomsche  of  tégen  het  protestantsche  geloof 
geschiedde  en  het  H.  Sacrament  des  doopsels  zonder 
roomsche  ceremoniën  werd  toegediend.  En  zoolang 
zouden  zij  gehandhaafd  blijven  als  de  gemeenten  over 
hen  tevreden  waren  en  aan  de  Staten  geen  echte 
protestantsche  leeraars  zouden  aanvragen.  En  inderdaad 
werden  er  in  die  dagen  meerdere  herders  gevonden,  die, 
naar  het  gewijde  woord  „niet  kunnende  spitten  en  voor 
bedelen  zich  schamende",  den  huik  naar  den  wind 
hingen  en  voor  zulke  onwaardige  bedieningen  zich 
gaarne  lieten  vinden.  Daarvan  zijn  voorbeelden  zoo  uit 
de  dorpen  in  de  buurtschap  van  Amstelland  -)  als  van 
elders  3)  in  overvloed  aan  te  halen. 

't  Is  dan  ook  niet  te  verwonderen,  dat  Gaspar  Janszoon 

Coolhaas,    de    voorlooper  van  Arminius,  een  tijdgenoot 

en    een    ooggetuige    van    deze  ontstichtende  en  ergenis- 

wekkende  toestanden  over  de  predikanten  uit  het  eerste 

tijdperk    der    Hervorming    al   zeer  slecht  te  spreken  is. 

»üeghene  —  zoo  zegt  hij  '»)  —  dewelcke  te  dier  tijt  haer  tot 
predicanten    ende   leeraars   gebruycken    lieten,  waren  meest  al  te 

i)  Reitsma,  J.  en  Veen,  S.  Z>.  z/aw;  Acta  der  provinciale  en  particuliere 
Synoden,  gehouden  in  de  noordelijke  Nederlanden  gedurende  de  jaren 
1572  — 1620,  Groningen,  J.  B.  Wolters,   1892,  dl.  I,  blz.    i. 

2)  Bi/dr.  en  Meded.  v.  h.  Hist.  Gen.:  VII,  blz.  192,  197,  199,  199  —  200, 
206,  207,  212,  213,  214,  224,  228,  229,   230,  242,  245,  250. 

3)  De  Katholiek:  jg.   1913,  dl.  I,  blz.  150—158;  id.  l.c,  blz.  462—463. 

4)  Aangehaald  in  de  Katholiek:  jg.    1858,  dl.   II,  blz.  373—375- 


69 

samen  nieuwelingen,  dewelcke  (nae  't  ghevoelen  van  Pauli  I  Tim.  III) 
niet  ivaerdich  noch  bequaetn  gekent  en  worden  om  het  predick- 
ampt  te  bedienen.  Sy  waren  meest  al  te  samen  tnispri esters  ende 
cloosterlieden  gheweest,  die  het  pausdom  gheensins  verlaten  hadden, 
maer  van  den  pausdom  verlaten  waren.  Want  hare  waer  ofte 
coopmanschap  van  missen  te  lesen  ofte  singhen  voor  den  leven- 
dighen  ende  dooden,  insgelycken  om  vigiliën,  om  litaniën  voor 
de  dooden  te  lesen  en  dierghelycken  seer  veel  dinghen  meer  te 
houden  (dewelcke  den  daghelicschen  penninck  inbrachten,  waer- 
van  sy  lieden  met  haren  bysitten  ende  kinders  leven  souden)  en 
woude  niemand  meer  copen.  Waerom  sy  door  hongersnoot  ofte 
gebreck  van  'tjaerlicx  ende  dagelicx  incoemste  gedwongen,  niet 
willende  bedelen,  en  tot  gheen  andere  arbeid  geschikt,  thans 
meer  schaden  met  haer  predicken,  dan  sy  oyt  met  haren  missen 
doen  ghedaen  hebben. 

Als  sy  mispriesters  waren,  en  quam  niemant  om  de  misse  te 
hooren  dan  deghene  die  anders  niet  en  wisten,  dan  dat  het  misse 
hooren  een  hcerlick  werck  was.  Maer  onder  het  decksel  van 
't  Evangelium  te  predicken,  den  vrede  te  vercondighen,  ende  den 
alleen  eenigen  God  alle  lof,  eere  ende  prijs  toe  te  schryven,  de 
toehoorders  tot  onvrede,  tot  haet  ende  nyt,  tot  partijschap  aen 
te  sporen  ende  haren  naesten  in  Christum  gelovenden ...  te  lasteren, 
verdoemen,  ketteren  ende  schelden :  ende  haer  lieder  toehoorders 
meer  op  hare  kerk,  meer  op  hare  gemeente  te  wysen  dan  op 
Christum:  so  ergeren  sy  ontallicke  veel  menschen,  en  waer  hun 
beter,  dat  zy  den  wcch  der  waerheyt  niet  gheweten  hadden, 
mispriesters  ende  cloosterlieden  gebleven  waren,  dan  dat  sy  onder 
het  decksel  des  Evangelii,  hun  voor  predicanten  des  Evangelii 
uytgeven  ende  doch  in  der  waerheyt  niet  en  syn.  Neffens  de 
mispriesters  liepen  oock  veel  van  ambachtslieden  onder  de 
predicanten,  cleermakers,  schoenmakers,  wevers,  slootmakers  ende 
in  summa  van  alderhande  sorteringhe  van  ambachtslieden  meest 
alle  meer  om  een  luy  leven  ende  seeckere  jaerlicx  incoemst  te 
hebben,  dan  om  de  eere  Godes  ende  stichtinge  der  kercken  Christi 
te  vorderen.  Want  wie  te  dier  tyt  (ghelyck  oock  noch  hedens- 
daechs  by  allen  partyen  geschied)  meest  op  d"  andere  partyen, 
en  oock  op  de  vreedsame  onpartydige  wisten  te  lasteren,  te 
schelden  ende  te  smaden,  waren  de  beste  ende  worden  noch 
gehouden  voor  de  vroomste  ende  yverichste  predicanten  ende 
leeraers  der  kercken  Godes". 


Maar  reeds  in  datzelfde  tijdvak,  in  het  laatste  vieren- 
deel   der    i6de    eeuw,    toen    de    bedorven  elementen  de 


70 

kerk  verlaten  hadden  of  van  haar  waren  afgesneden  en 
tot  het  ontluikende  protestantisme,  zeer  te  zijnen  nadeelc, 
waren  overgegaan,  was  de  opluiking  der  gezuiverde 
katholieke  kerk  in  vollen  gang.  Aan  de  zijde  van 
Sasbout  Vosmeer  schaarden  zich  talrijke  priesters  van 
onbesproken  levensgedrag  en  onbaatzuchtigen  zielen- 
ijver, die  met  waarlijk  apostoHschen  werklust  bezield, 
arbeidende  dag  en  nacht,  het  zinkende  trachtten  te 
redden  en  het  verlorene  poogden  te  herwinnen.  En  van 
deze  ijverige  priesters  zijn  in  Amstelland  en  in  de 
onmiddellijk  daaraan  grenzende  parochiën  de  namen, 
en  van  een  priester  zelfs  de  gedenkstukken  van  zijn 
arbeid,  bewaard  gebleven.  Wij  bedoelen  het  doop-  en 
huwelijksregister  van  pastoor  Gerardus  Jeegers  van 
Abcoude,  waarin  met  haastige  hand  en  hier  en  daar 
met  potlood  werden  opgeteekend  de  namen  der  ver- 
schillende familiën  —  verspreid  over  22  dorpen  of 
gehuchten  —  onder  wie  deze  werkzame  priester  zijne 
heilige  bediening  heeft  uitgeoefend.  Het  register  loopt 
over  de  troebele  jaren  van  1573  tot  1578  en  berust 
op  het  rijksarchief  in  Limburg  ^). 

En  blijkens  de  kerkvisitatie  van  1593  hield  zich  te 
Mijdrecht  „een  paep"  op,  Anthonius  Godefridus  ge- 
heeten,  te  Pelt  in  het  land  van  Luik  geboren  „dewelcke 
den  dienst  [der  protestanten]  dagelyx  groote  verstooringe 
doet."  Zelfs  had  hij  ruiterlijk  bekend  in  het  geheim  te 
doopen  en  te  trouwen,  en  zijne  werkzaamheid  uit  te 
strekken  over  „alle  dorpen  oock  onder  Hollant  gelegen"  ^). 
Overal  in  de  proosdij  kwam  „een  paep"  prediken,  Gerrit 
genaamd    en    wonende    te    Amsterdam   „tot  groote  ver- 


1)  Geschiedkundige  Bladen:  Amsterdam,  E.  van  der  Vecht,  jg.  I, 
blz.  108—109.  Voor  de  geslachtskunde  der  oude  familiën  in  Amstelland 
zou  de  uitgave  van  dit  register  een  alleszins  merkwaardige  bijdrage  wezen. 

2)  Bijdr.  en  Meded.   v.  h.   Hist.   Gen.:  l.c,   blz.   237—238. 


71 

stooringe  van  den  kerckendienst  ende  ophoudinge  van 
't  volck"  1). 

Bovenal  echter  heeft  men  zich  te  Abcoude  met  hand 
en  tand  tegen  de  invoering  van  het  gezuiverde  Evangelium 
des  protestantismus  verzet.  In  de  genoemde  kerkvisitatie 
klaagde  de  predikant  van  Abcoude  zeer  ernstig  over 
„een  paep,  die  wt  Hollant  daer  quam  predicken  op 
alle  sondagen" ;  ook  was,  naar  's  mans  getuigenis,  te 
Abcoude  nog  een  andere  „paep"  woonachtig,  Peter 
Claessz.  genaamd  uit  Amsterdam  „dewelcke  dagelycx 
hem  onderstaet  sijnen  dienst  te  verstooren  met  heymelyck 
te  doopen  ende  te  trouwen".  Zelfs  ging  de  Roomsche 
„stoutichheyt"  te  Abcoude  zoover,  dat  bijna  dagelijks 
kaarsen  op  de  altaren  werden  ontstoken  „tot  groot 
schandael  van  alle  passanten  ende  tot  bedroeffenisse  van 
hem  [den  predikant]  en  allen  vroomen""^).  Geen  wonder 
dat  de  predikant,  wiens  naam  van  elders  blijkt  Pieter 
Jansz.  te  wezen,  te  Abcoude  het  veld  moest  ruimen,  en 
op  de  particuliere  synode  van  Edam,  gehouden  den 
14611  Juni  1604  „raedt  ende  assistentie"  verzocht  „met 
presentatie  van  zijnen  dienst"  ^).  In  1606  werd  her- 
haaldelijk, blijkens  klachten  van  predikanten,  door  den 
pastoor  van  Ouderkerk  te  Kudelstaart  gepredikt"*);  ook 
waagde  hij  het  „de  luyden"  te  hertrouwen  ^).  In  1619 
werden  klachten  vernomen  over  paapsche  vergaderingen 
te  Waveren,  waartoe  velen  van  de  protestanten  getogen 
waren  ®). 

Uit     al     deze     mededeelingen     blijkt,    dat    de    goede 

1)  L.c,  blz.  239. 

2)  L.c,  blz.  232—233. 

3)  Reitsma  en  Van  Veen:  l.c,  blz.  360-361;  Vgl.  het  Jaarboekje 
Niftarlake,   1 9 1 3 ,  blz,  4 3  —  44. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXVIII,  blz.  296—297;  id.  l.c,  blz.  301. 

5)  L.c,  blz.  302. 

6)  Bijdr.  V.  H. :  dl.  XXVIII,  blz.  301.  Vgl.  Bjdr.  v.  H. .  dl.  XIV,  blz.  47. 


72 

katholieken,  in  deze  treurige  jaren,  van  onvermoeide  en 
zorgzame  priesters  niet  verstoken  waren ;  en,  waar  dezen 
mochten  ontbreken,  daar  traden,  volgens  het  getuigenis 
van  Vosmeer,  Iceken  in  hunne  plaats,  om  gezamenlijk 
met  de  geloovigen  te  bidden,  homelieën  aan  hen  voor  te 
lezen  en  feesten  en  vastendagen  bekend  te  maken  ^). 
Inderdaad  aan  de  katholieken  op  het  platte  land  tusschen 
Utrecht  en  Amsterdam  werd  groote  vrijheid  van  handelen 
gelaten;  zelfs  konden  zij,  zooals  Vosmeer  zegt  2),  op 
klaarlichten  dag  en  onder  de  oogen  der  kettcrsche 
predikanten  hunne  bijeenkomsten  houden.  Onder  de 
predikanten  werd  dan  ook  op  hunne  synoden  over  de 
„openbaren  tsamenloopinge  der  papisten,  welcke  so  in 
den  steden  als  ten  platten  lande  dagelicx  toenemen", 
herhaaldelijk  geklaagd  3),  zoodat  de  Staten  van  Holland 
de  reeds  bestaande  plakkaten  verscherpen  en  de  te  be- 
loopen  boeten  ook  moesten  uitstrekken  tot  die  „samen- 
coemsten  ende  conventiculen",  waarbij  geen  „paep  oft 
munnick"  aanwezig  was.  Ook  zij,  die  zich  door  „papen 
oft  munnicken"  opnieuw  lieten  trouwen  of  doopen,  „mits- 
gaders dengenen  die  daerby  ende  present  geweest  syn"  *), 
werden  onder  de  gestelde  strafbepalingen  begrepen.  Zoo 
kon  geen  doopsel,  geen  huwelijks-inzegening,  geen  onder- 
richtend of  opwekkend  woord  —  zelfs  niet  meer  door 
een  vromen  leek  —  gehouden  worden,  indien  de  letter 
der  plakkaten  gehandhaafd  werd.  Maar,  gelijk  uit  de 
Annalen  van  Dusseldorp  blijkt,  werd  aan  de  uitvoering 
der  plakkaten  niet  overal  even  gestreng  de  hand  gehouden. 
Zelfs  verhaalt  hij,  dat  de  Staten,  die  de  plakkaten  hadden 


1)  Arc/i.  V.    Utr.:  Insinuatio  Status  Provinciarum,  dl.  XVII,  pag.  156. 

2)  L.c,  pag.    152-153. 

3)  Reitsma   en    Van    Veen:    l.c,   blz.    135,   147,    161,    165,   186,    199, 
216,  294,  341,   364,  381,   392. 

4)  L.c,  blz.    199  —  200. 


71 

uitgevaardigd,  niet  eens  vvenschten,  dat  deze  in  de  gewone 
gevallen  strikt  werden  uitgevoerd,  maar  tevreden  waren, 
indien  de  bedreigde  strafifen  van  al  te  stoute  overtredingen 
terughielden.  Indien  het  noodig  mocht  wezen,  konden 
de  plakkaten  toch  altijd  worden  toegepast  i).  Vandaar 
echter  die  voortdurende  en  pijnlijke  onzekerheid,  waar- 
onder de  katholieken  leefden.  Zij  waren  overgeleverd 
aan  de  willekeur  van  den  uitvoerder  der  wet,  den  schout 
of  baljuw.  Zulks  ondervonden  de  katholieken  te  Ouder- 
kerk, toen  zich  de  baljuw  en  dijkgraaf  van  Amstelland, 
Boudevvijn  van  Lockhorst  vervoegde  ten  huize  van 
Mr.  Jan,  den  len  Juli  1644,  om  te  onderzoeken  of  daar 
iets  tot  het  houden  van  „conventiculen  geapproprieert" 
was.  Doch  er  werd  niets  gevonden,  gelijk  ook  in  de 
verscheidene  voorts  gevisiteerd  zijnde  boerenhuizen  van 
de  roomschgezinden  :  alleen  bij  Dirk  Jansen  in  de  Waart- 
huizen  werd  op  een  kelderkamertje  in  een  houten  kast 
met  drie  laden  een  crucifix  aangetroffen  met  twee  kasuifels 
„dewelcke  ten  overstaen  van  den  schout  en  schepenen" 
werden  medegenomen,  geconsigneerd  en  verzegeld  ^). 

Het  wil  mij  echter  voorkomen,  dat  in  1644  ir*  de 
Waarthuizen  geen  geregelde  samenkomsten  van  roomsch- 
gezinden meer  gehouden  werden,  daar  èn  te  Ouderkerk  èn 
te  Nes  en  Swaluwebuurt,  volgens  van  elders  ons  bekende 
gegevens,  al  veel  vroeger  eene  gevestigde  Statie  bestond  '^). 
Trouwens  het  weinige  kerkegoed  aldaar  aangetroffen  en 
het  gemis  van  banken  of  stoelen  geeft  genoegzame 
zekerheid,    dat   de    boerderij    van    Dirk   Jansen    als  ge- 


i)  Annaks  Francisci  Dtisseldorpii:  uitg.  Fruin,  's-Gravenhage,  Martinus 
Nijhoff,  1894,  pag-  254 — 255;  Vgl.  Klóttne,  B.  H.:  Amslelodamensia, 
Amsterdam,  F.  H.  J.  Bekker,   1894,  blz.    126 — 127. 

2)  fiydr.  V.  H.:  dl.  VIII,  blz.   198. 

3)  Batavia  Sacra:  p.  II,  pag.  413;  Kerkelijk  Nederland:  jg.  1852, 
's-Hertogenbosch,  Gebr.  Verhoeven,  blz.    i. 


74 

regelde  vergaderplaats  door  de  katholieken  verlaten  was. 

Het  protestantisme  is  in  Ouderkerk  slechts  zeer  lang- 
zaam en  dan  in  geringe  mate  binnengedrongen.  Dit  blijkt 
allereerst  uit  het  feit,  dat  Ouderkerk  bij  den  overgang 
van  Amsterdam  in  1578  geen  eigen  predikant  ontving, 
maar  kerkelijk  werd  ingedeeld  bij  het  op  een  groot  uur 
afstands  gelegen  Amstelveen,  waar  het  protestantisme 
onder  den  ambachtsheer  Mr.  Willem  Bardesius,  die 
van  het  katholieke  geloof  was  afgevallen,  meer  hoop 
op  slagen  bood.  Het  duurde  evenwel  tot  1586  eer  de 
eerste  predikant  werd  aangesteld  in  den  persoon  van 
Gerardus  Pauli,  die,  niet  „waerdich  noch  bequaem"  zijnde 
om  het  predikambt  te  bekleeden,  reeds  het  volgende 
jaar  uit  zijne  bediening  ontslagen  werd  ^). 

Sinds  1595  was  Ouderkerk  in  het  kerkelijke  ingedeeld 
bij  Diemen,  hetgeen  om  den  verren  afstand  en  de  vooral 
des  winters  onbegaanbare  wegen  al  even  weinig  voor 
het  godsdienstige  leven  der  protestantsche  Ouderkerkers 
bevorderlijk  was.  Eerst  in  1596  kreeg  Ouderkerk  zijn 
eigen  predikant  in  den  persoon  van  Joannes  Altenhovius  ^). 
Vandaar  kan  het  ons  maar  weinig  verwonderen,  dat  in 
1603,  toen  de  gebarsten  torenklok  naar  Amsterdam  werd 
opgezonden  om  hergoten  te  worden  —  bij  de  heerschende 
verwarringen  des  geestes  en  het  onbeslist  blijven  van  het 
pleit  der  strijdende  partijen  ^)  —  die  klok  geheel  hersteld 
maar  naar  ouden  roomschen  trant,  met  de  namen  van 
„Jesus,  Maria,  Joannes  en  Urbanus  onsen  patroon"  in 
den  klokkenmantel,  zonder  eenig  verzet,  in  de  inmiddels 

i)  Zelfs  Amsterdam  had  gebrek  aan  welopgevoede  predikanten. 

2)  IVillink,  Daniel:  Amstellandsche  Arkadia,  't  Amsterdam  bij  Arent 
van  Huyssteen,  1737,  dl.  I,  blz.  132;  Reitsma  en  Van  Veen:  l.c,  dl.  I, 
blz.   268. 

3)  Hoynck  van  Fapendrecht,  A'(9/-«f//.f, /"««/«j.- Historie  der  Utrechtsche 
Kerke,  te  Mechelen  bij  Laurens  van  der  Eist,  1728,  blz.  i6\  Bijdr.v.  H.: 
dl.  VII,  blz.   153. 


75 

hervormd  geworden  parochiekerk  opnieuw  werd  opge- 
hangen i).  Nog  in  1653  werd  vanwege  de  classis  van 
Amsterdam  bij  den  baljuw  van  Amstelland  geklaagd  ^) 
„dat  hij  [de  baljuw]  in  de  dorpen  van  Ouderkercke  en 
Diemen  met  veranderinge  van  de  magistraat  hadde 
ingebracht  paepsche  regenten."  En  later  in  1658  waren 
te  Ouderkerk,  zegt  Knuttel  ^),  twee  schepenen,  een 
arm-  en  een  kerkmeester  en  vier  buurtmeesters  uit  de 
katholieken  aangesteld.  Zelfs  in  Juni  1667  waren  nog  te 
Ouderkerk  „drie  paepse  schepenen,  drie  buertmeesters 
en  een  huyssittenmeester"  ■*). 

Het  juiste  tijdstip  evenwel,  waarop  de  katholieken 
zich  te  Ouderkerk  in  het  onvermijdelijke  schikten  en 
uitzagen  naar  een  hooihuis  of  schuurkerk,  waar  zij  ge- 
regeld hunne  godsdienstoefeningen  konden  houden,  is  bij 
gemis  aan  bescheiden  met  geen  genoegzame  zekerheid 
te  zeggen.  Wel  is  bekend,  dat  zij  daarvoor  uitkozen  de 
boerderij  „Vredebest",  gelegen  in  dat  gedeelte  van  den 
Ronden  Hoeper-polder,  hetwelk  op  de  kaart  van  Gerrit 
Drogenham  met  den  naam  van  Buiten-Bullewijk  staat 
aangeduid  ').  Maar  wanneer  juist  de  eigenaar  van  „Vrede- 
best" zijne  boerderij  aan  de  katholieken  verkocht  of  in 
bruikleen  heeft  afgestaan,  is  niet  bekend.  In  de  archieven 
van  het  R.K.  Armen-kantoor  te  Amsterdam,  waaraan 
op  het  oogenblik  deze  bocreplaats  toebehoort,  viel  geen 
licht  te  ontsteken,  daar  de  koopacten  niet  verder  reiken 
dan  tot   171 5,  toen  „Vredebest"  werd  aangekocht. 


i)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXIV,  blz.  427-428. 

2)  L.c,  dl.  XIV,  blz.  299—300. 

3)  Knuttel,   IV.'  P.    C:  De  toestand  der  Nederlandsche  Katholieken 
ten  tijde  der  Republiek,  dl.  I,  blz.  351. 

4)  BiJdr.  V.  H.:  dl.  XIV,  blz.  331. 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXIV,  blz.  209—210. 


76 

Als  eerste  pastoor  na  de  Hervorming  te  Ouderkerk 
wordt  genoemd  Joamtes  Vonck,  Fonckius  ook  Ftmckius 
geheeten,  Amsterdammer  van  geboorte  en  licentiaat  in 
de  godgeleerdheid.  Blijkbaar  oordeelde  Vonck  het  niet 
raadzaam  te  Ouderkerk  in  zijne  Statie  verblijf  te  houden, 
daar  hij  in  1622  te  Amsterdam  woonde  „aldernaest 
de  Brouwerije  van  de  Lely  op  den  Amstel"  ^).  Op  be- 
paalde tijden  werd,  naar  het  getuigenis  van  Rovenius  ^), 
naar  Ouderkerk  getrokken  om  de  geestelijke  belangen 
der  katholieken  aldaar  te  behartigen. 

In  161 7  komt  Fonckius  voor  onder  de  priesters  die 
de  partij  opnamen  voor  het  aangevochten  beleid  van 
Sybrand  Sixtius,  in  zake  de  geschillen  van  de  Streek 
bij  Hoorn  •'^),  en  laat  hij  het  betreffende  acte-stuk,  gewis 
bij  verhindering  of  mogelijke  afwezigheid,  namens  hem 
onderteekenen  door  Jacobus  Vligerus  *).  Bij  den  dood 
van  Lyropius,  kanunnik  van  het  voormalige  kathedrale 
kapittel  van  Haarlem,  wordt  Fonckius  den  23en  April  16 18 
in  diens  plaats  gekozen,  en  op  denzelfden  dag  ten  huize 
van  Joannes  Duvius  plechtig  in  zijn  stal  gezet  "). 

Blijkens  de  verhandelingen  in  de  kapittel-vergadering 
van  26  Juni  1628  was  Fonckius,  buiten  weten  van  zijne 
overheid  reeds  meer  dan  twee  jaren  uit  de  diocese,  en 
bepaalde  men,  dat  hij  door  Catzius,  onder  ernstige  be- 
dreiging van  verlies  zijner  prebende,  zou  worden  aan- 
geschreven om  binnen  zes  maanden  terug  te  keeren  ^). 
Den    5en    December  1628  vernamen  de  kapittel-heeren, 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XVIII,  blz.   50. 

2)  Arch.   V.    Utr.:  dl.  XX,  blz.  369. 

3)  BiJdr.   V.   H.:  dl.   I,   blz.   244,   322   env. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  X,   blz.    12. 

5)  Bijdr,    V.    H.:    dl.    I,    blz.  327;  id.  dl.  X,  blz.   14,  noot  4,  waar 
abusievelijk,  zeker  een  drukfout,  gesproken  wordt  van   13  April. 

6)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  X,  blz.  22—23. 


77 

dat  Fonckius  op  het  oogenblik  te  Trier  in  het  novitiaat 
bij  de  Jesuieten  was,  en  tot  terugkeeren  niet  kon  ge- 
dwongen worden  ^).  Maar  hij  keerde  nimmer  terug ;  want 
bhjkens  een  schrijven  van  15  October  1630  was  hij  in 
de  Orde  der  Jesuieten  opgenomen,  en  stelde  hij  zijne 
prebende  ter  beschikking  van  het  kapittel  2). 

Den  Qen  Januari  1631  werd  tot  kanunnik,  in  de  plaats 
van  Fonckius,  Joannes  Beenius  gekozen  3). 

Fonckius  leefde  als  Jesuiet  slechts  enkele  jaren ;  in 
1633  stierf  hij  te  Gent,  waar  hij  zich  gaf  aan  de  ver- 
zorging der  pestlijders  *). 


yoafines  Bargins,  de  opvolger,  van  Fonckius,  moet 
niet  verward  worden  met  zijn  naamgenoot,  den  bekenden 
Jesuieten-pater,  die  sinds  1593  als  missionaris  in  Zuid- 
en Noord-Holland  en  in  Friesland  met  veel  vrucht 
werkzaam  was,  doch  niet  onder  algeheele  goedkeuring 
van  zijne  kerkelijke  Overheid  &).  Joannes  Bargius,  de 
Jesuiet,  stierf  te  Haarlem  den  i6en  JuH  1600,  terwijl  de 
gelijknamige  pastoor  van  Ouderkerk  eerst  omstreeks 
1626  zijn  pastoraat  aanvaardde.  Van  pastoor  Bargius 
is  bekend,  dat  hij  met  zijn  buurtpastoor  van  Abcoude, 
Joannes  Visscher,  in  oneenigheid  geraakte  over  de  grenzen 
van  hun  beider  geestelijk  grondgebied*^).  Ook  de  geloovigen 
mengden    zich    in    dat   herderlijk  geschil,  zoodat  zij  bij 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  X,  blz.   24. 

2)  Bijdr.  V.   H.:  dl.  X,  blz.  34. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  I,  blz.  345;  id.  dl.  X,  blz.  26. 

4)  Hist.  Ep.  Harl.:  p.    126. 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  IV,  blz.  429;  id.  dl.  X,  blz.  60,  62;  Arch.  v. 
Uir.:  dl.  I,  blz.  227,  228;  id.  dl.  III,  blz.  407;  id.  dl.  IV,  blz.  94; 
ld,  dl.  V,  blz.  306;  id.  dl.  VI,  blz.  405. 

6)  Bijdr.  v.  H. :  dl.  VI,  blz.  299 ;  Huurdemaji,  D. :  Geschiedenis  van 
de  parochie  Abcoude,  blz.   10. 


7S 

het  ter  kerke  gaan  vaak  harde  en  scherpe  woorden 
wisselden.  Pastoor  Bargius  echter  spoorde  de  zijnen  tot 
matiging  aan.  In  October  1633  werd,  vanwege  het 
kapittel,  de  grensregehng  van  Amsteiland  nader  vast- 
gesteld 1). 

Het  wonen  op  de  boerderij  „Vredebest"  was  gewis 
in  de  dagen  van  pastoor  Bargius  allesbehalve  begeerens- 
waardig.  Zoo  wordt  in  een  octrooi,  verleend  aan  de 
ingelanden  van  den  Ronden-Hoeper-polder,  den  I4en 
November  1637  medegedeeld,  dat  het  stijgende  Amstel- 
water  vooral  des  winters  over  den  dijk  vloeide  en  de 
landen  deed  onderloopen,  zoodat  de  dijk  verhoogd  moest 
worden,  en  drie  „suffisante"  achtkante  watermolens  ge- 
plaatst werden.  En  later  in  1673,  1674  en  in  1675  klagen 
wederom  de  ingelanden,  dat  de  polderdijk  door  het 
hooge  water  op  verschillende  plaatsen  was  weggespoeld  2). 

Hoelang  pastoor  Bargius  de  herderlijke  bediening  te 
Ouderkerk  heeft  waargenomen,  kan  met  geen  juistheid 
gezegd  worden.  Maar  in  het  verslag  van  den  Vicaris 
Apostoliek,  Philippus  Rovenius,  dateerend  uit  het  jaar 
1638,  wordt  als  pastoor  V3in  Onderkerk  Henrütis  Munter- 
genoemd,    baccalaureus    in    de  godgeleerdheid.  De  Statie 


1)  Bi/dr.  V.   H.:  dl.   VI,   blz.   299  —  300. 

2)  Archief  v.  d.  Ronden- Hoepei-polder :  No.  i  en  No.  3.  Zelfs  in  onze 
dagen  dreigde  die  polderdijk  meermalen  door  de  kracht  van  het  Amstel- 
water  te  bezwijken.  Zoo  in  1876  en  wederom  op  S.  Cecilia-dag,  den 
22en  November  1883,  des  morgens  ten  4  uren  ten  zuiden  van  het  dorp 
over  de  sluis  van  den  Bovenkerker-polder  lusschen  de  batterij  en  de 
woning  van  P.  van  den  Wal.  Gelukkig  werd  de  verzakking  van  den 
dijk  nog  bijtijds  gekeerd.  Er  was  reeds  zooveel  water  in  den  Ronden- 
Hoeper-polder  geloopen,  dat  het  uit  de  pastorie  zichtbaar  was.  Eerst 
des  morgens  ten  7  uren  was  men  het  gevaar  meester.  Niet  lang  daarna 
den  i6en  December  1883  had  eene  nieuwe  verzakking  plaats  tusschen 
het  zoogenaamde  eiland  en   de  boerderij    iMarialust"  van  R.   Pouw. 

Den  29en  September  1889  verzakte  de  polderdijk  tusschen  de  pastorie 
en  de  boerderij   van   G.   Hogerhout. 


79 

zou  toen  minstens  looo  communicanten  geteld  hebben 
en  weinig  ketters  i).  Het  eerste  valt  te  betwijfelen,  het 
tweede  wordt  ook  van  elders  bevestigd. 


Uit  de  verhandelingen  van  het  kapittel  van  den 
6en  April  1655  blijkt  dat  toen  pastoor  Munter  was 
opgevolgd  door  Ambrosiiis  Outezvael,  regulieren  kanunnik 
van  den  H.  Augustinus,  aan  wien,  gelijk  ook  aan  de 
andere  pastoors  buiten  Amsterdam,  de  bevoegdheid 
werd  ontnomen  om  zijn  herderlijk  ambt  in  de  stad 
zelve  uit  te  oefenen  ~). 

Zoowel  in  de  Batavia  Sacra  '^),  als  in  het  verslag  door 
Jacobus  de  la  Torre  in  1656  opgesteld*),  krijgt  Ambrosius 
Outewael  de  eervolle  vermelding  van  een  „serius  pastor", 
een  ernstig  en  degelijk  herder  te  wezen. 

En  dan  heeft  zijn  ernst  zich  gewis  ook  uitgesproken 
in  zijn  ijver  voor  den  luister  van  zijn  nederig  bedehuis. 
Want  nog  heden  bezit  de  tegenwoordige  parochiekerk 
van    Ouderkerk,    behalve    kostbaar    zilverwerk    uit    het 


i)  Arch.  V.   Utr.:  dl.   XI],  hlz.  418. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  III,  blz.  446.  Pastoor  Nieman  te  Schoorl,  die 
indertijd  als  kapelaan  van  Ouderkerk,  vol  belangstelling  was  voor  hare 
kerkgeschiedenis,  heeft  in  zijn  bibliotheek  een  Heiligenleven,  geschreven 
door  Henricus  Adriani  priester  tot  Antwerpen  en  gedrukt  bij  Hieronymus 
Verdussen  tot  Antwerpen  in  1609,  waarin  op  het  schutsblad  onder  ver- 
schillende andere  aanteekeningen  vermeld  staat,  dat  Pater  Outewael  in 
de  jaren  1649 — 1654  te  Amsterdam  kinderen  heeft  gedoopt.  Daar  het 
nu  onzeker  is,  wanneer  pastoor  Munter  gestorven  is,  zou  hieruit  kunnen 
besloten  worden,  dat  Pater  Outewael  eerst  na  1654  als  pastoor  te 
Ouderkerk  kwam  ;  maar  het  zou  ook  als  bewijs  kunnen  gelden  van  zijn 
al  te  grooten  priesterlijken  ijver  gedurende  de  eerste  jaren  van  zijn 
pastoraat  te  Ouderkerk.  Zelfs  is  nog  eene  andere  veronderstelling  mogelijk, 
dat  nl.  Pater  Outewael,  die  te  Amsterdam  doopte,  een  andere  persoon 
was,  dan  de  pastoor  van  Ouderkerk. 

3)  L.  c,  pag.  413. 

4)  Arch.  V.   Utr.:  dl.   XI,   blz.    141. 


8o 

midden  der  i/^e  eeuw  i)  een  verguld-zilveren  mon- 
strans van  ±  1660,  waarop  onder  de  Heiligen-figuren 
S.  Augustinus  staat  uitgebeeld.  Ambrosius  Outewael 
overleed  te  Ouderkerk  der   I3en  Augustus   16582). 


Tot  opvolger  van  Outewael  werd  zoowel  door  het 
kapittel  als  door  den  Vicaris  Apostoliek,  Jacobus  de  la 
Torre,  benoemd  Willem  Coopenal^  Coopal,  Copallius, 
die  'sjaars  tevoren  den  2oen  November  1657  was  aan- 
gesteld tot  pastoor  der  S.  Nicolaas  te  Amsterdam  als 
opvolger  van  Henricus  Ebbius  3). 

Willem  Coopal  „strenue  laborans",  een  krachtig  werk- 
man in  den  dienst  Gods  ^),  was  kanunnik  van  het  zoo- 
genaamde kapittel  en  voerde  den  titel  van  aartsdiaken  °) ; 
hij  behoorde  ook  tot  het  geslacht  en  was  de  naamgenoot 
van  Willem  Coopal,  die  bij  den  dood  van  Haarlem's 
tweeden  bisschop  door  het  kapittel  tot  vicaris  gekozen  ^), 
en  door  Sasbout  Vosmeer  zoo  hoogelijk  geprezen  werd  7). 

De  nieuw-benoemde  pastoor  was  te  Spierdijk  geboren, 
stond  in  1637  als  pastoor  te  Obdam,  in  1638  te 
Purmerend  *),  in  1656  te  Monnikendam^)  en  in  1657  te 
Amsterdam  1*^). 

Waarschijnlijk    heeft    Coopal    zich    te    Amsterdam  in 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXIV,  blz.  211. 

2)  Hist.  Ep.  Harl.:  pag.   126. 

3)  Bijdr.  V.  H.\  dl.  III,  blz.  447;  id.  dl.  XV,  blz.  378. 

4)  Bijdr.:  dl.  XVII,  blz.   65. 

5)  Bjdr.:  dl.  XXII,  blz.  335. 

6)  Bijdr.:  dl.  I,  blz.  219. 

7)  Fruin:  Annales  Francisci  Dusseldorpii,   inleiding,   blz.   XCIII. 

8)  Arck.  V.   Utr.:  dl.  XII,  blz.  418;  Bat.  Sacr.:  p.  II,  pag.  438. 

9)  Arck.  V.    Utr.:  dl.  XI,  blz.   T43. 

10)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXI,  blz.  264—265. 


8ï 


zijne  herderlijke  bediening  niet  op  zijn  gemak  gevoeld: 
hij  liet  zich  eene  benoeming  naar  het  rustiger  Ouderkerk 
welgevallen,  en  ontving  zijne  aanstellingsbrieven  uit  de 
handen  van  den  Vicaris  Apostoliek  ^). 

Toch  heeft  Coopal  nimmer  van  zijne  nieuwe  Statie 
Ouderkerk  bezit  genomen  ;  hij  is  te  Amsterdam  gebleven, 
blijkbaar  tegen  zijn  zin,  en  daar  gestorven  den  5en  October 
1662  ^).  Wat  was  het  geval  ?  Waarschijnlijk  werd  Outewael 
in  zijne  laatste  levensdagen  ter  zijde  gestaan  in  de  pasto- 
reele  bediening  door  een  Poolschen  Jesuiet,  Simon  Clein, 
die,  bij  den  dood  van  Outewael,  steunende  op  gemeende 
of  vermeende  rechten,  van  de  opengevallen  Statie  bezit 
nam;  en,  ondanks  de  duidelijk  uitgesproken  afkeuring 
over  zijne  handelwijze  zoowel  door  het  kapittel  als 
door  den  Vicaris  Apostoliek,  zich  als  pastoor  durfde 
handhaven  ^). 

Een  schrijven,  waarin  Simon  Clein  zich  rechtvaardigde 
of  zijne  handelwijze  nader  verklaarde,  is  bij  het  kapittel 
nooit  ingekomen.  Simon  Clein  was  den  26en  Maart  1626 
te  Amsterdam  geboren  en  stierf  te  Ouderkerk  den 
I3en  Februari   1679'*). 

Zijn  lijfspreuk,  zinspelend  op  zijn  naam,  luidde:  met 
weinig  tevreden  „parvo  contentus".  Onder  zijn  beeltenis 
werden  naar  de  gewoonte  dier  dagen  in  Latijnsche 
verzen  de  voortreffelijke  eigenschappen  verheerlijkt,  welke 


1)  Bi/dr.    V.    H.:    dl.  VI,  blz.  306;  id.  l.c,  dl.  XV,  blz.  381—382. 

2)  Bijdr.  V.  H. :  dl.  XV II ,  blz.  65  ;  de  Katholiek :  jg.  187 1,  dl.  I,  blz.  346. 
In  deel  XXII,  blz.  335  der  Bijdragen  wordt  abusievelijk  gezegd,  dat 
W.  Coopal  te  Amsterdam  is  gestorven  den  156",  in  plaats  van  den 
56"  October. 

3)  Bijdr.  V.   H.   dl.  VI,  blz.  306. 

4)  Hist.  Ep.  Harl. :  pag.  127  ;  Necrolog.  Dioec.  Harlem. :  De  Katholiek  : 
jg.  1872,  dl.  II,  blz.  238.  In  de  Oudheden  en  Gestichten  van  Noord- 
Holland,  blz.  278,  lees  ik,  dat  Simon  Clein  overleden  is  in  1697. 
Blijkbaar  een  drukfout. 

6 


82 


hij  als  pastoor  had  aan  den  dag  gelegd  ^).  Jammer  dat 
door  van  Heussen  over  's  mans  wederrechterlijk  optreden 
geen  enkel  woord,  hetzij  tot  zijn  eer,  hetzij  tot  zijn 
oneer,  wordt  in  het  midden  gebracht. 


Nicolaas  van  der  Meer^  die  op  Simon  Clein  in  de 
pastoreele  bediening  der  Statie  volgde,  behoorde  tot  de 
scherpzinnige  en  voorzichtige  priesters  van  zijnen  tijd, 
en  werd  door  den  provicaris  Josef  Cousebant  in  diens 
descriptio  sacerdotum  van  1688  als  „vir  doctus  et  prudens" 
geprezen  ^). 

Nicolaas  van  der  Meer  was  te  Schagen  in  1652  uit 
een  aanzienlijk  geslacht  gesproten  *) ;  deed  te  Leuven 
in  het  zoogenaamde  collegie  „van  't  Varken"  „in  porco" 
zijne  wijsgeerige  studiën,  waarbij  hij  den  i  len  November 
1670  van  de  139  mede-studenten  de  twaalfde  was-^).  In 
de  godgeleerdheid  behaalde  hij  den  graad  van  baccalaureus, 
werd  priester  gewijd  en  stond  enkele  jaren  als  onder- 
pastoor te  Noordwijk.  In  1679  werd  hij  tot  pastoor  be- 
noemd van  „Bullewijk  en  Ouwerkerk"  ^) ;  doch  reeds  in 
1686  bij  den  dood  van  Joannes  Wandelman  7),  kwam 
zijne  aanstelling  tot  pastoor  der  Statie  de  I.ely,  later 
de  S.  Catharina,  destijds  op  een  na  de  grootste  statie 
van    Amsterdam  ^).    Hij    woonde  te  Amsterdam  op  den 


1)  Hist.  Ep.  Harl.:  pag.    127. 

2)  Bat.  Sao::  p.   II,  pag,  412— 413. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  V,  blz   109. 

4)  Hist.    Ep.    Harl.:  pag.    127;   Bijdr.  v.  //. :   dl.   VII,    blz.   324;  id. 
dl.  XIV,  blz.    145—147;  Bat.  Sacr.:  p.   II,  pag.  408. 

5)  Bijdr.  V.  H:  dl.  XIV,  blz.   145. 

6)  Arck.  V.    Utr.:   dl.  IV,  blz,    129. 

7)  Arch.  V.    Utr.:   dl.  XVIII,  blz.  286;   Hist.   Ep.  Harl.:  l.c. 

8)  Arch.  V.    Utr.:  dl.  X,  blz.  22. 


83 

„agterburghwal"  ^).  Den  i/en  Juli  1687  staat  hij  genoemd 
onder  de  geestelijken  die  te  Amsterdam  „in  jurisdictie 
bekent  en  geadmitteert"  zijn  ^). 

Als  pastoor  van  Amsterdam  werd  hij  gekozen  tot  lid 
van  het  zoogenaamde  kapittel  van  Haarlem.  Wanneer 
dat  juist  geschiedde,  of  hij  zijn  voorganger  in  het  pastoraat 
Joannes  Wandelman  ook  als  kanunnik  in  het  kapittel 
opvolgde,  blijkt  niet,  daar  in  de  handelingen  van  het 
kapittel  over  de  jaren  1683 — 1693  zoo  goed  als  niets 
staat  opgeteekend,  behoudens  enkele  onbeduidende 
bizonderheden  over  het  inzamelen  van  gelden  voor  het 
collegie  Pulcheria.  Later  volgde  zijne  aanstelling  tot  Deken 
van  het  kapittel  3)  en  den  2ien  April  1716  zijne  ver- 
kiezing tot  de  hoogste  waardigheid  van  Vicaris-generaal"*). 

Door  den  internuntius  Santini  werd  zijne  benoeming 
tot  Vicaris  als  eene  gevaarlijke  daad  afgekeurd  ^).  En 
niet  ten  onrechte.  Want,  ofschoon  de  H.  Stoel  het 
Haarlemsche  kapittel  herhaaldelijk  en  met  de  meest 
duidelijke  woorden  had  nietig  verklaard  ;  het  nooit  anders 
dan  gewaand  kapittel  „capitulum  praetensum"  had  ge- 
noemd, en  er  alle  uitoefening  van  geestelijke  rechtsmacht 
aan  had  ontzegd:  zoo  hielden  zich  toch,  zelfs  de  besten 
onder  de  kapittelheeren  overtuigd,  dat  zij  een  wettig 
geconstitueerd  kapittel  vormden,  en  waren  er  altijd  haastig 
bij,  om,  bij  het  ontstaan  eener  vacature,  de  opengekomen 
plaats  aan  te  vullen.  Niets  kon  hun  strijdlust  meer 
prikkelen,     dan    de    over    hunne    rechten    uitgesproken 

1)  Bi/dr.  V.  H.:  dl.  XVII,  blz.  78. 

2)  Bi/dr.  V.  H.:  dl.  XV,  blz.  228. 

3)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  VIII,  blz.  312. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  VII,  blz.  325.  't  Is  blijkbaar  eene  vergissing 
waar  in  de  Bi/dragen  dl.  XVII,  blz.  303 — 304  gezegd  wordt,  dat 
Nicolaas  van  der  Meer  »in  1716  Vicaris-generaal  en  in  het  jaar  daarop 
Deken  van  het  Kapittel  benoemd  werd." 

5)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  VIII,  blz.  312. 


84 

twijfel,    of,    indien    incn    het    waagde,    hun    college  een 
pseudo-kapittel  te  noemen  ^). 

Toch  was  Nicolaas  van  der  Meer  geenszins  een 
Jansenistisch-gezind  priester :  als  kanunnik  en  later  als 
vicaris  heeft  hij  immer  de  partij  opgenomen  van  den 
Apostolischen  Vicaris,  en  zich  van  alle  geestelijk  bestuur 
der  Missie  stiptelijk  onthouden  -).  Daarom  dan  ook  spreekt 
Mozzi  minder  nauwkeurig,  waar  hij  schrijft,  dat  Van  der 
Meer  onder  afhankelijkheid  van  den  Internuntius  van 
Brussel  en  den  Apostolischen  Vicaris  van  Bijlevelt  „de 
diocese  bestuurde"  ^).  't  Is  wellicht  om  deze  vindplaats, 
dat  Frederik  Muller  in  zijn  beschrijvenden  catalogus  van 
7000  portretten  Nicolaas  van  der  Meer  al  vragende  onder 
de  geestelijkheid  der  clerezy  wil  rangschikken.  Indien 
ooit  iemand  om  zijne  aanhankelijkheid  aan  Rome  van 
de  Jansenistische  aanmatigingen  heelt  te  lijden  gehad 
dan  is  het  juist  Vicaris  van  der  Meer,  die  eerst  door 
den  Jansenistischen  pastoor  Ahuys,dimissorialen  vragende 
voor  zekeren  L.  Aubert,  die  te  Parijs  had  gestudeerd 
maar  in  de  Fransche  kerk  te  Amsterdam  was  gedoopt, 
op  sluwe  wijze  werd  op  de  proef  gesteld  "*),  en  aan  wien 
later  door  Knotter  en  Steenoven,  en  op  brutaler  wijze 
nog  door  Barchman  Wuytiers  onderj  twee  getuigen  werd 
aangezegd  van  zijn  vicarisschap  vervallen  te  zijn  '^).  Reeds 
in  1703  toen  op  den  7en  April  Paus  Clemens  XI  tot 
alle  katholieken  der  vereenigde  Nederlanden  eene  breve 


1)  Btj(ir.  V.  H.:  dl.  XXIV,  blz.  96. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XX,  blz.  228—229. 

3)  Mozzi,  Louis:  Histoire  des  révolutions  de  l'église  d'Utrecht,  Gand, 
P.  j,  van  Ryckegem,   1829,  tom.  II,  pag.    143 — 144. 

4)  Mozzi:  l.c,  tom.  II,  pag.  64 — 65;  Bijdr.  v.  H..  dl.  V,  noot  i, 
blz.  235 — 236.  Op  blz.  61  tom,  II,  l.c.,  schrijft  Mozzi  abusievelijk  »le 
vicaire  de  Harlem  Van  der  Meerj-ir/z. 

5)  Mozzi:  l.c,  tom.  Il,  pag.  143—146;  Bijdr.  v.  J7. :  ó\.  V,  blz.  233 
env.;  id.  dl.  XX,  blz.  229. 


85 

richtte,  waarin  bekend  werd  gemaakt,  dat  Petrus  Codde, 
aartsbisschop  van  Sebaste,  om  wettige  en  gewichtige 
redenen,  uit  zijn  ambt  van  Apostolisch  Vicaris  was  ontzet, 
en  in  diens  plaats  Theodorus  de  Cock  tot  provicaris 
was  benoemd  geworden^):  behoorde  Nicolaas  van  der  Meer 
van  den  beginne  af  tot  de  meerderheid  der  goedgezinde 
kanunniken,  die  zich  geheel  en  al  van  den  afgezetten 
Vicaris  afwendden,  en  zich  met  volle  overtuiging  aan 
den  nieuwen  provicaris  de  Cock  onderwierpen.  En  later 
toen  de  Cock  den  tegenstand  der  weerspannige  minderheid 
met  zachtheid  trachtte  te  breken,  en  aan  haar  hoogheids- 
waan,  voor  zoover  het  met  zijn  Apostolisch  gezag  ver- 
eenigbaar  was,  wilde  te  gemoet  komen,  door  sommigen 
der  aartspriesters  de  bevoegdheid  te  verleenen  aan  de 
geestelijkheid  van  hun  district  de  H.  Oliën  uit  te  reiken, 
mits  zij  die  vooraf  aan  hem  hadden  aangevraagd :  was 
het  wederom  Nicolaas  van  der  Meer,  die,  hoewel  geen 
officieel  tusschenpersoon  bij  de  toenadering  zoekende 
partijen,  toch  al  zijne  kracht  en  invloed  bij  de  aarts- 
priesters aanwendde,  om  de  vredelievende  pogingen  van 
den  provicaris  niet  te  doen  falen  -). 

Ook  in  1707,  toen  Rome  voornemens  was  Adam 
Daemen  te  benoemen  tot  Vicaris  Apostolicus  der  Hol- 
landsche  Missie,  behoorde  Nicolaas  van  der  Meer  tot  de 
vijf  kapittelheeren  „die  met  deernis  aangedaan  over  het 
algemeene  gevaar  van  de  Hollandsche  zending,  hunne 
medepriesteren  niet  alleen  vermaanden  en  door  alle  be- 
denkelyke  middelen  zochten  te  beweegen  om  zich  aan 
de  geboden  van  den  Heyligen  Stoel  eerbiediglijk  te 
onderwerpen"^),  maar  zelfs  den  1760  Mëi  1707,  ondanks 


1)  Btjdr.  V.  H.:  dl.  XVII,  blz.    125. 

2)  Bijdr.   V.  H.:  dl.  XXIV,    blz.    122. 

3)  Hoyvck  van   Papendrecht :   l.c,   blz.   77-78. 


86 


den  tegenstand  van  den  toenmaals  zoo  machtigen  Vicaris 
de  Svvaen  met  zijne  drie  getrouwe  volgelingen,  bij  de 
Staten  van  Holland  een  smeekbrief  indienden,  „om  den 
persoon  van  Adam  Daemen  tot  vicaris  van  de  Roomsche 
katholyke  binnen  deeze  landen  te  recommandeeren  en 
smaakelijk  te  maken"  ^).  Waarlijk,  zoo  zegt  Hoynck  ') 
„deeze  doorluchtige  en  roemwaardige  daad  eyscht,  dat 
degene,  die  hier  hunne  naamen  opentlyk  gestelt  hebben, 
bij  de  nakomelingen  in  volgende  eeuwen  gemeld  en 
gepreezen  worden." 

Den  8en  Januari  1708  werd  Adam  Daemen  tot 
Apostolisch  Vicaris  aangesteld  en  gewijd  tot  aartsbisschop 
van  Adrianopel,  maar  door  tegenwerking  der  Jansenistische 
partij  werd  hem  bij  placaat  door  de  Staten  van  Holland 
de  uitoefening  van  zijn  Apostolisch  Stedehouderschap 
ontzegd  3).  Ook  in  het  Haarlemsche  kapittel  stak  de 
weerspannige  partij  het  onbuigzame  hoofd  wederom  op, 
en  durfde  zij,  gebruik  makende  van  de  onmacht  des 
Apostolischen  Vicaris,  een  aan  het  kapittel  toebehoorend 
huis  of  kerk  op  de  Brouwersgracht  te  Amsterdam  in 
huur    afstaan   aan  den  volslagen  Jansenist  Schu(i)cking. 

Deze  onwettige  en  heiligschennende  daad  lokte  in  de 
kapittel-vergadering  van  1 709  bij  Nicolaas  van  der  Meer 
een  openlijk  woord  uit  van  verzet,  ofschoon  —  schande 
genoeg  —  de  andere  goedgezinde  kanunniken  allen  een 
diep  stilzwijgen  bewaarden.  En  wederom  in  de  ver- 
gadering van  14  April  171 1  herhaalde  Van  der  Meer 
zijn  vroeger  uitgesproken  protest  tegen  het  verblijf  van 
een  Jansenistischen  priester  in  een  aan  het  kapittel  toe- 
behoorend   gebouw.    Waren  toen  nog  de  goedgezinden, 


1)  Hoynck:  Aanhangzel  van  de  Historie  der  kerke  van  Uitrecht,  blz.  72. 

2)  L.c,  blz.   78. 

3)  Hoynck:   l.c,   blz.   78. 


87 

die  de  meerderheid  hadden,  Van  der  Meer  bijgevallen, 
de  kerk  op  de  Brouwersgracht  te  Amsterdam  zou  voor 
de  katholieken  bewaard  zijn  gebleven.  Eerst  later  toen 
Schucking  vervangen  werd  door  den  vinnigen  Jansenist 
Th.  Donkers,  destijds  secretaris  van  Codde,  durfden  de 
goedgezinde  kanunniken  in  de  vergadering  van  6  October 
17 II  eenparig  hunne  stem  verheffen  tegen  deze  ver- 
nieuwde heiligschennende  daad,  maar  gevoelden  zich 
toch  te  zwak  om  tegen  den  onwaardig  ingedrongen 
priester  handelend  op  te  treden  ^). 

En  sinds  17 16,  toen  Van  der  Meer  zelf  tot  Vicaris 
van  het  kapittel  was  gekozen  en  de  hooge  vergadering 
nog  geenszins  van  alle  Jansenistische  gezindheid  bevrijd 
was  3),  heeft  Vicaris  V.  d.  Meer  zich  zorgvuldig  van 
alle  geestelijk  bestuur  der  Missie  onthouden  en  den 
Apostolischen  Vicaris  Joanncs  van  Bijlevelt  met  inderdaad 
voorbeeldige  aanhankelijkheid  ter  zijde  gestaan.  Zoo 
weigerde  hij  den  5en  December  1726  volstandig  zich 
met  de  benoeming  van  Spont  of  Spout  tot  pastoor  te 
Limmen  in  te  laten,  ofschoon  de  president  der  Staten, 
die  een  neef  was  van  den  voorgedragen  pastoor,  hem 
tot  den  deken  en  Vicaris-generaal  van  het  kapittel  ver- 
wezen had.  Van  Bijlevelt  zelf  heeft  Vicaris  Van  der  Meer 
om  zijn  optreden  in  deze  aangelegenheid  hoogelijk 
geprezen  •^). 

Op  het  laatst  van  zijn  leven  was  Nicolaas  van  der  Meer 
„rustend"  *),  maar  hij  bleef  Vicaris  tot  aan  zijn  dood  ■>), 


1)  Bi/dr.  V.  H.:  dl.  XV,  blz.  218  —  223;  id.  dl.  XVII,  blz.  304-306. 

2)  Bijdr.  V.  //.:  dl.  II,  blz.  320. 

3)  Bijdr.  V.  II.:  dl.   V,  blz.  424—425;   id,  dl.  XIII,  blz.  284. 

4)  Arch.  V.  Utr.:  dl.  I,  blz.  310.  Hendrik  Grasper,  zegt  het  doop- 
boek van  Ouderkerk,  is  te  Amsterdam  gekomen,  in  plaats  van  den 
Eerw.  Heer  N.  van  der  Meer,  den  5en  Juli  anno   1728. 

5)  Bijdr.  V.  H..  dl.  XVII,   bh.   321. 


88 


die  inviel  op  76-jarigcn  leeftijd  te  Amsterdam  den 
27en  Juli  1728.  Hij  werd  den  3ien  Juli  in  de  Nieuwe 
kerk  te  Amsterdam  begraven  ^). 

In  de  pastorie  der  S.  Catharina-kerk  te  Amsterdam 
hangt  onder  de  deftige  verzameling  pastoors-portretten 
ook  dat  van  Nicolaas  van  der  Meer,  geschilderd  op  doek 
door  A.  de  Coxie:  een  kniestuk,  waarop  de  kop  naar 
rechts,  de  linkerhand  op  een  opengeslagen  boek,  en  de 
rechterhand  met  een  pen  leunend  op  een  stoel.  Aet.  ^6. 

Kramm  zegt  van  A.  de  Coxie  2),  dat  hij  de  kunst 
voor  uitspanning  beoefende,  daar  er  van  hem  bijna  geen 
werken  voorkomen  met  zijnen  naam  geteekend  dan  alleen 
een  portret  van  Nicolaas  van  der  Meer,  waarnaar  door 
F.  M.  la  Cave  eene  gravure  werd  vervaardigd,  onder 
hetwelk  een  tienregelig  Hollandsch  vers  stond. 


Willem  Abbekerk  —  ook  Abbekerck^)  en  Abbekercketi*) 
genoemd  —  zou  volgens  sommigen  »)  te  Schagen,  of  te 
Abbekerk  in  de  buurtschap  van  Schagen  gelegen,  geboren 
zijn;  maar  in  de  nabijheid  van  Schagen  ligt  Abbestede. 
Abbekerk  is  eene  gemeente  bezijden  Hoorn  nabij  Lambert- 
schagen  "). 

Pastoor  Abbekerk  deed  zijne  hoogere  studiën  te  Leuven, 
was  eenigen  tijd  als  onder-pastoor  te  Amsterdam  werk- 
zaam en  werd  vervolgens  door  den  Apostolischen  Vicaris, 
Joannes    van    Neercassel,    als  missionaris  gezonden  naar 


1)  Bijdr.  V.  H. :   dl.  XVII,  blz.  78. 

2)  Kramm,    Christiaan :    De    levens    en    werken  der  Hollandsche  en 
Vlaamsche  kunstschilders,  Amsterdam,  Gebroeders  Diederichs,  1857,  i.v, 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  V,  blz.    113. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  II,  blz.  355. 

5)  Hist.    Ep.    Harl.:    pag.   127;  Bat.  Sacr.:  p.  II,  pag.  413;    Oudh. 
V.  Noord- Holland:  torn.  II,  blz.  278, 

6)  Bat.   Sacr.:    p.   II,   pag.  443,  2de  kol. 


89 

het  eiland  Noordstrand,  dat  in  de  nabijheid  van  het 
grondgebied  der  Hollandsche  Missie  gelegen  was.  Eigenlijk 
behoorde  het  tot  het  rechtsgebied  van  den  bisschop  van 
Sleeswijk  en  tot  het  hertogdom  Holstein.  Omstreeks  het 
jaar  1656  hadden  eenige  Heeren  uit  Holland  en  Brabant, 
met  wie  de  Apostolische  Vicaris  bevriend  of  vermaag- 
schapt  was,  een  gedeelte  van  het  eiland  Noordstrand 
ingepolderd  en  de  aldaar  door  hen  gestichte  hofsteden 
door  katholieke  boeren  uit  Holland  en  Brabant  laten 
betrekken.  Onder  het  bestuur  van  den  hertog  van  Holstein 
genoten  de  katholieken  volle  vrijheid  van  godsdienst. 
Er  woonden  op  het  geheele  eiland  ongeveer  1000  of 
1 100  zielen,  waarvan  de  meesten  tot  den  Lutherschen 
godsdienst,  sommigen  tot  de  secte  der  Wederdoopers, 
en  slechts  weinigen,  honderd  ongeveer,  tot  den  katholieken 
godsdienst  behoorden.  Aan  den  Apostolischen  Vicaris  nu 
hadden  de  Hollandsche  grondeigenaren  opgedragen  de 
belangen  der  aldaar  wonende  katholieken  te  behartigen : 
hetgeen  Van  Neercassel,  gelijk  hij  dat  zelf  mededeelt^), 
om  verschillende  redenen  niet  kon  weigeren  -).  Blijkens 
het  verslag  van  den  Apostolischen  Vicaris  waren  in 
1686  op  het  eiland  Noordstrand  twee  pastoors,  onder 
wie  Willem  Abbekerk,  „met  lof'  werkzaam  3).  Maar  in 
datzelfde  jaar  werd  hij  teruggeroepen  en  aan  het  hoofd 
gesteld  der  Statie  Ouderkerk  en  Bullewijk.  En  ook  daar 
deed  hij  zich  als  ijverig  priester  kennen,  wijl  hij  door 
den  provicaris  Josef  Cousebant  in  diens  descriptio  sacer- 
dotum  als  „strenuus  operarius"  geprezen  wordt  ^). 

Onder  de  meer  dan   300  geestelijken,  die  in  1701  het 
beruchte  smeekschrift  onderteekenden  voor  het  behoud 


1)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  XVIII,  blz.  292;  id.  l.c,  blz.  475. 

2)  Vgl.  Bijdr.  V.  H.:  dl.  IX,  blz.    100— X 13. 

3)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  XVIII,  blz.  292, 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   V,  blz.    113. 


90 

van  den  Vicaris  Apostolicus  P.  Codde,  die  7.ich  wegens 
zware  tegen  hem  ingebrachte  beschuldigingen  omtrent 
zijn  bestuur  en  het  driester  optreden  van  het  Jansenisme, 
te  Rome  had  te  verantwoorden,  wordt  de  naam  gemist 
van  pastoor  Abbekerk  i).  Hij  was  zich,  zoo  getuigde 
over  hem  Baljuw  van  der  Dussen  op  31  Dec.  17212), 
„met  de  roerende  verdeeldheden  ende  dispuyten  van 
haar  religie  niet  en  bemoeyende." 

Overigens  zij  men  voorzichtig  in  zijn  oordeel  over  de 
gezindheid  der  meer  dan  300  geestelijken,  wier  namen 
door  den  Jansenist  Van  Heussen  werden  wereldkundig 
gemaakt.  Want  daaronder  zijn  er  velen  van  uitstekend 
en  voorbeeldig  levensgedrag,  die  gewis  met  hunne  onder- 
teekening  slechts  beoogden  te  verklaren,  dat  niet  alle 
tegen  den  Apostolischen  Vicaris  ingebrachte  beschuldi- 
gingen steek  hielden ;  en  voor  zich,  voor  zoover  hun 
bekend  was,  durfden  getuigen  voor  het  heilig  leven,  den 
onvermoeiden  ijver  en  het  voorzichtig  beheer  des  be- 
minden Vicaris  ^). 

Gelukkig  echter  is  onder  pastoor  Abbekerk  de  Statie 
Ouderkerk  van  alle  Jansenistische  aanmatigingen  en 
ongeoorloofde  practijken  bevrijd  gebleven  *),  hetgeen 
van  de  aangrenzende  Staties  Duivendrecht  ')  en  Nes  en 
Swaluwebuurt  **)  niet  kan  gezegd  worden. 

Rene  aardige  geschiedenis  is  ons  bekend  van  Neeltje, 


1)  Ba(.  Sacr.:  p.   II,   pag.   518  —  521. 

2)  Bi/dr.  V.  H.:   dl.  XIII,  blz.  425. 

3)  Nos  enim  Antistitem  nostrum  ob  modestiani  et  morum  probitatem, 
ob  indefessura  laborem  et  animarum  zelum  ob  prudentem  in  rebus 
ecclesiae  nostrae  tractandis  peritiam  et  solicitudinem  multum  veneramur 
et  in  Domino  complectimur.  Bat.  Saa::  p.  II,  pag.  518,  2de  kol.; 
Arck.  V.  Utr.:  dl.  XVIII,  blz.  286;  id.  dl.  XX,  blz.  172  noot;  Bijdr. 
V.  H.:  dl.  III,   blz.   341—342. 

4)  Arch.  V.    Utr.:  dl.  IX,  blz.  288. 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  VII,  blz,  232,  noot  2;  id.  dl.  XXIII,  blz.  393, 

6)  Kerkelijk  A'ederland:  jg.    1852,   blz.   2  —  3. 


91 

de  dienstbode  van  pastoor  Abbekerk,  die  blijkbaar  in 
vrijmoedigheid  voor  de  Hecuba  van  Viglius  en  het  Steyntje 
van  Dusseldorp  niet  onderdeed.  Het  was  in  het  najaar 
van  1701  —  aldus  de  tegen  Neeltje  ingebrachte  aan- 
klacht 1)  —  dat  een  gezelschap  „van  veel  fatsoen"  door 
de  BuUewijk  reed  en,  komende  bij  de  boerderij  „Vrede- 
best",  waar  „de  paapse  vergaderingh"  gehouden  werd, 
uit  belangstelling  het  besluit  nam  daar  eens  in  te  gaan. 
Het  gedroeg  zich  „met  eerbiedinge".  Maar  Neeltje,  blijk- 
baar weinig  met  dat  bezoek  ingenomen,  sprak  het 
gezelschap  met  „inpertinentie"  aan,  en  wilde  het  dwingen 
of  te  knielen  of  „andersindts  de  vergaderingh"  te  verlaten. 
Het  gezelschap  verkoos  het  laatste,  maar  Neeltje  achter- 
volgde het  tot  aan  de  deur  toe  „al  scheldende".  Dien 
ten  gevolge  moest  Neeltje  te  recht  staan,  en  werd  van 
haar  eene  boete  geëischt  van  50  gulden,  maar  boven- 
dien —  en  dat  was  gewis  voor  Neeltje  de  zwaarste 
straf  —  moest  zij  in  het  openbaar  verklaren  „van  herte 
leet  te  hebben,  dat  sulx  bij  haer  is  gedaen." 

Intusschen  werd  haar  eisch  door  schepenen  verzacht. 
In  plaats  van  50  moest  zij  30  gulden  betalen,  ten  behoeve 
van  de  armen,  maar  gehandhaafd  bleef,  dat  zij  moest 
verklaren  en  belijden  „dat  het  haer  van  herte  leet  is, 
soodanige  bejegeningen,  als  bij  eyscher  gemelt,  te  hebben 
gedaen."  En  hiermede  was  de  beleedigde  partij  bevredigd 
en  „van  malkander"  af. 

Een  twintigtal  jaren  later  zou  de  pastoor  zelf,  maar 
voor  een  geheel  ander  geval,  zich  bij  den  baljuw  van 
Amstelland,  Mr.  Jacob  van  der  Dussen,  te  verantwoorden 
hebben.  Een  zekere  Jesuiet  in  den  Haag,  Matheus  ge- 
naamd, kapelaan  bij  den  Franschen  gezant,  had,  onge- 
twijfeld met  de  beste  bedoelingen,  doch  buiten  zijn  over- 


l)  Rijksarchief  Haarlem:   Rolleboek    1697   —  Januari   —    1716. 


92 

heid  om,  een  schrijven  gericht  tot  de  Staten  van  Holland, 
met  verzoek,  zijne  kerk  voor  den  openbaren  katholieken 
eeredienst  te  mogen  openstellen  i).  Zijne  ordebroeders 
in  de  andere  steden  van  Holland,  zoo  betoogde  hij, 
genoten  dezelfde  vrijheid.  Over  deze  ongehoorde  stout- 
moedigheid waren  de  Staten  van  Holland  ten  zeerste 
gebelgd,  en  gaven,  ten  antwoord  op  des  Paters  verzoek, 
aan  den  Fiscaal-generaal  in  opdracht,  om  nauwkeurig 
na  te  gaan  waar  iemand  der  Jesuieten  openlijk  godsdienst- 
oefeningen hield.  Maar  hij  vond  niemand,  zoo  schrijft 
Joannes  van  Bijlevelt  ^),  omdat  de  Paters  door  de 
plaatselijke  magistraten  tijdig  met  het  dreigende  gevaar 
waren  in  kennis  gesteld.  Toch  waren  de  plaatselijke 
magistraten  niet  allen  den  Jesuieten  even  goedgunstig 
gezind.  De  baljuw  ten  minste  van  Amstelland,  Mr.  Jacob 
van  der  Dussen,  die  te  Amsterdam  woonde  op  de  Heeren- 
gracht bij  het  Koningsplein,  die  negen  dienstboden  hield, 
een  koets  en  vier  paarden,  en  op  een  inkomen  kon 
rekenen  van  26  tot  28  duizend  gulden^),  die  bovendien 
aan  het  katholieke  geslacht  der  Sasbouts  verwant  was  ■*), 
Mr.  Jacob  van  der  Dussen  rekende  het  zich  tot  plicht 
na  te  gaan,  of  soms  in  Amstelland  iemand  der  Jesuieten 
in  het  openbaar  kerkelijke  diensten  verrichtte.  Hij  had 
daarom  —  aldus  in  zijn  rapport  ^),  —  naar  aanleiding 
van   hetgeen    de   Grootmogenden  den  2  5en  Mei  en  den 


i)  De  tegenwoordige  S.  Antonius-kerk  aan  den  Boschkant. 

2)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  XXII,  blz.   120— I2i, 

3)  Elias,  y.  E.:  De  vroedschap  van  Amsterdam,  1578 — 1795,  Haarlem, 
Vincent  Loosjes,    1903,  dl.  I,  blz.  468  —  469. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XX,  blz.  275;  id.  blz.  306  noot  I.  Toch  was 
Van  der  Dussen  weer  een  der  meest  invloedrijke  vrienden  van  Van  der 
Steen  bij  de  regeering.  Bijdr.  v.  H.:  dl.  XXIII,  blz.  165,  noot  i.  En 
zijn  vader,  de  pensionaris  van  Gouda,  was  een  goed  vriend  van  den 
Vicaris  Van  Bijlevelt.  Bijdr.  v.   H.:  dl.   II,   blz.   317. 

5)  Bijdr.   V.   //.:    dl.   XIII,   blz.   424—425. 


93 

5^"  Juni  1720  hadden  aangeschreven,  aan  alle  roomsche 
priesters  in  Amstelland  laten  aanzeggen,  om,  bijaldien 
zij  tot  de  Jesuieten  behoorden,  vóór  den  len  Juli  1720 
het  gebied  van  den  Staat  te  verlaten.  Doch  zij  hadden 
allen  geantwoord  „geen  Jesuieten  te  zijn".  Vervolgens, 
zoo  schrijft  hij  verder,  „op  den  2oen  December  uwe 
nadere  aanschrijving  ontvangende  van  den  28en  November, 
hebbe  ik  gemelde  priesters  weder  by  my  doen  comen 
en  haer  voorgehouden  UEd.  Gr.  Mogde  gemelde  aan- 
schrijving, haar  afgevraegt  ende  my  geinformeert  van 
wat  Ordre  sy  waeren ;  sy  hebben  alle  daerop  mondeling 
ende  schriftelyk  gedeclareert  ende  verklaert :  dat  sy  geen 
geordende  maar  wereldlyke  priesters  waeren  aan  de 
Jesuiten  nogte  aan  derselver  leere  gecnzins  toegedaan, 
uytgenomen  eene,  met  name  Guillelmus  Abbekerk,  die 
seyde,  dat  wel  conde  betuygen,  dat  hy  niet  en  was  van 
de  Ordre  der  Jesuiten,  dog  niet  conde  declareren,  dat 
hy  derselver  leere  niet  en  was  toegedaan." 

Of  nu  pastoor  Abbekerk  om  zijne  afwijkende  verklaring 
door  den  baljuw  heftig  of  dreigend  werd  aangevallen, 
of  wel,  dat  het  gemoed  van  den  cenvoudigen  buiten- 
pastoor wat  al  te  vreesachtig  was :  volgens  Vicaris 
V.  Bijlevelt  ^)  is  Willem  Abbekerk  den  24611  Febr.  1722 
plotseling  overleden  en,  naar  hem  bericht  werd,  uit 
schrik  over  hetgeen  met  den  baljuw  was  voorgevallen. 
Hoe  het  zij,  van  langdurige  ziekte  kan  bij  pastoor  Abbe- 
kerk geen  sprake  wezen,  want  blijkens  het  doopboek  diende 
hij    den    i6en    Februari   1722  zijn  laatste  doopsel  ^)  toe. 

1)  Bijt//-.  V.  H.:  dl.  III,  blz.  218;  Arch.  v.  Utr.:  dl.  I,  blz.  308; 
id.  dl.   II,  blz.    143. 

2)  Op  het  gemeentearchief  van  Ouder-Amstel  zijn  aanwezig  twee 
R.  K.  doopboeken : 

I.  Communitatis  in  Duivendrecht  Liber  Baptismalis,  inceptus  a  me 
Cornelio  de  Graaff,  anno  Domini    1764.  Het  loopt  door  tot   18 12. 

II.  Doop-boek   van  de  katholijke  Gemeente  van  Oude-kerk,  Bulwijk, 


94 

In  de  pastorie  te  Ouderkerk  bewaart  men  een  boete- 
kleed en  „disciplien",  die,  naar  de  sprake  gaat,  door 
pastoor  Abbekerk  zouden  gedragen  en  gebruikt  zijn. 

*       * 

Henriais  Josephus  Grasper,  de  opvolger  van  pastoor 
Abbekerk,  werd  den  3en  Mei  1679  te  Amsterdam  ge- 
boren :  hij  deed  zijne  hoogere  studiën  te  Leuven  op  het 
HoUandsche  collegie  Sint  Pulcheria  i),  dat  destijds  ge- 
durende nagenoeg  vijftig  jaren  onder  het  bestuur  stond 
van  den  Jansenistisch-gezinden  president  Petrus  Melis  2) 
(1680— 1725). 

Volgens  Santini,  den  internuntius  te  Brussel,  zou  Grasper 
met  nog  eenige  andere  weerspannige  priesters  zonder 
wettige  wijdingsbrieven  door  een  hem  onbekenden  bisschop 
in  Frankrijk  op  den  Kerstdag  van  het  jaar  17 15  priester 
gewijd  zijn  ^) ;  volgens  Hoynck  daarentegen,  die  echter 
zijne  berichten  eerst  7  of  8  jaren  daarna  uit  het  geheugen 
opstelde,  werd  Grasper  eerst  omstreeks  Juli  1721  priester 
gewijd,  na  dimissorialen  ontvangen  te  hebben  van  den 
Apostolischen  Vicaris  van  's-Hertogenbosch,  Petrus 
Govarts  •*),  die  in  1701  Steijaert  opvolgde  en  in  den 
loop  van   1726  te  Mechelen  overleden  is  '). 

Rijke  Wavere,  Waardhuyze  en  Klijn  Duivendrecht,  herschreven  door 
Hendrik  Joseph  Grasper,  pastoor  derzelve  Gemeente  in  den  jaare  1723. 
Toch  begint  dat  doopboek  den  6en  Maart  17 17  en  loopt  geregeld  door 
tot  16  Febr.  1722,  waarna  pastoor  Grasper  met  eigen  hand  getuigt: 
«Dit  is  het  laatste  kind,  dat  van  den  Eerw.  Hr.  Abbekerk  zalig,  mijn 
voorzaat  gedoopt  is."  En  dan  schrijft  hij  op  de  volgende  bladzijde: 
»Hier  begint  het  Doopboek  van  Henricus  Josephus  Grasper,  Pastoor 
van   Oude-kerk  enz.   8   Maart   1722." 

1)  Bijdr.  V.  H.:   dl.  VIII,   blz.   260. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  VIII,  blz.  17,  25,  266—267,  270,  281—282, 
341;  id.  dl.  XVII,  blz.    153. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XVII,  blz.  451—454. 

4)  Bijdr.  V.  H.:   dl.   VI,   blz.   349-350. 

5)  Bijdr.   V.  H.:  dl.   V,   blz.  409. 


95 

Blijkbaar  stond  Grasper  bij  den  aartspriester  van 
Gelderland,  Petrus  van  Beest,  om  zijn  karakter  en  kennis 
der  Latijnsche  taal  in  hoog  aanzien.  Dit  blijkt  uit  het- 
volgende.  Den  i8en  Juli  17 19  werd  ten  huize  van  den 
Vicaris  Apostolicus  van  Bijlevelt  eene  vergadering  ge- 
houden van  aartspriesters  der  Hollandsche  Missie.  Tot 
de  belangrijke  ter  tafel  gebrachte  punten  behoorde  de 
catechismus,  welke  bij  het  godsdienstig  onderricht  der 
priesters  zou  gebruikt  worden.  Want  er  waren,  door 
verloop  van  tijd  en  vooral  door  den  invloed  der  Jansenisten, 
verschillende  catechismussen  in  zwang  geraakt.  Vandaar 
dat  alle  aartspriesters  eenstemmig  van  gevoelen  waren 
om  den  Vicaris  op  te  dragen  een  en  denzelfden  catechismus 
en  wel  den  Mechelschen  voor  zijne  geheele  Hollandsche 
Missie  voor  te  schrijven.  De  Vicaris  evenwel  achtte  het 
beter  die  zaak  aan  Rome  voor  te  leggen,  om,  na  verkregen 
beslissing,  met  des  te  meer  gezag  onder  de  priesters  te 
kunnen  optreden. 

In  elk  geval :  men  zou  met  het  gebruik  van  den 
Mechelschen  catechismus  een  begin  maken,  maar,  omdat 
Rome,  zooals  gewoonlijk,  langzaam  pleegt  te  handelen, 
stelde  de  aartspriester  Van  Beest  aan  de  vergadering 
voor,  om  Grasper  tot  secretaris  te  benoemen  en  hem 
te  belasten  deze  aangelegenheid  met  Rome  verder  af  te 
wikkelen  ^).  Maar  zoodra  Hoynck,  die  ter  vergadering 
was  geweest  dit  voorstel  van  Van  Beest  aan  den  kardinaal 
Aartsbisschop  van  Mechelen  had  overgebracht,  ontstond 
er  tegen  de  keuze  van  Grasper  een  krachtig  verzet, 
omdat  hij  in  het  collegie  Pulcheria  zijne  studiën  gemaakt 
en  in  de  zaak  van  Pater  Desirant,  zich  als  een  vurig 
Jansenist  had  doen  kennen. 

Wat  Grasper,  toen  deze  benoeming  hem  ontviel,  gedaan 


1)  Bijdr.  V.   //.;   dl.   VI,   blz.   347—349. 


96 

heeft,  of  waarheen  hij  vertrokken  is,  weet  Hoynck  niet 
mede  te  deelen  ^) ;  maar,  gewis  geholpen  door  Gods 
genade,  zag  de  jeugdige  priester  zijne  dwahng  in,  en 
sloot  zich  met  volle  overtuiging  bij  de  goedgezinde 
geestelijken  aan. 

In  1722  stond  hij  te  Amsterdam  als  kapelaan  bij  den 
aartspriester  Van  Wyckersloot  in  de  Statie  „de  Pool". 
Maar  de  Jansenisten  waren  over  zijn  terugkeer  zoozeer 
verbitterd,  dat  zij,  toen  hij  eens  met  den  gloed  der  jeugd 
gepreekt  had  over  de  onderdanigheid  aan  het  wettig 
kerkelijk  gezag  ^)  —  tot  groote  stichting  der  katholieken  — 
op  weerwraak  zonnen  en  met  hun  invloed  bij  de  Amster- 
damsche  regeering  het  inderdaad  zoover  wisten  te  brengen, 
dat  Grasper,  die  tot  de  voortreffelijkste  priesters  in  Holland 
gerekend  werd  ^),  in  zijne  bediening  werd  geschorst. 
Maar  juist  was  in  die  dagen  de  pastoor  van  Ouderkerk, 
Willem  Abbekerk,  overleden,  zoodat  Grasper  daar  voor- 
loopig  tot  pastoor  werd  aangesteld,  afwachtend,  of  hij 
soms  later  in  Amsterdam  wederom  zou  worden  toe- 
gelaten. Slechts  korten  tijd  was  Grasper  kapelaan  bij 
Van  Wyckersloot:  maar  lang  genoeg  om  uit  een  verblijf 
bij,  en  een  gemeenzamen  omgang  met  Van  Wyckersloot, 
die  als  pastoor,  aartspriester  en  kanunnik  volstrekt  geen 
voorbeeld  was  van  onderdanigheid  aan  den  Vicaris 
Apostolicus  van  Bijlevelt,  op  het  ontvankelijke  gemoed 
van  den  jeugdigen  bekeerling  een  verderfelijken  invloed 
achter    te   laten  *).    Tegen  zijn  vriend  Hoynck  heeft  de 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  VI,  blz.  349. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  III,  blz.  223. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  VI,  blz.  348. 

4)  Van  deze  beschuldiging  geven  de  mooie  artikelen  van  Mgr.  Vregt 
over  den  Vicaris  Ap.  van  Bijlevelt  eene  bijna  doorloopende  bevestiging. 
Ook  als  provisor  van  Pulcheria  was  Van  Wyckersloot  geen  voorbeeld 
van  plichtsbetrachting. 


97 

Vicaris  Apostolicus  van  Bijlevelt  herhaaldelijk  geklaagd 
over  de  weerspannigheid  van  pastoor  Grasper,  die  maar 
niet  wilde  besluiten,  zooals  de  meeste  andere  priesters 
der  HoUandsche  Missie,  den  Mechelschen  catechismus  bij 
zijn   godsdienstig   onderricht   tot   leiddraad  te  nemen  ^), 

Grasper  die  slechts  voorloopig  naar  Ouderkerk  ging, 
bleef  daar  zes  volle  jaren:  tot  1728.  Het  door  hem 
aangelegde  doopboek  begint  met  den  8en  Maart  1722; 
zijne  Statie  telde  toen  564  communicanten  ^j,  en  omvatte 
behalve  het  dorp  Ouderkerk,  de  buurten  Bullewijk,  Rijke 
Waveren,  Waardhuizen  en  den  polder  Klein  Duivendrecht. 
In  Juli  1728  volgde  pastoor  Grasper  den  rustend-geworden 
pastoor  N.  van  der  Meer  —  en  niet  Van  den  Berghe 
zooals  de  Internuntius  Spinelli  meende^)  —  in  de  Statie 
„de  Lely"  op,  en  woonde  op  den  Achterburgwal  achter 
het  Begijnhof'*).  Bij  den  dood  van  pastoor  Van  der  Meer 
werd  hij  ook  diens  opvolger  in  het  zoogenaamde  kapittel 
van  Haarlem  ^). 

Pastoor  Grasper  stierf  te  Amsterdam  den  I4en  Februari 
1734^);  blijkens  de  acta  capituli  ontbrak  hij  nooit  op 
de  vergaderingen :  alleen  was  hij  afwezig  op  de  najaars- 
bijeenkomst van  6  October  1733,  maar  zijn  dood  was 
toen  ook  nabij  '').  Hij  ligt  begraven  in  de  Nieuwe  Kerk 
te  Amsterdam  ^). 

Tot    de    fraaie   verzameling  pastoors-portretten  in  de 


1)  Bijtfr.  V.  H.:  dl.  VI,  blz.   349;  Vgl.  Bijdr.  v.  II.:  dl.  II,  blz.  15, 
39,  43;  id.  dl.  III,  blz.  212;   id.  dl.  VI,  bl.   337-368. 

2)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  X,  blz.  22. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XI,  blz.  347;  Vgl.  Bijdr.  v.  //. :  dl.  III,  blz.  221  ; 
id.  dl.  XIV,  blz.  450;  id.  dl.  XVII,  blz.  61. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XIV,  blz.   178. 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   XVII,   blz.   321. 

6)  Arch.  V.   Utf.:  dl.  I,  blz.  313;  id.  dl.  IV,   blz.    il 

7)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XVII,  blz.  324. 

8)  Bijdr.  V.  H,\  dl.  XVII.  blz.   167. 

7 


I 


98 

pastorie  der  S.  Catharina-kerk  te  Amsterdam  behoort 
ook  dat  van  Grasper,  geschilderd  op  doek,  en  face,  met 
allonge-pruik  en  brevier  in  de  rechterhand,  Aet.  55,  en 
bij  Muller  beschreven  onder  N.  6408.  Naar  dat  portret 
vervaardigd  hangt  er  in  de  pastorie  te  Ouderkerk 
eene  kopergravure  van  A.  van  Buyse,  en  waaronder 
de  spreuk:  vivit  post  fimera  virtus  met  hetvolgend 
achtregelig  vers  : 

Zie  Grasper's  beeltenis,  zoo  êel  men  7  wenschen  kan, 
In  't  koper  gegraveerd,  die  weergalooze  man 
Die  07n  zijn  ijver;' uur  en  Godgeheiligd  preeken 

Versteende  harten  kon  als  lenig  luas  doen  lueken. 

Die  al  C  ontijdig  lij  zijn  dierbaar  leven  af, 

Maar  7  spijt  de  dood,  zijn  deugd  en  eer  rust  niet  in  't  graf . 

Hij  rust  in  't  boezemkoor  der  dankbare  gemeente. 

Terwijl  een  tranenvloed  besproeit  zijn  kil  gebeente. 


Aegidius  Cra(e)iner,  die  den  5en  Juli  1728  pastoor 
Grasper  in  de  herderlijke  bediening  opvolgde,  werd  te 
Delft  in  1690  geboren  ^).  Hij  was  „een  wereltpriester 
niet  Jansenist  maar  van  't  gevoelen  van  St.  Thomas"  2). 

Zijne  eerste  pastoorsbenoeming  te  Kwakel  in  1720 
geschiedde  onder  eenige  moeilijkheden  ^).  Mr.  Jacob 
van  der  Dussen,  de  baljuw  van  Amstelland,  tot  wiens 
baljuwschap  de  Statie  Kwakel  behoorde,  had  zelf,  toen 
zij  vacant  geraakte,  aan  den  Vicaris  van  Bijlevelt  een 
pastoor  aldaar  aangevraagd.  Deze  benoemde  Aegidius 
Cramer;  maar  wijl  hij  als  Vicaris  Apostolicus  door  de 
Staten  van  Holland  niet  erkend,  zelfs  verbannen  was, 
richtte  hij  tot  Santini,  den  Internuntius  te  Brussel  het 
verzoek,    om    aan    den    benoemden    pastoor  de  noodige 


1)  Bijdr.   V.  H.:  dl.  XVII,  blz.  200-201. 

2)  Bijdr.  V.   H.:   dl.   XTV,  bk.   46. 

3)  Bijdr.   V.  H.:  dl.   II,   blz.   355;   Arck.   v.    Utr.:   dl.   X,  blz.   22. 


99 

brieven  op  te  sturen.  Namens  den  Internuntius  werd 
daaraan  door  Hoynck  van  Papendrecht  voldaan.  Toch 
wilde  de  baljuw  Van  der  Dussen  pastoor  Cramer  in  zijne 
Statie  niet  toelaten,  maar  stond  er  op,  dat  eerst  een 
schriftelijk  bewijs  van  toestemming,  uitgaande  van  het 
gewaande  Haarlemsche  kapittel,  zou  worden  overgelegd. 

In  die  moeilijke  aangelegenheid  raadpleegde  het 
kapittel,  dat,  met  N.  van  der  Meer  als  Vicaris,  zich 
zorgvuldig  van  alle  uitoefening  van  geestelijke  rechts- 
macht onthield,  den  wakkeren  Hoynck.  Deze  oordeelde 
het  raadzaam  om  aan  pastoor  Cramer,  slechts  eene 
eenvoudige  goedkeuring  van  zijne  benoeming  af  te  geven. 
En  inderdaad  is  pastoor  Cramer  op  dat  getuigschrift 
door  den  baljuw  in  zijne  Statie  toegelaten.  Een  nieuw 
bewijs,  hoe  het  denkbeeldig  kapittel,  dat  vele  regeerings- 
personen  in  Holland  aanzagen  en  erkenden  als  het  wettig 
kerkelijk  gezag  der  katholieken,  vooral  bij  het  open- 
vallen van  Staties,  aan  de  kerk  in  de  HoUandsche  Missie 
vaak  goede  diensten  bewezen  heeft  ^). 

Gewis  is  pastoor  Cramer,  zij  het  niet  in  het  openbaar 
dan  binnenskamers,  gemoeid  geweest  met  de  dagvaarding 
van  een  zekeren  Claas  Pietersz.,  die  den  22en  Juni  1728 
zich  te  Ouderkerk  voor  de  rechtbank  had  te  verant- 
woorden wegens  een  vergrijp,  dat  bij  de  laatste  begrafenis 
had  plaats  gehad  ^).  Want  hoewel  door  verscheidene 
plakkaten  aan  de  Roomschgezinden  verboden  was  om 
„eenige  paapse  superstitiën  zoo  in  kledinge,  bedevaart, 
begravinge  als  andersints  te  gebruycken  en  te  exer- 
ceeren",  had  toch  Claas  Pietersz.  „zig  niet  ontsien 
publicqelyck  zijn  gestorven  vrouw  met  een  kruis  op  de 


1)  Btjc/r.  V.  H.\  dl.  II,  blz.  316-318. 

2)  Rijksarchief  Haarlem:  Rolleboek   1716— 1743,  Ouder-Amstel ;  Vgl. 
Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXX,  blz.  278. 


kist  te  doen  begraven  en  't  selvc  willen  smijten  in  het 
graf."  Bij  diezelfde  gelegenheid  was  de  doodgravers- 
knecht  „seer  leelyck  gescholden  door  verscheijdene 
personen  ende  gedreygt."  Zulks  nu  was  onbehoorlijk 
en  diende  te  worden  tegengegaan.  Maar  omdat  Claas 
Pietersz.  „voor  de  eerste  reyse"  zich  tegen  de  plakkaten 
vergrepen  had,  werd  hij  tot  eene  boete  van  25  gulden 
veroordeeld  met  de  onkosten  van  het  geding. 

Al  heel  weinig  behoefde  pastoor  Cramer  in  1730  te 
vreezen  voor  het  tiende  artikel  van  het  beruchte  plakkaat, 
waarin  over  het  uiterlijk  aanzien  der  kerken  werd  voor- 
geschreven „dat  sorg  sal  worden  gedraagen,  dat  de 
vergaderplaatsen  der  Roomschgesinden  aan  geen  kerken 
of  publique  gebouwen  gelijken,  nog  aan  het  gemeen  in 
het  oog  loopen"  ^) ;  want  het  hooihuis  op  „Vredebest" 
verraadde  in  zijn  uiterlijk  niets  van  zijne  hooge  be- 
stemming. Zelfs  Tijsens,  een  dichterlijk  wandelaar, 
die  in  1730  met  speurzin  de  Bullewijk  doorliep  en 
alles  wilde  bezingen,  wat  maar  eenigszins  zijne  belang- 
stelling kon  trekken  "),  had  het  bestaan  van  „de 
papekerk",  zooals  Gerrit  Drogenham  zeide  ^),  niet  eens 
opgemerkt. 

Onder  het  pastoraat  van  pastoor  Cramer  werd  in 
173 1  de  heerlijkheid  Ouderkerk  door  de  stad  Amsterdam, 
die    reeds    in    1658    en    later   in    1674   naar  haar  bezit 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XX,  blz.   282. 

2)  De  breede  titel  van  het  werk  luidt:  Hollands  Arcadia  of  de  ver- 
maarde Rivier  den  Amstel,  vertonende  alle  deszelfs  lustplaatzen,  heren- 
huizen en  dorpen,  zig  uitstrekkende  van  Amsterdam  af  door  Ouderkerk, 
Abcoude,  Baembrug  tot  Loendersloot ;  wederkerende  langs  de  vermakelijke 
landgezichten  van  de  Wetering.  Vertoond  in  honderd  afbeeldingen  naar 
't  leven  getekend  en  in  't  ligt  gebragt  door  Abraham  Rademaker.  Met 
een  poëtise  beschrijving  verzierd.  Tot  Amsterdam  bij  Leonardus  Schenk 
op  de  Vijgendam,   1730. 

3)  Op  zijn  groote  landkaart. 


lOI 

maar  tevergeefs  had  verlangd  i),  voor  25.100  gulden 
aangekocht.  In  de  „Constitutie  van  het  dorp",  bij  die 
gelegenheid  opgemaakt,  werd  een  volledig  overzicht 
gegeven  van  de  ambten,  welke  eerst  door  den  baljuw 
en  na  173 1  door  den  ambachtsheer  te  vergeven  waren  2), 
Zoo  bevonden  zich  in  het  dorp,  waaronder  ook  Duiven- 
drecht  begrepen  werd,  een  schout,  een  secretaris,  zeven 
schepenen,  een  bode,  vier  buurmeesters,  twee  arm- 
meesters, twee  broodwegers,  twee  kerkmeesters,  een 
koster,  voorlezer  en  schoolmeester,  een  doodgraver,  een 
ijker,  twee  schippers  op  Amsterdam  en  een  heemraad 
van  Amstelland. 

De  schout  werd  door  den  baljuw  aangesteld  op 
zekere  recognitie.  De  vorige  schout  gaf  jaarlijks  voor 
recognitie  200  guldens,  maar  had  dan  zijn  deel  in  de 
kleine  boeten  door  den  baljuw  opgelegd.  Aan  tractement 
genoot  de  schout  60  guldens,  benevens  de  helft  zoo  van 
den  tachtigsten  penning  indien  vaste  goederen,  als  van 
den  veertigsten  penning,  indien  meubelen  in  het  openbaar 
verkocht  werden.  De  tegenwoordige  schout  woont  in 
het  dorpshuis,  waarvoor  jaarlijks  aan  huur  60  guldens 
betaald  worden. 

Ook  de  secretaris  werd  door  den  baljuw  aangesteld, 
en  genoot,  gelijk  de  schout,  de  helft  van  den  tachtigsten 
penning  indien  vaste  goederen  en  van  den  veertigsten 
penning,  wanneer  meubelen  in  het  openbaar  verkocht 
werden. 

De   bode   werd  eveneens  door  den  baljuw  aangesteld. 

Van  de  schepenen  traden  er  gewoonlijk  ieder  jaar  vijf 
af;  de   twee  anderen  bleven  nog  een  jaar  aan,  mits  de 


1)  IVagenaar,    Jan:    Beschrijving  van  Amsterdam,  Amsterdam   1760 
bij  Isaak  Tirion,  dl.  I,  blz.  739;  id.  l.c,  dl.  III,  blz.  60. 

2)  Oud- Archief  Amsterdam:  Portefeuille  Ambachts-Heerlijkheid  Ouder- 
Amstel  of  Ouderkerk. 


baljuw  het  goedvond.  De  nieuwe  schepenen  werden 
door  den  baljuw  gekozen  uit  eene  voordracht  van  veertien 
personen,  door  de  schepenen  opgemaakt. 

De  vier  bimrmeesiers  werden  door  den  baljuw  ge- 
kozen uit  eene  voordracht  van  acht  personen,  waarvan 
er  vier  door  de  schepenen  en  vier  door  de  buurmeesters 
werden  aangewezen.  Van  de  buurmeesters  traden  er 
gewoonlijk  ieder  jaar  drie  af;  zij  mochten  met  de 
schepenen  stemmen  over  dorpslasten  en  rekeningen. 

De  twee  armmeèsters  hadden  het  toezicht  over  „de 
gemeene  armen"  en  deden  jaarlijks  rekening  aan  den 
baljuw,  in  bijzijn  van  schout  en  schepenen.  Ieder  jaar 
trad  een  der  armmeesters  af;  de  nieuwe  armmeester 
werd  gekozen  door  den  baljuw  op  voordracht  van  den 
aanblijvenden  en  den  aftredenden  armmeester. 

De  Hvee  broodwegers  werden  gekozen  door  den  baljuw, 
den  schout  en  de  schepenen,  en  hadden  een  of  meer 
jaren  dienst,  al  naar  onderling  werd  goedgevonden. 

De  ttvee  kerkmeesters  dienden  twee  jaar.  Jaarlijks 
trad  er  een  af.  De  nieuwe  kerkmeester  werd  gekozen 
door  den  baljuw  uit  eene  voordracht  van  kerkmeesters. 
Zij  deden  rekening  aan  den  baljuw,  in  bijzijn  van  schout 
en  schepenen. 

De  koster,  voorlezer  en  schoolmeester  is  meestal  dezelfde 
persoon,  maar  de  ambten  konden  gescheiden  worden. 
De  tegenwoordige  koster  heeft  zijne  aanstelling  van 
den  baljuw.  Hij  geniet  jaarlijks  200  guldens  uit  de 
kerkekas,  waaruit  ook  het  huis  onderhouden  wordt  van 
den  predikant  en  van  den  koster. 

De  doodgraver  en  de  ijker  werden  aangesteld  door 
den  baljuw  op  een  nader  met  hen  overeen  te  komen  loon. 

De  tzvee  schippers  werden  aangesteld  door  den  baljuw 
„met  kennisse  van  het  gerecht". 

De  predikant    werd    gekozen  door  den  kerkeraad  en 


103 

door  allen  die  ooit  ouderlingen  of  diakenen  zijn  geweest, 
maar  zal  handopening  moeten  verzoeken  aan  den  baljuw, 
die  het  recht  heeft  van  „approbatur"  of  „improbatur". 

De  heemraad  van  Amstelland  werd  gekozen  door 
den  baljuw. 

Zoolang  de  tegenwoordige  baljuw  in  leven  of  in  be- 
diening is,  zal  hij  al  de  beschreven  rechten  omtrent  de 
gemelde  ambten  en  bedieningen  behouden :  maar  komt 
hij  te  sterven  of  zijne  waardigheid  neer  te  leggen,  dan 
zullen    al  zijne  rechten  overgaan  op  den  ambachtsheer. 

Eene  andere  acte  van  plaatselijke  beteekenis  werd 
in   1740  verleden  i). 

Also  de  Heer  Joathan  Dabinis  op  heden  aan  deze  edelagtbaare 
gerechte  van  Oiider-Amstel  heeft  opgedragen  ende  vereert  een 
stukki  grond  ^),  gelegen  in  de  Reyke  Waveren  onder  deze  gerechte 
van  Ouder-Amstel,  belend  ten  oosten  het  rietland,  ten  zuiden  de 
Waveren,  ten  westen  de  armen  van  Ouderkerk,  ten  noorden  den 
Ronden-Hoepschen  dijk:  zoo  is  op  heden  bij  dese  edelagtbaare 
gerechte  geresolveert,  om  op  het  gemeld  stukki  grond  te  doen 
stellen  de  galge  omme  daer  aen  te  doen  hangen  degenen,  dewelke 
wegens  de  Justitie  ter  dood  gebraght  sullen  worden  en  die  de  aard 
sullen  worden  ontseght.  Ende  om  nu  hetselve  daertoe  altoos  te 
doen  dienen  sonder  dat  ooyt  eenige  aanspraak  zal  worden  gemaakt 
om  sulks  bij  off  omtrent  de  plaats  van  gemelde  Heer  Dabinis  te 
sullen  doen. 

Actum  Ouderkerk  den  28en  July   1740. 

Ik  weet  niet  of  daar  ooit  iemand  werd  opgehangen; 
maar  zeker  geschiedde  dat  niet,  zooals  te  verwachten 
was,  met  den  beruchten  Nathan  Mozes,  die  zoo  buiten 
als  binnen  Ouderkerk  de  schrik  was  om  zijn  „schooien, 
bedriegen  en  stelen",  wijl  hij,  blijkens  zijn  vonnis  van 
16   Nov.    1752,    alleen    gegeeseld  en  verbannen  werd  3). 

Bijna    25    volle  jaren    stond  pastoor  Cramer  aan  het 


i)  Oud- Archief  Amsterdam:  Afd.  Ouder-Amstel,  Resolutieboek. 

2)  Op  het  oogenblik  in  eigendom  van  de  Wed.  Baars. 

3)  Bijdr.  V.  H. :  dl.   XXIV,  blz.  449. 


I04 

hoofd  der  Statie  Ouderkerk:  hij  stierf  den  I4en  Februari 
1753.  Bij  gelegenheid  zijner  begrafenis  werd  aan  vrienden 
en  vereerders  een  zilveren  begrafenis-penning  uitgereikt, 
waarvan  een  exemplaar  bewaard  wordt  in  het  Bisschop- 
pelijk Museum  te  Haarlem  ^)  en  een  in  de  pastorie  te 
Ouderkerk.  Het  is  rond  van  vorm  en  van  een  ringetje 
voorzien  om  te  kunnen  hangen ;  aan  de  eene  zijde  staan 
zinnebeeldige  figuren,  herinnerend  aan  dood  en  ver- 
gankelijkheid; aan  de  andere  zijde  leest  men:  „de  Heer 
Egidius  Cramer  is  Pastoor  geworden  den  5  Juni  anno 
1728    in    de    Bullewijk    en    is    overleden    den   14  Febr. 

anno   1753." 

*      * 

Pastoor  Henricus  Francisciis  Wilken(s),  die  op  den 
ontslapen  herder  Cramer  in  de  Statie  volgde,  was  te 
Groningen  in  1703  geboren-).  Gedurende  enkele  jaren 
stond  hij  als  kapelaan  te  Oud-Ade  pastoor  Van  der  Mey 
ter  zijde  ^),  wiens  priesterlijke  werkzaamheden,  volgens 
verlangen  van  den  Vicaris  Van  Bijlevelt,  zich  uitstrekten 
over  het  destijds^  door  het  Jansenisme  geteisterde 
Roelofs-Arendsveen  '*).  In  1734  stond  Wilkens  als  pastoor 
te  Obdam,  van  1743 — 1753  te  Aarlanderveen  en  van 
1753 — 1769  in  de  „goede"  Statie  Ouderkerk,  toentertijd 
538  communicanten  tellende  '"). 

Omtrent  zijne  werkzaamheid  als  pastoor  in  de  ver- 
schillende Staties  staat  in  de  kerkarchieven  niets  aan- 
geteekend.    Alleen    is    van    hem  het  eervolle  getuigenis 


1)  Almanak  van  J.  A.  Alberdingk  Thijm:  Volksuitgave,  n.  35: 
Onze  dierbare  dooden,  blz.  76;  Gids  in  het  bisschoppelijk  museum:  \\]iAt. 
druk,  blz.   164,  n.  247. 

2)  Bijdr.  V.  H.:   dl.  I,  blz.  93. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XVII,  blz.  212. 

4)  Bijdr.  V.  H.\  dl.   VII,  blz.  245. 

5)  Arch.  V.    Utr. :  dl.  VIII,  blz.  92 ;  id.  blz.  349. 


I05 

bekend,  dat  in  1758  door  den  Nuntius  MoHnari  naar 
Rome  werd  opgezonden:  „een  man  met  voorbeeldige 
liefde  jegens  den  H.  Stoel,  een  alleszins  bekwaam  en 
volstrekt  niet  ongeletterd  priester;  deugdzaam  van 
levenswandel"  ^). 

Op  het  einde  van  1769  werd  pastoor  Wilkens  on- 
gesteld: den  I7en  Augustus  1769  stonden  de  Gecom- 
mitteerden hem  toe  gedurende  zijne  ziekte  ter  assistentie 
een  kapelaan  in  de  Statie  te  hebben  ^).  Nog  den 
i6en  November  1769  schreef  hij  met  eigen  hand  zijn 
laatste  doopeling  in  het  doopboek  in :  maar  vóór 
December  was  hij  ter  ziele  ^). 


Corneliiis  Hekman  of  Heekman^  een  Amsterdammer 
van  geboorte  en  in  1757  tot  priester  gewijd*),  volgde 
pastoor  Wilkens  in  de  Statie  op.  Den  3en  December 
schreef  hij  met  eene  zeer  eigenaardige  hand  zijn  eerste 
doopeling  in,  zich  kortweg  noemende  „pastor  in  de 
Bullewijk".  In  de  relatio  Ghiliniana  wordt  de  Statie,  die 
toen  555  communicanten  telde,  eene  „zeer  goede"  ge- 
noemd °).  Zijn  admissie-brief  dateert  van  den  29en  Januari 
17706). 

Van     1762 — 1769     was     Cornelius    Hekman    pastoor 


i)  Arch.  V.  Utr.\  dl.  VIII,  blz.  349.  De  Nuntius  vergiste  zich  blijkbaar 
in  het  verslag  met  den  naam.  Hij  sprak  niet  van  Henricus  Franciscus, 
maar  van  yoannes  Franciscus  Wilkens,  die  echter  als  pastoor  van 
Middelburg  in  1758  reeds  twee  jaren  overleden  was.  Arch.  v.  Utr.: 
dl.  III,  blz.  94;  id.  dl.  VIII,  blz.  92;  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXIII,  blz.  73. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,  blz.  44. 

3)  In  de  Bijdragen  dl.  I,  blz.  422  staat  dat  hij  in  December  ge- 
storven is.  Dit  lijkt  mij  zeer  onwaarschijnlijk,  daar  zijn  opvolger  reeds 
den  3en  December  zijn  eerste  doopsel  toediende. 

4)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  VIII,  blz.  355. 

5)  Arch.  V.   Utr.:  dl.   VIII,  blz.    130. 

6)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,  blz.  44, 


io6 

geweest  te  Spanbroek  i),  waar  echter  van  zijne  herderlijke 
bediening  al  even  weinig  in  het  kerkarchief  staat  aan- 
geteekend  als  te  Ouderkerk.  Uit  het  doopboek  blijkt, 
dat  hij  op  het  einde  van  1772  begon  te  sukkelen,  met 
Augustus  1773  weer  hersteld  was,  maar  in  Februari 
1775  opnieuw  hulp  noodig  had.  Hij  stierf  den  3oen  April 
1775  des  avonds  te  7  uren,  nadat  nog  door  hem  op 
den  morgen  van  dien  eigen  dag  18  kinderen  tot  hun 
eerste  H.  Communie  waren  toegelaten. 


Den  len  Juni  1775  diende  pastoor  Hieronymus  vaji 
den  Dorp  zijn  eerste  doopsel  toe  in  zijne  nieuwe  Statie. 
Eerst  den  i8en  Juli  ontving  hij  zijn  admissie-brief  van 
de  Hoogmogende  Staten  van  Holland  -).  Hieronymus 
van  den  Dorp  was  in  1735  uit  Marcellis  van  den  Dorp 
en  Maria  Bouwens  geboren;  hij  werd  priester  gewijd 
en  stond  van  1769  tot  1775  als  pastoor  te  Spanbroek. 
Van  pastoor  Hekman,  dien  hij  te  Spanbroek  en  te 
Ouderkerk  opvolgde,  heeft  hij  niets  hoegenaamd  in  het 
kerkarchief  aangeteekend.  Trouwens  over  zijn  eigen 
ruim  25-jarig  herderlijk  bestuur  te  Ouderkerk  heeft  hij 
niets  op  schrift  aan  het  nageslacht  achtergelaten.  Toch 
had  hij  allereerst  kunnen  opboeken,  dat  zijn  eigen  be- 
noeming van  pastoor  te  Ouderkerk  te  danken  was  aan 
een  destijds  door  den  Nuntius  te  Brussel  gevolgden 
regel  „om  priesters,  die  langen  tijd  in  eene  geringe  en 
onaanzienlijke  Statie  hadden  gearbeid,  tot  eene  betere 
te  verheffen,  en  zoo  op  waardige  wijze  te  beloonen  voor 
hunne  priesterlijke  werkzaamheid"  ^).  Want  Spanbroek 
behoorde  tot  de  zeer  middelmatige  Staties,  waar  slechts 


1)  Arch.  V.   Utr.:  dl.  IV,  blz.    1 18. 

2)  Bijdr.  V.  ff.:  dl.  XXII,  44. 

3)  Arch.  V.    Utr.:  dl.  XIII,  blz.  322. 


lO/ 

296  communicanten  waren  ^),  terwijl  Ouderkerk  met 
hare  555  katholieken  onder  de  welvarende  Staties  ge- 
rekend werd  2). 

Ten  andere  had  pastoor  Van  den  Dorp  kunnen  op- 
teekenen,  wat  de  reden  geweest  is,  waarom  hij  den 
8en  April  1778,  den  2oen  Juni  1788  en  den  2oen  Augustus 
1789  van  de  Hoogmogende  Staten  van  Holland  verlof 
verkreeg  tot  admissie  van  een  kapelaan  3).  In  1798  stond 
hem  de  bekende  G.  A.  van  der  Lugt  als  kapelaan  ter 
zijde  •*^).  Nu  kunnen  wij  slechts  gissen  of  hij  soms  uit  lust 
tot  reizen  of  om  wille  zijner  zwakke  gezondheid  telkens 
jonge  krachten  in  de  geestelijke  bediening  van  noode  had. 

Ten  derde  —  zoo  vragen  wij  —  lag  in  het  beleg, 
dat  Ouderkerk  in  October  van  het  jaar  1787  van  de 
Pruisen  te  verduren  had,  niets  merkwaardigs  ter  op- 
teekening  opgesloten?  De  predikant  uit  die  dagen, 
Ds.  Dirk  Colenbrander,  deed  anders,  en  heeft  alles, 
wat  hem  in  die  troebele  week  ter  oore  kwam,  zeer 
zorgvuldig  opgeschreven  °). 

't  Is  inderdaad  verwonderlijk,  dat  het  katholieke  kerk- 
gebouw, een  kwartier  gaans  van  het  oorlogsterrein 
gelegen,  bij  het  algemeen  beleg  en  de  ongehoorde 
plundering  van  het  dorp  ongedeerd  is  gebleven,  tenzij 
het  aan  zijn  schamel  aanzien  van  hooihuis  en  verscholen 
l'ggi"g  op  „Vredebest"  moet  worden  toegeschreven. 
Tenminste  in  de  Hervormde  kerk  waren  de  stoelen 
weggeruimd  en  was  hooi  gespreid  om  het  regiment 
van  Hardebroek  onder  dak  te  brengen. 

Op    den    morgen    van    den    len  October  te  vijf  uren 


1)  Arc/i.  V.    Utr.:  dl    VIII,  blz.    133. 

2)  Arch.   V.    Utr.:  dl.   VIII,   blz.    130. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,  blz.  44. 

4)  Parochiaal  Archief. 

5)  De  Navorscher:  jg.  60,  blz.  244 — 2i. 


io8 

werd  Ouderkerk  uit  twee  richtingen  aangevallen,  uit 
den  kant  van  Abcoude  en  van  Uithoorn,  en  vlogen  ge- 
durende drie  uren  de  kogels  over  en  in  de  huizen  van 
het  dorp,  waarvan  nog  heden  ten  dage  de  zichtbare 
heugenis  bewaard  wordt  ^). 

Op  den  2en  October  trokken  de  Pruisen  Ouderkerk 
binnen,  waar  zij  denvolgenden  dag  aan  het  plunderen 
sloegen.  De  ledig-staande  huizen  werden  voor  woningen 
van  patriotten  gehouden  en  van  alles  wat  kostbaar  was 
of  scheen,  ontdaan.  In  de  kerkekamer  der  Ned.  Herv. 
kerk  werd  ingebroken  en  meer  dan  500  gulden  aan  de 
diaconie  ontstolen.  Bij  Piet  van  Muyden  en  bij  Faber, 
die  in  „de  Oude  Prins"  woonde  en  herberg  hield,  werd 
de  kelder  bemeesterd  en  beslag  gelegd  op  een  paar  oks- 
hoofden wijn "-).  Het  huis  van  den  Jood,  die  oranje 
gedragen  had,  werd  door  patriotten  geplunderd. 

Alle  groenten  en  vruchten  werden  uit  de  tuinen 
gekaapt;  geen  hoen  werd  in  het  leven  gelaten. 

Erger  nog  geschiedde  op  het  Israëlitisch-Portugeesch 
kerkhof,  waar  de  manschappen,  die  onder  luitenant 
de  Wilde  in  bezetting  lagen,  de  gruwelijke  misdaad 
begingen  van  een  sinds  enkele  dagen  ter  aarde  besteld 
vrouwelijk  lijk  in  baldadigen  hartstocht  op  te  graven 
en  te  onteeren  ^).  Alles  feiten  en  gebeurtenissen  om  een 
pastoor  met  eenigen  historischen  zin  naar  de  veder  te 
laten  grijpen  om  ze  op  te  teekenen  voor  de  na  hem 
komende  geslachten. 

En   ten    vierde    was    het  vermeldingswaardig,  dat  op 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXIV,  blz.  425—426. 

2)  Van  der  Loos,  J.  C:  De  buitenplaats,  Oostermeer,  C.  N.  Teulings, 
's-Hertogenbosch,   1910,  blz.   51,  noot  l. 

3)  D.  Henriques  de  Castro  Mz. :  Keur  van  Grafsteenen  op  de  Nederl. 
Portug.  Israël.  Begraafplaats  te  Ouderkerk  aan  den  Amstel,  Leiden,  1883, 
E.  J.  Bril,  blz.   12—13. 


I09 

den  igen  December  des  jaars  1800,  bij  gelegenheid  van 
het  geheel  ontruimen  van  den  Bataafschen  grond  door 
het  Engelsch-Russisch  leger,  te  Ouderkerk  eene  plechtige, 
openbare  redevoering  werd  gehouden,  die  —  wel 
teekenend  —  overvloeide  van  patriottischen  zin,  ver- 
draagzaamheid en  broederlijke  liefde  i). 

Pastoor  Hieronymus  van  den  Dorp  stierf  te  Amsterdam 
den  6en  December  1802  en  werd  den  11  en  December 
in  de  Engelsche  kerk  op  het  Begijnhof  begraven  2). 
Waarschijnlijk  was  hij  op  het  laatst  van  zijn  leven 
„rustend",  daar  zijn  bidprentje  meldt,  dat  hij  „voormaals" 
pastoor  was  in  de  Bullewijk. 

Op  zijn  levensgang  werd  het  gewijde  woord  toe- 
gepast uit  III  Kon.  III,  6:  „Hij  heeft  voor  uw  aan- 
gezicht in  trouw  en  gerechtigheid  en  met  een  oprecht 
hart  te  uwen  opzichte  gewandeld." 


Gerrit  of  Gerardus  Stadhouder,  die  op  Hieronymus 
van  den  Dorp  als  pastoor  volgde,  was  in  1744  te 
Maaslandsluis  geboren  uit  ouders,  van  wie  hij  in  een 
verzoekschrift  aan  Koning  Willem  I  getuigde  3),  dat 
„het  fortuin  hun  den  rug  had  gekeerd".  Spoedig  na  zijne 
priesterwijding  in  1768  werd  hij  benoemd  tot  kapelaan 
te  Amsterdam  in  den  Posthoorn  4).  In  1777  was  hij 
pastoor  te  Zijpe,  waar  zijn  eerste  doopeling  den  29en  Mei 
en  zijn  laatste  den  11  en  December  1786  in  het  doopboek 
staat  ingeschreven. 


1)  De  titel  van  het  geschrifije,  groot  47  blz.  luidt:  Redevoering  op 
hel  feest  van  den  igen  December  1799  uitgesproken  in  de  Gereformeerde 
Kerk  te  Ouderkerk  aan  den  Amstel  in  naam  van  het  uitvoerend  bewind 
der  Bataafsche  Republiek,  te  Amsterdam  bij  P.  E.  Briët,    1800. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XIX,  blz.  57, 

3)  Waarover  straks. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XIV,  bh.   187. 


Blijkens  eene  resolutie,  dateerend  van  den  /en  Februari 
1787  genomen  door  Burgemeesteren  van  Haarlem,  werd 
Gerardus  Stadhouder  toegelaten  als  pastoor  der  Statie 
Sint  Bavo  in  de  Achterstraat,  waar  hij  verbleef  tot  1802 
toen  zijne  benoeming  volgde  tot  pastoor  van  de  BuUewijk 
en  Ouderkerk  ^). 

Reeds  te  Haarlem  openbaarden  zich  de  eerste  ver- 
schijnselen der  jichtziekte,  waaraan  pastoor  Stadhouder 
zijn  verder  priesterlijk  leven  en  vooral  te  Ouderkerk 
zou  lijdende  blijven.  Naar  eigen  getuigenis  werd  hij 
„dependent  van  de  inschikkelijkheid  van  jonge  geeste- 
lijken ;  kon  niet  meer  uitgaan  en  moest  meestal  van 
het  bed  op  den  stoel  zijn  leven  doorbrengen."  Voordat 
in  181 1  het  doopboek  der  Statie  bij  den  burgerlijken 
stand  werd  ingeleverd,  zorgde  pastoor  Stadhouder  er 
voor,  dat  het  met  mooie  schrijfhand  werd  overgeschreven. 

Den  2  2en  October  18 18  des  namiddags  te  half  twee 
verbrandde  het  hooihuis,  waarin  de  katholieken  tot  nu 
toe  gekerkt  hadden.  Om  verschillende  redenen  werd 
toen  besloten  de  kerk  niet  meer  in  de  Bullewijk,  maar 
bij  de  kom  der  Gemeente  op  de  buitenplaats  „Overkerk", 
gelegen  aan  de  zoogenaamde  korte  brug,  op  te  bouwen. 
Dit  geschiedde  in  1821  ^).  Maar  heel  deze  geschiedenis 
met  al  de  daaraan  verbonden  nadere  bizonderheden 
werd  reeds  door  mij  in  deze  Bijdragen  uitvoerig  be- 
schreven •''). 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  V,  blz.  67;  id.  dl.  XII,  blz.  328;  id.  dl.  XXXIV, 
blz.   270. 

2)  Door  Van  der  Aa  in  zijn  Aardrijksktindig  Woordenboek,  i.v.  Overkerk 
verkeerdelijk  op  het  jaar   1828  gesteld. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXI V,  blz.  209 — 230.  Ter  aanvulling  even- 
wel het  volgende  bericht,  dat  mij  door  den  ijverigen  kapelaan 
L.  J.  van  der  Heyden  is  toegezonden  en  gevonden  werd  in :  De 
Katholieke,    1822,    II,    139:    »Pastoor    op  Schokland  te  Emmeloord  en 


Inmiddels  werd  pastoor  Stadhouder  die  „een  ziekelijke 
en  pijnlijke  grijsaard  van  bijna  80  jaren"  was  „rustend". 
Hij  bleef  in  de  Bullewijk  op  de  boerderij  „Kerklust"  ^) 
wonen,  waar  hij  ook  stierf  den  21  en  Juni   1821. 

Hoe  hier  inderdaad  door  den  dood  een  einde  werd 
gemaakt  aan  een  leven  vol  van  kommer  en  ellende  moge 
blijken  uit  onderstaand  smeekschrift,  dat  slechts  weinige 
maanden  voor  zijnen  dood  tot  Koning  Willem  I  werd 
opgezonden  -). 

Aan  Zijne  Majesteit  den  Koning  der 
Nederlanden  Prins  van  Oranje-Nassau, 
Hertog  van  Luxetnbiirg  enz.  enz.  enz. 

Geeft  met  verschuldigden  eerbied  te  kennen  Gerardus  Stadhouder 
roomsch-priester  en  Pastor  der  gemeente  van  Ouderkerk  in  de 
Bullewijk  woonachtig; 

dat  hij  Suppliant  geboren  is  in  den  jare  1744,  en  bijna  53  jaren 
werkelijk  priester;  dat  hij  zints  34  jaren  laboreert  aan  de  jigt 
dermaten,  dat  hij  nu  zcdert  jaren  niet  heeft  kunnen  gebruik  maken 
van  uitgaan,  maar  meestal  van  zijn  bed  op  een  stoel  zijn  pijnlijk 
leven  moet  doorbrengen  ;  dat  hij  Suppliant  pastor  geworden  zijnde, 
weldra  zich  genoodzaakt  en  verpligt  vondt  zijne  Ouders  te  onder- 
steunen, alzoo  het  fortuin  hun  den  rug  gekeert  had,  dit  gevoegt 
bij  de  kosten,  welke  hij  wegens  zijnen  ziekelijken  staat  heeft  moeten 


Ens  werd  J.  Bos,  die  eenigen  tijd  kapelaan  in  Holland  was  geweest, 
alwaar  hij  zich  bij  het  verbranden  der  Roomsche  kerk  in  de  Bullewijk 
bij  Ouderkerk,  in  het  redden  der  H.H.  Vaten  bijzonderlijk  moet  onder- 
scheiden hebben ;   hij  was  laatstelijk  kapelaan  te  Haarle  geweest." 

1)  Van  deze  boerderij,  die  sinds  onheugelijke  tijden  het  eigendom  is 
der  parochie  Ouderkerk,  ontbreken  de  eigendomspapieren.  Volgens 
zeggen  van  sommige  bejaarde  Ouderkerkers  zou  «Kerklust"  eerst  voor 
de  helft  en  later  in  haar  geheel  aan  de  parochie  zijn  geschonken. 
Blijkens  het  bestaande  Rekeningenboek  werd  zij  in  de  eerste  helft  der 
vorige  eeuw  geschat  op  eene  waarde  van  +  9000  gulden.  In  de  tweede 
helft  der  vorige  eeuw  steeg  de  waarde  der  landerijen  zoodanig,  dat  zij 
op    het   oogenblik  een  bedrag  vertegenwoordigt  van   +^  50.000  gulden. 

In  1907  werd  «Kerklust"  om  hare  bouwvalligheid  geheel  herbouwd 
voor  ruim  900c  gulden  door  P.   Alkemade  van  Duivendrecht. 

2)  Kerkarchief  Ouderkerk, 


maken,  is  nu  een  evident  gevolg,  dat  hij  nog  roerend  of  onroerend 
goed  bezit;  in  dezen  staat  heeft  hij  Suppliant,  niettegenstaande 
hij  zijn  Officie  niet  meer  kan  waarneemen,  en  gevolglijk  van  de 
inschikkelijkheid  van  jonge  geestelijken  dependent  is,  benoodigt 
iemand,  die  hem  dag  en  nagt  adsisteert;  dat  hij  ten  dezen  aanziene 
alsnog  heeft  eene  dienstbode,  welke  hem  zijne  nog  weinige  levens- 
dagen niet  verlaten  zal,  dan  dit  geluk  hem  geschiedende,  heeft 
hij  ook  noodig  middelen,  die  hem  daartoe  onontbeerlijk  zijn  ter 
onderhouding  van  dezelve;  eindelijk  rekent  hij  Suppliant  het 
overbodig  uitgezochte  woorden  te  bezigen  tot  het  schetzen  van 
zijne  allenzints  benarde  situatie,  het  zal  alléén  voldoende  zijn  in 
consideratie  te  neemen,  dat  hij  Suppliant  is  een  bijna  tachentig 
jarige,  ziekelijke  en  pijnlijke  grijsaart  zonder  middelen,  en  dien- 
volgends  bij  het  naderen  van  den  dood  meer  en  meer  afhankelijk 
zal  worden  van  andere,  en  dan  die  diensten  interoepen  zonder 
geld,  welk  een  akelig  verschiet  dit  oplevert  zal  geen  wezen  ontkennen. 
Redenen  waaromme  hij  Suppliant  is  te  rade  geworden  zich  te 
wenden  tot  Uwe  Majesteit,  gedienstig  verzoekende,  dat  het  Uwer 
Majesteits  goede  geliefte  zijn  moge,  hem  Suppliant  eene  somma 
jaarlijks  te  willen  toekennen,  waardoor  hij  zijne  weinige  levens- 
uuren met  behulp  van  iemand  zal  kunnen  doorbrengen,  en  dat 
Uwe  Majesteit  deze  somma  bepalende,  vooraf  toch  in  aanmerking 
zal  gelieven  te  neemen,  dat  deze  toereikend  zij,  hem  met  iemand, 
welke  alléén  dag  en  nagt  hem  kan  adsisteeren,  en  de  medicinale 
kosten  te  bestrijden,  te  doen  leven,  en  eindelijk  dat  hij  toch 
waarschijnlijk  weinigen  tijd  daarvan  zal  kunnen  gebruik  maken, 
daar  het  graf  hem  weldra  wagt. 

Hetwelk  doende  enz. 

Te  Ouderkerk  hangt  in  de  pastorie  ter  gedachtenis 
aan  pastoor  Stadhouder  eene  staalgravure  van  D.  Sluyter, 
gesierd,  naar  de  gewoonte  dier  dagen,  met  treurende 
geniussen,  graflamp,  zandlooper  en  gebroken  fakkel : 
alle  symbolen  van  dood  en  vergankelijkheid,  en  waar- 
tusschen  met  guirlandes  de  bekranste  beeltenis  prijkt 
van  den  gestorven  herder.  Het  onderschrift  luidt :  Ter 
nagedachtenis  van  de  Weleerivaarde  en  Zeergeleerde 
Heer  den  Heere  Gerardus  Stadhouder  oiid-pastoor  der 
R.  K.  Gemeente  van  de  Bidleivijk.  Omdat  heel  die  zinne- 
beeldige   omhaal    niets    bijzonder    katholieks  heeft,  zoo 


schreef  Mgr.   Graaft),  vindt  men  dezelfde  prenten  „tot 
nut  van  het  algemeen"  ook  voor  overledene  predikanten 

gebruikt. 

*      * 
* 

Joannes  Georgius  van  der  Aa,  die  blijkens  het  doop- 
boek den  I5en  April  182 1  pastoor  Stadhouder  in  de 
herderlijke  bediening  opvolgde  -),  was  te  Amsterdam 
den  Qen  December  1789  geboren  uit  welgestelde  ouders: 
Frederik  van  der  Aa  en  Elisabeth  Oudorp.  En  blijkens 
door  hem  in  1834  en  in  1849  gemaakte  kerkelijke  be- 
schikkingen had  hij  twee  ongehuwde  zusters:  Anna 
Catharina  en  Elisabeth  Sibilla,  en  eene  derde  Susanna, 
die  met  Gerrit  Rijnders  getrouwd  was.  Hij  was  den 
ijen  September  18 12  te  Munster  tot  priester  gewijd 
en  stond  van  den  aanvang  van  zijne  priesterwijding  af 
tot  in  het  begin  van  het  jaar  18 19  als  kapelaan  aan 
de  Statie  „de  Liefde"  te  Amsterdam.  Toen  volgde  zijne 
assistentie  bij  den  ouden,  hulpbehoevenden  pastoor 
Stadhouder,  wiens  kerk  den  22en  October  18 18  in 
vlammen  was  opgegaan,  en,  wien  hij  blijkbaar  in  belofte 
had  als  pastoor  te  zullen  opvolgen.  Inderdaad  was  zijne 
komst  te  Ouderkerk  eene  krachtige  hulp  voor  den 
hulpvragenden  herder,  en  kregen  aanstonds  de  bouw- 
plannen voor  eene  nieuwe  kerk  en  pastorie  meer  vasteren 
vorm  ^).    Den    26en   October    1820  werd  door  hem  van 


1)  Almanak  van  J.  A.  Alberdingk  Thijm  :  Volksuilgave,  No.  35,  blz.  77. 

2)  In  het  bisschoppelijk  Archief  staat  hij  reeds  in  1819  als  pastoor 
van  Ouderkerk  geboekt.  Hij  was  dat  blijkbaar  slechts  in  naam,  totdat 
pastoor  Stadhouder  jrustend"  werd.  Vandaar  dat  hij  eerst  den  isen  April 
1821  in  het  doopboek  schreef:  Sequentes  sunt  baptizati  dum  pastorali 
munere  fungebar,  J.  G.  van  der  Aa;  ook  vierde  hij  eerst  in  1846  het 
zilveren  feest  van  zijn  herderschap.  De  Godsdienstvriend:  dl.  LVII, 
blz.  306—307. 

3)  Dit  alles  werd  reeds  beschreven  in  de  Bijdragen:  dl.  XXXIV, 
blz.  213—230. 

8 


114 

den  nieuwen  bouw  de  eerste  steen  gelegd  ;  de  inzegening 
geschiedde  den  8en  September   1821. 

Op  kerk  en  pastorie  bleef  een,  voor  die  dagen  aan- 
merkelijke, schuldenlast  drukken  van  +  10.000  gulden, 
zoodat  pastoor  van  der  Aa,  vooral  in  den  beginne,  ge- 
noodzaakt was  uit  eigen  middelen  de  Statie  in  haren 
geldelijken  druk  bij  te  staan. 

In  1834  den  22en  Februari  kocht  hij  de  hofstede  „Werk 
en  Loon"  i),  en  werd  in  1836  voor  de  helft  eigenaar 
van  de  boerderij :  „Mijn  Lust"  ^),  beide  in  den  Ronden- 
Hoeper-polder  gelegen  onder  de  gemeente  Ouder-Amstel. 

In  1825  werd  door  pastoor  van  der  Aa  achter  de 
nieuw-gebouwde  kerk  een  katholiek  kerkhof  aangelegd, 
dat  den  loen  December  1825  in  gebruik  werd  genomen  3). 
Op  het  kerkhof  staat  in  een  houten  nis  een  Christusbeeld. 

Voor  de  kerkgeschiedenis  van  Amsterdam  is  het 
wellicht  van  belang  hier  te  vermelden,  dat,  blijkens  het 
opschrift  op  een  grafzerk,  te  Ouderkerk  begraven  werd : 
„Anna,  Helena,  Theresia  Spijker,  geb.  te  Lingen, 
Hannover,  Januarij  1794,  overl.  te  Amst^  9  Oct.  1839, 
stichteres  van  het  R.  C.  oude  Vrouwenhuis  Vredenburg, 
opgericht  te  Amstm  ie  Pinksterdag  22  Mei   1836." 

Den   I3en  September   1837  vierde  pastoor  van  der  Aa 


1)  Na  den  dood  van  pastoor  Van  der  Aa  werd  zij  den  ii^njan.  1858 
in  openbare  veiling  gekocht  voor  20.500  gulden  door  Hermanus  van  Tol ; 
den  316"  Oct.  1879  werd  zij  uit  de  hand  verkocht  aan  Piet  van  Tol 
voor  61.000  gulden,  en  later  ging  zij  in  eigendom  over  aan  zijn  zoon 
Kors  van  Tol. 

2)  Die  helft  werd  door  den  pastoor  uit  de  hand  gekocht  van  de 
Wed.  Lusing — Möller  voor  4750  gulden.  In  1858  na  den  dood  van 
pastoor  Van  der  Aa  werd  diens  aandeel  in  openbaren  verkoop  aan- 
gekocht voor  9150  gulden  door  Antonie  Hogenbosch,  die  toen  eigenaar 
werd  van  de  geheele  boerderij.  In  1872  den  3en  Juni  ging  zij  bij 
openbaren  verkoop  over  aan  Jan  Snel  Hz.  voor  23.000  gulden,  en  in 
1899  bij  onderhandsche  acte  aan  J.  Snel  Jz. 

3)  De  beukenhaag  om  het  kerkhof  werd  in    187 1   geplant. 


"5 

onder  algemeene  deelneming  zijner  parochianen  zijn 
zilveren  priesterfeest.  Bij  deze  gelegenheid  werd  uit 
vrijwillige  bijdragen,  als  blijvend  aandenken,  aan  de 
kerk  geschonken  een  zilveren  missaal-lezenaar.  Jan  van 
Galen  gaf  het  missaal  met  rood  fluweelen  band,  zilver 
beslag  en  dito  sloten ;  waarbij  Jan  Marsen  een  evangelie- 
boek voegde  met  twee  gouden  sloten. 

Nog  een  ander  aandenken  aan  dit  feest  maakt  deel  uit 
van  den  zilverschat  der  parochiekerk,  namelijk  een  ebben- 
hout-zilveren  index-staf  met  aanwijzend  handje  en  ring. 
Een  zilveren  strook  overlangs  aangebracht  geeft  te  lezen  : 
tU  VIqILans  InDeX  DICtare  preCes  JUbILantI  Van  Der  Aa  1837 

Gij,  wakkere  Index,  wijs  den  jubileerenden  Van  der 
Aa  de  gebeden  aan. 

Door  wien  het  voorwerp  geschonken  werd  bleef  mij 
onbekend  ^). 

Toen  in  1853  het  bisschoppelijk  bestuur  in  de  kerk 
van  Nederland  was  hersteld,  werd  Ouderkerk,  dat 
eertijds  behoord  had  tot  het  decanaat  Amstelland,  in 
September  1853  tot  hoofdplaats  van  een  nieuw  decanaat 
verheven    met    pastoor   van   der  Aa  tot  eersten  Deken. 


l)  Dit  eigenaardig  stukje  kerkgerei,  dat  verdiend  had,  in  Het 
Katholiek  Nederland  1813 — igij  (II,  blz.  11  o)  naast  den  «Staf  van 
den  ceremoniarius"  genoemd  te  worden,  behoorde  vóór  het  herstel  der 
Hiërarchie  tot  de  uitrusting  van  den  in  pluviali  gedosten  t>  Index" .  Oor- 
sprong en  gebruik  ervan  zouden  misschien  oudheidkundige  navorsching 
verdienen.  Toen  we  echter  onze  Bisschoppen  verworven  hadden  met 
hunnen  pontificalen  Presbyter  assistens,  werd  begrepen  dat  zulk  na- 
strevend vertoon  den  gewonen  celebrant  niet  paste,  en  verviel  het  onder- 
scheidingsteeken  met  den  drager.  Het  moet  echter,  zoo  ik  goed  ben 
ingelicht,  in  Limburg  nog  niet  geheel  buiten  gebruik  zijn.  Waarschijnlijk 
zal  het  sierstuk  nog  wel  in  enkele  Hollandsche  pastorieën  onder  het 
kerkzilver  gevonden  worden.  Het  Ouderkerksche  exemplaar,  naar  be- 
hooren  voorzien  van  het  breede  roodziiden  lint,  waarmee  het  aan  den 
arm  werd  vastgestrikt,  wordt  thans  bij  bruikleen  bewaard  in  het 
Bisschoppelijk  Museum  te  Haarlem.  J.  J.  G. 


ii6 

Tot  het  nieuwe  decanaat  werden  gevoegd  Bovenkerk, 
Buitenveldert,  Diemen,  Duivendrccht,  Kwakel,  Kudel- 
staart,  Nes  en  Swaluwebuurt,  Osdorp,  en  de  volgende 
drie  parochies  die  vóór  1853  tot  Utrecht  gerekend 
werden :  Muiden,  Nederhorst  den  Berg  en  Weesp.  In 
1862  werd  Osdorp  van  Ouderkerk  afgescheiden  en  tot 
het  decanaat  Haarlem  gevoegd. 

Eenige  jaren  later  den  4^^  Mei  1858  werd  de  parochie 
Ouderkerk  opgericht  en  tot  parochiaal  kerkbestuur 
benoemd  de  Heeren:  Jan  van  Galen,  Jan  Timmer, 
Symen  Zuidwijk  en  Gerrit  de  Wit.  Eene  nadere  om- 
schrijving der  grenzen  bleef  achterwege,  omdat  eerst 
door  eene  pauselijke  beslissing  de  grenzen  tusschen  het 
aartsbisdom  Utrecht  en  het  bisdom  Haarlem  moesten 
geregeld  worden.  Vandaar  dat  de  Bisschop  bepaalde, 
dat  „aan  de  parochie  Ouderkerk  als  grondgebied 
voorloopig  werd  toegewezen  de  geheele  uitgestrektheid, 
welke  tot  nu  toe  is  geacht  geweest  tot  de  R.  C.  Ge- 
meente voornoemd  te  behooren,  met  geheel  voorbehoud 
evenwel  aan  ons  om  bij  de  door  ons  nader  vast  te  stellen 
nauwkeurige  omschrijving  van  den  uitersten  omtrek  des 
parochialen  grondgebieds,  te  dezen  aanzien  die  wijzigingen 
en  veranderingen  te  maken,  welke  wij  oorbaar  mogten 
oordeelen."  Die  „voorloopige"  toestand  duurde  tot  den 
25en  Januari  1899  toen  door  Z.  H.  den  Paus  eene  be- 
slissing werd  genomen  omtrent  deze  grenzen.  Van  die 
beslissing  werd  bij  bisschoppelijk  besluit  van  den 
len  Maart  1899  aan  de  parochianen  kennis  gegeven, 
waarna  den  I2en  November  1901  de  grensregeling  der 
parochie  officieel  werd  vastgesteld,  als  volgt: 

De  grenslijn  begint  aan  den  Afsluitdijk  tusschen  Botshol  en  de 
Ronde  Vetten  tegenover  S.  Hubert,  waar  de  grenzen  samenvallen 
der  parochiën  Vinkeveen,  Nes  en  Ouderkerk.  Vandaar  gaat  de 
lijn  noordoostelijk  door  de  rietlanden  heen  recht  op  den  dijk  aan 


117 

van  den  polder  Nellestein,  welken  dijk  zij  een  eind  weegs  volgt, 
om  dan  de  poldersloot  te  nemen,  die  aan  de  oostzijde  het  dichtst 
langs  de  boerderij  Winkelhorn  loopt,  steekt  dan,  recht  noord- 
waarts, water  en  dijken  van  den  Winkel  over,  naar  de  molen- 
wetering  van  den  Holendrechterpolder  om  rechtuit  noordwaarts 
aan  te  loopen  op  de  breede  gracht  ten  oosten  van  Kievitsheuvel. 
Daarlangs  steekt  de  lijn  altijd  noordwaarts  de  Holendrecht  over 
en  loopt  ten  oosten  van  de  huisjes  gemerkt  D  94  en  95,  op  het 
zuidelijkste  punt  aan  van  de  Ziiidwetering  van  den  Bullewijker- 
polder,  volgt  deze  tot  aan  de  Oostwetering,  volgend  deze  Oost- 
wetering, over  het  punt  heen  waar  zij  den  ^;«5-/^/w^^  snijdt,  altijd 
noordwaarts  tot  aan  den  Noorderhoek  van  de  Zwetskade.  Van 
hier  gaat  de  lijn  westwaarts  over  de  dijksloot  heen  tot  aan  den 
Zivedweg  en  van  dit  punt  in  rechte  richting  noordwestwaarts  door 
de  veenderij  van  den  Bullewijkerpolder  naar  het  punt,  waar  de 
reeds  begonnen  ringdijk  van  dien  polder  de  Ouderkerkerlaan 
raakt  ten  noorden  van  de  woning   Veenlust. 

Van  dit  punt  steekt  de  lijn  rechtuit  noordwestelijk  den  Klein' 
Duivendrechtschen  polder  over  en  valt  in  den  molenvliet  achter 
de  watermolen  Strandvliet. 

Nu  blijft  de  lijn  dien  molentocht  volgen  tot  het  punt  hetwelk 
gelegen  is  in  het  verlengde  van  de  Kalfjeslaan,  naar  welke  heen 
de  lijn  den  Atnstel  oversteekt  ten  zuiden  van  de  boerderij  Klaren- 
beek,  welke  onder  S.  Willibrordus  buiten  de  veste  te  Amsterdam 
parochieert.  Midden  over  de  Kalfjeslaan  loopt  de  grenslijn  voort 
tot  het  punt,  waar  ter  rechterzijde  de  Wetering  naar  Amsterdam 
begint  te  loopen,  om  dan  links  door  de  slooten,  die  nagenoeg  op 
dezelfde  plaats  als  de  vroegere  Wetering  den  Middelpolder  door- 
loopen,  het  zuidelijke  eind  van  dien  polder  te  bereiken  op  den 
dijk  en  door  de  zuidelijke  rest  van  die  Wetering  op  het  Groote 
Loopveld  aan  te  komen. 

Van  deze  Wetering  af  volgt  de  lijn  oostwaarts  de  vaart  langs 
het  Groote  Loopveld  en  vervolgens  de  dijksloot  van  den  Boven- 
kerkerpolder  tot  aan  de  sloot  ten  zuiden  van  de  boerderij  Veldzicht, 
alwaar  de  lijn  oostwaarts  in  den  ^wj/^?/ valt  en  met  deze  zuidwaarts 
voortgaat  tot  aan  de  brug  bij  de  Zwarte  Kat.  Hier  gaat  de  lijn 
den  dijk  van  den  Rondehoeperpolder  over  en  valt  in  de  sloot 
tegenover  gezegde  brug.  Door  deze  sloot  komt  de  lijn  in  de 
Molenwetering  en  gaat  met  deze  in  zuidoostelijke  richting  door 
den  Rondehoeperpolder,  om  aan  diens  zuidelijken  dijk,  door  de 
sloot  ten  zuiden  van  het  voor?nalige  schoolgebowiu  in  de  Waver 
te  komen.  Hier  gaat  de  lijn  zuidwaarts  den  dijk  over  en  volgt 
een  eind  weegs  den  Afsluitdijk  tusschen  Botshol  en  de  Ronde 
Venen  tegenover  S.  H"ubert,  waar  de  grenslijn  begonnen  is. 


ii8 


Het  parochiaal  Armbestuur  werd  opgericht  den 
23en  Februari  1855  en  tot  eerste  armmeesters  werden 
benoemd  de  Heeren  :  Willem  Houweling,  Gerrit  Kleyn, 
Jan  Kort  en  Hannes  van  Nes. 

Over  het  afsterven  en  den  dood  van  pastoor  Van  der  Aa 
verhaalt  o.a.  de  Godsdienstvriend^): 

„Op  Zondag,  den  2oen  September  1857,  mogten  wij 
voor  't  laatst  nog  een  woord  van  troost  en  zaligheid 
uit  zijnen  mond  höoren.  Des  namiddags  verliet  hij  zijne 
gemeente,  want  hij  had  zich  voorgenomen  om  op  't  graf 
van  zijn  neef,  als  pastoor  te  Saasveld  overleden  2)  te 
gaan  bidden  en  eene  H.  Mis  aan  het  altaar,  waar  zijn 
eerwaardige  neef  zoo  dikwijls  geofferd  had,  tot  rust 
zijner  ziel  aan  God  op  te  dragen.  Onze  beminde  herder 
werd  onderweg  ongesteld  en  toch  volbragt  hij,  hoewel 
vol  smarten,  zijn  voornemen.  Ver  verwijderd  van  zijne 
kinderen  en  vrienden,  overviel  hem  een  zware  koorts. 
De  treurige  tijding  dier  ziekte  vervulde  ons  met  zulken 
angst,  dat  wij  reikhalzend  bleven  uitzien  naar  tijding  en 
onophoudelijk  gebeden  ten  hemel  werden  opgezonden 
tot  zijn  herstel.  God  wilde  echter  zijn  getrouwen  dienst- 
knecht, den  priester,  ja  wij  zeggen  het  vrijelijk,  den  man 
naar  Gods  hart,  beloonen  voor  zijne  diensten.  Onze 
eerw.  kapelaan,  de  eerw.  Heer  Preijer,  begaf  zich  on- 
verwijld naar  Borne  in  Overijssel,  waar  onze  herder  ziek 
lag,  en  daar  komende,  bevond  hij  hem  in  zulk  een 
gevaarlijken  toestand,  dat  hij  in  den  loop  der  week 
voorzien  werd  met  de  laatste  genademiddelen  der  H.  Kerk. 
Op  Zaterdag,  den  3en  October,  verhief  zich  de  koorts 
en  om  tien  ure  's  morgens  werd  de  toestand  des  zieken 
bedenkelijk.    Onophoudelijk    omringden    zijn  vriend,    de 


1)  Dl.  LXXIX,  blz.  250—252. 

2)  G.  van  der  Aa,  pastoor  te  Saasveld  van   1809  tot  20  April  1849. 
De  Godsdietistvriend:  dl.  LXII,  blz.  267. 


119 

eervv.  Heer  Preijer,  en  de  pastoor  van  Borne  met  zijn 
eerw.  kapelaan  en  de  eerw.  Heer  Ferier  ^)  den  geliefden 
herder,  en  baden  de  gebeden  der  stervenden,  totdat 
's  avonds  kwart  voor  vijf  ure  zijne  schoone  ziel  het 
tijdelijke  met  het  eeuwige  verwisselde.  Het  stoffelijk 
overschot  des  overledenen  werd  naar  Ouderkerk  vervoerd, 
waar  het  den  8en  October  des  morgens  ten  half  zeven 
ure  aankwam  en  terstond  ter  kerk  werd  gedragen,  waar 
den  geheelen  dag  en  nacht  tot  Vrijdagmorgen  onafge- 
broken zijne  gemeentenaren  bij  het  lijk  huns  geliefden 
herders  hunne  gebeden  voor  de  rust  zijner  ziel  kwamen 
storten.  De  Zeereerw.  pastoor  en  deken  van  's  Hage, 
J.  J.  Siegfried,  deed  de  uitvaartdienst  en  sprak  een 
woord  van  vrede  tot  ons,  waarin  hij  de  liefde  schetste, 
die  onze  beminde  herder  had  voor  God  en  voor  zijne 
kudde,  welke  hem  was  toevertrouwd,  maar  vooral  de 
liefde  tot  Gods  huis  en  de  armen.  Ja,  met  regt  was  hij 
hun  vader;  nederig  in  den  omgang  en  nooit  moede 
te  geven,  deed  hij  wel  aan  katholieken  en  hervormden. 
Moge  de  dierbare  herder,  de  vader  der  armen  en  de 
troost  der  bedrukten,  wiens  nagedachtenis  in  Ouderkerk's 
gemeente  zal  blijven  voortleven,  in  vrede  rusten." 


Van  Conradus  Leonardus  Rijp,  die  in  Februari  1858 
tot  pastoor  en  den  iien  Mei  1858  tot  Deken  benoemd 
werd  van  Ouderkerk,  werden  de  jaarcijfers,  waarbinnen 
dat  verdienstelijke  priesterleven  zich  bewogen  heeft,  in 
deze  Bijdragen  reeds  genoemd  en  besproken  2) ;  tevens 
werd    aan    den    man,    die  als  geleerde  onder  zijne  tijd- 


1)  Everardus  Ferier,  destijtls  theologaiU  en  parochiaan  van  Ouderkerk, 
werd  den  I5en  Aug.  1859  priester  gewijd.  De  Godsdienstvrietid: 
dl.  LXXXIII,  blz.  198. 

2)  Bijdr.   V.   H.\  dl.  XXXIV,  bh.  31-33. 


120 


genooten  uitmuntte,  door  eene  bespreking  zijner  op- 
stellen en  geschriften,  recht  gedaan  i).  Thans  rest  den 
pastoor  te  behandelen,  die  met  onbezweken  werkzaamheid 
en  onvolprezen  milddadigheid  te  Ouderkerk  eene  nieuwe 
pastorie  en  kerk  bouwde,  waardoor  het  godsdienstig 
leven  onder  de  katholieken  zich  eerst  recht  ontwikkelen 
kon.  En  dit  te  meer,  omdat  men,  geleerd  door  de 
ondervinding,  verwachten  zou,  dat  een  man  als  pastoor 
Rijp,  die  blijkens  zijne  geschriften  zich  zoo  vaak  terug- 
trok in  de  stilte  van  zijn  studeervertrek,  op  het  terrein 
van  breken  en  bouwen  zich  minder  gaarne  zoo  ooit  be- 
wegen zou.  En  toch  zijne  eerste  daad  te  Ouderkerk  bestond 
in  breken  en  herstellen  van  het  oude  en  bouwvallige 
pastoorshuis,  waaraan,  tegen  zijn  wil  en  bedoelen,  nog  veel 
geld  werd  ten  koste  gelegd  ^).  Want  het  plan  om  eene 
nieuwe  pastorie  te  bouwen  stonds  reeds  aanstonds  vast. 

En  zoo  kon  hij  in  het  najaar  van  1861  aan  zijne 
kerkmeesters  in  de  vergadering  van  19  November  mede- 
deelen,  dat  door  de  parochianen  in  den  loop  van  vier 
jaren  voor  de  nieuwe  pastorie  met  vrijwillige  giften 
eene  som  was  bijeengebracht  van  5000  gulden,  waaraan 
hij  uit  eigen  middelen  eveneens  5000  gulden  zou  toe- 
voegen. Met  den  bouw  der  nieuwe  pastorie  kon  dus 
begonnen  worden  ;  eerst  daarna  zou  aan  den  bouw  eener 
nieuwe  kerk  gedacht  worden,  omdat  de  oude  pastorie 
tot  noodkerk  moest  worden  ingericht. 

Aan  den  jeugdigen  en  veel-belovenden  architect 
Dr.  P.  J.  H.  Cuypers  werd  opgedragen  het  plan  te 
ontwerpen  eener  nieuwe  pastorie,  dat  evenwel  in  be- 
grooting de  20.000  gulden  niet  mocht  te  boven  gaan. 
Den    i6en   Maart    1862    werden    de  ontworpen  plannen 


1)  BtjWr.  V.  H.:  dl.  XXXIV,  blz.  34-48. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXIV,  blz.   56. 


121 


door  den  pastoor  zelf  ter  goedkeuring  aan  den  Bisschop 
aangeboden,  tegelijk  met  een  toelichtend  schrijven, 
waarvan  de  voorname  inhoud  was  als  volgt : 

Het  gebouw  thans  voor  pastorie  gebruikt,  is  zeer  oud,  en  bij 
vroegere  verplaatsing  van  het  kerkgebouw  slechts  zooveel  mogelijk 
voor  woning  van  den  pastoor  ingerigt,  doch  niet  geschikt  voor 
pastorie. 

Indien  het  gebouw  behoorlijk  zoude  moeten  ingerigt  en  veranderd 
worden,  zoude  dit  zeker  ook  wegens  ouderdom  vele  en  groote 
onkosten  veroorzaken. 

Dewijl  daarenboven  bij  eene  toekomstige  verbouwing  van  het 
kerkgebouw  de  verplaatsing  allernoodzakelijkst  is,  hebben  wij 
besloten  om  de  pastorie  volgens  een  nieuw  plan  op  te  bouwen, 
van  welk  plan  aan  Uwe  Doorl.  Hoogwaardigheid  de  teekeningen 
en  het  bestek  worden  toegezonden,  ten  einde  Uwe  goedkeuring 
daarop  te  ontvangen.  De  eerw.  Heer  Pastoor  en  Kerkmeesters 
hebben  aan  de  Gemeentenaren  vrijwillige  bijdragen  gevraagd  en 
hebben  het  genoegen  gehad,  dat  niemand  zich  aan  de  bijdragen 
heeft  onttrokken,  maar  allen,  al  is  het  een  gering  offer,  voor  den 
nieuwen  bouw  hebben  willen  geven. 

De  gezamentlijke  bijdragen,  van  welke  echter  te  verwachten  is, 
dat  zij  eerder  verhoogd  dan  verlaagd  zullen  worden,  indien  de  tijden 
eenigszins  gunstig  blijven,  beloopen  eene  som  van  lo  duizend  gulden. 

Ter  aanvulling  van  het  ontbrekende  komt  vooreerst  de  belofte 
van  den  pastoor,  die  voor  zijne  rekening  neemt,  wat  de  kosten 
meer  dan  20  mille  bedragen ;  vervolgens  ons  vertrouwen  op  Gods 
voorzienigheid,  want  het  is  alles  tot  Gods  eer,  wat  wij  ondernemen ; 
en  eindelijk  de  overtuiging  dat  de  overblijvende  schuldenlast,  al 
mogt  die  de  gcheele  som  van  10  duizend  gulden  bedragen,  niet 
te  zwaar  is  voor  de  Gemeente. 

Pastoor  Rijp  bemerkte  bij  zijne  mondelinge  toelichting 
al  aanstonds,  dat,  naar  het  oordeel  van  den  bisschop, 
eene  dorps-pastorie,  die,  begroot  op  20.000  gulden,  met 
noodzakelijke  bijkomende  en  onvoorziene  uitgaven,  tot 
25.000  gulden  zou  stijgen  „te  grootsch  en  te  duur"  was, 
zoodat  hem  in  overweging  werd  gegeven  voor  den 
nieuwen  bouw  geen  hooger  bedrag  dan  15.000  gulden 
uit  te  trekken.  En  wat  de  bisschop  mondeling  zeide, 
bevestigde  hij  schriftelijk  den  26en  April   1862. 


122 


Terstond  werd  den  architect  door  het  kerkbestuur 
in  opdracht  gegeven  een  nieuw  ontwerp  te  vervaardigen, 
dat  in  begrooting  de  14.000  gulden  niet  zou  te  boven  gaan. 

De  Heer  Cuypers  gaf  daaraan  gehoor :  doch  toen 
den  29en  Augustus  1862  zijne  nieuw-ontworpen  plannen 
ter  uitvoering  in  het  openbaar  werden  aanbesteed,  vroeg 
de  laagste  inschrijver  20.000  gulden,  zoodat  aan  geen 
gunning  kon  gedacht  worden.  Er  werd  door  het  kerk- 
bestuur besloten  voor  de  derde  maal  een  nog  eenvoudiger 
ontwerp  bij  den  architect  aan  te  vragen  en  dan  opnieuw 
tot  eene  openbare  aanbesteding  over  te  gaan. 

Intusschen  had  de  Heer  W.  van  Bakel  te  Amsterdam, 
de  toekomstige  opzichter  van  den  Heer  Cuypers,  op 
last  van  den  architect  bij  het  kerkbestuur  een  gewijzigd 
plan  ingediend,  dat,  naar  hij  schreef,  door  zijn  vader, 
den  Heer  H.  van  Bakel,  voor  de  som  van  16.379  gulden 
zou  worden  uitgevoerd.  Na  alles  in  bijzijn  van  den 
architect  gewikt  en  gewogen  te  hebben,  ging  het  kerk- 
bestuur op  het  voorstel  in,  en  werd  den  28en  September 
bij  contractueele  overeenkomst  den  Heer  H.  van  Bakel 
opgedragen  voor  de  som  van  15.500  gulden  naar  de 
gewijzigde  plannen  de  nieuwe  pastorie  op  te  bouwen. 
Den  4en  October  1862  werd  van  Burgemeester  en 
Wethouders  der  gemeente  Ouder-Amstel  vergunning 
verkregen  om  den  nieuwen  bouw  te  mogen  aanvangen. 

Onder  allerlei  minder  aangename  lotgevallen  heeft  de 
opbouw  der  pastorie  plaats  gehad.  De  aannemer  bleek 
voor  zijne  taak  niet  berekend,  en  zijn  zoon,  de  opzichter, 
liet  zich  aan  het  werk  weinig  gelegen  liggen.  Er  werd 
te  veel  gebouwd  op  goed  vertrouwen,  waardoor  bij  de 
aflevering  de  grootste  onaangenaamheden  zich  voordeden. 
Bovendien  werd  door  den  aannemer  voor  bijwerk  eene 
rekening  ingeleverd  van  2100  gulden,  waarvan  hij  zich 
ten    slotte    met  474  gulden  tevreden  stelde  en  beloofde 


123 

van  alle  verdere  eischen  of  gemeende  rechten  te  zullen 
afzien.  Den  i6en  Juni  1864  werd  de  nieuwe  pastorie  in 
gebruik  genomen  ^). 

In  den  gevelmuur  aan  de  voorzijde  staat  het  beeld 
van  den  goeden  Herder,  waaronder  op  een  gedenksteen, 
ontworpen  door  den  architect  Cuypers,  gebeiteld  staat ") : 

-f-  In.  honorem.  S.  S.  &.  Indiv. 
Trinitatis.  &.  sub.  inv :  B.  lm. 
V.  Mariae.  h.  domum.  paröc. 
aedif.  cur.  A°.   Dmni.  nostri. 
Jes.  Chr.  MDCCCLXIII. 

C.  L.  Rijp.  paroch.  &.  decan. 
J.  Timmer.  G.  de.  Wit.  \    > 

D.  Voordewind.  &.  >    o^ 
P.  Kooyman.                     )    B. 

Met  onverstoorbare  voortvarendheid  zette  het  kerk- 
bestuur, ondanks  de  meermalen  bij  den  bouw  der  pastorie 
ondervonden  moeilijkheden,  zijne  bouwplannen  voort, 
en  werden  reeds  in  Augustus  1863  voorbereidende  be- 
sprekingen gehouden  met  den  Heer  Cuypers  omtrent 
den  bouw  der  nieuwe  kerk.  In  Februari  1864  waren 
de  plannen  zoover  gevorderd,  dat  bestek  en  teekeningcn 
aan  het  kerkbestuur  ter  beoordeeling  en  goedkeuring 
werden  overgelegd.  Maar  ook  toen  waren  nog  ver- 
anderingen en  wijzigingen  noodzakelijk,  zoodat  eerst  in 
September    1864    aan    zijne    Majesteit,    den  Koning,  en 


1)  De  boomgaard  dateert   van    1868,   de   Engelsche  tuin   van    1871. 

2)  Ter  eere  van  de  allerheiligste  en  ondeelbare  Drievuldigheid  en 
onder  aanroeping  van  de  allerzaligste  en  onbevlekte  Moeder-Maagd  is 
deze  pastorie  in  den  loop  van  het  jaar  onzes  Heeren  Tesus  Christus 
1863  gebouwd  geworden. 

C.  L.  Rijp,  pastoor  en  deken. 

J.  Timmer,   G.   de   Wit,   D.  Voordewind  en  P.  Kooyman,  kerkmeesters. 


124 

aan  Z.  D.  H.  den  Bisschop  goedkeuring  en  machtiging 
voor  den  nieuwen  bouw  kon  worden  aangevraagd,  en 
wel  aan  Z.  M.  den  Koning  als  volgt : 

Aangezien  de  thans  in  gebruik  zijnde  parochie-kerk  dringende 
en  kostbare  herstellingen  begint  te  vorderen,  welke  herstellingen 
groote  uitgaven  zouden  vereischen  zonder  dat  de  Gemeente  daar- 
door eenigszins  gebaat  werd,  en  vooral  zonder  dat  radicale  ge- 
breken geheel  verwijderd  zouden  kunnen  worden,  zoodat  een 
vernieuwde  bouw  altijd  in  uitzigt  bleef:  zoo  heeft  het  kerk- 
bestuur na  rijp  beraad  besloten  liever  nu  reeds  tot  het  bouwen 
eener  nieuwe  parochie-kerk,  welke  èn  in  omvang  èn  in  uitvoering 
beter  aan  de  behoeften  der  Gemeente  en  aan  de  eischen  der  eere- 
dienst  zoude  kunnen  beantwoorden,  over  te  gaan. 

Het  kerkbestuur  meent  diensvolgens  aan  de  goedkeuring  Uwer 
Majesteit  te  mogen  onderwerpen  de  hierbij  gevoegde  acht  stuks 
teekeningen,  met  bestek  en  begrooting  van  onkosten  eener  nieuwe 
parochie-kerk,  ontworpen  door  den  architect  P.  J.  H.  Cuypers  te 
Roermond.  Het  verzoekt  eerbiedig  aan  Uwe  Majesteit  op  hetzelfde 
terrein,  waar  thans  de  parochiekerk  gevestigd  is,  dit  grootsche 
werk  te  mogen  aanvangen  en  voltooijen,  zonder  daartoe  aanspraak 
te  maken  op  eenig  subsidie  van  rijkswege. 

Tevens  meent  het  kerkbestuur  ter  kennis  van  Uwe  Majesteit  te 
moeten  brengen,  dat  het  vooreerst  over  eene  niet  grootere  som 
dan  van  omstreeks  60.000  gulden  zal  kunnen  beschikken,  dus  ook 
niet  voornemens  is  meer  te  besteden,  zoodat  het  ontworpen  plan, 
waarvan  de  raming  bedraagt  omtrent  84.000  gulden  met  toren  en 
64.000  gulden  zonder  toren  vooreerst  slechts  gedeeltelijk  zal  kunnen 
worden  uitgevoerd,  en  het  kerkbestuur  op  betere  omstandigheden 
of  op  eenige  milde  gevers  zal  moeten  wachten,  om  het  plan  geheel 
uit  te  voeren. 

Aan  den  bisschop  van  Haarlem,  Mons.  Wilmer,  werd 
geschreven : 

Eindelijk  verheugt  zich  het  kerkbestuur  van  den  H.  Urbanus 
te  Ouderkerk  aan  den  Amstel  aan  de  goedkeuring  van  Uwe  Hoog- 
waardigheid te  mogen  onderwerpen  de  acht  stuks  teekeningen 
eener  nieuwe  parochiekerk. 

De  behoefte  aan  eene  nieuwe  parochiekerk  hebben  wij  Uwe 
Hoogwaardigheid  niet  nader  te  verklaren.  Vele  en  groote  uitgaven 
aan  de  thans  bestaande  kerk  te  doen,  oordeelden  wij  niet  raad- 
zaam, dewijl  zij  voor  de  Gemeente  zonder  nut  zouden  zijn.  Hoe 
groot    de    zwarigheden    ook   mogen    zijn,  wij  hebben  de  voorkeur 


125 

gegeven  aan  het  bouwen  eener  nieuwe  kerk.  Het  plan  is  ontworpen 
met  het  oog  op  de  behoefte  der  Gemeente  en  de  waardigheid, 
welke  aan  het  huis  des  Heeren  past. 

In  de  laatste  40  jaren  is  de  Gemeente  van  500  op  720  com- 
municanten geklommen  '),  en  het  vooruitzigt  wijst  eer  vermeerdering 
dan  vermindering  aan.  Wij  gelooven  dat  de  nu  gekozene  ruimte 
geene  vermeerdering  behoeft  te  doen  vreezen.  Ook  voor  de  waardig- 
heid van  Gods  huis  is  onzes  inziens  gezorgd;  terwijl  wij  hopen, 
dat  het  plan  in  zich  bevat  alles,  wat  volgens  de  liturgische  regelen 
in  een  kerkgebouw  gevorderd  wordt. 

Ons  grootste  bezwaar  is  de  hooge  som  der  begrooting:  84  mille, 
eene  uitgave,  welke  onze  krachten  te  boven  gaat,  tenzij  buiten- 
gewone milde  gevers  ons  van  Gods  goedheid  geschonken  worden. 
Ons  voornemen  was  van  dit  plan  zooveel  uit  te  voeren  als  onze 
middelen  gedoogen. 

Wij  vragen  bij  deze  ter  uitvoering  van  deze  plannen  de  goed- 
keuring en  magtiging  van  Uwe  Hoogwaardigheid,  tevens  verzoeken 
wij  de  noodige  magtiging  om  den  paardenstal  te  verplaatsen,  de 
tegenwoordige  kerk  met  hetgeen  niet  meer  dienstig  mogt  wezen 
voor  afbraak  te  verkoopen  en  verders  voor  alles  wat  noodig  mogt 
bevonden  worden  om  bovengemelde  plannen  tot  voltooijng  te 
brengen. 

Tot  hulpkerk  wenschten  wij  in  te  rigten  de  oude  pastorie. 

Verders  onderwerpen  wij  ons  aan  al  hetgeen  Uwe  Hoogwaardig- 
heid in  dezen  raadzaam  mogt  oordeelen. 

Op  beider  aanvragen  werd  zonder  bezwaar  goed- 
gunstige toestemming  verleend :  door  den  Bisschop  den 
26en  October  1864,  door  den  Koning  den  21  en  Januari 
1865.  Aan  het  gemeente-bestuur  van  Ouder- Amstel 
werd  den  len  Maart  1865  van  den  voorgenomen  bouw 
kennis  gegeven.  Den  2en  April  1865  deed  de  oude 
pastorie  voor  het  eerst  als  hulpkerk  dienst. 

Waarom  deze  inderdaad  „grootsche"  bouw  niet  in 
het  openbaar  door  het  kerkbestuur  werd  aanbesteed, 
blijkt  niet  uit  het  kerkarchief;  alleen  deelen  de  notulen 


i)  A.  J.  van  der  Aa  heeft  zich  in  zijn  Aardrijkskundig  Woordenboek 
ook  blijkbaar  hier  vergist,  toen  hij  in  1840  onder  het  woord.  Bulleuüjk 
vertelde  »dat  in  die  buurt  eene  R.C.  Statie  is,  die  335  communicanten  telt". 
Noch  het  een  noch  het  ander  was  waar. 


126 


van  de  op  den  5en  Juli  1865  gehouden  kerkvergadering 
mede,  dat  besloten  werd  de  fundeering  der  kerk  tot  den 
vloer  met  bijbehoorende  werken  voor  eigen  rekening 
uit  te  voeren  onder  toezicht  van  W.  Houweling,  timmer- 
man te  Ouderkerk  aan  den  Amstel.  En  later  is  de 
geheele  bouw  der  kerk  aan  het  toezicht  van  W.  Houweling 
en  van  J.  J.  Langelaar  als  dagelijkschen  opzichter  toe- 
vertrouwd :  zoodat  de  geheele  kerk  voor  rekening  van 
het  kerkbestuur  werd  opgebouwd. 

Den  23^"  Augustus  1865  werd  door  pastoor  Rijp  op 
plechtige  wijze  de  eerste  steen  der  kerk  gelegd.  Omtrent 
het  verloop  dezer  plechtigheid  teekende  pastoor  Rijp  aan  : 

„Nadat  gisteren  de  laatste  paal  van  de  kerk  geslagen 
was,  is  heden,  Woensdag  23  Augustus,  de  eerste  steen 
gezegend  en  gelegd  door  den  pastoor,  daarmede  belast 
door  Zijne  Doorl.  Hoogwaardigheid,  den  Bisschop.  De 
plegtigheid  begon  ten  1 1  uren  met  Veni  Creator,  ver- 
volgens preek  en  daarna  wijding  van  het  water,  alles 
in  de  kerk.  Er  waren  vele  eerwaarde  heeren  geestelijken 
bij  tegenwoordig  in  superplie ;  ook  vele  protestanten 
waren  in  de  kerk  en  bij  de  plegtigheid.  Bij  het  leggen 
van  den  eersten  steen  werd  de  pastoor  geassisteerd 
door  W.  Houweling,  die  belast  was  met  het  uitvoeren 
van  de  fundeeringwerken.  De  architect  Cuypers  was 
niet  aanwezig.  De  eerste  steen  is  gelegd  op  den  hoek, 
waar  koor  en  kapel  zich  vereenigen  ter  regterzijde,  en 
werd  op  een  haartje  gedragen  door  Kees  Kooyman, 
Jaap  Kleyn  Gz.,  Dirk  Voordewind  en  Klaas  Timmer, 
aan  wie  deze  eer  te  beurt  viel,  door  dat  zij  zich  belast 
hadden    met   het   ophalen    der  wekelijksche  bijdragen." 

Den  igen  Juli  1865,  toen  bijna  een  geheel  jaar  aan 
den  opbouw  der  kerk  was  gearbeid,  ontving  het  kerk- 
bestuur, van  den  luitenant-kolonel  Andreae  namens  de 
genie  een  schijven,  waarin  werd  medegedeeld,  dat  voor 


127 

den  bouw  der  kerk,  als  gelegen  binnen  den  verboden 
kring,  toestemming  van  den  Minister  van  Oorlog  moest 
worden  aangevraagd,  en  dat  de  verdere  afbouw  der 
kerk  moest  worden  gestaakt. 

Het  kerkbestuur  had  alle  reden  zich  over  dat  ambtelijk 
schrijven  te  verbazen,  daar  nog  slechts  enkele  jaren 
geleden  binnen  den  bedoelden  verboden  kring  eene 
nieuwe  pastorie  was  gebouwd,  zonder  dat  het  departement 
van  Oorlog  iets  van  zich  had  doen  hooren.  Het  meende 
derhalve  niet  beter  te  kunnen  doen  dan  zich  rechtstreeks 
tot  den  Koning  te  wenden  „met  nederig  verzoek  dat 
het  Zijne  Majesteit  moge  behagen  ons  de  noodige  ver- 
gunning tot  den  bouw  der  kerk,  als  zijnde  een  werk 
van  algemeen  belang,  te  willen  verkenen." 

Op  dit  schrijven  van  den  S^^  September  1866  werd 
reeds  den  22en  September  van  den  Koning  toestemmend 
antwoord  ontvangen  „overwegende  dat  het  bedoelde 
kerkgebouw  moest  geacht  worden  te  behooren  tot  de 
voorwerpen,    die    in    het  algemeen  belang  noodig  zijn." 

Over  andere  gebeurtenissen  van  eenige  beteekenis 
gedurende  den  bouw  voorgevallen,  staat  in  het  kerk- 
archief geen  melding  gemaakt:  alleen  blijkt  dat  pastoor 
Rijp,  die  voor  den  opbouw  der  kerk  eene  bijdrage 
schonk  van  25.000  gulden,  ook  de  kosten  voor  den 
torenbouw  +  15.000  gulden  gedragen  heeft.  Maar 
deze  laatste  som  onder  voorwaarde,  dat  de  kerkmeesters 
zoolang  jaarlijks  zouden  rondgaan  onder  de  parochianen, 
totdat  er  een  fonds  voor  eene  zekere  fundatie  zou  ge- 
sticht zijn. 

Door  pastoor  Rijp  en  W,  Hbuweling  werd  aan  den 
loodgieter  Kroone  te  Ouderkerk  „om  iemand  uit  de 
gemeente  te  begunstigen"  opgedragen  het  dak  der  kerk 
met  leien  te  beleggen.  Maar,  jammer  genoeg,  voor  die 
taak  was  Kroone  niet  berekend :  zoodat  bereids  bij  den 


128 

eersten  storm  in  Februari  1868  door  de  snijding  langs 
den  toren  aan  den  noordkant  vele  leien  van  de  kerk 
vlogen;  reeds  in  November  1869  werd  het  dak  aan 
die  zijde  vernieuwd  i).  In  Juni  1871  moest  de  toren 
opnieuw  worden  gedekt  en  in  Juli  1873  het  geheele 
dak  aan  de  zuidzijde  -) :  zoodat,  behalve  de  sacristie,  de 
geheele  kerk  is  herdekt  geworden.  De  uitvoering  van 
dezen  vernieuwden  arbeid  werd  opgedragen  aan  den 
leidekker  Peters  te  Uithoorn.  De  kosten  der  kerk  hebben 
blijkens  de  definitieve  afrekening  een  bedrag  beloopen 
van  ƒ90.418.72. 

Aan  den  bouw  van  het  zoogenaamde  Armenkantoor 
is  men  begonnen  den  i7en  September  1867;  het  was 
voltooid   den    2en   Maart    1868    en    kostte   1650  gulden. 

Op  den  I2en  Augustus  1867  werd  de  nieuwe  kerk 
door  Mgr.  G.  P.  Wilmer  geconsacreerd  ^).  Van  deze 
plechtigheid  staat  niets  anders  opgeteekend  in  het  kerk- 
archief, dan  dat  zij  geschiedde  „onder  veel  belangstelling, 
ook  van  de  zijde  der  protestanten"  ^). 

Op  een  hardsteenen  gedenksteen  (hoogte  80  c.M., 
breedte    i    M.    39    c.M.),    gevat  in  eene  omlijsting  van 


i)  Een  andere  storm  op  het  einde  van  1869  deed  ook  een  dijkbreuk 
ontstaan  over  «de  Voetangel",  waardoor  de  drooggemaakte  Bullewijker- 
polder  weder  geheel  onderliep.  In  allerijl  moesten  de  bewoners  vluchten, 
doch  konden  hun  vee  en  hun  huisraad  nog  redden. 

De  plaats  waar  het  Angstel-water  met  reuzengeweld  den  polder  inviel, 
is  nog  heden  aan  het  in  den  bodem  gevormde  wiel  te  erkennen. 

2)  Bij  die  gelegenheid  werd  ook  het  dak  der  pastorie  beschoten  en 
in  de  plaats  van  pannen,  die  den  regen  niet  tegenhielden,  gedekt  met 
de  nog  goede  leien  der  kerk. 

3)  Bijdr.   V.  H.:  dl.  XXI,  blz.  319. 

4)  Op  den  treurigen  herinneringsdag  van  i  April  1872  had  men  het 
van  protestantsche  zijde  gemunt  op  kerk  en  pastorie.  Op  den  avond 
van  2  April  was  daar  groote  oploop  van  volk.  Vele  katholieke  mannen 
en  jongelingen  schaarden  zich  om  de  kerk  en  wachtten  de  protestanten 
af,  die  reeds  den  geheelen  dag  met  baldadige  oogmerken  hadden  samen- 
geschoold.  Gelukkig  is  het  bij  het  uitdeden  van  enkele  klappen  gebleven. 


129 

zandsteen,  aangebracht  onder  den  toren  in  een  zij-ingang 
der  kerk,  staat  met  gouden  gothische  letters  in  het 
Latijn  en  in  het  Nederlandsch  ter  eeuwige  herinnering 
gebeiteld : 

In    honorem    S,  mae  et  indi-  Ter    eere   der  AUerh.  en  on- 

viduae  Trinitatis  sub  invocati-  deelbare  Drieëenheid,  onder  aan- 
one  beatae  immaculatae  virginis  roeping  der  AUerzal.  en  Onbevl. 
Mariae  et  S.  Urbani  Pap.  et  Maagd  Maria  en  van  den  H. 
Mart.  patron.  haec  ecclesia  ex  Urbanus  Paus  en  Mart.  Patroon, 
munificentia  curiatum  aedificata  is  deze  kerk  van  de  milde  giften 
est.  A"  Dom.  der  Parochianen  gesticht  in  de 

jaren  O.  H. 
MDCCCLXV.  XVI.  XVII. 
C.  L.    Rijp,   Deken  en  Pastoor.       P.  J.  H.  Cuypers,  Architect. 
J.  Timmer,  G.  de  Wit,        \^z       W.  Houweling,  opzigter. 
P.Kooyman,D.Voordewind  ?j|s       J.  J.  Langelaar,  dag.  opzigter. 

Waarlijk  eene  dagelijks  zich  tot  de  kerkgangers 
herhalende  vermaning  om  de  wakkere  mannen  onder 
wier  bestuur  en  beleid  deze  tempel  gesticht  werd, 
dankbaar  in  hunne  gebeden  te  gedenken. 

Het  kerkgebouw  zelf  „is  uit-  en  inwendig  een  sobere 
baksteenbouw  ^),  zonder  toepassing  van  profielsteen  en 
met  een  spaarzame  aanwending  van  groefsteen,  geheel 
in  de  strakke  vormen  der  vroeg-gothiek. 

Het  plan  laat  zich  beschrijven  als  dat  eener  kruis- 
kerk, met  een  driebeukig,  vier  traveeën  diep,  schip, 
een  buiten  de  zijbeuken  reikend  dwarspand  en  een 
priesterchoor,  gevormd  van  eene,  met  bogen  aan  recht- 
hoekige zijkapellen  verbonden,  travee,  door  zeven  zijden 
van  een  twaalfhoek  gesloten. 

De  westelijke  travee  van  het  middenschip  is  ingericht 


l)  £>e  Katholieke  kerken  in  Nederland,  dat  is  de  tegenwoordige  staat 
dier  kerken  met  hare  meubeling  en  versiering  beschreven  en  afgebeeld. 
Uitgegeven  onder  leiding  van  Dr.  F,  J.  H.  Cuypers.  Tekst  door  Jan  Kalf, 
bij  van  Holkema  en  Warendorf,  Amsterdam  1906,  afl.  13,^2.310—311. 


I30 

tot  portaal,  waarboven  de  tribune  voor  het  zangkoor 
en  die  van  de  zuidelijke  zijbeuk  doet  dienst  als  doop- 
kapel. Blijft  er  dus  voor  de  kerkbezoekers  slechts  een 
drie  traveeën  diep  schip  beschikbaar,  de  zandsteenen 
bundelpijlers,  welke  de  beuken  scheiden,  zijn  wijd  uit 
elkander  gezet,  zoodat  in  schip  en  transept  toch  ruimte 
wordt  gevonden  voor  500  zitplaatsen.  Op  hunne,  met 
vroeg-Gothisch  bladwerk  versierde,  kapiteelen,  dragen 
deze  pijlers  rechthoekige  diensten,  waarop  de  karbeelen 
rusten,  die  de  schinkels  dragen  van  het  spitsbogig  houten 
tongewelf,  dat  de  middenbeuk  overspant.  Profiel-  en 
kleursteen  werden  in  den  bouwtijd  van  deze  kerk  nog 
niet  toegepast,  de  opgaande  wanden  zijn  dus  uitgevoerd 
in  grijs-roode  klinkers  en  vertoonen  allen  de  sobere 
versiering  van  door  zandsteen  colonnetjes  gescheiden 
spaarnisjes,  bij  wijze  van  triforium,  aangebracht  onder 
de  rij  van  telkens  twee  paar  gekoppelde  vensters,  met 
rondlichten  er  boven,  die  in  elk  middenschipstravee  het 
licht  binnenvoeren,  gelijk  telkens  twee  kleine  spitsboog- 
vensters het  doen  in  de  lage  zijbeuken,  die,  evenals 
choor  en  zijkapellen,  met  gemetselde  kruisgewelven  zijn 
overdekt." 

En  nu  heeft  het  ons  inderdaad  getroffen,  hoe  de 
katholieken  van  Ouderkerk,  die  zoo  juist  voor  den 
bouw  ruim  hadden  bijgedragen,  bereid  werden  gevonden 
om  opnieuw  met  milddadige  giften  het  kerkgebouw  van 
binnen  op  te  sieren.  Maar  de  herder  zelf,  pastoor  Rijp, 
ging  voor :  de  parochianen  volgden  gemakkelijk. 

Zoo  schonk  de  pastoor  aan  de  kerk:  het  hoofdaltaar; 
de  marmeren  vloeren  in  het  priesterkoor;  het  van  edel- 
gesteenten flikkerend  kruis  op  de  ciborie.  Uit  bijdragen 
van  parochianen  werden  in  1867  bij  Petit  en  Fritsen 
te  Aarle-Rixel  de  klokken  aangekocht.  De  grootste 
klok    weegt    1758    pond;  de  middelste  893,  de  kleinste 


131 

—    een   geschenk   van    Hermanus    van    Tol    en  Clasina 
Zwetsloot  —  541  pond. 

Zij  geven  als  toon :  F.  A.  C. 

De  groote  klok  „Salvator"  genaamd  draagt  tot  rand- 
schrift:  „Komt  allen  tot  mij". 

De  middelste  „Maria"  geheeten  voert  tot  spreuk : 
„Ik  bemin  die  mij  beminnen". 

De  derde,  toegewijd  aan  St.  Josef,  den  maagdelijken 
echtgenoot  van  Maria,  draagt  de  namen  der  schenkers. 
Op  alle  de  drie  klokken  staan  bovendien  ook  de  namen 
der  gieters. 

Van  1878  dagteekent  de  vierde  klok  in  den  dakruiter 
of  het  transept-torentje.  Zij  weegt  169  pond;  werd 
eveneens  gegoten  door  Petit  en  Fritsen  en  is  toegewijd 
aan  den  H.  Donatus,  den  patroon  tegen  brand  en  onweer. 
Zij  heeft  den  octaaf-toon  en  stemt  derhalve  met  de  drie 
andere  klokken  heel  goed  samen.  In  haar  randschrift 
noodigt  zij  de  geloovigen  uit  tot  aanbidding  van  het 
H.  Sacrament:  „Venite  adoremus".  Zij  is  een  geschenk 
van  Anna  de  Lange.  Op  den  len  Augustus  1879  werd 
de  toren  der  kerk  verrijkt  met  een  uurwerk. 

Door  de  jonge  dochters  der  parochie  werd  in  1867 
het  Maria-altaar  gegeven  ;  de  Wed.  Benekamp  te  Amster- 
dam schonk  het  Lieve  Vrouwebeeld.  De  jongelingen 
der  parochie  gaven  de  gelden  voor  een  H.  Kruis-altaar. 
Het  lag  namelijk  in  het  plan  van  pastoor  Rijp  om  een 
der  zij-altaren  aan  het  H.  Kruis  des  Heeren  toe  te 
wijden,  omdat  ook  de  vroegere  parochie-kerk  in  de 
middeleeuwen  een  Kruis-altaar  bezeten  had.  De  teekening 
werd  gemaakt  en  men  wachtte  op  eene  geschikte  ge- 
legenheid ter  uitvoering.  Deze  deed  zich  voor  bij  het 
zilveren  priesterfeest  van  pastoor  Claasen.  Maar  toen 
was  de  devotie  tot  den  H.  Josef  zoodanig  onder  het 
volk    toegenomen,    dat   het    beter  geoordeeld  werd  aan 


132 

een  S.  Josef-altaar  boven  een  H.  Kruis-altaar  de  voor- 
keur te  geven  ^).  Het  college  van  zangers  gaf  het  ge- 
brandschilderd roset-venster  op  het  zangkoor,  waarin 
de  beeltenis  staat  van  Sinte  Cecilia.  Verder  schonken 
in  1867  Aplonia  Kleyn  het  Sinte- Anna-beeld ;  kapelaan 
Huig  het  S.  Josef-beeld;  F.  Siro  het  gebrandschilderde 
roset-venster  boven  den  hoofdingang  der  kerk  „de 
goede  herder"  voorstellende;  Jan  Marsen,  Gijsb.  Bijland, 
kapelaan  Vrolijk,  Gijs  Vrolijk  en  Jan  van  der  Kroon 
de  gebrandschilderde  ronde  en  langwerpige  vensters  in 
de  kruisbeuk  der  kerk.  Gijs  Goes  met  zijne  huisvrouw 
gaven  een  rood  zijden-fluwecl  kasuifel  met  goud  ge- 
borduurd ;  de  parochianen  deden  daar  twee  dalmatieke 
en  een  preekstool  bij. 

En  toen  nu  enkele  jaren  later  de  parochianen  reeds 
alles  in  gereedheid  hadden,  om  den  i7en  Augustus  1870 
op  feestelijke  wijze  het  zilveren  priesterfeest  en  het 
koperen  pastoraat  te  Ouderkerk  van  hun  beminden  herder 
te  gedenken  en  toen  het  geschenk  der  parochianen  een 
kostbaar  wit  stel  misgewaden,  rijk  met  goud  versierd, 
reeds  was  aangekocht,  kwam  den  3oen  Juli  het  onver- 
wachte bericht,  dat  pastoor  Rijp  door  Mgr.  Wilmer 
benoemd  was  tot  pastoor  van  S.  Willebrord  binnen 
de  veste  te  Amsterdam.  Van  feestvieren  is  toen  niets 
gekomen :  den  7en  Augustus  nam  de  pastoor  afscheid 
van  zijne  parochie. 

Zou  pastoor  Rijp  niet  aan  Ouderkerk  gedacht  hebben 
toen  hij  in  1871  in  De  Katholiek  schreef-):  „Voor  de 
kathoHeken  zijn  blijdere  dagen  aangebroken,  en  gebruik 
makende  van  de  verworven  vrijheid,  richten  zij  oog  en 
hart    dankbaar    op    tot    God.    Het   huis   van    God  rijst 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXXII,  blz.  448. 

2)  Item  dl.   I,  blz.    140. 


133 

weder  opwaarts  tot  Hem ;  hooger  en  hooger  verhefifen 
zich  steeds  de  torenspitsen  als  wilden  zij  uit  den  hemel 
opnieuw  de  genade  van  Christus'  Kruis  aan  Nederland 
verkondigen  en  in  volle  stroomen  mededeelen ;  als  wilden 
zij  zich  hoog  verheffen,  om  door  den  stroom  des  onge- 
loofs  niet  te  worden  medegesleept." 


Zijn  opvolger,  Pauhis  Andreas  Clausen  was  den 
7en  Februari  1825  te  Amsterdam  geboren  en  den 
I4en  Augustus  1850  te  Warmond  tot  priester  gewijd; 
hij  stond  van  1850 — 1854  als  kapelaan  te  Noordwijk, 
van  1854 — 1856  als  kapelaan  aan  de  Hofkerk  te 's-Gra- 
venhage,  was  van  1856 — 1861  sub-regent  te  Hageveld 
en  van  1861  tot  5  Augustus  1870  pastoor  te  Weesp, 
toen  zijne  benoeming  volgde  tot  deken  en  pastoor  van 
Ouderkerk.  Den  I2en  Augustus  nam  hij  bezit  van  kerk 
en  pastorie,  deed  des  Zondags  den  14^"  zijne  eerste 
preek,  en  werd  den  24en  Augustus,  op  last  van 
Z.  D.  H.  den  Bisschop,  plechtig  door  zijn  voorganger, 
den  afgetreden  deken  Rijp,  geïnstalleerd. 

In  milddadige  liefde  voor  de  armen  en  in  vrijgevigheid, 
waar  het  de  versiering  betrof  der  kerk,  deed  deken  Claasen 
voor  zijn  voorganger  niet  onder ;  bovendien,  wat  hem 
niet  minder  tot  eere  strekt,  liet  hij  zich  bij  al  zijne  op- 
drachtenen bestellingen  leiden  door  zijn  architect  Cuypers, 
zoodat  alles,  wat  ter  verfraaiing  werd  aangebracht,  het 
gelukkige  stempel  draagt  van  eenzelfden  kunstenaar. 

Wij  kunnen  derhalve  niet  beter  doen  dan  ter  ken- 
schetsing van  zijn  elfjarig  pastoraat  in  tijdsorde  op- 
sommen, waarmede  deze  kerk  verrijkt  werd. 

In  1872  schonk  deken  Claasen  den  geheel  uit  steen 
gehouwen  preekstoel;  door  Jan  Timmer  Sr.  werd  de 
muurschildering  bekostigd  om  het  hoofdaltaar,  de  wachters 


134 

voorstellende  rondom  '55  Heeren  troon ;  door  Hermanus 
van  Tol  en  Clasina  Zwetsloot  de  schildering  boven  den 
triomfboog,  den  Zaligmaker  voorstellende  met  het 
H.  Hart,  in  zijne  groote  vereerders  allen  uitnoodigend, 
die  belast  zijn  on  beladen.  Zoo  staan  aan  de  Evangelie- 
zijde  de  figuren  van  S.  Augustinus,  S.  Rosa  van  Lima, 
S.  Franciscus  van  Assisië  en  S.  Theresia ;  aan  de 
Epistel-zijde  S.  Alphonsus  de  Ligorio,  S.  Dominicus, 
S.  Bonaventura,  S.  Franciscus  van  Sales.  De  parochianen 
gaven  zes  kronen  ieder  met  drie  lampen,  alle  vervaardigd 
naar  teekeningen  van  den  architect  Cuypers ;  tevens 
werden  in    1872  de  kapiteelen  der  kolommen  uitgehakt. 

Den  i8en  Augustus  1875  vierde  deken  Claasen  onder 
algemeene  deelneming  der  parochianen  zijn  zilveren 
priesterfeest.  Onder  leiding  van  kapelaan  Van  der  Jagt 
en  Henri  Cuypers  was  de  kerk  smaakvol  versierd. 

Ook  bij  die  gelegenheid  sprak  zich  de  dankbaarheid 
der  parochianen  uit  in  vele  geschenken  aan  het  Huis  Gods. 

De  jubileerende  herder  schonk  een  zilveren  vergulden 
miskelk  met  gedreven  Heiligen- beelden,  voorstellende: 
S.  Paulus  en  S.  Andreas,  patronen  des  gevers,  S.  Jeroen, 
patroon  van  Noordwijk,  S.  Jacob,  patroon  van  den  Haag, 
Onze  Lieve  Vrouw,  patrones  der  Hofkerk  te  's-Graven- 
hage,  S.  Josef,  patroon  van  Hageveld,  S.  Laurens,  patroon 
van  Weesp  en  S.  Urbanus,  patroon  van  Ouderkerk : 
alzoo  alle  Heiligen  gedenkend,  onder  wier  schutse  de 
jubilaris  als  kapelaan,  sub-regent  en  pastoor  was  werkzaam 
geweest.  De  kelk  inderdaad  een  kunststuk  was  te  Parijs 
naar  eene  teekening  van  Dr.  Cuypers  vervaardigd.  De 
parochianen  brachten  de  gelden  bijeen:  8560  gulden 
voor  een  nieuw  orgel :  een  werkstuk  van  J.  Volbrecht 
te  's-Hertogenbosch.  Het  werd  den  27611  Februari  1878 
ingewijd.  Ook  bekostigden  zij  de  beschildering  der 
S.  Josef  en  der  Maria-kapel ;  bovendien  gaven  Susanna 


135 

Muller  met  hare  schoolkinderen  de  gouden  lunula  voor 
de  groote  monstrans ;  Dirkje  Pronk  met  hare  kinderen 
den  gebeeldhouwden  bidbank  met  faldistorium  in  het 
priesterkoor,  en  de  misdienaars :  Toon  de  Lange,  Piet 
en  Jan  Groen  in  't  Woud,  Jan  Wouters  i),  Piet  Vrolijk, 
Jan  Baars  en  Manus  van  Tol  den  bidbank  in  de  sacristie 
met  het  gebeeldhouwde  schilderij  :  Ante  et  post  Missam. 

Het  jaar  1877  was  niet  minder  vruchtbaar  voor  de 
heerlijkheid  van  Gods  Huis:  toen  werden  uit  vrije  giften 
van  verschillende  parochianen  de  zeven  gebrandschilderde 
vensters  geplaatst  in  het  priesterkoor.  Elk  venster  kostte 
550  gulden.  Op  ieder  der  vensters  zijn  drie  voorstellingen 
aangebracht. 

Op  het  eerste :  de  toewijding  van  Maria  aan  den  dienst 
Gods;  de  voetwassching;  de  nederdaling  ter  helle.  Op 
een  schild :  de  initialen  J(an)  d(e)  L(ange). 

Op  het  tweede  :  de  boodschap  van  Maria  ;  de  doodsangst 
in  den  hof  van  Olijven ;  de  verrijzenis.  Op  een  schild : 
J(an)  M(arsen). 

Op  het  derde :  bezoek  van  Maria  aan  Elisabeth ;  de 
geeseling  des  Heeren ;  de  hemelvaart.  Op  een  schild : 
G(errit)  v(an)  N(es)  en  I(da)  D(orresteyn). 

Op  het  vierde:  de  geboorte  van  Christus;  de  kroning 
met  doornen;  de  nederdaling  des  H.  Geestcs.  Op  een 
schild :  P(aulus)  A(ndreas)  C(laasen). 

Op  het  vijfde :  de  opdracht  van  Christus  in  den 
tempel ;  de  kruisdraging ;  de  hemelvaart  van  Maria.  Op 
een  schild  :  H(ermanus)  v(an)  T(ol)  en  C(lasina)  Z(wetsloot). 

Op  het  zesde :  de  vinding  van  het  verloren  kind  Jesus ; 
de  kruisiging;  de  kroning  van  Maria  in  den  hemel.  Op 
een  schild:  A(plonia)  K(leyn). 


i)    üeze    misdienaar    deed  den   I7en  Augustus   1887  in  de  parochie- 
kerk te  Ouderkerk  zijne  eerste  plechtige  H.  Mis. 


136 

Op  het  zevende^):  het  H.  huisgezin  te  Nazareth ;  de 
graflegging ;  de  zending  der  Apostelen.  Op  een  schild : 
Quid  retribuam  Domino  2). 

Op  de  beide  andere  gebrandschilderde  dubbel-vensters 
in  het  priesterkoor  staan  de  beeltenissen  van  S.  Willibrord 
en  S.  Bonifacius,  en  van  S.  Jeroen  en  S.  Engelmundus. 

In  1879  en  in  1880  werden  de  beelden  geplaatst  van 
het  H.  Hart  des  Heeren  en  van  het  H.  Hart  van  Maria. 
In  den  loop  der  jaren  1876 — 1877  werd  het  terrein  der 
kerk  afgesloten  met  een  gesmeed  ijzeren  hek  van  84 
meter  lang.  En  ziet,  toen  kwam  de  dood  ook  aan  dat 
werkzame  leven  een  einde  maken.  Op  den  25611  Mei  1881 
openbaarden  zich  de  eerste  teekenen  van  een  reeds  te  ver 
gevorderd  hartlijden.  Wel  trad  daarna  eenige  beterschap 
in,  maar  was  niet  van  langen  duur  2).  Op  Sinte  Anna 
den  26en  Juli  beklom  deken  Claasen  voor  het  laatst  het 
altaar  om  de  H.  Mis  te  lezen.  Op  den  5en  Augustus 
ontving  hij  de  laatste  H.  Sacramenten  en  overleed  den 
gen  September  des  morgens  omstreeks  negen  uur. 

In  de  pastorie  te  Ouderkerk  hangt  van  deken  Claasen 
eene  goed  geslaagde  afbeelding  in  photographie. 


i)  Dit  venster  werd  bekostigd  uit  bijdragen  van  Hein  van  Ruiten  en 
Maria  de  Waal,  Klaas  van  Loenen,  Anna  de  Lange  en  Dirk  Kempen. 

2)  Door  dat  schild  uit  het  gebrandschilderde  raam  uit  te  breken,  zijn 
in  den  nacht  van  3  op  4  Januari  1904  twee  dieven  de  kerk  binnengekomen 
en  hebben  haar  overal  doorsnuffeld.  De  twee  houten,  maar  ledige  taber- 
nakel-kastjes der  beide  zij-altaren  werden  opengebroken  ;  ook  aan  het 
kastje  der  H.  Oliën  achter  het  hoofdaltaar  werd  inbraak  beproefd  maar 
tevergeefs.  Aan  het  groote  tabernakel  werd  geen  geweld  gepleegd.  Van 
de  vier  offerbussen  werden  er  drie  opengebroken.  Door  het  hangslot 
te  verbreken  aan  den  uitgang  ter  noordzijde  heeft  men  de  kerk  verlaten. 

3)  Opdat  de  ziekelijke  herder  beter  van  de  buitenlucht  zou  genieten, 
werd  aan  den  achtergevel  der  pastorie  eene  veranda  gebouwd  waar  hij 
echter  nooit  gebruik  van  gemaakt  heeft. 


137 

J-acobus  Joannes  Graaf,  de  opvolger  van  deken 
Claasen,  was  den  25en  Januari  1839  te  Delft  geboren. 
Hij  studeerde  te  Hageveld  en  te  Warmond  en  werd  den 
I5en  Augustus  1862  door  Mgr.  Wilmer  tot  priester  gewijd. 
Na  eene  kortstondige  assistentie  in  het  R.  K.  Weeshuis 
te  's-Gravenhage,  werd  hij  den  30^"  September  1862 
tot  secretais  benoemd  van  Z.  D.  H.  den  Bisschop,  welk 
ambt  hij  bleef  vervullen  tot  20  September  1881,  toen 
zijne  benoeming  volgde  tot  deken  en  pastoor  te  Ouderkerk. 

Met  zijne  beide  voorgangers  had  deken  Graaf  het 
ijveren  gemeen  voor  den  luister  van  Gods  huis ;  boven- 
dien zag  hij  niet  op  tegen  de  onvermijdelijke  bezwaren, 
welke  aan  „bouwen"  verbonden  zijn,  en  de  onmisbare 
moeilijkheden,  welke  het  stichten  van  bonden  en  ver- 
eenigingen,  —  een  noodzakelijke  eisch  des  tijds  ge- 
worden —  pleegt  met  zich  te  voeren. 

Alzoo  kan  het  herderlijk  bestuur  van  deken  Graaf 
onder  drievoudig  oogpunt  worden  samengevat.  Allereerst 
dan  zijn  ijveren  voor  de  heerlijkheid  van  het  huis  Gods. 
Zoo  mocht  hij  den  24^  April  1883  van  de  echt- 
genooten  Willem  Houweling  en  Petronella  Koekebier, 
bij  gelegenheid  van  hun  gouden  huwelijksfeest,  drie 
communiedwalen  in  kleuren  bestikt  ontvangen ;  Jan 
Snel  Sr.  en  Catharina  Bergkamp  gaven  bij  gelegenheid 
van  hun  zilveren  huwelijksfeest  een  der  gebrandschilderde 
vensters  in  de  doopkapel,  waarop  de  doop  van  Christus 
met  den  ondergang  der  Egyptenaren  als  tegenstuk  staat 
afgebeeld  ;  het  tweede  gebrandschilderde  venster,  waarop 
S.  Antonius  met  het  H.  Sacrament  en  de  abdis  Aleidis 
staan  aangebracht,  werd  in  189$  ten  geschenke  gegeven 
door  hunne  kinderen  Antonius  de  Lange  en  Aleidis 
Snel.  Beide  vensters  zijn  vervaardigd  door  Geuer  te 
Utrecht.  Uit  vrije  bijdragen  der  parochianen  werd  in 
1883    de    kerk    verrijkt  met  een  hardsteenen  doopvont, 


138 

gesierd  met  een  koperen  deksel,  en  ontworpen  en  gehouwen 
door  Mengelberg;  eveneens  gaven  in  1886  de  parochianen 
de  tegelen-vloer  iri  de  paden  der  kerk. 

Bij  gelegenheid  van  zijn  vijftigjarig  kerkmeesterschap, 
den  26en  Juni  1887,  gaf  Jan  Timmer  aan  de  kerk 
een  missale  der  bekende  Weener-uitgave,  gevat  in 
bruin-lederen  band  met  zilveren  beslag.  Op  een  der 
sloten  staat  gegraveerd :  Deo  me  obtulit  et  S°  Urbano 
Joannes  Timmer  ciim  ftiisset  ad  S'  Urbani  vi  Ouder- 
kerk per  X  liistra  aedituus  a°  1887  in  festo  Nat. 
S.  Jocs  Bapt.  Op  de  voorzijde  is  op  het  middenstuk 
Christus  gegraveerd  als  Salvator  mundi ;  op  de  vier 
hoekpunten  de  vier  Evangelisten.  De  achterzijde  vertoont 
op  het  middenstuk  S.  Jan  den  Dooper,  den  patroon 
des  gevers ;  op  de  vier  hoekpunten  staan  de  patronen 
der  vier  pastoors  onder  wie  hij  kerkmeester  was : 
S.  Jan  de  Evangelist,  S.  Conradus,  S.  Paulus  en  S.  Jacobus. 

Den  3oen  Maart  1894  toen  deken  Graaf  zijn  koperen 
pastoorsfeest  vierde,  gaven  de  parochianen  een  gift  van 
1300  gulden,  welke  door  den  Jubilaris  voor  den  aankoop 
van  nieuwe  kerkbanken  besteed  werd.  Door  Anna  en 
Gerritje  de  Lange,  van  welk  gezusterenpaar  het  ge- 
tuigenis geldt  der  H.  Schrift  i) :  „dat  het  vol  was  van 
goede  werken  en  aalmoezen",  werden  de  gebrand- 
schilderde   ramen    bekostigd    in   de  zijbeuken  der  kerk. 

Bij  gelegenheid  der  missie  in  1898  werd  door  Pater 
Beysens  het  plan  opgeworpen  om  als  aandenken  aan 
dezen  genade-tijd  de  kerk  van  een  nieuwen  kruisweg 
te  voorzien.  Dit  vond  algemeen  bijval,  zoodat  aan  Josef 
Cuypers  de  levering  van  een  kruisweg,  die  ongeveer 
5000  gulden  zou  kosten,  kon  worden  opgedragen.  De 
Staties    staan    op    verglaasde    tegels    in    lichte   kleuren, 

I)  Hand.:  IX,  36. 


139 

uitgevoerd  op  donker-blauwen  achtergrond,  waaronder 
eene  groene  tegel-lambrizeering  van  passiebloem-motieven. 
De  eerste  acht  staties  vonden  acht  milde  gevers  :  Pastoor, 
Gezusters  de  Lange,  Toon  de  Lange  en  A.  Snel, 
Wed.  Bastiaan  Pouw,  Arie  v.  Diemen  en  A.  Boomans, 
Jacob  Blokland  en  A.  Achterof,  en  Dirk  Kempen. 
De  overige  Staties  werden  betaald  uit  bijdragen  der 
parochianen  door  14  jongelingen  ingezameld.  De  kruis- 
weg werd  den  24en  October  1901  door  Pater  Beysens 
opgericht. 

Of  deken  Graaf  moeilijkheden  ondervonden  heeft  met 
den  bouw  eener  kosterswoning  in  1 882,  of  met  den  aanbouw 
eener  catechismuskamer  tegen  het  zuidelijk  kruispand 
der  kerk  in  1890,  als  zijnde  ondernemingen  van  geringe 
beteekenis,  zou  te  betwijfelen  zijn ;  maar  zooveel  te  meer 
werden  zij  ondervonden  toen  reeds  aanstonds  bij  den 
aanvang  van  zijn  pastoraat  plannen  gemaakt  werden 
voor  den  bouw  eener  parochiale  school.  Tot  dat  doel 
werd  in  Augustus  1885  de  boerderij  „Nieuw  Regtlust", 
belendende  ten  zuiden  den  tuin  der  pastorie,  aan- 
gekocht 1),  als  zijnde  een  bij  uitstek  gunstig  gelegen 
terrein  voor  den  bouw  eener  meesterschool  of  zusters- 
gesticht. Maar  toen  in  Juni  1887  het,  naar  de  meening 
van  het  kerkbestuur,  nog  geschikter  terrein,  de  zoo- 
genaamde Molenkade  te  koop  kwam,  werd  deze  grond 


l)  Den  lyen  October  1884  was  «Nieuw  Regtlust"  verkocht  door 
Abraham  Regtuit  aan  Elbert  Regtuit.  Deze  stierf  den  8en  Juli  1880, 
waardoor  de  boerderij  bij  boedelscheiding  overging  aan  zijn  zoon 
Abraham,  die  op  Paaschmorgen  van  1885  overleden  is.  Daarna  in  openbare 
veiling  gebracht,  werd  zij  door  het  R.  K.  Kerkbestuur  aangekocht  voor 
28.000  gulden.  In  1889  werd  op  het  erf  eene  nieuwe  schuur  gebouwd, 
die  ±_  3000  gulden  kostte.  In  1913  werd  deze  door  aanbouw  vergroot. 
Den  gen  Juni  1895  op  Triniteits-Zondag  ontstond  even  na  het  aangaan 
der  Hoogmis  brand  in  den  hooiberg  der  boerderij.  Wijl  gelukkig  de 
wind    van    het    huis   af   was,  bleef  de  brand  tot  den  hooiberg  beperkt. 


I40 

voor  1700  gulden  aangekocht,  en  bestemd  voor  den 
bouw  eener  parochiale  school  met  onderwijzerswoning, 
omdat  alle,  tot  vijfmaal  toe,  ingestelde  pogingen  om 
tot  den  bouw  van  een  zustersgesticht  te  geraken  met 
leer-,  naai-  en  bewaarscholen,  door  gebrek  aan  bekwame 
krachten,  vruchteloos  waren  geweest. 

Intusschen    vierde    deken    Graaf   den    i6en   Augustus 

1887  zijn  zilveren  priesterfeest,  waarbij  hem  als  feestgave 
de  koopsom  werd  aangeboden  van  den  voor  de  school 
aangekochten  grond. 

Den  iQen  October  1887  werd  door  het  kerkbestuur 
aan  den  architect  Tepe  opgedragen  plannen  en  teeke- 
ningen  te  ontwerpen  eener  parochiale  school.  De  gunning 
geschiedde,    na    openbare  aanbesteding,  den  20en  Maart 

1888  aan  den  laagsten  inschijver  Th.  Kint  te  Amsterdam, 
doch  toen  het  op  onderteekening  aankwam  van  het 
contract,  trok  des  aannemers  eerste  en  meest  soliede 
borg  zich  terug,  zoodat  de  gunning  geen  voortgang  kon 
hebben. 

Den  6en  April  1888  werd  de  opbouw  der  school  toe- 
vertrouwd aan  C.  A.  Neyboer  te  Abcoude. 

Door  Jan  Timmer  Sr.  werd  den  2oen  Mei  de  eerste 
steen  gelegd  :  eene  eer,  welke  den  hoogbejaarden  kerk- 
meester toekwam,  om  zijne  daadwerkelijke  belangstelling, 
van  den  aanvang  af  voor  de  bijzondere  school  der 
parochie  aan  den  dag  gelegd. 

Den  Qen  October  1888  werd  de  school  onder  veel 
belangstelling  plechtig  ingewijd  ^). 

Tengevolge  van  de  leerplichtwet,  waardoor  het  getal 


i)  Tot  hoofdonderwijzer  was  den  156"  April  door  het  kerkbestuur 
benoemd  geworden  de  Heer  W.  J.  van  Dam,  geboortig  van  Delft,  en 
aldaar  werkzaam  aan  de  parochiale  school.  Den  5en  Juli  werd  tot 
hulp-onderwijzer  benoemd  de  Heer  J.  H,  Lutz,  werkzaam  aan  eene 
bijzondere  school  te  'sGravenhage. 


141 

kinderen  aanmerkelijk  was  toegenomen,  werd  eene  uit- 
breiding der  beide  bestaande  schoollokalen  wenschelijk 
geacht.  Daarom  trad  den  loen  November  1905  het 
kerkbestuur  in  overleg  met  den  architect  L.  van  der  Bijl 
om,  in  aansluiting  aan  de  bestaande  lokalen,  twee  nieuwe 
schoollokalen  bij  te  bouwen. 

Deze  aanbouw  werd  bij  openbare  inschrijving  gegund 
aan  P.  Alkemade  te  Duivendrecht,  die  den  I3en  Maart 
1906  met  den  aanbouw  een  begin  maakte  en  dien  den 
i6en  Juli  van  hetzelfde  jaar  gelukkig  voltooide. 

Een  tweede  bouw  van  beteekenis  onder  het  pastoraat 
van  deken  Graaf,  was  het  R.  K.  Gezellenhuis  voor  de 
leden  der  S.  Aloysius-Vereeniging.  Voorloopig  kwamen 
zij  tezamen  in  eene  zaal  van  „Bnigzicht",  thans  „de 
Oude  Prins"  gehceten,  totdat  een  afzonderlijk  gebouw, 
een  eigen  tehuis,  voor  hen  zou  gesticht  zijn.  Dit  ge- 
schiedde in  1902,  toen  den  13^"  Maart  aan  den  architect 
J.  Stuyt  door  het  kerkbestuur  werd  opgedragen  een 
plan  te  ontwerpen  van  een  verecnigingsgebouw  voor 
jongelingen,  dat  aan  alle  te  stellen  eischen  zoude  voldoen. 
En  reeds  twee  maanden  daarna  werd  met  den  bouw  door 
J.  Kempers  te  Ouderkerk  een  begin  gemaakt. 

Was  het  aanvankelijk  het  voornemen  het  gebouw 
eene  plaats  te  geven  op  het  Kerkeplein,  spoedig  bleek 
de  plaats  aldaar  een  minder  geschikte,  terwijl  ook  het 
feit,  dat  deze  plaatsing  het  opofferen  van  eene  schoone 
reeks  hooge  boomen  zou  eischen  niet  weinig  ertoe  bij- 
droeg, eene  andere  plaats  te  zoeken.  Deze  werd  gevonden 
op  een  stuk  weiland  naast  de  parochiale  school.  Met 
het  oog  op  de  betrekkelijk  beperkte  middelen  werd 
voor  den  bouw  een  houtconstructie  gekozen,  daar  het 
op  die  wijze  mogelijk  was  de  anders  onvermijdelijke 
heifundeering  te  ontgaan.  —  Voor  de  fundeering  werd 
nu    aangewend    eene   stapeHng  van  droge  turven.  Deze 


142 

zeer  bijzondere  constructie-wijze  wordt  in  het  polderland 
dikwerf  toegepast.  Men  verkrijgt  een  hechten  grondslag, 
alhoewel  bij  het  hooger  en  lager  worden  van  den  water- 
stand uitzetten  en  krimpen  niet  zijn  buitengesloten  en 
dus  eene  zekere  bewegelijkheid  het  gebouw  niet  mag 
kunnen  storen  —  dit  nu  is  bij  houtconstructie  het  geval. 

Wat  de  indeeling  aangaat  zoo  is  de  groote  zaal  het 
punt  van  uitgang  geweest  —  deze  zaal  biedt  ruimte 
voor  ongeveer  200  zitplaatsen ;  aan  de  eene  zijde  bevindt 
zich  het  tooneel  ter  grootte  van  5.7  X  8  M. ;  ter  weers- 
zijde wordt  het  geflankeerd  door  kleedkamers,  terwijl 
de  stoelenbergplaats  zich  eronder  bevindt. 

Tegenover  het  tooneel  bevindt  zich  aan  de  achterzijde 
van  de  zaal  de  hoofdingang  met  tochtportaal  en  het 
buffet,  en,  tusschen  deze  beiden  in,  is  een  bestuurs- 
kamertje  met  bibliotheek,  waarvan  de  toegang  zich  in 
het  tochtportaal  bevindt. 

Over  de  geheele  lengte  van  de  zaal  sluit  zich  aan 
eene  zijde  de  kegelbaan  aan,  die  met  groote  schuiframen 
van  de  groote  zaal  wordt  afgesloten,  doch  die  ook  door 
het  openschuiven  van  deze  ramen  als  't  ware  aan  de 
groote  zaal  verbonden  kan  worden. 

De  beschildering  is  inwendig  min  of  meer  polychromisch, 
terwijl  door  het  aanbrengen  van  teksten  en  eene  versiering 
van  het  plafond  een  passend  geheel  werd  verkregen. 

Den  TÓen  November  1902  werd  het  Gezellenhuis 
plechtig  ingewijd  1). 

En  als  nu  ten  derde  de  onder  het  pastoraaat  van 
deken  Graaf  gestichte  bonden  en  vereenigingen  ter 
sprake  komen  en  de  onvermijdelijk  daaraan  verbonden 
moeilijkheden,   dan  moge  schrijver  dezes   —  ook  al  ter 


1)  Een  photo-prent  van  het  gebouw  werd  indertijd  opgenomen  in  het 
GeiUustrecrd  Zondagsblad  van  De    Tijd  van   7  Juni    1903. 


143 

vermijding  van  bezwaren  als  rakende  de  geschiedenis 
van  den  dag  —  zich  tevreden  stellen  met  naar  zekere 
tijdsorde  de  verschillende  stichtingen  slechts  met  name 
te  vermelden. 

Reeds  was  op  den  3en  April  1891  eene  R.  K.  Kies- 
vereeniging  opgericht  ^).  In  1901  volgde  (9  April)  de 
Vriendenkring  van  het  H.  Sacrament  en  op  21  Maart 
1902  de  S.  Aloysius-Vereeniging.  Ter  bestrijding  van 
het  drankmisbruik  kwam  den  loen  April  het  Kruisverbond 
tot  stand,  waaraan  weldra  de  Maria-Vereeniging  (14  Mei 
1904)  en  een  jongens-  en  meisjesbond  met  eene  S.  Anna- 
Vereentging  op  19  Aug.  1906  verbonden  werden.  Nog 
kwam  den  2  2en  Januari  1904  de  R.  K.  Begrafenis- 
Vereeniging  van  S.  Antonius  den  Kluizenaar  tot  stand. 
En  in  1905  op  den  I3en  December  werd  voor  de  parochie 
eene  Afdeeling  opgericht  van  de  „Katholieke  Sociale 
Actie". 


Den  31  en  Augustus  1904  werd  deken  Graaf,  naar 
aanleiding  van  zijn  veertigjarig  priesterschap  in  1902 
gevierd,  door  Hare  Majesteit  de  Koningin  begiftigd  met 
het  officiers-kruis  van  Oranje  Nassau.  Deze  eervolle 
onderscheiding  brengt  er  mij  toe  met  een  enkel  woord 
te  verhalen,  hetgeen  deken  Graaf  als  secretaris,  buiten 
zijne  ambtelijke  bezigheden,  te  Haarlem  aangevangen 
en  te  Ouderkerk  heeft  voortgezet.   En  dan  bedoelen  wij 


i)  Als  politieke  en  historische  bijzonderheid  worde  hier  medegedeeld 
dat  op  den  len  Maart  1909  ongewone  ongeregeldheden  plaats  grepen 
vóór  en  in  het  café  «Paardenburgh",  ten  gevolge  van  het  optreden  van 
den  socialist  Hugenholtz,  die  door  de  nog  kort  opgerichte  afdeeling  der 
S.  D.  A.  P.  tot  eene  spreekbeurt  was  uitgenoodigd. 

De  Heer  Th.  de  Wolf  uit  Amsterdam  die  als  debater  was  uitgenoodigd 
stond  hem  niet  alleen  met  goed  gevolg  te  woord,  maar  moest  hem 
bovendien  tegen  de  dreigende  volks-menigte  in  bescherming  nemen. 


144 

allereerst  de  oprichting  van  het  tijdschrift :  Bijdragen 
voor  de  geschiedenis  van  het  bisdom  Haarlem. 

De  wordingsgeschiedenis  wordt  ons  door  deken  Graaf 
zelf  medegedeeld  in  zijn  levensschets  van  Mgr.  Vregt  ^) 
en  in  een  opstel,  getiteld:  „de  „Bijdragen"  van  Haarlem 
en  het  „Archief"  van  Utrecht",  geplaatst  in  de  Stemmen 
onzer  eeinv  -). 

„Op  25  April  van  het  jaar  1867  werden  door  Henricus 
van  Lottom,  een  der  oud-kanunniken  van  het  zoo- 
genaamde Haarlemsche  Kapittel,  aan  den  Bisschop, 
Mgr.  Wilmer,  twee  boekdeeltjes  toegezonden,  welke  de 
Acta  Capituli  inhielden  en  tot  het  belangrijk  oud-archief 
van  dat  kapittel  behoorden.  Deze  toezending  is  van 
zeer  gelukkig  gevolg  geweest.  Daardoor  toch  werd  de 
aandacht  van  den  Kerkvoogd  meer  dan  ooit  op  die  rijke 
verzameling  van  historische  bescheiden  gevestigd.  Tot 
nu  toe  was  dat  oud-archief  des  kapittels  in  het  Seminarie 
te  Warmond  verbleven,  waarheen  het,  bij  de  opheffing 
der  Haarlemsche  Statie  van  „den  Hoeck",  in  1852 
vervoerd  was.  Thans  kwam  het  naar  Haarlem  om 
voortaan  deel  uit  te  maken  van  de  archieven  des  bisdoms. 
Het  werd  nu  door  den  Hoogeerw.  Heer  Vregt,  met 
medehulp  van  zijnen  collega-secretaris,  chronologisch 
geordend  en  beschreven,  althans  voor  het  oudste  en 
belangrijkste  gedeelte ;  en  voor  het  overige  werd  door 
hem  van  geheel  het  archief  een  algemeene  inventaris 
opgesteld,  waarin  de  verschillende  oorkonden  en  be- 
scheiden   geordend   zijn  volgens  oorsprong  en  afkomst. 

„Door  die  belangrijkheid  nu  van  gemeld  oud-archief 
was  de  begeerte,  dat  aan  de  geschiedenis  van  het  bisdom 
de  hand  mocht  gelegd  worden,  nog  meer  en  meer  op- 


i)  De  Katholiek:  dl.    loi,  jg.   1892,  blz.  359—361. 
2)   7   üct.    1905,   blz.   315   en    14   Oct.,  blz.   323. 


145 

gewekt.  En  vroeger  al  was  het  vooral  de  oud-ambtenaar 
van  het  ministerie  van  Eeredienst  A.  J.  Lux  geweest,  die 
meermalen  zijn  opwekkend  woord  daarin  gesproken  had." 
„In  Juli  1871  werd  aan  den  Bisschop  een  ontwerp 
voorgelegd  van  eene :  Vereeniging  of  Genootschap  voor 
kerkelijke  Historie  en  Otidheden  van  het  Bisdom  Haarlem. 
Dit  ontwerp  kwam  niet  tot  uitvoering,  maar  liet  reeds 
de  hoofdlijnen  zien  van  hetgeen  door  den  Bisschop 
„verdeeling  der  stof"  werd  genoemd,  toen  hij  op  den 
I2en  Maart  1872  het  plan  der  uitgave  aan  zijne  geeste- 
lijkheid in  handen  gaf^).  Toch  begreep  Mgr.  Wilmer 
te  goed,  dat  samenwerking  voor  zijne  uitgaaf  hoogst 
nuttig  was ;  en  zoo  werden  dan  bij  circulaire  van 
30  Maart  verschillende  priesters  en  leeken,  ook  uit 
de  andere  bisdommen  der  kerkprovincie,  tot  mede- 
werking uitgenoodigd,  met  mededeeling  van  het  plan 
der  uitgave.  De  bisschop  vertrouwde  op  hunne  mede- 
werking wegens  hun  „welbekenden  arbeid,  studiën  en 
bemoeijingen  op  het  gebied  van  kerkelijke  geschiedenis 
en  oudheidkunde".  Meer  bijzonder  tot  de  heeren  Willemse, 
Lux,  Nuyens  en  Alberdingk  Thijm  en  den  oud-professor 
Wensing  sprak  Mgr.  zijne  „overtuiging  uit,  dat  de  be- 
langstelling, die  er  voor  de  beoefening  onzer  kerkelijke 
geschiedenis  bestaat  en  zich  meer  en  meer  openbaart, 
voor  een  zeer  belangrijk  deel  te  danken"  was  „aan  hun 
veeljarigen    en    onvermoeiden    arbeid",    terwijl    bij    den 


l)  Intusschen  was  secretaris  Graaf  reeds  begonnen  in  De  Katholiek 
uit  te  geven:  Mededeelingen  over  de  vasa  sacra  en  paramenten  der 
oude  Haarlemsche  Kathedraal  van  St.  Bavo  en  van  andere  kerken ; 
het  Necrologium  dioecesis  Harlemensis  van  J.  Buggaeus,  en  »Twee 
Haarlemsche  klopjes  van  de  zeventiende  eeuw".  De  Katholiek:]^.  1870, 
dl.  I,  blz.  128—132;  id.  jg.  1871,  dl.  1,  blz.  57  —  79;  id.  l.c, 
blz.  334—351;  id.  jg.  1872,  dl.  I,  blz.  243  -253;  id.  l.c,  dl.  II, 
blz.  238—255;  id.  jg.  1873,  dl.  I,  blz.  265—276;  id.  jg.  1872,  dl.  I, 
blz.   284  —  297. 

10 


146 

laatste  nog  werd  toegespeeld  op  zijn  „vroegeren  pro- 
fessoralen arbeid  en  de  punten  van  aanraking  tusschen 
de  beide  bisdommen." 

In  September  1872  verscheen  de  eerste  aflevering. 
In  het  „Voorberigt"  heet  het: 

De  uitgave  dezer  «Bijdragen"  beoogt  de  behandeling  der 
Kerkelijke  Geschiedenis  van  het  Bisdom  van  Haarlem,  dat  is  van 
alle  streken,  die  thans  onder  het  Bisdom  zijn  ingedeeld,  en  wier 
geschiedenis  te  meer  belangwekkend  moet  zijn,  om  het  groot 
aandeel  dat  zij  reeds  van  den  beginne  af  gehad  hebben  in  de 
lotgevallen  van  Kerk  en  Staat. 

De  behandeling  zal  meer  bijzonder  een  tweevoudige  zijn,  namelijk : 

I.  Mededeeling  van  oorkondeti,  aktestukken,  manuscripten  en 
verdere  bronnen  zonder  bewerking. 

II.  Opneming  van  bewerkte  stukken,  opstellen,  studiën,  mede- 
deelingen,  zelfs  de  kleinste,  gestelde  vragen  en  gegeven  antwoorden. 

Op  deze  wijze  zal  eene  volledige  beschrijving  der  geschiedenis 
van  het  Haarlemsche  Bisdom  van  den  eenen  kant  worden  voor- 
bereid en  mogelijk  gemaakt,  en  van  den  anderen  kant  reeds 
aanstonds  bij  gedeelten  tot  uitvoering  komen. 

De  Hoogwaardige  Kerkvoogd  van  het  Haarlemsche  Diocees 
heeft  gemeend,  dat  hierdoor  het  best  zal  voldaan  worden  aan 
een  sinds  lang  zoo  door  hem  zelven  als  door  velen  gekoesterden 
wensch.  Hij  heeft  zich  daarom  van  den  vasten  arbeid  verzekerd 
van  geschied-  en  oudheidkundigen,  die  op  zijn  aanzoek  welwillend 
hunne  medewerking  hebben  toegezegd;  en  dankbaar  mag  de 
Redactie  thans  melden,  dat  nog  vele  andere  even  bereidvaardig 
hunne  bijdragen  beloofd  hebben. 

Tevens  zullen  de  i>Bijdragen"  gelegenheid  open  stellen  voor 
allen,  die  iets  te  melden  of  te  vragen  hebben,  wat  de  Kerkelijke 
Geschiedenis  van  het  Bisdom  Haarlem  aanbelangt. 

Aangezien  de  verantwoordelijkheid  voor  de  stukken  aan  de  in- 
zenders of  bewerkers  zelven  moet  worden  overgelaten,  zoo  zal  niets 
worden  geplaatst  dan  onderteekend  ten  minste  met  de  initialen  des 
schrijvers.  Ook  zullen  de  bronnen  voldoende  worden  aangegeven. 

De  uitgave  genoot  de  niet  geringe  eer  door  Dr,  Schaep- 

man  hartelijk  te  worden  verwelkomd. 

Wij  hopen  —  zoo  schreef  hij  ')  —  dat  het  [tijdschrift]  de 
levendige    belangstelling  zal   opwekken  van  allen,  die  er  zich  op 


l)  De   Wachter:   1872,  dl.   II,  blz.  231  —  232. 


147 

beroemen  uit  het  zaad  van  Willibrord  te  zijn  gesproten.  Men 
behoort  die  belanofstelling  te  toonen  en  zich  niet  te  verschansen 
achter  het  betrekkelijk  lokaal  belang.  De  orde  der  geschied- 
schrijving eischt,  de  rechtmatige  aanhankelijkheid  aan  het  eigen 
Bisdom  wil,  dat  ieder  Bisdom  zijn  eigene  geschiedschrijving  bezitte. 
Ten  slotte  gaat  de  geschiedenis  der  Nederlandsche  Bisdommen 
in  de  geschiedenis  van  het  katholieke  Nederland  en  de  geschiedenis 
van  het  katholieke  Nederland  in  die  der  H.  Roomsche  Kerk  op. 
Dit  wat  de  geschiedschrijving  betreft.  Waar  het  de  belangstelling 
geldt,  daar  behoort  men  zich,  in  zoo  klein  een  lokaal  als  Nederland, 
niet  in  kleinere  lokalen  te  versnipperen.  Zou  het  »vis  unita  fortior" 
ook  niet  onze  leuze,  de  leuze  van  de  belijders  der  hoogste  een- 
heid, zijn  ? 

Moge  eene  levendige  belangstelling  in  deze  >Bijdragen"  voor 
geheel  Nederland  tot  waarheid  maken  de  woorden  door  den 
Bisschop  van  Haarlem  tot  zijne  geestelijkheid  gericht:  »Reeds 
spreken  uw  ijver  voor  de  eer  van  Christus'  Kerk  en  het  H.  Geloof, 
en  uwe  dankbare  gehechtheid  aan  den  vaderlandschcn  grond  ons 
borg  voor  die  belangstelling."  Want  voor  allen  geldt  het  woord 
van  denzelfden  Bisschop:  »Meldt  de  geschiedenis  U  den  bloei 
van  het  voorvaderlijk  geloof:  het  is  uw  roem  in  God;  spreekt 
zij  U  van  beproeving,  lijden  en  strijd:  het  is  U  tot  droefheid, 
maar  tevens  tot  troost,  bemoediging  en  aansporing." 

En  later  heeft  zich  meermalen  zoo  van  niet-kathoHeke 
als  van  katholieke  zijde  de  gelegenheid  voorgedaan  om 
op  de  belangrijkheid  der  „Bijdragen"  de  aandacht  te 
vestigen. 

Zoo  schreef  in   1894  professor  Fruin  ^) : 

Het  herstel  der  Roomsche  hiërarchie  heeft  ook  voor  de  ge- 
schiedenis der  Kerk  en  van  den  Staat  goede  vruchten  gedragen. 
Onder  de  bescherming  van  den  bisschop  van  Haarlem  en  den 
aartsbisschop  van  Utrecht  worden  sedert  1873  en  1875  twee  tijd- 
schriften of  verzamelwerken,  de  Bijdragen  voor  de  geschiedenis 
van  het  Bisdom  vatt  Haarlem  en  het  Archief  7!oor  de  geschiedenis 
van  het  Aartsbisdom  Dan  Utrecht,  geregeld  uitgegeven,  en  daarin 
een  schat  van  authentieke  stukken  en  een  aantal  verhandelingen, 
uit  meestal  onuitgegeven  of  nog  niet  gebruikte  bescheiden  saam- 
gesteld,  onder   de   oogen    van   belangstellenden,  ook  onroomsche. 


l)  Fruin,  R.:  Verspreide  Geschriften, 's-Gravenhage,  Martinus  Nijhofif, 
1901,  dl.  III,  blz.  250 — 251. 


148 

gebracht.  Daaronder  munten  in  belangrijkheid  voor  de  algemeene 
geschiedenis  van  het  vaderland  de  Relationes  uit,  de  verslagen, 
die  door  de  vikarissen  apostoliek  en  andere  aanzienlijke  geestelijken 
van  tijd  tot  tijd  hetzij  aan  den  Paus  in  persoon,  hetzij  aan  de 
kardinalen  der  Propaganda  werden  overgelegd,  en  die  zich  thans 
in  het  oorspronkelijk  te  Rome  in  de  Vaticaansche  bibliotheek,  en 
in  afschrift  niet  zelden  hier  te  lande  in  een  of  andere  verzameling 
bevinden.  Zij  worden  in  de  genoemde  tijdschriften  niet  stelsel- 
matig naar  hun  tijdsorde  gedrukt;  hetgeen  voorhanden  is  of  aan 
den  dag  komt,  wordt  zonder  dralen  meegedeeld.  Van  meerdere 
uit  den  vroegsten  tijd  is  ons  het  bestaan,  maar  meer  ook  niet 
vooralsnog,  bekend.  Het  is  echter  te  hopen  en  te  verwachten  dat, 
nu  het  gebruik  der  Vaticaansche  archieven  in  den  laatsten  tijd 
zooveel  gemakkelijker  is  geworden,  een  geregeld  navorschen  en 
opsporen  van  hetgeen  wij  inzonderheid  begeeren,  spoedig  zal 
aanvangen.  Want,  hoe  dankbaar  wij  zijn  voor  hetgeen  de  Bijdragen 
en  het  Archief  ons  schenken,  erkend  moet  het  worden,  dat  daar- 
onder veel  is,  wat  zonder  groote  schade  voor  bescheiden  van 
meer  algemeene  strekking  plaats  had  kunnen  maken  '). 

En  nog  onlangs,  in  191 3,  getuigde  de  geschiedschrijver 
van  het  „Historisch  Ov&xzxq^m!'' 'vi\\i&t  A7inuariiunvan  de 
Apologetische  Ver eeniging Petrus  Canisius,  Pater  Meijer  2) : 

»Zonder  vertoon  gaan  de  Bijdragen  van  het  Bisdom  Haarlem 
en  het  Archief  van  het  Aartsbisdom   Utrecht  voort  jaar  aan  jaar 

bouwsteenen  aan  te  voeren  voor  onze  Kerkgeschiedenis Sinds 

bijna  veertig  jaar  is  nu  reeds  zoo  menige  karrevracht  steenen 
gelost,  dat  men  reikhalzend  begint  uit  te  zien  naar  den  Amphion, 
op  wiens  geniaal  snarenspel  die  steenen  zich  zullen  opstapelen 
tot  een  machtig  gebouw." 

Van  die  „Bijdragen"  hebben  op  het  oogenblik  35  jaar- 
gangen elk  van  drie  afleveringen  het  licht  gezien.  En 
daarvan  is,  met  den  heer  Rijksarchivaris  C.  J.  Gonnet, 
deken    Graaf  van    den    beginne   af  de  stuwende  kracht 


I)  De  hoogleeraar  schijnt  hier  uit  het  oog  te  verliezen  dat  het  doel 
van  de  Bi/dragen  ook  is:  eene  volledige  beschrijving  der  geschiedenis 
van  het  Haarlemsche  Bisdom  «reeds  aanstonds  bij  gedeelten"  tot  uil- 
voering  te  brengen.  Hetzelfde  geldt  ook  voor  het  Archief  van  het  Aarts- 
bisdom van   Utrecht. 

a)  L.  c,  blz.  Ï41. 


149 

geweest,  die  niet  alleen  zelf  arbeidde  en  mededeelde 
van  den  rijkdom  zijner  geschiedkundige  kennis,  maar 
evenzeer  den  jongeren  onder  de  medewerkers  met  zijne 
beproefde  ervaring  op  geschiedkundig  gebied  door  zijn 
voorlichtend    woord    of  wijze  wenken  ter  zijde  stond  i). 

Van  die  35  jaargangen  zijn  er  slechts  enkele,  waarin 
tevergeefs  naar  eene  bijdrage  van  deken  Graaf  gezocht 
wordt.  Die  opnoemen  is  hier  overbodig;  maar  alle 
tezamen  bereiken  zij  het  eerbiedwaardige  cijfer  van 
1700  bladzijden.  Waarlijk  een  groot  deel  van  het 
materiaal,  waaruit  eens  de  geschiedenis  van  het  bisdom 
Haarlem  moet  worden  opgebouwd. 

En  voegt  men  hier  nog  bij,  dat  hij,  als  redactie-lid 
van  het  maandschrift  De  Katholiek,  blijkens  de  registers, 
ook  daar  het  zijne  geleverd  heeft  in  den  vorm  van 
opstellen  of  boekbesprekingen ;  in  de  Almanak  van 
Alberdingk  Thijm,  de  Katholieke  Illustratie,  het  S.  Gre- 
gorius-blad  2),  het  Jaarboek  van  S.  Bernulphus  onder 
de  medewerkers  tot  de  oude  bekenden  gerekend  wordt : 
dan  dwingt  deze  rustelooze  arbeid,  te  midden  van  veel- 
tijdvragende  ambtelijke  bezigheden,  eerbied  af  en  be- 
wondering, en  behoef  ik,  die  tien  jaren  lang  kapelaan 
was  van  deken  Graaf,  uit  zijn  huiselijk  leven  niet  te 
verklappen,  dat  hij  voor  kaart-partijen  of  uitsluitend 
gezellige  onder-onsjes  niet  gaarne  te  vinden  was. 

Eene  tweede  stichting,  waaraan  de  naam  van  deken 
Graaf  reeds  als  secretaris  verbonden  werd,  is  het 
bisschoppelijk    Museum    te    Haarlem.    Het  is  inderdaad 


1)  Het  Katholiek  Nederland  18 IJ  — I gis  \  L.  C.  G.  Malmberg,  Nijmegen, 
dl.  II,  blz.   161. 

2)  In  1880  schreef  secretaris  Graaf  een  woord  voor  koorzangers  en 
kerkgangers  in :  Vromer  en  beter,  J.  W.  van  Leeuwen  te  Leiden,  Vgl. 
de  Katholiek:  dl.  64,  jg.  1873,  blz.  307—314;  id.  dl.  67,  jg.  1875, 
blz.  238—271;  Het  Katholiek  Nederland  1813  —  1913:  dl,  II,  blz.   113. 


I50 

opmerkelijk,  dat  de  man  die  meer  dan  eene  halve  eeuw 
al  de  talenten  zijns  geestes  zou  wijden  aan  de  verheffing 
der  kunst,  geboren  werd  in  een  tijd,  toen  deze  edele 
dochter  van  Gods  schoonheid  hare  hoogste  triomfen 
vierde  op  taarten  van  koekebakkers.  Zij  werd  ontkend 
en  niet  gekend. 

Met  het  herstel  der  bisschoppelijke  Hiërarchie  was 
wel  de  tijd  aangebroken  voor  belangstelling  in  de  oude 
kunstschatten  van  ons  heilig  geloof,  maar  de  wakkere 
en  schrandere  mannen  ontbraken,  die  door  woord  en 
geschrift  voor  de  kunst  de  haar  toekomende  plaats  in 
de  „ontwakende  kerk"  zouden  opeischen.  En  toen  zijn 
Alberdingk  Thijm  gekomen  en  Brouwers  en  Cuypers, 
die  in  den  beginne  door  weinigen  slechts  gehoord  en 
begrepen  werden ;  maar  wie  hen  hoorden  en  begrepen, 
ontvingen  eene  vonk  der  geestdriftige  liefde,  welke  de 
ziel  van  deze  grootmeesters  der  kunst  verrukt  had^). 

„De  herleving  van  onze  kerkelijke  kunst  —  aldus 
deken  Graaf-)  —  riep  van  zelf  de  kerkelijke  museums 
in  het  leven.  Vooreerst  toch  behoefden  de  kunstenaars 
voorbeelden  en  modellen,  en  het  belangstellend  publiek 
verlangde  onderricht  in  stijl,  in  geschiedenis  der  kunst 
en  in  archeologie.  Daarbij  kwam  ten  tweede,  dat,  bij 
vernieuwingen  van  kerken  en  kerkgewaad,  menig  voor- 
werp hetwelk  tot  heden  dienst  had  gedaan,  wel  is  waar 
buiten  gebruik  was  geraakt,  maar  toch  nog  te  veel 
kunstwaarde  bezat  om  verwaarloosd  of  vernietigd  te 
worden,  ja  soms  ook  wel  bewaard  verdiende  te  worden 


i)  Om  te  weten  welken  invloed  het  optreden  en  streven  van  Alberdingk 
Thijm  op  den  jongen  priester  gemaakt  heeft,  leze  men  het  door  hem 
geschreven  en  met  »Discipulus"  geteekende  opstel  in  De  Katholiek: 
«Nu  de  meester  is  heengegaan",  dl.  96,  jg.    1889,  blz.   151— 164. 

2)  De  Katholieke  Illustratie:  1895-  1896,  No.  10  —  12,  blz.  76,  83, 
93;   Gids  in  het  Bisschoppelijk  Museum:  vijfde  druk,   1913,  Voorbericht. 


om  getuigenis  te  blijven  geven  van  vroegere,  hoezeer 
ook  minder  volmaakte  toestanden.  Eindelijk  ten  derde 
kwam  ook  de  kerkelijke  geschiedenis,  voor  wier  be- 
oefening de  lust  was  aangewakkerd,  plaats  vragen  voor 
al  zulke  gedenkstukken  der  historie,  die  niet  in  de 
archieven  plegen  bewaard  te  worden.  En  ziedaar  dan 
heel  het  drievoudig  program  van  een  bisschoppelijk 
museum  en  diensvolgens  ook  van  de  Haarlemsche  ver- 
zameling voor  kerkelijke  oudheid,  kunst  en  geschiedenis. 

„Het  museum  werd  in  het  jaar  1869  door  Z.  D.  H. 
Mgr.  G.  P.  Wilmer  opgericht,  nadat  reeds  in  het  voor- 
gaande jaar  een  begin  was  gemaakt  met  de  verzameling. 
Aanvankelijk  in  een  der  vertrekken  van  het  S.  Vincentius- 
gesticht  toegankelijk  gesteld,  werd  het  in  1875  over- 
gebracht naar  een  huis  op  den  Kruisweg  en  in  Juni  1893 
naar  het  tegenwoordige  gebouw  in  de  S.  Jansstraat.  In- 
middels was  het  den  loen  Februari  1875  toevertrouwd  aan 
de  zorgen  van  een  bisschoppelijke  commissie  van  vijf  leden. 

„Het  tegenwoordige  gebouw  heeft  zelf  reeds  eene 
bijzondere  historische  waarde,  wijl  het,  naar  de  oude 
overlevering  onder  de  ingezetenen  van  Haarlem  bewaard, 
in  den  katholieken  tijd  bewoond  werd  door  den  laatsten 
bisschop  van  Haarlem,  Godfried  van  Mierlo  (f  1587) 
zelven  i).  Het  pand  is  in  de  voorgaande  eeuw,  uitwendig 
en  ook  inwendig,  verbouwd  geworden.  Toch  blijven  nog 
enkele  deelen  van  den  binnenbouw  aan  den  ouden 
toestand  herinneren.  Door  een  merkwaardigen  samenloop 
van  omstandigheden  was  het  eerste  voorwerp,  dat  bij 
de  verhuizing  der  verzameling  in  1893,  naar  de  voor- 
malige bisschoppelijke  woning  kon  worden  overgebracht, 
het  eigen  afbeeldsel  van  den  zoo  even  genoemden 
^aatsten    kerkvoogd,    een    portret    op    doek,    dat  merk- 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXIX,  blz.  28-33. 


152 

waardig  genoeg,  juist  even  vóórdat  de  plannen  tot 
aankoop  van  de  woning  waren  opgekomen,  uit  Frankrijk, 
namelijk  uit  Bergen  bij  Duinkerken,  verworven  \yas." 
Wie  nu  der  kunstminnaars  dit  Museum  in  de  S.  Jans- 
straat bezoekt  ^),  staat  verrast  en  verwonderd  over  het 
kostbaar  vele,  wat  in  zoo  betrekkelijk  korten  tijd  werd 
samengebracht.  Alles  wat  op  het  gebied  der  kunst  in 
hare  veelzijdige  vertakkingen  te  genieten  valt,  werd 
hier  met  blijkbaar  zorgzame  hand  naar  de  verschillende 
perioden  in  de  kunstgeschiedenis  geplaatst  en  gerang- 
schikt. En  zoo  is  deken  Graaf  in  het  bisdom  Haarlem 
de  Maecenas  geworden,  in  wien  de  kunst  niet  enkel 
een  begunstiger  maar  boven  velen  een  kenner  en  ver- 
eerder gevonden  heeft  ^). 


Op  het  einde  van  het  jaar  1905  kwamen  op  uit- 
noodiging  van  den  heer  G.  Th.  M.  van  den  Bosch,  te 
Alkmaar  woonachtig,  enkele  priesters  en  leeken  te 
Ouderkerk  samen  om  het  herstel  te  bespreken  der  al- 
oude devotie  van  Onze  lieve  Vrouw  ter  Nood  te  Heilo. 

Zeer  waarschijnlijk  reikt  deze  devotie  tot  diep  in  de 
Middeleeuwen;  maar  het  „kapelleken  soet"  werd  in  1573 
bij    de   belegering  van  Alkmaar  omvergeworpen ;  in  de 


i)  Zoo  juist  is  van  den  Gids  in  het  Bisschoppelijk  Museum  de  vijfde 
druk  verschenen,  bewerkt  door  J.  J.  Graaf  en  H.  A.  Th.  van  Dam. 
Vgl.  de  Katholiek',  dl.  144,  jg.  19 13,  blz,  373 — 375.  De  eerste  druk 
van  den  »Gids"  verscheen  in  1878,  de  tweede  in  1881,  de  derde  in 
1888,  de  vierde  in   1900. 

2)  Ik  denk  hier  aan  de  opstellen  van  deken  Graaf,  verschenen  in 
de  Katholiek,  handelende  over:  Het  voorrecht  der  Gothiek,  dl.  ()-i/]g.  1888, 
blz.  389—413;  Vgl.  Bots,  P.  M. :  Christelijke  Kunst-ideeën,  Leiden, 
G.  van  Brussel,  1895,  dl.  II,  blz.  22—31;  Traditie  in  de  Kerkelijke 
Kunst:  De  Kath.  dl.  100,  jg,  1891,  blz.  51  —  87;  en  blz,  185—222; 
Oude  Kunst  en  Grootkapitaal:  De  Katholiek,  jg.  1899,  blz.  371—387 
en    Van  Onzen   Tijd,  jg.    10,  Afl.  VI. 


153 

i8e  eeuw  werden  op  last  van  de  Staten  zijn  grond- 
slagen uitgeroeid,  maar  de  devotie  was  sterk  genoeg 
om  tot  in  het  begin  der  vorige  eeuw  te  blijven  voort- 
bestaan. Die  devotie  wenschte  men  te  doen  herleven ; 
en  de  kleine  vergadering  bracht  hare  verlangens  en 
voornemens  daaromtrent  eerbiedig  ter  kennis  van  Z.  D.  H. 
den  bisschop  van  Haarlem. 

De  bisschop  betuigde  zijne  hooge  ingenomenheid  met 
de  voorgelegde  plannen  en  zond  aan  den  deken  van 
Ouderkerk  het  volgende  schrijven : 

Bisdom  van  Haarlem  A/o.  /6<ps. 

In  verband  met  de  pogingen,  welke  door  verschillende  Eerw. 
Heeren  Geestelijken  en  leeken  reeds  werden  aangewend,  om  te 
komen  tot  herstel  der  aloude  devotie  van  O.  L.  Vrouw  ter  Nood 
te  Heilo; 

3>Zoo  hebben  Wij  gemeend,  tot  meerdere  eer  en  glorie  van  de 
allerheiligste  Maagd  en  Moeder  Gods  Maria,  te  moeten  oprichten 
gelijk  wij  derhalve  doen  bij  dezen,  een  Bisschoppelijk  Comité,  dat 
zich  ten  doel  zal  stellen  de  kapel,  welke  eertijds  bestond  op  de 
bedevaartsplek  van  O.  L.  Vrouw  ter  Nood  of  te  Runxputte  te 
Heilo  weder  op  te  bouwen  en  de  devotie  tot  O.  L.  Vrouw  ter 
Nood  te  herstellen  en  te  verspreiden. 

»Tot  leden  van  dit  Comité  worden  door  Ons  benoemd  de  Zeer- 
eerw.  Heer  J.  J.  Graaf,  Deken  en  Pastoor  te  Ouderkerk  aan  den 
Amstel ;  de  Zeereerw.  Pater  J.  A.  F.  Kronenburg  C.  SS.  R.  te 
Roermond;  de  Heer  C.  J.  Gonnet,  archivaris  te  Haarlem;  de  Heer 
G.  Th.  M.  van  den  Bosch  te  Alkmaar  en  de  Heer  Jan  Stuyt, 
architect  te  Amsterdam. 

»Wij  behouden  Ons  voor  om  in  de  samenstelling  van  het  Comité, 
alsmede  in  het  aantal  leden  ten  alle  tijde  wijziging  te  kunnen 
aanbrengen. 

ï>Gedaan  te  Haarlem  den  28en  December  1905. 

t  AUGUSTINUS  JOSEPHUS, 
Bisschop  van  Haarlem. 

Deken  Graaf,  die  zich  een  rustig  en  kortstondig  lid- 
maatschap van  het  comité  verhoopte,  werd  al  aanstonds 
door  de  leden  niet  enkel  als  hun  voorzitter  gekozen, 
maar    tevens,    als  bij  uitstek  bevoegde,  aangewezen  om 


154 

de  devotie,  die  op  dwaalwegen  dreigde  te  verloopen, 
tot  hare  ware  beteekenis  terug  te  brengen,  en  de  vraag 
te  stellen :  hoe  hebben  onze  vooronders  de  uitdrukking 
O.  L.  Vr.  ter  Nood  verstaan?  En  het  in  é^  Bijdragen 
gegeven  antwoord,  luidde  i) :  „We  zullen,  dunkt  mij, 
het  veiligst  en  zekerst  handelen,  indien  wij  de  uitdrukking 
O.  L.  V.  ter  Nood  niet  anders  opvatten  dan  in  den 
zin  van   O.  L.  V.  troost  e?i  hulp  in  onzeti  nood.'' 

Hetgeen  verder  door  deken  Graaf  en  de  andere  leden 
van  het  comité  gedaan  werd  tot  herstel  en  verspreiding 
der  devotie  van  O.  L.  V.  ter  Nood  te  Heilo,  vraagt,  als 
vallende  buiten  dit  kader,  hier  geene  nadere  beschrijving. 


Den  2en  October  1906  herdacht  deken  Graaf  onder 
algemeene  deelneming  van  Üuderkerk's  ingezetenen  zijn 
zilveren  pastoorsfeest,  bij  welke  gelegenheid  de  paro- 
chianen hem  eene  feestgave  brachten  in  geld,  welke 
door  den  jubilaris  grootendeels  besteed  werd  om  zijn 
portret  door  Th.  Molkenboer  te  laten  schilderen,  het- 
welk als  aandenken  in  de  pastorie  zou  blijven. 

Deze  feestviering  was  ook  de  gelegenheid  van  zijne 
benoeming    tot  Geheimkamerheer  van  Z.  H.  den  Paus. 

Het  dagblad  „de  Residentiebode"  gaf  in  zijn  nummer 
van  5  October  1906  omtrent  deze  feestviering  het- 
volgend  verslag : 

Op  waardige  wijze  is  gisteren  door  Mgr.  J.  J.  Graaf  zijn  25-jarig 
herderschap  met  zijne  parochianen  herdacht  geworden.  Alles  wat 
maar  eenigszins  aan  deze  feestviering  een  wereldsch  karakter  kon 
geven,  moest  op  uitdrukkelijk  verlangen  van  den  jubilaris  achter- 
wege blijven.  Vandaar  kon  er  aan  inhalen  met  een  ruiterstoet  of 
aan  begeleiden  met  versierde  fietsen  bij  de  intrede  van  den  Jubilaris 
des  avonds  te  voren  in  zijne  parochie,  geen  oogenblik  gedacht  worden. 


I)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXX,  bh.  288. 


155 

Het  feest-comité,  dat  zich  uit  de  verschillende  vereenigingen  in  de 
parochie  gevormd  had,  had  daarom  wijselijk  al  zijne  krachten 
gewijd  aan  eene  kunstvolle  versiering  der  kerk ;  en  teneinde  daarbij 
niet  den  ouden  traditioneelen  sleur  van  versiering  te  volgen,  maar 
iets  te  leveren  waarin  de  kunstzinnigheid  van  den  Jubilaris  zich 
verheugen  en  verblijden  zou,  de  voorlichting  gevraagd  van  den 
bekenden  architect  Jan  Stuyt.  En  zoo  was  deze  versiering  die 
grootendeels  uit  sparregroen,  klimop  en  eikenloof  was  samengesteld, 
en  door  tint  en  kleur  een  heerlijk  kleurenspel  leverde,  waarlijk 
eenig  te  noemen. 

In  dezen  rijk  versierden  tempel  dan  werd  gisteren  door  den 
Jubilaris  een  Offer  opgedragen  van  dankbaarheid,  daarbij  bijgestaan 
door  pastoor  Krul,  een  neef  van  den  jubilaris,  en  door  pastoor 
Le  Jeune,  den  oudste  zijner  oud-kapelaans.  Door  pastoor  van  Zanten 
werd  de  feestrede  gehouden,  naar  aanleiding  van  het  woord  des 
Apostels,  dat  aanmaant  tot  dankbaarheid.  Want  dankbaar  moesten 
de  parochianen  wezen  om  het  vele  goede  dat  mgr.  Graaf  in  de 
afgeloopen  25  jaren  als  pastoor  zijnen  parochianen  geschonken 
had,  en  de  jubilaris  insgelijks  zoude  dankbaar  wezen  dat  Gods 
goedheid  hem  als  uitdeeler  zijner  genadegaven  zoo  langen  tijd 
voor  de  parochie  Ouderkerk  had  aangesteld. 

Na  de  H.  Mis  werd  door  de  overvolle  kerk  met  geloovigen, 
den  jubilaris  een  feestlied  toegezongen. 

Vermelden  wij  nog  dat  de  groote  zaal  van  het  R.-K.  Gezellenhuis 
voor  deze  gelegenheid  in  een  feestzaal  was  veranderd,  waarin  aan 
alle  parochianen  gelegenheid  werd  geboden  hun  jubileerenden 
pastoor  persoonlijk,  al  gelukwenschend,  de  hand  te  drukken. 

In  den  loop  dezer  week  zal  in  het  genoemde  R.-K.  Gezellenhuis 
door  voordrachten,  tooneelspel  en  muziek  hulde  worden  gebracht 
aan  hetgeen  de  jubilaris  in  zijn  rijk  priesterleven  aan  geschiedenis, 
kunst  en  muziek  geleverd  heeft. 

Moge  mgr.  Graaf  nog  langen  tijd  voor  het  Bisdom  Haarlem 
gespaard  blijven. 

Intusschen  werd  het  ijzeren  gestel,  waarover  Mgr.  Graaf 
zich  zoovele  jaren  mocht  verheugen,  door  het  naderen 
van  den  ouderdom,  maar  vooral  door  een  taaien  en 
vasthoudenden  aanval  van  bronchitis  eerst  in  1902  en 
later  opnieuw  in  1907  zoodanig  verzwakt,  dat,  op  raad 
van  den  geneesheer,  rust  en  herstel  in  het  bekoorlijke 
Honnef  moest  gezocht  worden.  En  beide  malen  bleef 
verbetering  niet  uit :  maar  toch  het  bestuur  eener  buiten- 


156 

parochie  en  de  zorgen  van  een  uitgestrekt  dccanaat 
bleven  zoodanig  aanmanen  tot  omzichtigheid,  dat,  op 
aanraden  van  den  geneesheer,  ook  Mgr.  Graaf  het  beter 
oordeelde  in  het  voorjaar  van  1910  aan  zijne  kerkelijke 
Overheid  ontslag  uit  de  heilige  bediening  aan  te  vragen  : 
hetgeen  hem  in  April  1910  op  eervolle  wijze  verleend  werd. 

Bij  deze  gelegenheid  mocht  ik  „ter  afscheid  van 
mgr.  Graaf"  in  het  Katholieke  Weekblad  van  23  April 
onder  meer  het  volgende  schrijven : 

„Zoo  was  dan  het  bericht,  hetwelk  in  de  laatste  weken 
van  allerlei  zijden  kwam  opduiken,  geen  gepraat  van 
menschen  maar  waarheid  geweest:  Deken  Graaf  had  den 
Bisschop  ontslag  gevraagd  uit  de  heilige  bediening  en 
zou  zijne  parochie  gaan  verlaten. 

„Zondag  onder  beide  H.  Missen  voerde  de  Deken  zelf 
het  woord,  en  bevestigde  de  geruchten,  welke  zijnen 
parochianen  omtrent  zijn  heengaan  waren  ter  oore  ge- 
komen. 

„Mocht  het  besluit  voor  sommigen  al  eenigszins  be- 
vreemdend geweest  zijn,  't  was  naar  hij  meende  —  zoo 
sprak  de  scheidende  herder  —  ten  onrechte.  Want  het 
kon  niet  onbekend  zijn  gebleven,  hoe  in  de  laatste  jaren 
de  zwakke  zijde  zijner  gezondheid  al  meer  en  meer  zich 
openbaarde ;  't  viel  te  vreezen,  dat  bij  het  stijgen  der  jaren 
dit  „zwakke"  en  zorgzame  eer  toenemen  dan  verminderen 
zou,  hetgeen  tot  nadeel  zou  strekken  der  parochianen. 
En  aan  dat  gevaar  wilde  hij  de  zijnen,  over  wie  met 
groote  bezorgdheid  bijna  30  jaren  lang  gewaakt  was, 
niet  blootstellen.  Te  minder  wijl  in  dezen  tijd,  meer  nog 
dan  anders,  aan  het  hoofd  eener  parochie  dient  te  staan 
een  man  van  frissche  levenskracht,  steeds  in  staat  de 
gevaren  te  weren,  welke  van  vele  en  verschillende  zijden 
het  ziele-heil  der  parochianen  bedreigen. 

„En    zoo  meende  hij,  dat  zoowel  voor  hem  als  voor 


157 

zijne   parochianen    het    uur   van  scheiden  geslagen  had. 

„'t  Was  geen  wonder,  dat  deze  woorden  droefenis 
wekten  in  veler  harten,  want  ziet,  nu  het  veld  van  zijn 
priesterlijken  arbeid  wit  staat  voor  den  oogst,  nu  gaat 
de  herder,  die  waakte  en  zorgde,  henen  in  ruste. 

„Toch  past  hier  meer  dan  droefenis  veeleer  oprechte 
dankbaarheid  voor  hetgeen  hij  door  woord  en  daad  — 
en  niet  minder  door  zijn  voorbeeld  —  voor  ons  heeft 
tot  stand  gebracht." 

En  Gods  goedheid  heeft  aan  Mgr.  Graaf  een  helderen 
ouden  dag  geschonken,  zoodat  ook  na  1 910  nog  menige 
bijdragen  of  opstellen  in  de  bovengenoemde  tijdschriften 
van  zijne  hand  verschenen  zijn.  En  genoegzaam  is  het 
bekend  dat  binnenkort  eene  afzonderlijke  uitgave:  Neder- 
landsche  Doopnamen,  het  licht  zal  zien. 

„Het  boekje  —  aldus  Mgr.  Graaft)  —  waarvan  het 
plan  ontworpen  is,  wil  antwoord  geven  op  de  vragen  : 
1°.  hoe  hebben  we  de  doopnamen  te  geven.?  2°.  hoc 
hebben  we  ze  te  dragen  .■"  En  het  antwoord  zal,  kort 
gezegd,  luiden:  ad  im.  naar  de  namen  van  Gods  lieve 
Heiligen ;  ad  2ni.  als  goede  vaderlanders." 

In  den  nazomer  van  1912  verhuisde  Mgr.  Graaf  van 
Haarlem  naar  Overveen  in  het  toen  juist  voltooide 
„Duinrust",  waar  hij  in  Augustus  19 12  onder  een  be- 
scheiden kring  van  familie-leden  en  vrienden  zijn  gouden 
priesterfeest  herdacht. 

Stet  et  pascat  in  fortitudine  tua,  Domine,  in  subli- 
mitate  nominis  tui !  — 


Aloysins  Dominicus   Timans,  die  den  29en  April  1910 
Mgr.    Graaf   als    deken    en    pastoor   opvolgde,  was  den 


l)    De    /katholiek:    dl.    142,  jg.    1912,  blz.   II5;   Vgl.  De  Katholiek: 
dl,    lOl,  jg.    1892,  hU.  228—249. 


158 

2ien  Februari  1861  te  Goes  geboren,  studeerde  op  onze 
beide  Seminariën  en  werd  den  i6en  Augustus  1885  <^oor 
Mgr.  Bottemanne  tot  priester  gewijd.  Achtereenvolgens 
was  hij  kapelaan  te  Haarlem  (O.  L.  Vr.  Rozenkrans  en 
H.  Dominicus  van  1885 — 1889),  te  Vlissingen  van  1889  — 
1895,  te  Delft  van  1895 — 1903  en  sinds  1903  pastoor 
te  Oud-Ade.  Onder  zijn  herderlijk  bestuur  werd  de  be- 
schildering der  parochie-kerk,  waarmede  onder  zijn  voor- 
ganger een  begin  was  gemaakt,  geheel  afgewerkt.  Merk- 
waardig dat  ook  deze  arbeid  mocht  geschieden  onder 
leiding    van    den    hoogbejaarden  architect  Dr.  Cuypers. 

Tevens  werd  onder  het  pastoraat  van  deken  Timans 
bij  de  vele  reeds  bestaande  vereenigingen  den  i6en  Mei 
1912  eene  afdeeling  gevoegd  vanden  R.  K.  Volksbond. 

En  nu  ten  slotte  moge  ik  met  alle  bescheidenheid 
zeggen,  dat,  na  zulk  eene  lange  en  eerbiedwaardige 
reeks  van  priesters,  die  allen,  naar  de  mate  der  gaven 
hun  door  God  geschonken,  de  beste  krachten  naar 
ziel  en  lichaam  gewijd  hebben  aan  het  welzijn  der 
katholieken  van  Ouderkerk,  de  tegenwoordige  herder 
al  de  Apostolische  kracht  zal  gevoelen  van  het  Woord 
des  Apostels :  depositum  custodi :  bewaar  het  U  toe- 
vertrouwde pand  1). 

Allerheiligen,  19 13, 
Nieuwerkerk  a/d.  IJsel.  J.  C.  van  der  Loos. 


I)  I    Tim.:  VI,  20. 


AANHANGSEL. 


I. 

Het  volgende  overzicht  der  doopelingen  geeft  op-  en 
neergang  aan  van  het  Ouderkerksche  zielental. 


1717 
1718 
1719 
1720 
1721 
1722 
1723 
1724 
1725 
1726 
1727 
1728 
1729 
1730 
1731 
1732 

1733 
1734 
1735 
1736 

1737 
1738 
1739 
1740 
1741 
1742 
1743 
1744 
1745 
1746 

1747 


22 

1817 

30 

1818 

30 

1819 

26 

1820 

28 

1821 

31 

1822 

33 

1823 

37 
37 

1824 

1825 

35 

1826 

38 

1827 

34 

1828 

26 

1829 

25 

1830 

41 

1831 

33 

1832 

32 

'833 

44 

1834 

40 

1835 

38 

1836 

44 

1837 

22 

1838 

42 

1839 

32 

1840 

38 

1841 

34 

1842 

43 

1843 

39 

1844 

39 

1845 

33 

1846 

38 

1847 

27 
28 

36 

31 

37 
30 
36 
38 
32 
33 
23 
26 

37 
42 
44 
36 
33 
40 

33 
36 
40 
42 
42 
39 
50 
40 
34 
45 
36 
40 

35 


i6o 


1748 32 

1749 22 

1750 26 

1751 34 

1752 24 

1753 23 

1754 29 

I7SS 23 

1756 34 

1757 33 

1758 .  28 

1759 33 

1760 22 

1761 25 

1762 40 

1763 22 

1764 29 

1765 31 

1766 22 

1767 20 

1768 22 

1769 17 

1770 21 

1771 27 

1772 16 

1773 15 

1774 20 

1775 26 

1776  .     .     .■ 17 

1777 28 

1778 26 

1779 30 

1780 18 

1781 29 

1782 22 

1783 31 

1784 24 

1785 36 


848 33 

849 50 

850 51 

851 52 

852 48 

853 45 

834 31 

855 37 

856 36 

857 55 

858 30 

859 39 

860 41 

861 43 

862 41 

863 51 

864 48 

865 50 

866 49 

867 49 

868 46 

869 40 

870 41 

871 48 

872 54 

873 63 

874 53 

875 46 

876  ') 46 

877 41 

878 43 

879') 50 

880 60 

881 •     •  49 

882 •     •  45 

883 55 

884 43 

885 49 


i)  Het  getal  communicanten  daalde  in  dat  jaar  aanmerkelijk,  omdat 
vele  turfwerkers  met  hunne  gezinnen  naar  den  Akerpolder  vertrokken 
onder  Osdorp  en  Sloten. 

2)  In  de  helft  des  jaars  1879  vestigden  zich  vele  katholieke  polder- 
werkers  in  den  Middenpolder. 


[6i 


1786 22 

1787 29 

1788 35 

1789 29 

1790 28 

1791 28 

1792 29 

1793 31 

1794 24 

1795 32 

1796 28 

1797 31 

1798 30 

1799 44 

1800 37 

1801 35 

1802 34 

1803 38 

1804 42 

1805 33 

1806 50 

1807 38 

1808 38 

1809 30 

1810 49 

1811 29 

1812 28 

1813 31 

1814 31 

181S 35 

1816 30 


1886 45 

1887 40 

1888 43 

1889 62 

1890 42 

1891 48 

1892 50 

1893 44 

1894 49 

1895 52 

1896 42 

1897 45 

1898 34 

1899 50 

1900 41 

1901 54 

1902 48 

'903 52 

1904 47 

1905 47 

1906 55 

1907 42 

1908 49 

1909 37 

1910 48 

1911 46 

1912 45 

1913 48 


II. 


LIJST   DER   EERWAARDE    HEEREN 

DIE  ALS  KAPELAAN  OF  ASSISTENT  TE  OUDERKERK 

ZIJN  WERKZAAM  GEWEEST. 


Namen  : 
Gerardus  Antonius  v.  d.  Lugt. 
Daniël  v.  d.  Ende. 
Hermanus  F.  Vollebregt. 
Jan  Janse  Mols  '). 
J.  Bos  2). 

Joës  G.  van  der  Aa. 
Corn.  Ev.  Schermer. 
Bern.  Middendorp. 
Petrus  Corn.  Buys. 
Andreas  Bern.  Naaijers. 
Jacobus  Westgeest. 
Joës  W.  Husing. 
Wilh.  Fred.  Mehler. 
Petrus  Jac.  van  MiP). 
Arnoldus  Heuvels. 
Franc.  Bern.  Duvergé. 
Joës  Theod.  Herm.  Schrijvers. 
Franc.  Bern.  Duvergé. 
Ludov.  Adam  Gussenhoven. 
Herm.  Ant.  Preijer. 
Bernardus  v.  Buuren. 
Hub.  Theod.  van  Deyl. 
Jos.  Jac.  Frentrop. 
Wouterus  Huyg. 
Cornelis  v.  d.  Jagt. 
Henr.  Theod.  Coenen. 
Aug.  Leon.  v.  Rijn. 
Petr.  Desid.  Zondag. 
Petrus  Adr.  Lejeune. 
Joës  Ant.  Haverman. 
Jac.  Joës  Samwel. 
Petrus  Nieman. 
Jac.  Corn.  v.  d.  Loos. 
Ant.  Slijkerman. 
Petrus  Rombout  den  Boer. 


Geboorteplaats . 
Amsterdam. 


Amsterdam. 

Wormerveer. 

Nieuwendam. 

Oosterblokker. 

Amsterdam. 

Aarlanderveen. 

Amsterdam. 

Amsterdam. 

? 
Warmond. 
Amsterdam. 
Schiedam. 
Amsterdam. 
Delft. 

Amsterdam. 
Voorburg. 
Delftshaven. 
Amsterdam. 
Zandpoort. 
Langeraar. 
Den  Haag. 
Delft. 

Den  Haag. 
Gouda. 
Den  Haag. 
Wateringen. 
Roelofs-Arendsveen, 
Rijswijk  (Z.-H.). 
Spierdijk, 
Zierikzee. 


Te  Ouderkerk . 
1798. 

1808 
1808- 1818 
1818— 1819 
1819— 1821 
1822—1824 
1824— 1827 
1827— 1833 

1833- 

1833— 1840 

1840— 1842 

1842. 

1842. 

1842— 1844. 

1845. 

1845—1846 

1846. 

1846—1847, 

1847— 1858, 

1858—1860, 

1860—1861 

1861  — 1864 

1864-1871 

1871  —  1876 

1876-1S78 

1878—1880 

1880-1883 

1883—1890 

1890—1893 

1893—1894 

1894—1901 

1901  — 1912 

1907 — 1908 

1912. 


1)  De  Godsdiensti'iiend:  dl.  I,  blz.  276  -  277. 

2)  De  namen  dezer  vier  eerwaarde  Heeren  vond  ik  in  het  kerk- 
archief opgeteekend  als  vernomen  van  oude  lieden  ;  maar  in  het 
bisschoppelijk  archief  zijn  over  hen,  zoo  min  als  over  hun  geboorte- 
plaats of  verblijf  te  Ouderkerk,  geen  aanteekeningen  voorhanden. 

3)  Priester  gewijd  31  Maart  1841,  kapelaan  te  Warmond  in  1841, 
gestorven  te  Ouderkerk  den  6en  September  1842,  oud  25  jaar  en  ruim 
zes  maanden.  Hij  gaf  aan  de  kerk  zijn  zilveren  kelk  len  geschenke. 
De  Godsdie>istc'ric7id :  dl.  XLVI,  blz.  255. 


III. 


Wijl  Kerk-  en  Armmeesters  uit  de  voornamen  der 
parochie  plegen  gekozen  te  worden,  mogen  zij  hier  eene 
plaats  vinden  in  het  belang  der  geschiedenis  van  onze 
Roomsche  geslachten. 


LIJST  DER  KERKMEESTERS  SINDS  DE  OPRICHTING  VAN 
HET  PAROCHIAAL  KERKBESTUUR:  4  MEI  1858. 

Jan  van  Galen : 
Jan  Timmer: 


Symon  Zuidwijk  : 
Gerrit  de  Wit: 
Dirk  Voordewind : 
Piet  Kooyman : 
Willem  Hesp: 
Cornelis  Kea : 
Piet  Nieuwendijk : 
Gerrit  van  Nes : 
Gerrit  Zwanenburg 
Reinier  Pouw : 
Cornelis  Schelling : 
Jan  Voordewind : 
Gerrit  Timmer : 


1858—1859 
1858— 1888 
1858— 1862 
1858— 1876, 
1859— 1903, 
1862—1873, 
1873— 1876, 
1876— 1908 
1876— 1881 
1 881—  1907 
1888— 1899 
1899— 
1903— 
1907— 
1908 — 


IV. 

LIJST   DER   ARMMEESTERS  SINDS  DE  OPRICHTING  VAN 
HET  PAROCHIAAL  ARMBESTUUR:  23  FEBRUARI   1855. 


Willem  Houweling: 

1855- 

-1886. 

Gerrit  Kleyn : 

1855- 

-1865. 

Hannes  van  Nes : 

1855- 

-1871. 

Jan  Kort : 

1855- 

-1866. 

Jan  Schrijver: 

1866- 

-1868. 

Jan  Marsen : 

1867- 

-1885. 

Frans  Siro: 

1868- 

-1878. 

Jan  Snel  Hz.  : 

1871- 

-1907. 

Jan  van  der  Kroon : 

1878- 

-1886. 

Jan  Timmer : 

1885- 

-1899. 

Jan  Verleun : 

1886- 

-1891. 

Gijs  Vrolijk: 

1886- 

-1908. 

Hein  Vervvey : 

1891- 

-1904. 

Dirk  Brandts: 

1899- 

-1904. 

Kors  van  Tol: 

1904. 

Jan  van  't  Schip: 

1904. 

Jan  Snel  Jz. : 

1907. 

Piet  Vrolijk: 

1908. 

HET   CONVENT  DER  PREDIKAREN 
TE  HAARLEM. 


Zoo  luidt  de  naam  waaronder  de  Dominicanen  hier 
van.  ouds  het  meest  en  het  best  bekend  waren.  Toch 
worden  zij  ook  wel  vermeld  als  De  Predikheeren,  en 
als  De  Jacobijnen. 

Hunne  vestiging  te  Haarlem  valt  in  den  tijd  van 
Floris  V,  toen  deze  nog  het  Grafelijk  hof  (of  paleis 
als  men  het  zoo  noemen  wil)  bewoonde,  dat  in  de 
Spaarnestad  was  gesticht  voor  de  Landsheeren,  die  zich 
van  tijd  tot  tijd  hier  ophielden,  en  dat  naderhand,  toen 
de  Graven  zich  zoo  goed  als  voor  vast  in  'sGravenhage 
vestigden,  aan  de  Stad  is  overgegaan  en  blijvend  tot 
Raadhuis  bestemd  werd. 

Dat  alles  behoort  met  recht  tot  de  grijze  oudheid, 
maar  men  dient  ook  ver  in  het  verleden  terug  te  gaan 
om  iets  van  de  Predikaren  te  zeggen. 

Floris  schonk  hun  in  1286  een  uitgestrekt  terrein 
naast  en  vooral  achter  zijn  paleis  gelegen,  waar  de 
geestelijke  Heeren  hun  klooster  stichtten.  Het  besloeg 
de  plaats  welke  thans  wordt  ingenomen  door  het  Pand 
en  het  Prinsenhof.  De  ingang,  nu  nog  vrijwel  onver- 
anderd, was  in  de  Koningstraat  naast  het  Raadhuis, 
(de  Pandpoort).  Van  de  kerk  of  kapel,  welke  stond  in 
de  Jacobijnenstraat,  hoek  Prinsenhof,  .is  niets  meer  over 
dan  eene  raamtraceering.  De  kloostertuin,  eene  ruime 
oppervlakte,  had  een  uitgang  naar  de  Nobelstraat  en 
een    naar    de    Zijlstraat,    beiden    thans    nog    zeer   goed 

II 


i66 


herkenbaar.  Door  dien  kloosterhof  vloeide  de  Beek, 
toen  een  zuiver,  vischrijk  water,  dat  van  de  duinen 
afkwam  en  in  het  Spaarne  uitliep. 

Het  Predikaren-convent  is  van  alle  vroegere  klooster- 
gebouwen  in  Haarlem  het  eenige,  waarvan  nog  iets  van 
belang  is  overgebleven. 

Er  bestaat  nog  van  : 

De  kapittelzaal, 

Eenige  aangrenzende  lokalen,  misschien  het  dormito- 
rium  en  de  librye. 

Een  paar  woonvertrekken,  laatst  gebruikt  als  huizing 
van  den  Bewaarder  van  het  Prinsenhof. 

Nog  eene  zaal  over  de  kapittelzaal. 

De  kloostergangen,  vier  galerijen  rondom  een  ruim 
binnenhof. 

En  de  groote  toegangpoort  in  de  Koningstraat. 

Van  de  geschiedenis  en  lotgevallen  van  dit  geestelijk 
gesticht,  is  hier  en  daar  wel  wat  te  vinden.  Geen  aan- 
eengeschakeld verhaal,  waarvoor  de  bouwstoffen  waar- 
schijnlijk niet  bestaan,  ten  minste  tot  heden  niet  te 
voorschijn  zijn  gekomen,  maar  zoo  enkele  omtrekken, 
die  een  algemeen  denkbeeld  geven,  vooral  van  het  uit- 
wendig leven  der  Predikaren,  doch  welke  van  zoodanigen 
aard  zijn,  dat  elke  aanvulling  welkom  mag  heeten. 

Er  zal  beproefd  worden  iets  toe  te  voegen  aan  hetgeen 
hier  en  daar  opgeteekend  is,  en  als  grondslag  van  deze 
nieuwste  mededeelingen  zal  te  stade  komen,  hetgeen  de 
ZeerEer waarde  Heer  G.  A.  Meijer,  Supprior  van  het 
Dominicanenklooster  te  Zwolle,  de  goedheid  had  mij  te 
verschaffen. 

Over  de  herkomst  der  stukken  welke  hij  in  mijne 
handen  stelde,  allereerst  de  volgende  ophelderingen  van 
zijne  hand : 

Zij   behoorden,  met  nog  vele  anderen,  tot  het  archief 


i67 

van  het  voormalig  Dominicanenklooster  te  Mechelen. 
Tijdens  de  Fransche  revolutie  is  dit  goed  verzorgd 
archief  verspreid.  Een  klein  gedeelte,  waaronder  ook 
deze  akten,  is  in  de  vorige  eeuw  terecht  gekomen  in 
het  tegenwoordig  Dominicanenklooster  te  Gend  en  wordt 
daar  nog  bewaard. 

Hoe  de  oorkonden  en  eigendomsbewijzen  van  Haarlem 
naar  Mechelen  kwamen,  is  gemakkelijk  te  verklaren. 
Reeds  in  Mei  1620  vestigde  Pater  Boudaen,  Dominicaan 
van  's  Hertogenbosch,  zich  te  Haarlem  en  stichtte  daar 
eene  Statie  in  de  bierbrouwerij  „De  Klaveren".  Na  de 
verovering  van  's  Hertogenbosch,  verplaatsten  zich  de 
Bossche-Dominicanen  naar  Mechelen  en  zonden  van  daar 
zendelingen  naar  de  Statie  te  Haarlem,  tot  dat  in  1731, 
door  de  woelingen  der  Jansenisten,  deze  Statie  voor- 
waardelijk aan  den  seculieren  clerus  ter  bediening  werd 
gegeven.  Wat  de  Dominicanen  te  Haarlem,  uit  hun 
oud  klooster  nog  aantroffen,  hebben  zij  vermoedelijk  te 
's  Hertogenbosch  en  later  te  Mechelen  in  veiligheid 
gebracht. 

Ter  aanvulling  van  hetgeen  door  Pater  Meijer  ge- 
leverd is,  zijn  nog  bijgevoegd  eenige  akten  en  dergelijke 
merkwaardigheden  betreffende  het  klooster,  nu  en  dan 
gevonden.  Er  wordt  steeds  vermeld,  waar  die  stukken  enz. 
berusten. 

Ook  dient  medegedeeld,  dat  er  een  paar  bij  zijn, 
welke  niet  rechtstreeks  van  het  Predikheeren-klooster 
spreken.  Maar  zij  hebben  er  toch  betrekking  op,  want 
het  zijn  de  voorgangers  van  latere  opdrachtbrieven, 
waarbij  de  renten  e.  d.  in  deze  oudere  documenten 
omschreven,  aan  het  convent  overgingen. 

De    nu    nog    bestaande    groote    toegangpoort  van  het 


klooster,  in  de  Koningstraat  naast  het  Raadhuis,  is 
overbouwd.  Het  zich  daar  bevindende,  gewelfde  vertrek, 
behoort  tot  het  Raadhuis,  wordt  „de  Sacristie"  genoemd 
en  heeft  altijd  gediend  en  wordt  nu  nog  gebruikt  tot 
bewaarplaats  van  archieven. 

Het  is  met  zekerheid  bekend,  dat  deze  localiteit  dag- 
teekent  uit  het  jaar  1456/7  en  het  is  niet  onaardig  te 
vernemen,  in  welker  voege  de  kosten  der  stichting  er 
van,  konden  gekweten  worden.  Men  zal  zich  gewis  vooraf 
van  stadswege  met  de  kloosterheeren  omtrent  die  over- 
bouwing  verstaan  hebben,  en  toen  het  tot  de  uitvoering 
kwam,  vond  men  toevalligerwijze  een  gemakkelijk  middel, 
hier  te  Haarlem  in  de  middeleeuwen  meer  toegepast, 
om  de  stedelijke  kas  zooveel  mogelijk  ongemoeid  te 
laten. 

Een  biertapper  had  zich  schuldig  gemaakt  aan  ergerlijke 
bedriegerijen,  met  halve  vaten  te  gebruiken  welke  gingen 
boven  de  inhoudsmaat,  waardoor  hij  willens  en  wetens, 
den  brouwers  bier  ontstal  en  de  stad  in  haar  accijns 
veel  te  kort  deed.  Maar  dat  bedrog  kwam  aan  het 
licht  en  de  bedrieger  in  handen  van  het  gerecht,  dat 
hem  niet  zoetsappig  behandelde.  Hij  werd  op  St.  Lucien- 
dag,  13  December,  1456  veroordeeld,  om  voor  zijne 
rekening  te  leveren  al  hetgeen  noodig  zou  wezen  tot 
den  bouw  van  de  nieuwe  stedekamer  waarmede  half 
Maart  1456  zou  worden  aangevangen,  n.1.  steen,  kalk, 
hout,  leien,  lood,  ijzerwerk  enz. ;  het  arbeidsloon  nam 
de  stad  voor  hare  rekening;  en  bovendien  werd  hij 
voor  den  tijd  van  tien  jaren  gebannen  uit  de  stad 
en  vrijheid  van  Haarlem  en  uit  de  baljuwschappen 
van  Kennemerland  en  Rijnland.  Krachtens  nadere 
schikking,  compositie  noemde  men  dat,  kocht  hij  de 
boete  in  steen  enz.  af  voor  honderd  Engelsche  nobelen, 
en   zal  toen  wel  uit  Haarlem  verdwenen  zijn. 


169 

Het    vonnis,    pas   besproken,  volgt  hier  woordelijk  i). 

Anno  (M.CCCC.)lvj  des  Manendaechs  op  sinte  Lucyendach. 

Alzo  Wisse  Pietersz.  enige  halve  biervate  bynnen  zijnen 
huyse  gehat  ende  gehouden  heefft,  die  hij  tot  der  brouweren 
huysen  gezonden  heefft  ende  die  laten  vollen  voir  halve 
vate  als  maethoudende,  tot  menygen  tijden,  ende  hij  die 
betaelt  ende  verexijst  heefft  voir  slechte,  halve  vaten, 
ende  niet  hoger.  Niettegenstaende  dat  diezelve  halve 
vaten  te  veel  ende  bovenmaten  te  groot  geweest  hebben, 
wel  tot  zeven,  acht  off  negen  mengelen  toe  opt  halve 
vat,  off  dairenboven,  dair  hij  den  brouwers,  ende  oick 
den  exsisers  vander  stede  wegen,  thoir  mede  ontdragen, 
onthouden  ende  onduechdelicken  vervreemt  heefft.  Ende 
oick  diezelve  Wisse  enige  vanden  gezworen  dregers 
gedreycht  heefft  te  slaen  ende  te  misdoen,  om  dieswille 
dat  hij  him  liet  duncken,  dat  die  dreger  dese  lelicheit 
voers.  wtgebracht  hadde,  Van  alle  welke  zaken  tgerecht 
goede  getuychnisse  gehoirt  ende  die  wairheit  dair  off 
wel  ondervonden  heefft.  Ende  want  dit  zaken  ende 
fayten  zijn  van  alte  quaden  exempel,  dair  niet  alleen 
een  singulier  persoon,  mer  die  gemeyne  buyck  van  der 
stede  bij  beschadicht  wordt,  twelke  tgerecht  ongecorrigiert 
in  geenre  manieren  en  wil  laten  lijden.  Zo  zeittet  gerecht 
den  voirs.  Wisse  dair  voir  over  ter  correctie  ende  beteringe 
voir  die  misdaet  voirscr.  Alze  dat  hij  gehelicken  gelden 
ende  betalen  zal,  alle  die  stoffen  ende  gereetscepe,  hoe 
ze  genoemt  mogen  wesen,  te  weten  steen,  calc,  hout, 
leijen,  loot,  ijserwerck  ende  voirt  alle  tgunt  dat  men 
van  nu  voirtan  behoeven  ende  besigen  zal,  totter  tymme- 
ringe  vander  nyeuwer  stedecamer,  die  nu  ter  tijt  voir 
der  Jacopijnen-poirte  begonnen  is,  gelijc  als  der  stede 
tymmermeisters,  indertijt  wesende,  dat  ordineren  zullen 
tot  oirboir  ende  nutscepc  vanden  wercke  voirscr.,  ter 
tijt  toe  dattie  zelve  camer  altemael  voltymmert  ende 
volmaect  zal  wesen,  van  boven  tot  beneden,  niet  wtge- 
zondert.  Ende  alle  die  voirs.  stoffen  zal  diezelve  Wisse 
doen  leveren  bynnen  der  stede  van  Hairlem,  tot  zulker 
tijt  ende  plaetse,  als  him  der  stede  tymmermeisters  dat 
wijsen  zullen.  Behoudelicken  dat  die  stede  dat  wercloon 
zelve  betalen  zall.  Ende  dit  werk  zal  men  beghinnen 
ende  anvairden  te  maken,  tot  Midmairte  naestcomende 


i)  Inv.  Archief  der  Gemeente  Haarlem   Ie  afd,  No.    1073. 


I70 

off  des  anderen  dages  dair  an,  cnde  dan  voirt  zonder 
middel  achtervolgen  cnde  volwerckcn  ter  tijt  toe,  dattet 
al  volmaect  zal  wesen.  Ende  wairt  sake,  dat  die  voirs. 
Wisse  enich  gebrec  hier  inne  liet  gheschien,  cnde  niet 
en  dede  gelijc  voirs.  is,  zo  zal  men  alle  die  gelden  ende 
costen  vanden  stoffen  voirs.,  terstond  dubbelt  ende 
twyvoudich  heerlicken  maken,  uyt  alle  zijne  gereetstcn 
goeden.  Ende  dairtoe  zal  diezelve  Wisse  dan  terstond 
gebannen  wesen  uyt  der  stede  ende  uyt  der  vrijhede  van 
Hairlem  ende  uyt  den  baeliuscippc  van  Kcnnemcrlant 
ende  van  Rijnlant  thien  jaeren  lanc,  op  zijn  lijff,  ende 
dair  en  tcynden  niet  weder  inder  stede  te  comen, 
tenzij  bij  wille  ende  consente  vanden  gerechte  indertijt 
wesende.  Behoudelickcn  altijt  den  Heer  zijns  Rechts. 
Die  voirscr.  Wisse  heefft  volcomen  die  correctie  hier 
voirgescr.  mit  hondert  engelsche  noblen,  die  hij  in  een 
offcope  dairvoir  betaelt  heefft,  ende  dairom  is  dit  punt 
hier  deurgedaen. 

Thans  wordt  plaats  gegeven  aan  een  der  twee  akten, 
II  Januari  1469,  waarin  het  klooster  niet  vermeld  is, 
maar  welke  eene  rente  betreft,  die  waarschijnlijk  nader- 
hand in  het  bezit  der  Predikaren  is  gekomen. 

Wij  Wouter  van  Bekestein  ende  Koen  Claeiszoen 
scepenen  in  Hairlem  oirconden,  dat  voir  ons  quam 
Clemenise  Jan  de  Witten  wedewe  mit  Jan  Janszoons  hant 
hairs  gecoren  voichts,  ende  gelyede  sculdich  te  wesen 
Jacob  Jansz.  van  Buttenesse  twee  Rijns  gulden  sjaers 
tot  twintich  stuvers  stuck  gerekent,  jairlicxe  lijftochte 
ende  rente,  durende  also  lange  als  de  vors.  Jacob  Jansz. 
leven  zal,  ende  niet  langer,  welke  jaerlicxe  lijftochte  ende 
rente  de  vors,  Clemenisse  mit  hairs  voichts  hant  gelooft 
heeft  ende  gelooft  mit  desen  brieve,  alle  jare  den  vorser. 
Jacob  Jansz.  wel  ende  duechtlic  te  betalen  tot  Onser 
Vrouwendage  te  Lichtmisse,  dair  dat  eerste  jair  der 
betalingen  of  verschinen  zal,  tot  Onser  Vrouwendache 
Lichtmisse  anno  t  zeventich  naestcommende,  ende  also 
vort  van  jare  te  jare,  tot  eiken  Onser  Vrouwendage 
Lichtmisse  elc  na  ander  daer  naest  volgende,  zonder 
pantkeeringe,  durende  des  vorser.  Jacobs  leven  lanck, 
ende  niet  langer,  ende  hiervoir  heeft  de  vors.  Clemenise, 
mit   hars    voichts  hand  vors.  den  vors,  Jacob  Jansz.  in 


171 

de  hant  geset  tot  eenen  onderpande,  die  vors.  jairlicxe 
rente  an  te  verhalen,  alle  hore  goeden,  roer  ende  onroer, 
die  zij  nu  heeft  of  namaels  vercrigen  mach,  waer  ende 
waeran  die  gelegen  zijn,  binnen  Harlem  of  dair  buyte, 
geen  uytgesondert,  des  sijn  vorvvorde,  dat  na  dode 
van  den  vorser.  Jacob  Jansz.,  de  vors.  Clemenise,  Jan  de 
Witten  vvedewe,  vander  jairlicxer  rente  vorser,  vrij  ende 
quyt  wesen  zal  tot  eewigen  dagen.  In  oirconden  desen 
brieve  bezegelt  mit  onsen  zegelen  int  jair  ons  Heeren 
duysent  vierhondert  negen  ende  tzestich  opten  ellefiften 
dach  in  Januario. 

Een  paar  jaren  later,  den  2oeii  November  147 1,  schonk 
Willem  van  Zaenden,  bewogen  door  liefde  tot  het  Aller- 
heiligste Sacrament  en  ten  bate  der  zielen  van  hemzelven, 
zijner  vrouw  en  van  hun  beider  ouders,  jaarlijks  drie 
Rijnsche  guldens,  om  daaruit  eeuwigdurend  eene  lamp 
te  branden.  Hij  zou,  wanneer  de  gelegenheid  zich  aanbood, 
voor  het  klooster  eenig  land  koopen,  waaruit  dan  deze 
inkomsten  blijvend  konden  getrokken  worden  i). 

Ik  Willem  van  Zaenden  Florijsz.  doe  condt  allen 
luyden,  dat  ie  uyt  rechter  minne,  caritate,  puerlic  om 
Goids  willen  ende  in  rechter  testamente,  gemaict  ende 
gegeven  hebbe,  maecke  ende  geve  mit  desen  brieve, 
voir  mijn  ziele,  mijns  wijfs  ziele  ende  onsen  beyder 
ouders  zielen,  den  cloester  vanden  Jacopijnen  binnen 
Hairlem,  drie  Rinsche  gulden  tsjaers,  om  dairmede  een 
lampe  te  branden,  bernende  voir  dat  Heylige  Wairde 
Sacrament,  tot  cwigen  daigen  dairmede  te  verlichten,  welke 
drie  Rinsche  gulden  ie  hemluyden  alle  jairen  uytreyken 
ende  betalen  sal  in  Meye,  ter  tijt  toe  dat  ie  hem  drie 
gulden  tsjaers  in  lande  bewesen  sal  hebben,  behoudelic, 
dat  sij  dese  drie  Rinsche  gulden  tsjaers  voirs.  niet  ver- 
copen  noch  vervremden  en  sullen  moigen,  in  geenre 
manieren,  mer  sullen  blijven  in  een  ewich  testament 
voir  die  zielen  voirs.  In  kennisse  van  desen  heb  ie 
Willem  voirs.  desen  brieve  besegelt  mit  mijnen  zegele, 
hier  angehangen  opten  xxen  dach  in  Novembri  int  jair 
ons  Heren  duy.sent  CCCC  een  ende  tseventich. 


1)  Inv.  Archief  der  Gemeen/e  Haarlem  Ie  afd.  No.    1956a. 


172 

De  andere  akte,  2  Augustus  1476,  welke  uit  het 
klooster  afkomstig  is  maar  dat  er  niet  in  genoemd 
wordt,  handelt  over  eene  schuld  waarvoor  men  verbindt 
een  huis  op  de  Krocht.  Verdere  stukken  van  dergelijken 
onbepaalden  aard,  zullen  wij  hier  niet  meer  ontmoeten. 

Wij  Wouter  van  Bekestein  ende  Jan  van  Schoten 
scepenen  in  Hairlem,  oirconden  dat  voor  ons  quam 
Jan  Willemszoen,  tymerman,  ende  geliede  sculdich  te 
wezen  Lambrecht  Paridaenszoen  vijfthien  rijnsgulden 
tot  viertich  groten  vlaems  't  stuck  gerekent,  hoefdelinge 
te  betalen,  te  weten  deen  helft  dar  ofif  tot  heyligermisse 
naestcomende  ende  dander  helft  tot  Meye  daer  naest- 
volgende  telken  termijn  voirscr.,  zonder  pantkeringe 
ende  hiervoir  heeft  hij  him  tot  een  onderpandt  in  de 
hant  geset  tvoirscr.  geit  an  te  verhalen,  't  vierendeel 
vanden  huyze  mitten  erve,  dat  hij  tegen  him  onder 
een  scepenenbriefif  van  Hairlem  gecoft  heeft,  liggende 
ende  staende  optie  Croft,  ende  dairtoe  alle  zijn  andere 
goeden,  roer  ende  onroer,  die  hij  nu  ter  tijt  heeft  of 
namaels  vercrijgen  mach,  wair  ende  wair  an  die  gelegen 
zijn,  binnen  Hairlem  ofif  dair  buyten,  ter  tijt  toe  dattet 
voirscr.  geit  vol  ende  al  betaelt  is.  In  oirconde  desen 
brieve  bezegelt  mit  onsen  zegelen  Int  jair  ons  Heeren 
duysent  vierhondert  zessentseventich  opten  anderden  dach 
in  Augusto. 

Heer  Claes  Janszoon,  priester,  had  aan  het  klooster 
besproken  eene  rente  van  twintig  schellingen  'sjaars: 
die  moesten  alle  jaren  op  zijn  jaargetijde  aan  wijn  uit- 
geschonken  worden  den  gemeenen  broeders  en  conven- 
tualen  in  den  refter :  schoten  de  prior  of  de  procurator 
hierin  te  kort,  dan  zouden  die  renten  vervallen  aan  het 
heilige  Geesthuis.  Bij  de  hier  volgende  akte  van  8  October 
1476  werd  het  klooster  in  het  bezit  gesteld  van  de  boven- 
vermelde inkomsten. 

Wij  Wouter  van  Bekestein  ende  Gerijt  de  Vischer, 
scepenen  in  Hairlem,  oirconden  dat  voir  ons  quamen 
Dirck  Janszoen,  als  man  ende  voecht  van  Ade  Jansdochter 


173 

zine  wive,  ende  Margriete  Jansdochter,  mit  Dirck  van 
Zaendens  hant,  hairs  gecoren  voechts  voir  recht,  als  recht 
erfnamen  van  wijlen  Heer  Claes  Janszoen,  priester,  hoiren 
broeder  zaliger  gedachten,  ende  opgaven  mit  gezamender- 
hant  tot  eenen  vrijen  eygen  den  prioer  ende  gemeenen 
convent  vanden  predicaren  oerde  binnen  Hairlem,  twin- 
tich  scellingen  goets  gelts  sjaers  pacht,  staende  in 
rechten  poirtrecht  op  Dirck  Willemszoen  boovenhuys 
mitten  erve,  liggende  ende  staende  optie  Oude  Graft, 
tusschen  Volkert  Gerijtszoen  an  deen  zijde,  Gerijt 
Ysbrantsz.  an  dander  zijde,  afterwaerts  streckende  an 
Vrouwelijn  Willem  Luydolfszoens  wede  we,  ende  hebbent 
mit  gezamenderhant,  ende  die  te  voechden  staet  mit  hairs 
voechts  hant,  den  prioer  ende  gemeenen  convent  voirscr. 
geloeft  te  waren  als  men  vrije  pacht  ende  rente  jairlicx 
verschijnende  tot  Bamisse,  staende  op  huys  ende  erve, 
binnen  de  vrijheit  van  Hairlem  sculdich  is  te  waren,  ende 
dat  achtervolgende  alzulck  testament  ende  bespreek,  als 
wijlen  de  voirscr.  heer  Claes  in  zijnen  leven  den  prioer 
ende  gemeenen  convent  gemaect  ende  besproecken  heeft, 
omme  dies  wille,  dat  de  prioer  ende  procuratoer  van  de 
convent  voirscr.  gehouden  zoude  wezen,  alle  jair  ten 
jairgetijde  vanden  voorscr.  Heer  Claes,  de  voirscr.  twintich 
scellingen  te  scinken  an  wijne  binnen  den  cloester  voirscr., 
dats  te  weten  den  gemeenen  broederen  ende  conventualen 
aldair  inden  reventer,  hierinne  verstaende  alzulcke  vor- 
worde,  alze  waert  dat  de  prioer  of  procuratoer  vanden 
cloester  voirscr.  indertijd  wesende  of  yemant  anders  van 
hoirliederwege,  de  voirscr.  twintich  scellingen  anders 
disponeerden  dan  voirscr.  staet,  vercoften  of  vervreemden, 
in  wat  manieren  dattet  waire,  dat  alsdan  de  voirscr. 
twintich  scellingen  eygentlijcken  wesen  ende  comen  zullen 
an  den  Heyligen  Geesthuyze  staende  optie  Croft  binnen 
Hairlem,  totten  armen  behouff  aldair,  zonder  dat  't  voirscr. 
cloester  dair  eenich  seggen  voirt  toe  hebben  zoude  in 
eenicher  manieren.  Deser  brieven  zijn  twee  alleens.  In 
oirconde  desen  brieve  bezegelt  mit  onsen  zegelen  int 
jair  ons  Heeren  duysent  vierhondert  zessentseventich  op- 
ten  achsten  dach  in  Octobri. 

Van  niet  lang  daarna  dagteekenen  eenige  akten, 
zooals  meermalen  in  klooster-archieven  worden  aange- 
troffen,   namelijk  over  het  begraven  van  leeken  die  tot 


174 

de  parochie  der  stad  behoorden,  binnen  de  muren  van 
het  convent.  De  kloosterlingen  zagen  dat,  naar  het 
schijnt,  gaarne,  misschien  waren  hen  niet  onverschillig 
de  voordeden  welke  dergelijke  begrafenissen  opbrachten. 
De  leeken  van  hun  kant,  stelden  er  prijs  op,  dat  hun 
stoffelijk  overschot  werd  ter  ruste  gelegd  in  de  gangen 
rondom  den  kloosterhof,  dewijl  de  klooster-broeders 
dikwijls  daar  rondwandelden,  vrome  gebeden  tot  God 
richtende  voor  de  zielen  dergenen  die  er  begraven  lagen. 
Maar  begrafenissen  mochten  er  toch  niet  geschieden, 
tenzij  krachtens  een  algemeen  verlof  van  den  pastoor 
der  parochie-kerk,  waarbij  dan  werd  bedongen  het 
stipendium  ter  zake,  dat  aan  den  daarop  rechthebbenden 
geestelijke  moest  worden  uitgekeerd. 

De  Predikaren,  die  ter  verwerving  van  dit  voorrecht, 
zich  de  voorspraak  hadden  verzekerd  van  de  Regeering 
der  stad  Haarlem,  ontvingen  den  8en  September  1477 
de  begeerde  vergunning  van  den  protonotarius  van  den 
pauselijken  stoel  Johannes  van  Rosenbos,  pastoor  der 
parochie-kerk  te  Haarlem,  welke  kort  daarop,  den 
^den  October,  bevestigd  werd  door  den  Bisschop  van 
Utrecht  David  van  Boergondie.  Aan  deze  akten,  en 
aan  de  verdere  stukken,  welke  er  mede  in  verband 
staan,  wordt  hier  eene  plaats  gegeven  ^). 

Johannes  de  Rosenbos  sanctissimi  in  Christo  patris 
et  domini  nostri  domini  Sixti  pape  quarti  ac  sacro 
sancte  sedis  apostolice  prothonotharius  nee  non  pastor 
seu  curatus  ecclesie  parochialis  Harlemensis,  dilectis 
nobis  in  Christo  priori  et  fratribus  ordinis  predicatorum 
conventus  Harlemensis,  Salutem  in  Domino.  De  speciali 
favore  quem  ad  vos  et  vestrum  gerimus  conventum,  ob 


l)  Deze  twee  akten  komen  ook  voor,  Bijdragen  XV,  1 6 1,  maar  dewijl 
hier  de  geheele  reeks  stukken  over  deze  zaak  opgenomen  wordt,  vindt 
men  vrijheid  ter  wille  der  duidelijkheid  den  tekst  der  eerste  akten  nog 
eens  af  te  drukken. 


175 

etiam  piam  dominorum  ac  rectorum  oppidi  de  Haerlem 
instanciam,  concedimus  vobis  et  conventui  vestro,  pro 
nobis  et  nostris  successoribus  perpetuis  temporibus,  ut 
si  qui  majorennes  per  se,  aut  minorennes  per  alios,  apud 
vos  seu  ecclesiam  vestram  elegerint  sepeliri,  eos  libere 
tradere  valeatis  sepulture  sine  delatione  funeris  ad  suam 
dictam  parochialem  ecclesiam  vel  oblationibus  autexequijs 
ibidem  fiendis.  Ac  etiam  nobis  aut  nostro  vicecurato 
de  quibusdam  juribus  ratione  funeris  respondendum. 
Salvo  quod  loco  et  jure  portionis  canonice  et  totalis 
nostri  ac  successorum  nostrorum  interesse,  hoc  idem  circa 
funus  et  funeralia  nobis  seu  nostris  vicecuratis  per  vos 
vel  per  heredes  defunctorum  dare  debeatis,  quod  con- 
ventus  vester  seu  fratres  conventus  et  ordinis  vestri  in 
Rotterdam,  per  se  vel  per  heredes  defunctorum,  curato 
ibidem  seu  vicecurato  circa  hujusmodi  hodierna  die  dare 
dignoscitur  seu  dignoscuntur.  Sic  tamen  quod  si  aliquod 
funus  cum  cruce  per  vos  ad  vestrum  conventum  afferri 
contigerit,  tune  heredes  defuncti  tenebuntur,  pulsare  pro 
se  in  ecclesia  parochiali  Harlemensi  secundum  modum 
dicte  ecclesie  hodie  observatum.  Alioquin  nostra  presens 
concessio  nuUius  sit  roboris  vel  momenti.  In  cujus  rei 
testimonium  sigillum  nostrum  presentibus  duximus  ap- 
pendendum.  Anno  Domini  millesimo  quadringentesimo 
septuagesimo  septimo,  mensis  Septembris  die  octava. 

T  r a  n  s  f ix  u  m. 

David  de  Burgundia  Dei  et  apostolice  sedis  gratia 
episcopusTrajectensis,  universis  et  singulis  tam  presentibus 
quam  futuris,  Salutem  in  Domino  sempiternam.  Noveritis 
quod  nos  ad  humilem  et  piam  supplicationem  dilectorum 
in  Christo  prioris  et  fratrum  conventus  fratrum  predi- 
catorum  in  oppido  de  Haerlem  nostre  dioecesis,  omnia 
et  singula  in  littera  cui  hec  nostra  presens  litera  est 
transfixa,  contenta,  narrata,  conditionata  atque  descripta, 
ex  certa  nostra  scientia  ratificamus  et  approbamus,  rataque 
et  grata  habemus  et  inviolabiliter  perpetuo  volumus  et 
mandamus  observari,  eaque  omnia  et  singula  in  ea 
contenta,  auctoritate  nostra  ordinaria  in  Dei  nomine  con- 
firmamus.  Nostrarum  testimonio  litterarum  sigillo  nostro 
ad  causas  presentibus  appenso  munitarum.  Datum  Anno 
Domini  millesimo  quadringentesimo  septuagesimo  septimo, 
mensis  Octobris  die  nona. 


176 

Tot  toelichting  der  voorafgaande  vergunningen  wordt 
daarbij  gevoegd  het  volgende  stuk  i) : 

Copia   originalis  conventus  de  Rotterdam. 

Gijsbertus  de  Venray,  Lubicensis,  et  sancti  Salvatoris 
Trajectensis  ecclesiarum  canonicus,  curatus  oppidi  Rotter- 
damensis,  Trajectensis  dioecesis,  notum  facio  universis, 
quod  cum  ea  per  que  divinus  cultus  ampliari  et  devotus 
suscipere  possit  incrementum  semper  cupio  annuere,  hinc 
est  quod  religiosis  personis  et  fratribus  ordinis  predica- 
torum  conventus  oppidi  Rotterdamensis,  pro  me  et  suc- 
cessoribus  meis  curatis,  concessi  et  concedo  per  presentes, 
quatenus  libere  uti  et  gaudere  poterunt  omnibus  et 
singulis  privilegiis  et  indultis  per  dominos  apostolicos 
aut  de  jure  hactenus  concessis  seu  secundum  formam  et 
modum  debitis  specifice  admissis  ipsi  vel  ipsorum  ordini. 
Et  quod  dicti  fratres  predicatores  secundum  sui  ordinis 
consuetudinem  et  privilegia,  in  funeralibus  alijsque  actibus 
ecclesiasticis  quibuscunque  me  aut  successores  meos 
curatos  ecclesie  predicte  Trajectensis  et  in  Haga  comitis 
HoUandie  conformabunt,  hoc  est  quod  licite  possunt 
sepelire  tam  adultos  qui  eorum  sepulturam  apud  eos 
eligerint,  quam  impuberes  quorum  parentes  ipsos  in 
eorum  cimiterijs  sepeliri  desiderant ;  confessiones  meorum 
subditorum  audire  tam  in  ecclesijs  suis  quam  in  domibus 
secularium,  qui  ratione  infirmitatis  vel  cujuscunque  debi- 
litatis  ipsos  accedere  non  valent,  et  hoc  toties  quoties 
et  quandocunque  saltem  ad  hoc  vocati  fuerint.  Et  tune 
memores  meorum  vicecuratorum  seu  capellanorum  in 
testamentum  erunt  et  sic  absque  oblocutione  cujuscunque 
accedere  possunt  et  similis  omnibus  alijs  privilegijs  uti  sicut 
usque  in  hodiernum  diem  usi  sunt.  Dummodo  prior  et 
fratres  supradicti  in  eorum  sermonibus,  predicationibus 
et  confessionum  auditionibus  aut  etiam  alijs  persuasionibus 
quibuscunque  publicis  et  occultis,  subditos  et  parochianos 
meos,  ut  sepulturam  in  eorum  conventu  seu  monasterio 
eligant  ad  vovendum  seu  eligendum  non  induxerint.  Nee 
ipsi    capellani    hoc  idem  similiter  attemptabunt,  cum  in 


l)  No.  54  blz.  i8  vo.  in  bet  Archief  der  Clerezy,  afdeeling  Haarlem 
(Bisdom,  kapittel,  kloosters)  bewaard  in  hel  depot  der  Rijks-Archieven 
te  Utrecht. 


177 

jure  super  hoc  poena  sit  imposita.  Salvo  quod  predicti 
fratres  predicatores  mihi  et  successoribus  meis  curatis 
quomodolibet  competentibus  ac  indemnitatibus  ecclesie 
mee  dimidiam  partem  omnium  oblationum  in  primis 
exequijs  ibidem  sepeliendorum  duntaxat  ofiferendarum 
finitis  exequijs  vel  paulo  post  legaliter  persolvant  realiter 
et  cum  effectu ;  oblationibus  provenientibus  in  exequijs 
parvulorum  exceptis,  quas  ex  integro  mihi  vel  cappellanis 
meis  persolvere  tenebuntur.  Insuper  dicti  fratres  predi- 
catores post  prandium  sermones  suos  etstationesconsuetas 
circa  horam  secundam  post  prandium  concludere,  finire 
et  terminare  obligabantur.  Salvo  tamen  in  premissis  et 
alijs  semper  jure  matricis  ecclesie  mee  predicte,  dolo 
et  fraude  alijsque  frivolis  omnibus  exceptionibus  que  in 
premissis  fieri  possent,  semper  exclusis.  Et  ut  omnia  et 
singula  praenarrata  eo  melius  vakant  perpetuistemporibus 
in  robore  firmitati  permanere,  pro  me  et  successoribus 
meis  curatis,  rogavi  et  rogo  reverendum  in  Christo  patrem 
ac  dominum  meum  dominum  D.D.,  Dei  et  apostolice 
sedis  gratia  episcopum  Trajectensem,  quatenus  auctoritate 
sua  ordinaria  dignetur  hanc  concessionem  et  indultum, 
pro  bono  pacis  et  concordic  observanda,  roborare  et 
confirmare.  In  cujus  rei  testimonium  presentes  literas  fieri 
meique  sigilli  feci  appensione  communiri.  Datum  anno 
Domini  millesimo  quadringentesimo  septuagesimo  tertio, 
die  vero  vigesima  quinta  mensis   Februarij. 

Sic  subscriptum. 

Hec  presens  copia  concordat  cum  copia 
coUationata  ex  originalibus,  quam  invenimus 
in  pixide  litterarum  de  redditibus  cure, 
signatum  nomine  mea.  Testor  manu  propria 
et  signeto  privato  meis. 

Hugo  de  Assendelfï". 

Isti  sunt  articuli  concordie  inter  Dominum 
vicecuratum  et  conventum  istum  (ut  asse- 
runt  Predicatores)  concepti,  anno  Doiuini 
millesimo  quadringentesimo  octogesimo 
prima  mensis  Martij  die  octava. 

Primus,  quod  electio  sepulture  debet  censeri  canonica 
dum  fuerit  coram  duabus  personis  cujuscumque  sexus, 
sive    domesticis    sive    extraneis    constantibus    et  vocatis. 


178 

Quod  si  tales  testes  non  fuerint  vocati  ad  hoc  specialiter, 
sepeliantur  arbritio  bonorum  virorum  in  conventu. 

Secundus  est,  quod  non  obstante  clausuia  in  pacto 
expressa  de  pulsatione  fienda,  valeamus  libere  afiferre 
funera  cum  solita  processione  in  triduo  ante  Pascha  et 
tempore  pestis  sine  campanis  aliquo  modo  impeditis 
sine  tali  compulsatione  fienda.  Adijcientes,  quod  alijs 
temporibus  sufificiat  compulsationem  fieri  ante  vel  post 
delationem  funeris. 

Tertius  quod  decedentes  ab  intestato,  sepeliantur  in 
sepulchris  majorum  suorum,  sicut  habetur  xiij*^  g.  ij^ 
Ebron.  et  extra  de  sepul.  nos  instituta  et  in  sexto 
cum  quis,  pro  quibus  libentur  solvemus  juxta  arbitrium 
duorum  virorum. 

Quartus  quod  cum  solemni  processione  in  solemni- 
tatibus  nostris,  dedicationis  dominici  et  capituli  generalis  et 
provincialis,  libere  exire  valeamus  extra  septa  monasterij. 

Toen  de  bekrachtiging  van  het  verlof  van  den  Pastoor 
der  Haarlemsche  parochiekerk  Johannes  van  Rosenbos, 
door  den  Bisschop  van  Utrecht  verleend  was,  vroegen 
de  Predikaren  ook  nog  de  bevestiging  er  van  aan  den 
pauselijken  nuncius  en  legaat  Lucas  (de  Tollentis)  Bisschop 
van  Sibenica  (eene  stad  in  Dalmatie),  te  's-Gravenhage, 
die  dit  verzoek  inwilligde  bij  zijn  hiervolgenden  brief 
van   II  April   1478: 

Lucas  Dei  et  apostolice  sedis  gracia  episcopus  Sibe- 
nicensis  referendarius  ad  universa  dominia  et  loca  reco- 
lende  memorie  Caroli  Burgundie  ducis  et  impresenciarum 
dilectorum  nobis  in  Christo  nobilium  et  illustrissimorum 
principum  Maximiliani  et  Marie  Burgundie  ducum  et 
illis  adjacentes  partes  sanctissimi  in  Christo  patris  et 
domini  nostri  domini  Sixti  divina  providencia  pape 
quarti,  ac  prefate  sedis  nuncius  et  orator  cum  potestate 
legati  de  latere  destinatus,  Universis  et  singulis  presentes 
nostras  litteras  inspecturis  Salutem  in  Domino  sem- 
piternam.  Tune  legacionis  officii  nobis  impositi  debitum 
persolvere  non  ambigimus  dum  salubri  singularum  per- 
sonarum  et  presertim  ecclesiasticarum  statui  providemus 
illarumque   justis    peticionibus   annuere   et  ea  que  inter 


179 

ipsas  personas  rite  et  legitime  acta  sunt  confirmacionis 
munimine  roborare  consuevimus,  Cum  itaque  sicut  ac- 
cepimus  nuper  dilectus  nobis  in  Christo  venerabilis 
Johannes  de  Rosenbos  rector  parrochialis  ecclesie  Har- 
lemensis,  Trajectensis  diocesis,  sancte  sedis  apostolice 
prothonotarius,  dilectis  nobis  in  Christo  venerabilibus 
priori  et  fratribus  conventus  Harlemensis  ordinis  pre- 
dicatorum,  ut  eis  liceat  dicte  ecclesie  parrochianos  quos 
pro  tempore  per  se  vel  alios  apud  ecclesiam  dicti  con- 
ventus sepulturam  eligere  contigerit  sub  certis  modo  et 
forma  recipere  et  sepulture  tradere,  per  certas  litteras 
graciose  concessit  et  perpetuo  indulsit  privilegia  quorum 

tenor    de    verbo    ad    verbum    sequitur    et    est    talis 

plenius  contineri.  (Zie  deze  akte  hiervoor). 

Quare  pro  parte  prioris  et  conventus  predictorum 
nobis  fuit  humiliter  supphcatum  ut  litteras  ipsas  ac 
omnia  et  singula  in  eis  contenta,  pro  illorum  subsistencia 
firmiori  confirmare  et  approbare  dignaremur.  Nos  igitur 
piis  supplicatum  votis,  quantum  cum  Deo  possumus,  favo- 
rabiliter  annuentes  ac  singulorum  pacem  et  quietem 
desiderantes  huiusmodi  supplicacionibus  inclinati,  litteras 
predictas  omniaque  et  singula  in  eis  contenta,  auctoritate 
legacionis  nostre  et  qua  fungimur  in  hac  parte,  tenore 
presentium  approbamus  et  in  Dei  nomine  perpetuo  con- 
firmamus.  In  quorum  fidem  et  testimonium  premissorum 
has  nostras  litteras  per  secretarium  nostrum  subscribi 
sigillique  nostri  jussimus  et  fecimus  appensione  com- 
muniri.  Datum  in  Haga  Comiti  Trajectensis  diocesis 
Anno  incarnacionis  dominice  Millesimo  quadringentesimo 
septuagesimo  octavo,  tercio  Idus  Aprilis,  pontificatus 
prefati  sanctissimi  domini  nostri  pape  anno  septimo. 

F.  Bontius 
de  mandato  prefati  domini  legati  subscripsit 
B.  Hermanni. 

Als  gevolg  van  het  verlof  van  Pastoor  Van  Rosenbos, 
maakten  de  Predikaren  met  den  Vicicureit  der  parochiekerk, 
weinige  maanden  later  het  af,  en  betaalden  hem  1 3  Rijnsche 
guldens  over  den  geheelen  tijd  dat  hij  met  zijne  toen- 
malige bediening  bekleed  zou  zijn.  Die  kwijting  geschiedde 
maar  niet  zoo  eenvoudig,  doch  door  tusschenkomst  van 
Burgemeesteren  van  Haarlem  en  wel  bij  eene  omstandige 


i8o 
akte  van  24  April    1478  welke  hier  opgenomen  wordt : 

Wij  Gherijt  van  Berckenrode,  Jan  Boudewijn  Claes- 
zoen  ende  Willem  van  Adrichem  Gerijtszoen,  Burge- 
meesteren der  stede  van  Hairlem,  Doen  condt  allen 
luyden,  alzoe  Meester  Lambrecht  Willemszoen,  priester 
ende  liccnciaet  in  theologia,  als  vicecureit  der  prochi- 
kercke  der  stede  van  Hairlem  voirscz.,  an  deen  zijde, 
ende  Meester  Jacob  Weits,  doctoer  in  theologia  ende 
prior  vanden  predicaren  cloester  binnen  deser  stede 
ende  de  gemeene  broederen  aldair,  an  de  ander  zijde, 
een  minnelicke  sceydinghe  ende  uytspraecke  an  ons  als 
Burgemeesteren  met  Symon  van  der  Laen,  die  onlancx 
ofiivich  geworden  is,  oick  Burgemeester,  gebleven  zijn, 
als  roerende  eenen  somme  van  penningen,  die  de  voirscr. 
Meester  Lambrecht  als  vicecureyt  hebben  zoude  zijnen 
tijt  lange  gedurende,  in  al  soe  verre  als  de  prior  ende 
predicaeren  voirscr.  eenen  brieff  hadden  van  Heeren 
Jan  van  Rosenbos,  pastoer  derzelver  kercken  voirscz., 
welcke  brieff  mentie  maken,  ende  spreecken  zoude  met 
overdracht  dat  sij  onderlinghe  hadden  vanden  geschil 
der  begravinge  vanden  doden  etc,  mit  dat  dair  an 
cleefde ;  Soe  hebben  wij,  navolgende  't  selve  geblijff 
onse  uytsprake  ende  sceydinge  dair  off  gedaen  in  zulcker 
manieren  ende  voegen,  dat  de  prior  ende  gemeene 
broederen  voirscr.  den  voirscr.  Meester  Lambrecht  als 
vicecureit  geven  ende  leveren  zouden  an  gelde  voir  eens 
ende  voir  zijnen  tijt  lange  gedurende,  de  somme  van 
derthien  Rijnsche  guldens  tot  viertich  groten  Vlaems 
't  stuck  gerekent,  ende  dat  voir  al  't  guent  dat  hij 
opten  zelven  cloester,  als  roerende  de  begravinge  van 
den  doden  voirscr.  mit  dat  dair  an  cleeft,  te  seggen 
heeft  oft  binnen  zijnen  tijt  dat  hij  de  kerck  heeft,  te 
seggen  mach  hebben,  welck  wij  kennen,  dat  de  prior 
ende  gemeene  predicaeren  voirscr.  alzoe  gedaen  ende 
volcommen  hebben,  want  zij  de  voerscr.  derthien  Rijnsche 
gulden  in  onsen  handen  gelevert  hebben,  omme  tegen 
den  voirscr.  vicecureit  scadeloes  te  wesen  ende  te  blijven, 
ende  wij  die  denzelven  vicecureit  voirt  betaelt  ende 
gegeven  hebben,  in  zulken  schijne  als  wij  die  ontfinghen. 

In  kennesse  der  wairheit  zoe  hebben  wij  desen  brieff 
gedaen  zegelen  mitten  zegel  van  zaicken  der  voirscr. 
stede  hierbeneden  angehangen,  's  daechs  nae  Sinte 
Jorijsdach  Anno  duysent  vierhondcrt  acht  en  tseventich. 


[8i 


Vele  jaren  hierna,  in  1514,  den  2en  Januari,  was  het 
noodig,  eene  deftige  akte  op  te  maken  over  het  begraven 
bij  de  Predikaren,  waarin  duidelijk  en  krachtig  wordt  uitge- 
sproken het  verlangen  dienaangaande  van  een  paar  poorters, 
met  opgaaf  van  de  beweeggronden  die  er  toe  leidden,  en 
welke  hierboven  reeds  zijn  vermeld.  Het  stuk  luidt  als  volgt : 

In  nomine  Domini  amen.  Per  hoc  presens  publicum 
instrumentum  cunctis  pateat  evidenter  et  sit  notum  quod 
anno  Domini  millesimo  quingentesimo  quarto  decimo 
indictione  secunda  mensis  Januarii  die  secunda,  hora 
prima  post  meridiem  vel  quasi,  pontificatus  sanctissimi 
in  Cristo  patris  et  Domini  nostri  Domini  Leonis,  divina 
providencia  pape  decimi,  anno  suo  primo,  in  mei  notarii 
publici  testiumque  infrascriptorum  ad  hoc  specialiter 
vocatorum  et  rogatorum  presentia,  ad  instanciam  rcli- 
giosorum  fratrum  predicatorum  in  Hairlem  sou  procuratoris 
eorundem,  comparuerunt  personaliter  probi  et  honcsti  viri 
Ysbrandus  Petri  et  Johannes  Gherardi,  requisiti  perhibcre 
testimonium  veritatis  in  causa  electionis  sepulture  cujus- 
dam  Bartholdi  Gherardi  Visker,  iam  pridem  anno  preterito 
defuncti  et  apud  predictos  predicatores  in  Hairlem  sepulti, 
dicentes  et  mediis  eorum  conscienciis  in  verbis  fidci  et 
bonorum  virorum  deponentes,  quod  dictus  Gherardus 
Bartoldi  Visker,  in  presencia  prenominatorum  testium,  in 
lecto  sue  egritudinis  positus,  ex  certa  sua  sciencia,  non 
vi,  dolo,  metu  aut  aliqua  sinistra  machinacione  circum- 
ventus,  compos  mentis,  rationis  et  intcllcctus  suorum  per 
Dei  omnipotentis  gratiam,  prout  apparuit,  elegit  eccle- 
siasticam  suo  corpori  sepulturam  apud  predicatores  in 
Hairlem.  Preterea  anno,  mense,  die,  hora,  indictione  et 
pontificatu  quibus  supra,  ad  instanciam  eorundem  fratrum 
predicatorum  aut  eorum  procuratoris,  etiam  in  causa 
electionis  sepulture  cujusdam  Petri  lohannis,  civis  Hair- 
lemensis,  comparuerunt  ad  perhibendum  testimonium 
veritatis  coram  me  notario  et  eisdem  testibus  infrascriptis, 
probe  et  honeste  mulieres  Markina  Renieri,  Agnes  Petri 
et  Elizabet  Outgeri  que  mediis  earum  conscienciis  et  in 
verbo  veritatis,  dixerunt  et  deposuerunt,  quod  dictus 
Petrus  lohannis  anno  preterito  quadam  die  fuit  ad 
exequias  cujusdam  defuncti  et  apud  predicatores  in 
Hairlem  tumulati,  qui  compos  mentis,  rationis  et  intellectus 


suarum,  ut  prima  facie  apparuit  existens,  dixit :  casu  quo 
discesscro  et  mortuus  fuerim,  peto,  cupio  et  desidero 
sepeliri  ad  predicatores  in  Hairlem,  et  pocius  in  ambitu 
ecclesie  eorum  quam  alibi  in  ecclesie  cimiterio  eorum, 
quia  antedicti  fratres  sepissime  in  ambitu  eorum  deam- 
bulantes,  pias  preces  Deo  pro  ibidem  inhumatis  ofiferunt. 
De  et  super  omnibus  et  singulis  prescriptis,  sepedicti  fratres 
eorumque  procurator  in  Hairlem,  petierunt  a  me  notario 
publico  subscripto  eis  fieri  et  confici  unum  vel  plura 
instrumenta  publica  in  meliori  forma.  Acta  sunt  hec 
Hairlem  in  conventu  predicatorum  sub  anno,  indictione, 
mense,  die,  hora  et  pontificatu  quibus  supra,  presentibus 
ibidem  probis  et  discretis  viris  Simone  filio  Nicolai  de 
Heemstede  et  Simone  filio  Franconis  de  Hilgom,  testibus 
ad  predicta  vocatis  specialiter  et  rogatis. 

Et  ego  lohannes  lohannis  Ghijsberti 
alias  Odulphi,  clericus  Traiectensis  diocesis, 
publicus  sacra  imperiali  auctoritate  notarius, 
quia  premissis  depositionibus  dum  sic  ut 
premittitur  fierent  et  agerentur,  una  cum 
prelibatis  testibus  presens  interfui  easque 
sic  fieri  vidi  et  audivi,  ideo  hoc  presens 
publicum  instrumentum  manu  propria  fide- 
liter  scriptum,  exinde  confeci,  subscripsi  et 
in  hanc  publicam  formam  redegi  signoque 
et  nomine  meis  solitis  et  consuetis  signavi, 
rogatus  et  requisitus. 

Deze  verklaring  zal  ongetwijfeld  wel  in  verband  hebben 
gestaan  met  den  strijd,  ongeveer  in  die  jaren  uitgebroken, 
alweder  over  het  begraven  bij  de  Predikaren,  waartegen 
de  toenmalige  onderpastoor  der  parochiekerk.  Reinerus 
Janss.  van  Enkhuizen,  zich  hevig  verzette,  niet  alleen  in 
gewone  gesprekken,  maar  zelfs  op  den  kansel  waar  hij 
de  ergste  dingen  er  van  aan  zijne  toehoorders  vertelde^). 
De  Predikaren  teekenden  daartegen  verzet  aan  bij 
Jacobus  Ruysch,  doctor  der  decretalen,  deken  der  col- 
legiale kerk  van  de  H.  Maagd  Maria  te  's-Gravenhage  en 


l)   Bijdragen   XV,   bb..    105. 


i83 

judex-executor-conservator  der  privilegiën  enz.  van  hunne 
orde  in  Holland.  De  onderpastoor  kwam  er  slecht  af, 
want  hij  werd  veroordeeld  aan  de  beleedigde  partij  eene 
boete  te  betalen  van  200  goudgulden.  Hetzij  hij  die 
niet  had,  of  misschien  om  eene  nog  andere  erger  ver- 
oordeeling bij  het  vonnis  waarvan  ik  den  tekst  niet  ken, 
hij  ging  op  de  vlucht  en  liet  have  en  goed  in  Haarlem 
onbeheerd  achter.  Dat  maakte  de  zaak  niet  beter  voor 
hem,  want  bij  de  hiervolgende  sententie  van  20  November 
15 14  werd  beslag  gelegd  op  al  zijne  goederen,  welke 
in  bewaring  werden  gegeven  aan  de  Heeren  van  St.  Jan 
te  Haarlem.  Zie  hier  die  akte : 

Jacobus  Ruysch,  decretorum  doctor,  decanus  ecclesie 
sive  capelle  coUegiate  beate  Marie  Virginis  Curie 
Hagensis  exempte  Trajectensis  diocesis,  judex  executor 
et  conservator  jurium,  rcrum,  bonorum  et  privilegiorum 
venerabilium  patrum  priorum  et  convcntuum  predica- 
torum  ordinis  congregationis  Hollandie  ac  alias  ubilibet 
constitutorum  in  vim  litterarum  apostolicarum  cum 
clausuia  :  et  nichilominus  cuilibet  in  dignitate  ecclesiastica 
constituto  etc,  a  sancta  sede  apostolica  quondam  satis 
notorium  esse  dinoscitur  specialiter  dcputatus  Universis 
et  singulis  presbiteris,  clericis,  notariis  et  tabellionibus 
publicis  quibuscumque  dicte  sancte  sedi  apostolice 
subjectis,  Salutem  in  domino  et  nostris  huiusmodi  ym- 
moverius  apostolicis  firmiter  obedire  mandatis.  Notum 
facimus  quod  cum  alias  pendente  ac  coram  nobis  intro- 
ducta  lite  causa  seu  questionis  materia,  inter  priorem 
et  conventum  monasterii  sive  conventus  predicatorum 
in  Haerlem,  actores  ex  una  et  quemdam  magistrum 
Reynerum  filium  Johannis  de  Enckhuysen,  vicecuratum 
ecclesie  parochialis  Haerlemensis,  de  et  super  turbatione 
ac  injuriis  dictis  actoribus  illatis,  circa  electionem 
sepulture  ac  aliis  in  actis  cause  huiusmodi  totius  desig- 
natis  et  illorum  occasione,  reum  partibus  ex  altera, 
nos  tandem  servatis  servandis  cognitisque  ad  plenum 
huius  cause  meritis  sententiam  dififinitivam  per  quam 
dictum  reum  in  dampnis  et  interesse  premissorum 
occasione    illorum    nobis    reservata    taxatione  condemp- 


i84 

nandum  tulimus  et  in  scriptis  promulgaviinus  cum 
ergo  dicta  nostra  diffinitiva  sententia  nulla  provocatione 
suspcnsa  in  rem  transivit  judicatam,  cumque  de  post 
constito  nobis  summarie  de  fuga  prefati  magistri  Reyneri 
condempnati  qui  se  forsan  timore  executionis  nostre  sen- 
tentie aliunde  se  transtulit,  singula  sua  bona  clandestine 
deferendo,  deportando  et  occultando,  et  ne  huiusmodi 
sententia  illusoria  maneat,  sed  ut  suum  debitum  con- 
sequatur  effectum,  ad  dictorum  prioris  et  conventus  in 
Haerlem  instantiam  et  requisitionem  premissam  (?)  cum 
dicti  rei  condempnati  ex  adverso  principalis  procuratore 
legitime  ad  hoc  vocato  et  comparente,  nullam  in  con- 
trarium  potuerat  allegare  causam  rationabilem  in  jure 
militanten!,  infrascripta  per  nos  minime  fieri  debere 
omnia  et  singula  bona  mobilia  actu  in  Haerlem  existentia 
qualitercumque  etiam  ad  dictum  reum  condempnatum 
spectantia,  tenore  presentium  arrestamus  ac  in  arresto 
apud  commendatorem  et  Johannitas  Haerlemenses 
detineri  decernendum  duximus,  prout  decernimus  donec 
dictus  reus  condempnatus  dictis  actoribus  cautionem 
suffitientem  et  ydoneam  prestiterit,  de  refusione  dampno- 
rum  et  interesse  in  quibus  ut  premittitur  per  sententiam 
condempnatus  extitit,  Ouarum  vobis  omnibus  et  singulis 
supradictis  sub  virtute  obedientie  et  excommunicationis 
pena,  districte  mandamus  dicta  bona  mobilia  qualiter- 
cumque reperta  ad  dictum  magistrum  Reynerum  spec- 
tantia, modo  premisso  in  arresto  et  tuta  custodia  ad 
dictorum  actorum  usum  et  utilitatem  detineatis  et  ab  aliis 
detineri  et  arrestari  fatiatis  et  procuretis,  prout  detinemus 
et  arrestamus  per  presentes,  inhibentes  omnibus  et  singulis 
sub  antedictis  censuris  et  penis,  prefatum  arrestum  non 
violari  per  se  alium  vel  alios  publice  vel  occulte,  directe 
vel  indirecte,  quovis  quesito,  ingenio  vel  colore  alioquin 
contra  eosdem  et  in  premissis  culpabiles  ad  dicte  ex- 
communicationis    sententie    declarationem    procedemus, 

litteras  debite  executas.  Datum   Hagis  nostro  sub 

sigillo  presentibus  appenso,  sub  anno  a  nativitate  Domini 
millesimo  quingentesimo  quarto  decimo,  die  vero  lune 
vicesima  mensis  Novembris. 

Ita  Cornelius  de  Capella,  Notarius  subscripsi. 

Dit    arrest    had    eene    onverwachte  en  voor  dien  tijd 
ongewoon    snelle    uitwerking,    en    wel    ten    goede,  want 


i85 

reeds  op  den  iQen  December  15  14,  was  de  voortvluchtige 
licentiaat  der  beide  rechten  Reinerus  Janss.  van  Enkhuizen 
te  voorschijn  gekomen.  Hij  had,  zooals  blijkt,  bij  de 
door  hem  verwekte  oneenigheid,  zijne  waardigheid  van 
onderpastoor  der  parochiekerk  ingeboet.  Hij  verscheen, 
ten  dage  vermeld,  in  het  klooster  der  Predikaren,  herriep 
daar  zijne  aantijgingen  tegen  met  name  genoemde  con- 
ventualen  en  na  verder  gemaakte  schikkingen,  beloofde 
de  prior  Mr.  Joannes  Olislager,  de  in  beslag  genomen 
boeken  en  het  huisraad  terug  te  geven. 

Met  dit  verdrag  hier  volgende,  was  het  droevig  geschil 
voor  goed  ten  einde  gebracht : 

Tn  nomine  Domini  amen.  Anno  a  nativitate  eius- 
dem  millesimo  quingentesimo  decimo  quarto,  indictione 
secunda,  mensis  Decembris  die  decima  nona,  de  mane 
infra  nonam  et  decimam  horas  vel  circiter,  pontificatus 
sanctissimi  in  Christo  Patris  et  Domini  nostri,  Domini 
Leonis  divina  providentia  pape  decimi  anno  suo  secundo, 
in  mei  notarii  publici  testiumque  infrascriptorum  ad  hoc 
vocatorum  pariter  et  rogatorum  presentia,  personaliter 
constituti  eximii  viri  magistri  lohannes  Olislager,  sacre 
theologie  professor,  prior  conventus  Predicatorum  in 
Hairlem  ex  una,  et  Reynerus  lohannis  de  Enckhusen 
utriusque  juris  licentiatus,  quondam  vicecuratus  ecclesie 
Hairlemensis,  ex  altera  partibus,  super  certis  differenciis, 
ortis  inter  dictos  predicatores  et  memoratum  magistrum 
Reynerum,  cum  iam  ipsi  predicatores  libros  et  suppel- 
lectilem  dicti  magistri  Reyneri  arrestari  fecissent  et  sub 
firma  custodia  haberent  sic  arbitraliter,  tam  super  sententia 
lata  quam  super  calumpniis  in  venerabiles  viros  magistros 
Jasperum  et  Baltezaer  filium  Livini  de  Middelburgo, 
Florentium  Seeman  et  Cornelium  Hoen,  de  alto  et  basso, 
simpliciter  et  de  plano  compromiscrunt  et  idem  magister 
Reynerus  ad  pectus  suum  sacerdotale  hujusmodi  eorum 
laudem  seu  amicabilem  compositiores,  sub  penis  camere, 
firmiter  tenere  et  observare  juravit,  Quo  facto  idem 
magister  noster  dicto  magistro  Reynero  suos  libros  et  sup- 
pellectilem,  sic  ut  premittitur  arrestatos,  reddere  et  illico 
tradere  promisit.  De  et  super  quibus  omnibus  et  singulis 


i86 


idem  compromissarii  petierunt  et  alter  eorum  petiit  a 
me  notario  publico,  unum  vel  plura  confici  instrumentum 
vel  instrumenta.  Acta  fuerunt  hec  in  conventu  predica- 
torum  dicti  opidi  Hairlem,  sub  anno,  indictione,  die, 
hora,  et  pontificatu  de  quibus  supra,  presentibus  ibidem 
venerabilibus  viris  et  dominis  magistro  Elgerberto  Wijs, 
provisor  Kenemarie,  curato  in  Oessanen,  domino  Gherardo 
de  Oestgeest,  curato  in  Velsen,  et  Ysbrando  de  Oestgeest, 
vicario  ecclesie  Haerlemensis,  presbiteris  diocesis  Traiec- 
tensis,  testibus  ad  premissa  vocatis  pariter  et  rogatis. 

Et  ego  Hieronymus  Wis  filius  Wilhelmi 
de  Hairlem,  clericus  diocesis  Trajectensis, 
publica  sacra  imperiali  auctoritate  notarius, 
ac  coram  venerabilibus  viris  dominis  pro- 
visore  et  decano  Kenemarie  judicibus  scriba 
ex  una,  premissis  omnibus  et  singulis  dum 
sic  ut  premittitur  agerentur  et  fierent 
una  cum  prenominatis  testibus  presens  et 
personaliter  interfui,  eaque  omnia  et  singula 
sic  fieri  vidi  et  audivi,  ideoque  hoc  presens 
publicum  instrumentum,  manu  alterius  fide- 
liter  conscriptum,  exinde  confeci,  subscripsi, 
publicavi  et  in  hanc  publicam  tormam 
redegi,  signoque  et  nomine  meis  solitis  et 
consuetis  signavi  in  fidem  et  veritatis  testi- 
monium omnium  et  singulorum,  rogatus 
pariter  et  requisitus. 

Hiero.  Wis. 

Nu  hier  reeds  zooveel  over  het  begraven  werd  ter  sprake 
gebracht,  is  het  niet  onaardig  ten  slotte  aan  te  roeren, 
het  laatste  bedrijf  uit  het  bestaan  van  een  levenslustig 
Haarlemmer,  die  in  overoude  tijden  bij  de  Predikaren 
is  ter  aarde  besteld. 

De  naam  van  den  man  is  Dirck  Jansze  Bleser, 
hij  was  gekomen  (het  luidt  bijna  ongelooflijk)  tot  een 
ouderdom  van  honderd  elf  jaren,  en  in  die  vergevorderde 
grijsheid  bekroop  hem  de  lust  om  eens  te  gaan  trouwen. 
De  Pastoor  vond  hem  daartoe  veel  te  oud,  maar  hij  dreef 
zijn  zin  door.  Hij  leefde  met  de  uitverkorene  zijns  harten 


i87 

nog  twintig  jaren  in  liefde  en  vrede,  hun  echt  werd 
gezegend  met  eene  dochter,  die  den  geestelijken  staat 
aanvaardde  en  als  non  stierf.  Deze  idylle  stond  te  lezen 
op  den  grafsteen  van  Bleser  en  is  in  het  jaar  1630  op 
last  van  Burgemeesteren  van  Haarlem,  door  Mr.  Jacob 
Matham,  plaatsnijder,  overgebracht  in  eene  koperen  tafel, 
welke  nog  heden  ten  dage  ingemetseld  staat  in  eene 
der  zuilengangen  van  het  voormalig  Predikaren-klooster. 
Er  werd  in  1631  uit  stadskas  voor  betaald  /72. — 
en  deze  merkwaardige  tekst  luidt  als  volgt : 

Epitaphium  ofte  Grafschrift  van  Dirck  Janssen  Bleser, 
Tot  Haerlem  begraven  in  7  fakobijnen  Klooster. 

Hier  leyt  begraven,  leser, 
Den  ouden  Dirck  Jansze  Bleser, 

Honderd  en  elf  jaeren 

Was  hij  oud  na  sijn  verklaren 

Doe  hij  eerst  soude  trouwen 

Ter  echt  een  jonge  Vrouwe. 

Den  Pastoor  seyde  hem  bout 

Gij  Dirck  sijt  seker  veel  te  oud 

En  komt  waerlijk  al  te  laet 

Om  te  voldoen  den  echten  staet. 

Hij  sprak  Heer  set  ter  sij 

Die  honderd  jaeren  vrij, 

En  die  elf  alleen  behoud, 

So  en  ben  ik  niet  te  oud. 

Dit  houlijck  is  aldus  volbragt 

Met  liefden  sonder  klagt, 

So  hebben  geleefd  dese  twee 

Twintig  jaer  met  vree. 

Een  dochter  gewonnen, 

Geestelijk  gestorven  eener  Nonnen. 

Een  ander  wonderbaar  geval  vond  plaats  binnen  de 
palen  van  het  Predikaren-klooster  ten  jare  1498  en 
wordt  hier  medegedeeld  in  den  vorm  zooals  het  is  aan- 
getroffen   in    eene   oude   geschreven  kronyk  i)  „1498  is 


l)     A.     B(orst)     Korte    Chronijck    ofte    Beschrijving    van    Haarlem. 
Hdschr.    i8e    eeuw;  op  het  Gemeente  Archief  van   Haarlem  B.  916  b. 


tot  Haarlem  in  't  Predikheeren  Clooster  overleeden  den 
gehoorsaemcn  Leeken-Broeder  Nicolaus,  van  St.  Domi- 
nicus  Order.  Deselve  was,  wanneer  hij  de  last  van  de 
gasten  hadde,  van  den  Prior  belast,  sooveel  visch  uyt 
het  reservoir  te  brengen  als  hij  gasten  hadde  ontfangen. 
Hij  ging  derwaars,  maar  na  grooten  arbeydt  en  sag  hij 
niet  eenen. 

De  Prior  belastede  hem  weder  te  keeren,  en  te  ge- 
bieden aan  de  visschen  uyt  haeren  hollen  te  kruypen 
en  te  presenteeren  om  gevangen  te  worden.  Nauws  en 
hadde  hij  sijnen  mondt  open  gedaan,  wanneer  eenen 
seer  grooten  snouck  hem  liet  vangen  om  de  gasten 
hier  van  te  dienen. 

N.B.  Dese  snouck  is  gevangen  geweest  in  de  Beeck 
die  onder  het  Princen  Hoff  (dat  eertijds  het  Predick 
Heeren  Clooster  is  geweest)  doorloopt,  ter  plaatse  daar 
nu  een  Prieel  staat  in  de  Hortus  Medicus  tegen  het 
Collegium  Medicum. 

{Brovitis  in  Annales  Eccles.,  en  R.  P.  Franc, 
de  Smedt,  Doorluchtige  Winckel,  in  1 2°  pag.  99). 

Bij  deze  aanteekening  is  in  het  handschrift  geplakt, 
een  prentje  op  perkament  met  het  adres  van :  Joan. 
Van  de  Sande  waarop  afgebeeld  „B.  M.  Nicolaus  Con versus 
Harlemensis  Ord.  Pred."  (met  de  snoek  in  de  hand). 
Gekleurde  kopergravure  i). 

Na  deze  verhalen  komen  de  stukken  weder  aan  de 
beurt,  waarmede  wij  nu  in  tijdrekenkundige  orde  voort- 
gaan. Het  eerst  komt  ons  in  handen  eene  uitvoerige 
akte  over  de  nalatenschap  van  zekeren  Heer  Hugo, 
convers    van    het    Haarlemsche   klooster,   later   tot   het 


l)  Zie  ook  Bijdragen  XV  blz.  114.  Eene  andere  dergelijke  afbeelding 
met  de  levensbeschrijving  van  den  godvruchtigen  man,  komt  voor  in : 
Sancti  Belgi  ordinis  Praedicatorum.  Collegit  et  recensuit  ejusdem  ord. 
F.   Hyacinthus  Choquetius.   S.  ï.   Doctor.   8"  Duaci.   Anno   16 18,  p.  133. 


i89 

priesterschap  bevorderd,  welke  door  Mr.  Henricus 
Ploetstock,  provicaris  en  prior  van  het  Predikarenklooster 
te  Zierikzee,  onrechtmatig  tot  zich  was  genomen.  Hier- 
over ontstond  een  geschil  van  zoodanigen  omvang,  dat 
de  Haarlemsche  Predikaren  zich  er  over  richtten  tot 
den  Paus.  Bij  zijn  decreet  van  i6  October  1495  stelde 
Alexander  VI  de  zaak  ter  berechtiging  in  handen  van 
den  abt  van  Egmond,  den  abt  van  Oostbroek  en  den 
oflficiaal  van  Utrecht,  met  vermaning  dat  zij  zullen  doen 
wat  recht  is ;  dat  de  getuigen  die  mochten  worden  ge- 
hoord, zonder  aanzien  der  personen  naar  waarheid  zullen 
verklaren,  en  dat  ook  degenen  die  onder  kerkelijke 
censuur  staan,  tot  het  afleggen  van  getuigenis  zullen 
kunnen  worden  toegelaten. 

Nu  konden  de  abt  van  Egmond  en  de  abt  van  Oost- 
broek, door  andere  gewichtige  beslommeringen  verhinderd, 
zich  niet  met  de  zaak  bezig  houden  en  lieten  haar  der- 
halve over  aan  den  officiaal  van  Utrecht,  waarop  deze 
bij  indaging  van  12  October  1497  den  prior  Ploetstock, 
van  Zierikzee,  met  broeder  Cornelius  van  Gouda,  termi- 
narius  in  Reimerswaal,  benevens  de  Haarlemsche 
Predikaren  gelastte,  op  een  aangeduiden  dag  te  Utrecht 
te  verschijnen,  ten  einde  hunne  belangen  te  bepleiten  en 
door  hem  gehoord  te  worden. 

Dit  is  beknopte  inhoud  van  de  uitvoerige  akte,  waaraan 
hier  eene  plaats  gegeven  wordt. 

Anthonius  Pot,  in  legibus  licentiatus,  canonicus  et 
officialis  Traiectensis,  judex  et  commissarius  cause  in 
partibus  infrascriptis,  una  cum  nonnuUis  nostris  in  hac 
parte  collegis  cum  clausuia :  quod  si  non  omnis  hijs 
exequendum  potueritis  interesse  duo  aut  unus  vestrum 
nichilominus  exequantur  etc,  a  sacra  sede  apostolica 
deputatus  specialiter,  Universis  et  singulis  presbiteris, 
capellanis,  clericis,  notarijs  et  tabellionibus  publicis  quibus- 
cumque  per  civitatem  et  diocesem  Trajectensem  ac  alias 


190 

ubi  libet  constitutis,  ad  quos  presentes  nostre  imnioverius 
apostolice  litterc  pervenerint,  Salutem  in  Domino  sem- 
piternam  et  nostris  huiusmodi  immoverius  apostolicis 
obedientie  mandatis  firmiter  litteras  sanctissimi  in 
Christo  patris  et  domini  nostri  domini  Alexandri  divina 
providentia  pape  sexti  eius  vera  bulla  plumbea  cum 
cordula  canapis  more  Romane  curie  impendente  bullatas 
sanas  et  integras,  non  viciatas,  non  cancellatas  neque 
in  aliquo  sue  parte  suspectas,  sed  omnibus  prorsus  vicio 
et  suspicione  carentes,  nobis  pro  parte  venerabilium  et 
religiosorum  virorum  prioris  et  fratrum  domus  et  con- 
ventus  Harlemensis  ordinis  Predicatorum  dicte  dyocesis 
principalium  in  ipsis  litteris  apostolicis  principaliter  nomi- 
natorum,  coram  notario  publico  et  testibus  infrascriptis 
presentatas,  nos  cum  ea  qua  decuit  reverencia  noveritis 
recepisse,  huiusmodi  sub  tenore :  Alexander  Episcopus, 
servus  servorum  Dei,  dilectis  filiis  Egmondensis  et 
Oesbruycsensis,  Trajectensis  diocesis  monasteriorum  ab- 
batibus,  ac  officiali  Trajectensis,  Salutem  et  apostolicam 
benedictionum,  conquesti  sunt  nobis  prior  et  fratres 
domus  Harlemensis  ordinis  predicatorum  Trajectensis 
dyocesis,  quod  Henricus  Ploetstock,  magister  in  theologia, 
provicario  ac  prior  Zuriczensis  et  ipsius  Zuriczensis  ac 
nonnulli  aliarum  domorum  fratres  dicte  ordinis  et  quidam 
clerici  et  layci  diocesis  predicte,  super  nonnullis  bonis  et 
rebus  per  quendam  Hugonem,  conversum  dicte  domus 
Harlemensis  ordinem  ipsum  excepisse  professum  et  postea 
ad  presbiteratus  ordinem  promotum,  tempore  obitus  sui 
relictis  et  ad  dictum  domum  Harlemensis  legittime 
pertinentibus  ac  per  ipsum  Henricum  indebite  occupatis 
et  detentis  ac  alias  injuriantur  eisdem,  ideoque  discretioni 
vestre  per  apostolica  scripta  mandamus  quatenus  vocatis 
qui  fuerint  vocandi  auditis,  hinc  inde  propositis  quod 
iustum  fuerit,  appellatione  remota,  decernatis,  faciendum 
quod  decreveritis  per  censuram  ecclesiasticam  firmiter 
observari,  testes  autem  qui  fuerint  nominati  si  se  gracia, 
odio  vel  timore  subtraxerint,  censura  simili  appellatione 
cessante,  compellatis  veritati  testimonio  perhibere,  non 
obstante  si  eidem  ordini  a  sede  apostolica  indultum 
existat  quod  ipsius  persone  ad  judicium  trahi,  suspendi 
et  excommunicari  aut  ipse  et  dicti  ordinis  loca  interdici 
non  possint  per  litteras  apostolicas  non  facientes  plenam  et 
expressam,  ac  de  verbo  ad  verbum  de  indulto  huius  (hoc  ?) 
mentionem  et  quaelibet  alia  dicte  sedisindulgentesgenerali 


191 

vel  special!  cuiuscumque  tenoris  existat  per  quam  pre- 
sentibus  non  expressam  vel  totaliter  non  insertam,  vestre 
jurisdictionis  explicatis  in  hac  parte  valeat  quemlibet 
impediri  que  quo  adhoc  ipsis  nolimus  alignatis  sufifragari, 
cum  si  non  omnes  hiis  exequendum  potueritis  interesse 
duo  aut  unus  vestrum  ea  nichilominus  exequantur.  Datum 
Rome  apud  Sanctum  Petrum  Anno  incarnationis  domini 
millesimo  quadragentesimo  nonogesimo  quinto  septimis 
kalendis  Octobris,  pontificatus  nostri  Anno  quarto. 
Postquarum  quidem  litterarum  apostolicarum  presen- 
tacionem  et  receptacionem  nobis  et  per  nos  ut  premittitur 
factas  et  priusque  reverendi  patres  domini  abbates  Eg- 
mondensis  et  Oesbruycsensis  Trajectensis  diocesis  predicti 
monasteriorum  collegii  nostri,  infrascriptis  litteris  desig- 
nati,  qui  cause  huiusmodi  communicationis  in  ipsis  litteris 
apostolicis  expresse,  certis  aliis  legittime  propedictis 
negociis  commode  interesse  non  potuerunt  neque  possunt, 
se  excusaverunt  et  exoneraverunt,  de  quo  nobis  exstitit 
legittima  facta  fïdes,  dominum  priorem  seu  ipsius  vica- 
rium  ac  presidentem  sive  locum  tenorem  pro  tempore 
conventus  eiusdem  ordinis  in  Ziriczee  ex  adverso  princi- 
pales  in  ipsis  litteris  apostolicis  ex  adverso  principaliter 
nominatos,  nee  non  fratrem  Cornelium  de  Gouda,  ter- 
minarium  in  Remerswaele,  parcium  Zelandie,  Trajectensis 
dyocesis,  ad  videndum  et  audiendum  causas  huius  per  nos 
in  eo  statu  in  quo  novissime  coram  venerabili  et  circum- 
specto  viro  domino  et  magistro  Stephano  Petri  de 
Haerlem,  in  decretis  licenciato  jure,  officiali  Trajectensi, 
antecessore  nostro  ac  judice  cause  et  parcium  huius 
earundem  litterarum  apostolicarum  vigore  delegato 
fuerat  et  pependit  indecisa  resumi  ac  ulterius  juxta 
continentiam  et  tenorem  litterarum  apostolicarum  ac  com- 
missionem  nobis  factam,  per  easdem  procedi  prout  de 
jure  decernere  et  concedere  dignaremur.  Nos  nunc 
Anthonius,  canonicus  et  officialis,  judex  et  commissarius 
prefatus,  attendens  requisicionem  huius  fore  justam  et 
consonam  racioni,  volens  quod  ulterius  in  causa  et 
inter  presentes  huius  rite  et  legittime  procedere  ac  par- 
tibus  ipsis,  dante  domino,  justiciam  ministrare,  ut  tenemur 
auctoritate  apostolica  nobis  commissa  et  qua  fungimur 
in  hac  parte,  vos  omnes  et  singulos  supradictos  quibus 
presentes  nostre  ymmoverius  apostolice  littere  diriguntur, 
tenore  presencium  requirimus  et  monemus  primo,  secundo, 
tercio    et    peremtorie    vobisque    et    vestrum    cuilibet,   in 


192 

virtute  sancte  obediencie  et  sub  excommunicacionis 
pena  quani  in  vos  et  vestrum  quemlibet  trium  dictoruni 
canonica  monitione  premissa  ferimus  in  hiis  scriptis,  nisi 
feceritis  que  mandamus  districte  prccipientes  mandare, 
quatenus  statim  visis  et  receptis  presentibus  acccdentes 
qua  propter  hoc  fuerit  acccdendum  et  acccdere  fueritis 
requisiti,  seu  alter  vestrum  fuerit  requisitus,  citatis 
peremptorie  coram  nobis  Trajecti  ad  ecclcsiam  Trajec- 
tensem  duodecima  die  litteram  execucionis  huius  imme- 
diate  sequente,  si  dies  ipsa  duodecima  juridica  fuerit 
et  nos  ad  hanc  causam  pro  tribunali  sedere  contigerit, 
alioquin  ad  proximam  diem  juridicam  externe  immediate 
proxime  subsequentem,  qua  nos  pro  tribunali  sedercmus, 
supradictos  priorem  sive  ipsius  vicarium  aut  presidenten! 
sive  locum  tenorem  pro  tempore  conventus  in  Ziriczee, 
ordinis  antedicti,  nee  non  fratrem  Cornelium  de  Gouda, 
terminarium  in  Remerswalis  eiusdem  ordinis,  parcium  et 
diocesis  predictarum,  contra  et  adversus  dictos  priorem  et 
fratres  domus  et  conventus  Harlemensis  antedicti,  cum 
omnibus  et  singulis  actis,  actitatis,  litteris,  scripturis,  in- 
strumentis,  juribus  et  munimentis  ad  causam  huius  quo- 
modolibet  facientibus  eamque  quomodolibet  concernen- 
tibus,  ad  videndam  et  audiendam  causam  pretactam,  per 
nos  resumi  in  eo  statu  in  quo  novissime  mansit  coram 
venerabili  et  circumspecto  viro  domino  et  magistro 
Stephano  de  Haerlem,  in  decretis  licenciato,  tune  officiali 
Trajectensis  antecessore  nostro  ac  judice  cause  et  par- 
cium huius  delegato,  ac  ulterius  procedi  et  procedendi 
per  nos  et  coram  nobis  in  eadem,  ad  reliquos  omnes 
terminos  substancialis  in  huius  causa  servandos  aliosque 
actus  juridicos  graduate  et  successive  usque  nostram 
diffinitivam  sentenciam  inclusis,  cum  dierum  competente 
intervallo,  vel  dicendum  et  causam  racionabilem  alli- 
gandum,  quare  ea  in  toto  vel  in  parte  finiri  non  debeant 
cum  intimacione  debita  et  consueta,  atque  tali  cum  sine 
dicti  citati  in  huius  citacionis  termino  coram  nobis 
comparere  curaverint  sive  non,  nos  nichilominus  contra 
eosdem  et  unumquemque  eorum  non  comparentem 
mediantibus  ulterioribus  nostris  citacionibus  et  mandatis 
in  huius  causa  forsan  necessariis,  in  valvis  rubeis  ecclesie 
Trajectensis  dumtaxat  exequendum,  ad  dictorum  prioris 
et  fratrum  domus  et  conventus  Haerlemensis  seu  eorum 
procuratorum  et  sindici  legittime  pro  eis  instanciam  et 
peticionem    procedemus,   justicia  mediante  quas  quidem 


193 

execuciones  sic  factas  decernimus,  tenore  presencium 
validas  existere  ipsosque  citatos  et  unumquemque  eorum 
proinde  artari  debere  ac  si  in  ipsaruni  et  uniuscuiusque 
eorum  presencia  facere  forent  absencia  sive  contumacia 
ipsorum    citatorum    in    aliquo,    non  obstante  diem  vero 

sive    dies    ac    formam    citacionis huius  nee  non 

nomina  ipsorum  citatorum  ac  quitque  alias  in  premissis 
feceritis,  nobis  liquide  rescribatis,  vos  presencium  execu- 
tores.  In  quorum  omnium  et  singulorum  fidem  et  testi- 
monium premissorum,  presentes  nostras  litteras  sive 
presens  publicum  instrumentum,  exinde  fieri  et  per 
notarium  publicum  infrascriptum  subscribi  et  publicari 
mandamus  nostrique  sigilli  jussimus  et  fecimus  appensione 
communiri.  Datum  et  actum  Trajecti  in  domos  habita- 
tionis  nostre  solite  residencie,  sub  anno  a  nativitate 
Domini  millesimo  quadringentesimo  nonagesimo  septimo 
indictione  quintadecima,  die  vero  duodecima  mensis 
Octobris,  pontificatus  sanctissimi  in  Christo  patris  et 
domini  nostri  domini  Alexandri,  divina  providencia  pape 
sexti,anno  sexto.  Presentibus  ibidem  honorabili  acprovido 
viro  Gerardo  Beijer,  dicte  ecclesie  Trajectensis  perpetuo 
vicario  et  curie  Trajectensis  causarum  scriba  jurato,  ac 
Frederico  Teyser,  eiusdem  curie  causarum  procuratore, 
testibus  ad  premissa  vocatis  pariter  et  rogatis. 

Et  ego  Adrianus  Buer  filius  Adriani,  clericus  Trajec- 
tensis dyocesis,  publicus  sacris  apostolica  et  imperiali 
auctoritatibus  notarius  ac  venerabilis  curie  Trajectensis 
causarum  scriba  juratus,  quia  premissis  omnibus  et 
singulis  dum  sic  ut  premittitur  fientur  et  agentur,  una 
cum  prenominatis  testibus  presens  interfui,  ea  sic  fieri 
audivi  et  vidi,  ideo  presens  publicum  instrumentum  manus 
alterius  me  aliis  pro  predictis  negociis  fideliter  scriptis 
exinde  confeci,  subscripsi  et  in  hanc  publicam  formam 
redegi,  signoque  et  nomine  meis  solitis  et  consuetis 
unacum  sigilli  appensione  venerabilis  et  circumspecti 
viri  domini  et  magistri  Antonii  Pot,  canonici  et  officialis 
ac  judicis  commissarii  prelibati,  de  eius  mandato  signavi, 
rogatus  etiam  et  requisitus,  in  fidem  et  testimonium 
omnium  et  singulorum  eorundem. 

Collacionata  est  hec  presens  copia  per  me  Heynricum 
Arnoldi,  notarium  publicum,  et  concordat  cum  originali, 
quod    protestor    manu    et  signato  privato  meo  proprio. 

Heynricus  Arnoldi  notarius. 
13 


194 

Wij  moeten  ons  tevreden  stellen  met  den  aard  van 
dit  geding  te  kennen,  want  van  den  afloop  staat  niets 
opgeteekend.  Nu  wordt  het  eerst  melding  gemaakt  van 
een  paar  jaarlijksche  renten  welke  door  het  convent  der 
Predikaren  werden  verkocht  aan  de  Getijdemeesters 
van  de  Zeven  Getijden  in  de  parochiekerk  van  St.  Bavo 
waarvan  de  akte,  opgemaakt  den  i/den  Mei  1504,  (met 
bijvoeging  van  bewijs  van  herkomst  van  eene  der  renten, 
6  April   1454)  luidt  als  volgt: 


Wij  Dirck  Spijker  ende  Claes  Janz.  Kantaert,  scepenen 
in  Haerlem,  orconden  dat  voor  ons  quamen  broeders 
Arent  Geritsz.,  prior,  ende  Jan  Woutersz.,  supprior  van 
den  cloester  ende  convente  van  der  predicatoren  oorde, 
staende  binnen  der  voers.  stede,  mit  Claes  Pieterz.  Half 
ha(er)  voecht  van  denselve  convente,  ende  ghelijden 
van  des  voers.  convents  weghen,  dat  sij  vercoft  hebben 
ende  vercoopen  mits  desen  brieve  tot  eenen  vrijen  eyghen, 
den  ghetijdemeesteren  van  den  seven  getijden  in  die 
prochyekerke  van  Sinte  Baef  binnen  derselver  stede 
tot  behoef  van  den  seven  ghetijden  voers.,  die  percelen 
van  pachten  hierna  verclaert.  Eerst  xx  scellingen  goets 
gelts  tsjaers,  in  rechten  poertrecht,  die  't  voers.  convent 
staende  hadden  op  Rem  die  stoeldrayershuys  mitten 
erve,  leggende  ende  staende  op  die  Oude  Graft,  twysken 
Vrouken  Luydolfs  an  deen  sijde,  Scuyt  Gerrit  an  dander 
sijde,  achterwaerts  streckende  an  denselver  Vrouken, 
ende  daertoe  noch  vij  (scellingen)  ende  vj  penningen  goets 
geit  sjaers  pacht,  die  't  selfde  convent  staende  hadde  op 
Vredric  die  botemakers  huys  mitten  erve,  leggende  ende 
staende  opte  Burchwall,  ende  verlijden  henluyden  daer 
of  al  voldaen  ende  wel  betaelt,  den  lesten  penninck  met 
den  eerster,  ende  hebben  van  des  voers.  convents  weeghen 
ende  mit  desself  convents  voicht  hant,  den  voers.  ghetijde- 
meesteren (tot)  behoef  vanden  seven  ghetijden  voers. 
die  voers.  percelen  van  pachten  ghelooft  te  waren,  als 
men  vrije  pachten  op  huysen  ende  erven  binnen  der 
vrijheeden  van  Haerlem  sculdigh  is  te  waren.  In  oerconden 
desen  brieve  beseghelt  mit  onsen  seghelen  int  jaer  ons 
Heeren  dusent  vijfhondert  ende  vier  opten  seventienden 
dach  in  M(eye). 


195 

Wij  Gherijt  van  Noirtich  ende  Jan  Hert,  scepenen 
in  Hairlem  oirconden,  dat  voir  ons  quam  Jan  Danel 
Willemssoenssoen,  die  glasemaker,  ende  geliede  dat 
hij  vercoft  heeft  tot  enen  vrien  eighen,  Heer  Claes 
Janssoen,  priester,  twintich  scellingen  goets  gelts  sjaers, 
in  rechten  poirtrechte,  op  Dirc  Willemssoen  die  drayers- 
huys  mitten  erve,  leggende  ende  staende  optie  Oude 
Grafte,  twisken  Jan  Gherijtssoen  an  die  ene  sijde,  Michiel 
Willemssoen  an  die  ander  sijde,  afterwairts  streckende 
an  Dirc  van  Harpe,  ende  verliede  alle  betaelt  den  lesten 
penninc  mitten  eersten,  ende  heeftet  hem  gelooft  te 
waren  als  men  vrij  renten  binnen  Hairlem  sculdich  is 
te  waren,  jairlicx  te  betalen  tot  Bamisse.  In  oirconde 
desen  brieve  bezegelt  mit  onsen  segelen  int  jaer  ons 
Heeren  Dusent  vierhondert  vier  ende  vijftich,  opten 
sesten  dach  in  Aprille. 

Ook  nog  eene  tweede  akte  van  17  Mei  1504,  waarbij 
het  klooster  aan  Getijdemeesters  aflost  eene  rente  van 
dertig  schellingen  's  jaars,  staande  op  een  perceel  dat 
diende  tot  ziekenhuis  van  het  convent. 


Wij  Dirick  Spijcker  ende  Claes  Jansz.  Kantairt, 
scepenen  in  Hairlem,  oirconden  dat  voir  ons  quamen 
die  getijdemeesteren  vanden  zeven  getijden  in  die  prochy- 
kercke  binnen  der  voirs.  stede,  bij  wille  ende  consente 
den  Rade  van  derzelver  stede,  ende  gelyeden  van  wegen 
den  zeven  getijden  voirscr.,  dat  broeders  Aernt  Gerijtsz., 
pryor,  ende  Jan  Woutersz.  suppryor  vanden  clooster 
vander  predicaren  oirde,  staende  binnen  der  voirscr. 
stede,  tot  desselfs  convents  behoef,  tegens  hemluyden 
afgelost  ende  afgecoft  hebben,  alsulcke  dertich  scel- 
lingen goets  gelts  sjairs  pacht,  als  de  zeven  getijden 
voirscr.  staende  hadden  op  een  huys  mitten  erve,  dair 
dat  ziechuys  vant  voirscr.  clooster  nu  getymmert  staet, 
ende  verlyeden  hemlieden  dairaff  al  voldaen  ende  wel 
betaelt,  den  lesten  penninck  mitten  eersten,  ende  hebben 
se  van  wegen  ende  bij  willen  ende  consente  als  voeren, 
den  voirs.  pryor  ende  suppryor  tot  behoef  van  den 
voorscr.  convente,  geloift  te  waren  als  men  vrije,  afge- 
coften  ende  afgelosste  pachten  staende  op  huysen  ende 
erven    binnen    der   vrijhede  van  Hairlem,  sculdich  is  te 


196 

waren.  In  oirconden  desen  brieve  bezegelt  mit  onsen 
zegelen  int  jair  ons  Heeren  duysent  vijffhondert  ende 
vier  opten  zeventhienden  dach  in  Meye. 

In  het  begin  der  zestiende  eeuw  vernemen  wij  dat 
de  Predikaren,  evenals  andere  kloosters,  volgens  een 
algemeen  verlof  van  den  Paus,  een  „conservateur"  hadden 
gehad,  een  gemachtigde,  die,  in  ruimen  zin,  alle  wereldsche 
belangen  der  geestelijke  heeren  waarnam  en  behartigde. 
Die  vergunning  was  echter  naderhand  krachteloos  gemaakt 
door  een  verbod  van  Karel  den  Stoute  (den  schoonvader 
van  Maximiliaan  van  Oostenrijk)  bepalende,  „dat  alle 
conservatoriën  niet  meer  loop  hebben  en  zouden  binnen 
zijne  landen." 

De  Predikaren  waren  daardoor,  zeker  als  meerdere 
kloosterlingen,  zeer  in  ongelegenheid  gebracht,  en  deze 
deed  zich  naarmate  de  tijd  voortging,  al  door  krachtiger 
gevoelen.  Dus  zagen  zij  zich  genoopt,  bij  den  Landsheer 
te  vragen,  dat  het  kwellende  verbod  buiten  werking 
mocht  worden  gesteld,  en  hun  daartoe  strekkend  verzoek 
vond  gehoor,  want  Maximiliaan  van  Oostenrijk  en  zijn 
kleinzoon  Karel,  vergunden  bij  hun  hier  volgenden  brief 
van  31  Mei  1507  dat  de  Haarlemsche  Predikaren  weder 
een  „conservateur"  tot  hun  dienst  mochten  nemen. 

Maximiliaen  bijder  gracien  Gods  Roms  Conijnck,  altijts 
vermeerder  des  rijcks,  van  Hongherien,  van  Dalmaciën, 
van  Croaciën  etc,  ende  Kaerle  bij  derselver  gracie 
Ertshertoghe  van  Oostenrijck,  Prince  van  Spaengnen, 
van  Jherusalem  etc.  Hertoghen  van  Bourgongnen,  van 
Lothringen,  van  Brabant,  van  Stiere,  van  Karinten,  van 
Crain,  van  Lemborch,  van  Lucemborch  ende  van  Ghelre, 
Grave  van  Habsborch,  van  Vlaenderen,  van  Tirol,  van 
Artois,  van  Bourgongnen,  Palsgraven  ende  van  Hene- 
gauwe,  Lantgraven  van  Elsas,  Maregraven  van  Burgau 
ende  des  Heylichs  Rijks,  van  HoUant,  van  Zeellant,  van 
Phirt,  van  Kijburg,  van  Namen  ende  van  Zutphen,  Graven, 
Heere  van  Vrieslant,  opter  Windismarck,  van  Portenauw, 


197 

van  Salins  ende  van  Mechelen.  Allen  denghenen,  die 
dese  onse  letteren  zullen  zien  ofte  hooren  lesen  Saluut. 
Wij  hebben  ontfaen  die  oetmoedeghe  supplicatie  van 
onsen  welgheminden  die  religioesen,  Prioer  ende  convent 
vanden  Predicaren  binnen  onse  stede  van  Haerlem, 
gheleghen  in  Hollant,  inhoudende,  hoe  dat  hier  voortijts 
onse  Heylege  Vader  de  Paues  uyt  zeker  deughdelijcke 
redenen  Hem  daertoe  purrende,  heeft  den  voors.  sup- 
plianten verleent  ende  gheconsenteert  ghehad,  te  moghen 
kiesen  ende  nemen  eenen  persoon,  sulk  alst  hemlieden 
ghelieven  zoude,  tot  heuren  conservateur,  omme  voor 
hem  te  betrecken  huere  schuldenaren  ende  anderen,  die 
se  vexeren  ofte  injurien  doen  zouden,  ende  daerup  ghedaen 
expediëren  zijne  bullen  daertoe  behoorende.  Ende  hoewel 
de  voorn,  supplianten  achtervolghende  dien,  ghekoren 
ende  ghenomen  hebben  eenen  conservateur,  ende  oyc 
sichtent  gebruyckt  rustelij  ken  vander  voors.  conser- 
vatorie,  desen  niet  jegenstaende  overmids  dat  wijlen 
onse  harde  liefste  Heere  ende  Vader  de  Conijnck  van 
Castille  salegher  ghedachten,  verboden  ende  geinterdiceert 
heeft  ghehad,  dat  alle  conservatoriën  niet  meer  loop 
hebben  en  zouden  binnen  zijne  landen,  zoe  worden  zij 
daghelics  vercort  ende  veronghelijct  in  vele  sticken, 
t'welke  zij  niet  keeren  en  mogen  mids  de  removacie  van 
den  voors.  conservatoriën,  t'huerlieder  groote  schade, 
hindere,  verdriete  ende  onghenouchte  ende  noch  meer 
zijn  mochte,  op  dat  hem  hier  inne  bij  ons  niet  voorsien 
en  ware  met  onse  gracie,  alzo  zij  segghen,  ons  dies 
oetmoedelic  biddende,  waeromme  wij  desulcke  voorscr. 
overghemerct,  den  voorn,  religieusen,  Prioer  ende  convent 
vande  predicaren  te  Haerlem  gheneghen  wesende  tot 
huerlieder  bede  ende  supplicatie,  hebben  inden  ghevalle 
als  boven,  gegonnen,  ghewillecoert  ende  gheaccordeert, 
gonnen,  willecoren  ende  accorderen  hemlieden  ghevende 
oorlof  ende  consent  uyt  onse  zonderlijnghe  gracie  bij 
dezen  jegenwoordeghen  brieven,  dat  niet  jegenstaende 
de  verboden  ende  deffencien  van  weghen  ons  voors. 
alderliefsten  Heeren  ende  Vaders  den  Conijnck  van 
Castille  etc.  ghedaen,  van  niet  te  moghen  useren  van 
den  voors.  conservatoriën,  ende  zonder  prejudicie  van 
dien  in  anderen  dijnghen,  zij  van  nu  voortan  zullen 
moghen  gebruycken  van  huerlieden  conservatorie  hem- 
lieden verleent  bij  onzen  Heyleghen  Vader  de  Paues  als 
voors.    es,    naer    huere  voorme  ende  inhoudene  ende  in 


198 

dat  doende,  bctreckcn  of  bij  hucren  ghecommitteerde 
doen  betrecken  voor  hueren  conservateur  of  anderen  bij 
hem  ghedelegiert,  alle  persoenen,  die  hueren  voors. 
cloostre  renten,  pachten,  cheinsen  of  ander  ghoedschuldich 
zijn,  ende  ooc  mede  anderen,  die  hemlieden  overlast, 
violencie  ofte  injurie  ghedaen  hebben  ofte  doen  zouden 
moghen,  ende  dat  dezelve  conservatoer  ofte  zijn  ghe- 
delegierde  dairvan  zal  moghen  kennen  ende  rechten,  in- 
der  voughen  ende  manieren,  als  hij  ghedaen  heeft  ofte 
gedaen  zoude  hebben  voor  de  verboden  ende  defenciën 
voorscr.,  zonder  te  dier  cause  jeghen  ons  te  mesbruuken 
ofte  mesdoen  in  eencgher  manieren ;  dit  al  tot  onzen 
wederroupene,  behoudelijcken  nochtans,  dat  in  desen  de 
voors.  conservatoer  of  rechter  egeen  faulten,  excessen 
ofte  abuusen  doen  noch  committeren  en  zal,  maer  indien 
hij  eeneghe  gedaen  hadde  ofte  hier  naermaels  com- 
mitteerde, dat  hij  daeraf  ghehouden  zal  wesen,  hem  te 
verandwoordene  ter  plecke,  daer  ende  alzoe  't  behooren 
zal.  Ombieden  daeromme  ende  bevelen  onsen  lieven  ende 
ghetrauwen,  den  lieden  van  onsen  Groten  Rade,  Stad- 
houdere  ende  lieden  van  onser  camere  vanden  Rade 
in  HoUant  ende  allen  anderen  onsen  rechters,  justicieren 
ende  officieren,  wien  dat  nopen  ende  roeren  zal  moghen, 
huerlieder  stadhouderen  ende  eenen  yeghelicken  van 
hemlieden,  alzo  hem  dit  toebehooren  zal,  dat  zij  van 
deze  onze  jegevvoordeghe  gracie,  oorlof  ende  consente 
inder  manieren  voors.,  doen,  laten  ende  ghedooghen  de 
voors.  supplianten  rustelic  ende  vredelic  ghebruycken, 
sonder  hemlieden  te  doene  noch  doen  doen  of  te  laten 
geschien  eenich  hinder,  belet  ofte  moeyenesse  ter  con- 
trarien,  want  ons  alzo  belieft  ghedaen  te  zijne.  Des 
t'oorkonden  hebben  wij  den  zeghel,  daervan  wij  Kaerle 
tot  nu  toe  bij  provisie  gebruuct  hebben,  hier  an  doen 
hanghen.  Ghegheven  in  onse  Stede  van  Ghend  den 
lesten  dach  van  Meye  int  jaer  Ons  Heeren  duusent 
vijfhondert  ende  zevene,  ende  vanden  rijcke  van  ons 
Conijnck  te  wetene  vanden  Romschen  Rijcke  het  XXIjte 
ende  van  Hongherië  etc.  het  xvijste. 

Bij  den  Conijnck  ende  mijnen  Heere  de  Eertshertoge 
in  Hueren  Rade. 

J.  Garnier. 

In    datzelfde    jaar    1507    verschaften  de  Haarlemsche 
Predikaren    zich    eene    akte,    die    voor    hen    van    groot 


199 

gewicht  kon  worden  geacht.  Den  len  JuH  1265  had 
Clemens  IV  te  Perugia  eene  bul  uitgegeven,  waarbij 
aan  de  orde  der  Predikheeren  eene  algemeene  volmacht 
werd  verstrekt,  om  het  woord  Gods  te  verkondigen,  biecht 
te  hooren  en  penitentie  op  te  leggen,  behoudens  de 
gewone  uitzonderingen.  Dit  stuk  bevond  zich  toen  ter 
tijd,  waarschijnlijk  in  de  zuidelijke  Nederlanden,  ten 
minste  was  het  den  29^11  Juni  1507  (wanneer  wij  de  na 
te  melden  verklaring  letterlijk  hebben  op  te  nemen)  in 
handen  van  broeder  Gerardus  Tiemansz.,  convers  van 
het  Haarlemsche  klooster  die  zich  op  gemelden  dag  te 
Doornik  bevond,  waar  hij  het  vertoonde  aan  zijn  orde- 
genoot den  abt  van  St.  Calixtus,  Johannes  Salembien, 
die  er  een  vidimus  van  maakte  en  aan  den  vertooner 
verschafte.  Zie  hier  den  inhoud  ervan : 

Universis  et  singulis  presentes  litteras  seu  presens 
publicum  instrumentum  inspecturis,  visuris  pariter  et 
audituris.  Johannes  Salembien  Dei  et  apostolice  sedis 
gracia  Abbas  monasterii  Sancti  Calixti  de  Cisonio  canoni- 
corum  regularum  ordinis  sancti  Augustini  Tornacensis 
dyocesis,  Salutem  in  Domino  etpresentibusfidem  indubiam 
adhibere.  Notum  facimus  quod  die  date  presencium,  coram 
nobis  pro  parte  religiosi  viri  fratris  Gerardi  Tiemanni, 
conversi  ordinis  predicatorum  conventus  Haerlemcnsis 
congregacionis  Hollandie  Trajectensis  dyocesis,  exhibite 
nobis  fuerunt  et  presentate  littere  apostolice  felicis  recor- 
dacionis  sanctissimi  in  Christo  patris  et  domini  nostri 
domini  Clementis,  divina  providencia  pape  quarti  eius 
vera  bulla  plumbca  cum  filis  sericis  rubei  croceique 
coloris,  more  Rhomane  curie  bullate,  sane  siquidem  et 
integre,  non  viciate,  non  cancellate  nee  in  aliqua  sui 
parte  suspecte,  sed  omni  prorsus  vicio  et  suspicione 
carentes,  ut  in  eis  prima  facie  apparebat,  quarum  quidem 
litterarum  tenor  sequitur  et  est  talis :  Clemens  episcopus, 
servus  servorum  Dei,  dilectis  filiis  magistro  et  fratibus 
ordinis  fratrum  predicatorum  Salutem  et  apostolicam 
benedictionem.  Quidam  temere  sentientes  et  ad  sobrie- 
tatem  sapere  nescientes  imprudenter  presumunt  asserere, 
quod    de    licencia  et  commissione  aut  concessione  Rho- 


200 

niani  pontificis  scu  Icgatorum  sedis  apostoHce  vel  ordi- 
nariorum  locorum,  vos  sine  sacerdotum  parochialium 
licencia  et  assensu  non  potestis  libere  predicare,  populis 
audire  confessiones,  absolvere  penitentes  ac  poenitentias 
injungere  salutares.  Nos  igitur,  volentes  assertionem  tam 
temerariam  penitus  confutare  et  elucidare  in  talibus 
veritatem  deliberacione  provida  declaramus  quod  si  vobis 
detur  licencia,  committatur  seu  concedatur  a  legatis  predicte 
sedis  aut  ordinariis  locorum,  nedum  a  Rhomano  pontifice 
de  quo  procul  dubio  esset  erroneum  dubitare  an  om- 
nino  sine  alicuius  consensu  ymmo  eciam  invitis  quibus- 
libet  huiusmodi  possit  concedere  potestatem  populis, 
legatis  et  ordinariis  subjectis  eisdem,  libere  predicare 
potestis,  audire  confessiones,  absolvere  vobis  confitentes 
ac  poenitencias  vobis  confitentibus  injungere  salutares, 
aliorum  inferiorum  prelatorum  et  rectorum  ecclesiarum 
ac  sacerdotum  parochialium  assensu  nuUatenus  requisito, 
illis  casibus  exceptis  qui  de  jure,  consuetudine  seu 
retencione,  ab  eis  specialiter  sanctae  sedis  legatis  et  ordi- 
nariis predictis  specialiter  relinquuntur,  ad  quos  non  licet 
vos  manus  extendere,  nisi  vobis  specialiter  committantur, 
ideoque  auctoritate  apostolica  districtius  inhibemus  ne 
quisquis  super  hiis  vel  eorum  aliquo,  vos  vel  aliquem 
vestrum  aut  eciam  confitentes  vobis  vel  ad  predicaciones 
vestras  forsitan  accedentes,  contra  premisse  declaracionis 
formam,  aliquatenus  molestare  presumat,  decernentes 
nihilominus  irritum  et  inane,  quicquid  a  quoque  contra 
declaracionem  et  inhibicionem  huiusmodi  contigerit 
attemptari.  Nulli  ergo  omnino  horum  liceat  hanc  paginam 
nostre  declaracionis,  inhibitionis  et  constitucionis  infringere 
vel  ei  ausu  temerario  contraire.  Si  quis  autem  hoc 
attemptare  presumpserit,  indignacionem  omnipotentis  Dei 
et  beatorum  Petri  et  Pauli  apostolorum  eius,  se  noverit 
incursurum.  Datum  Perusii  XII  kalendas  Julii  pontificatus 
nostri  anno  primo.  Quibus  quidem  litteris  sic  coram 
nobis  exhibitis  et  per  nos  diligenter  inspectis,  visitatis 
et  auscultatis,  fuimus  pro  parte  dicti  religiosi  viri  fratris 
Gerardi  Tiemmanni,  conversi  ordinis  predicatorum  con- 
ventus  Haerlemensis  et  congregacionis  Hollandie  Trajec- 
tensis  dyocesis,  requisiti,  quatenuseastranscribi,  exemplari 
et  in  publicam  formam  redigi  dignaremur  et  vellemus.  Nos 
igitur  Johannes  Salembien,  abbas  antedictus,  supplicacioni 
huiusmodi  tamquam  juste  et  juri  consone  annuentes, 
suprascriptas    litteras    de    verbo    ad    verbum    transcribi, 


20I 

exemplari  et  coUationata  per  notarium  publicum  sub- 
scriptum  fieri  sigilloque  nostro  oblongo  sigillari  et  in 
hanc  publicam  formam  redigi  fecimus.  Datum  et  actuni 
in  conventu  Insulensi  ordinis  predicatorum,  Tornacensis 
dyocesis  Anno  a  nativitate  Domini  millesimo  quingente- 
simo  septimo,  indictione  decima,  mensis  Junii  die  XXIX, 
pontificatus  sanctissimi  in  Christo  patris  et  domini  nostri 
domini  Julii,  divina  providencia  pape  secundi,  anno  quarto, 
presentibus  una  cum  dicto  notario  in  collatione,  providis 
ac  discretis  viris  Nicholao  Faston,  clerico  Tornacensis 
diocesis  et  Nicholao  Mortieul,  Attrebacensis  diocesis 
clerico,  testibus  ad  omnia  premissa  vocatis  specialiter 
atque  rogatis. 

Et  ego  Walrandus  Fascon,  clericus  Tornacensis  diocesis, 
publicus  sacris  apostolica  et  imperiali  auctoritatibus 
notarius,  quia  de  premissis  litteris  apostolicis  sanis  et 
integris  cum  presentibus  transscriptis  litteris  presentibus 
testibus  suprascriptis,  collacionem  foei  diligenter  et  easdem 
presentes  transscripti  litteras  cum  dictis  litteris  origina- 
libus  concordare  scivi,  idcirco  eisdem  presentibus  litteris 
unacum  sigilli  appensis  suprascripti  domini  Abbatis,  de 
eius  speciali  mandato,  signum  meum  apposui  consuetum, 
hic  mea  propria  manu  subscribente,  rogatus  et  requisitus. 

Wals.  Fascon. 

Weinig  jaren  later,  in  15  15,  wordt  er  eene  noodkreet 
vernomen,  over  den  slechten  toestand  waarin  de  ge- 
bouwen van  het  Haarlemsche  Predikarenklooster  zich 
toen  bevonden.  Wanneer  men  moet  aannemen  wat  er 
van  gezegd  wordt,  liepen  zij  door  ouderdom  gevaar  een 
bouwval  te  worden.  De  milddadige  hand  der  geloovigen 
moest  zich  openen,  waar  de  middelen  van  het  Convent 
te  kort  schoten  en  niet  toereikende  waren,  de  ver- 
eischtc  penningen  voor  herstelling  en  vernieuwing  bijeen 
te  brengen.  En  de  nood  was  zoo  dringend,  de  behoefte 
aan  hulp  zoo  groot,  dat  de  hulp  en  steun  van  den 
Bisschop  van  Utrecht,  Fredrik  van  Baden  werd  inge- 
roepen.   Deze,    gezind    om   de  kloosterlingen  te  helpen, 


richtte  zich  den  i5en  Januari  1515  tot  de  onder  zijn 
bisschoppelijk  gebied  behoorende  geestelijken  en  ge- 
loovigen,  hen  aanmanende  de  Haarlemsche  Predikaren 
bij  te  staan  op  de  velerlei  wijzen  door  den  Kerkvoogd 
genoemd,  hunne  pogingen  tot  het  bijeenbrengen  der 
vereischte  gelden  in  de  hand  te  werken,  en  ook  kelken, 
boeken,  altaarsieraden  en  het  allernoodzakelijkste  tot 
levensonderhoud  te  schenken.  Aan  ieder,  die  tot  dit 
loffelijk  doel  het  zijne  bijbracht,  was  niet  alleen  een 
hemelsch  loon  verzekerd,  maar  werd  ook  een  aflaat  van 
veertig  dagen  verleend. 

Deze  aanbeveling  des  Bisschops  is  van  den  volgenden 
inhoud : 

Fredericus  Marchio  de  Baden,  Dei  et  apostolice  sedis 
gracia  episcopus  Trajectensis,  universis  et  singulis  eccle- 
siarum  et  aliorum  locorum  sacrorum  rectoribus,  curatis, 
vicecuratis,  presbiteris,  capellanis,  altaristis  ac  custodibus 
universisque  Christi  fidelibus,  per  nostras  civitatem  et 
diocesemTrajectensemconstitutis,  Salutem  et  plenissimam 
Altissimi  caritatem,  Pia  nos  devocio  divinaque  adhortacio 
admonet  multipliciter  et  instanter,  ut  tanto  fervencius 
domum  Dei  temporalem  prefatam  condignam  conservemus, 
quanto  liberius  et  felicius  velimus,  ad  eternam  non  manu- 
factam  pervenire,  sane  fama  veridica  referente,  ad  nostrum 
auditum  noveritis  pervenisse,  quod  monasterium  seu 
conventus  ordinis  fratrum  predicatorum  opidi  Harlemensis 
parcium  Hollandie  nostre  dyocesis,  in  quo  per  fratres 
eiusdem  conventus  officia  divina,  tam  in  decantacione  et 
celebracione  missarum,  quam  sermonibus  et  predicaci- 
onibus  devotissime  fiunt  populusque  ad  devocionem  et 
bona  opera  incitatur,  in  suis  structuris  et  edificiis,  prop- 
ter  eius  vetustatem,  ruinam  patientur,  nisi  Christifidelium 
elemosinis  pro  reformacione  et  intertentione(.'')  conventus 

huiusmodi     ipsis ter    subveniatur    quia    facultates 

dictorum  fratrum  non  sufficiant  pro  reformacione  et 
reparacione  eiusdem  conventus,  sed  necessario  indigent 
subvencione  et  adjutorio  Christifidelium  alias  timendum 
ipsum  conventum  temporis  successione  devenire  posse 
ad    ruinam    Hinc    est,    quod    vos   et  quemlibet  vestrum 


203 

afifectuose  rogamus  et  in  domino  salubriter  exhortamus 
atque  sub  excommunicacionis  pena  precipimusque  et 
mandamus,  quatenus  cum  lator  presencium  nuncius  dicti 
conventus,  ad  vos  et  ecclesias  vestras  venerit  fidelium 
elemosinas  petiturus,  ipsum  benigne  recipiatis  eciam  in 
ecclesiis  ad  faciendum  ibidem  verbum  Dei  grataque 
caritatis  subsidia  exhibeatis  eidem  monasterio  ac  de 
bonis  vestris,  vobis  a  Deo  collatis,  subveniatis,  tam  in 
ecclesiis  et  predicacionibus  quam  hostiorum  peticionibus 
aliis  exhiberi,  ut  per  hec  et  alia  pietatis  opera  que 
domino  inspirante  feceritis  possitis  ad  locum  beatitudinis 
anime  et  celestem  patriam  feliciter  pervenire  mereami- 
nique  participes  effici  operum  ac  cultuum  divinorum  in 
ipso  conventu  peragendorum.  Nos  igitur  vere  penitentibus, 

confessis  et  contritio conventus  jam  dicti  et  eciam 

ad  calices,  libros,  ornamenta  quibus  maxime  necessario  .... 
atque  circa  vite  necessaria,  manus  porrexerint  adiutrices, 
quociescumque  et  quamcumque  hoc  fecerint,  de  omni- 
potentis  Dei  misericordia  et  beatorum  Petri  et  Pauli 
apostolorum  eius  ac  beati  Martini,  patroni  nostri  gloriosi, 
et  omnium  simul  Sanctorum  meritis  et  intercessione 
confisi,  quadraginta  dies  indulgenciarum  de  injunctis 
eis  penitenciis,  misericorditer  in  domino  relaxamus, 
presentibus  vero  post  annum  a  data  presentium,  com- 
putandum. 

Datum  nostro  sub  sigillo  ad  causas,  presentibus  appenso, 
anno  Domini  millesimo  quingentesimo  quintodecimo 
die  quintadecima  mensis  Januarii, 

Buser  subscripsit. 

Deze  krachtige  aanbeveling  en  aanmaning  van  den 
Bisschop  Fredrik  van  Baden,  heeft  zeker  een  goed  gevolg 
gehad,  en  middelen  bijeengebracht,  ruim  genoeg  om  het 
klooster  weder  hecht,  stevig  en  bestand  tegen  den  lang- 
zaam vernielenden  invloed  des  tijds  in  orde  te  maken. 
In  15 15  heette  het  zoo  goed  als  bouwvallig;  nu,  vier- 
honderd jaren  later,  is,  hetgeen  er  van  staande  bleef, 
nog  zoo  degelijk  alsof  het  gisteren  ware  voltooid.  Er 
moet  dus,  eeuwen  geleden,  eene  duchtige  vernieuwing 
hebben  plaats  gehad,  maar  in  bijzonderheden  is  het 
niet     bekend     waarin     deze     heeft     bestaan.     In     1533 


204 

was  men  weer  aan  het  bouwen.  Doch  toen  niet  het 
klooster,  maar  de  stad.  Wat  en  hoe,  lezen  wij  in  eene 
overeenkomst  door  de  Predikaren  den  22en  Juli  1533 
met  de  Regeering  der  stad  Haarlem  gesloten.  Uit  het 
hiervoor  medegedeelde  vonnis  van  St.  Luciendag  1456 
hebben  wij  vernomen,  dat  de  stad  toen  bezig  was  een 
vertrek  te  bouwen  over  de  groote  ingangpoort  tot  het 
klooster,  in  de  Koningstraat  naast  het  Raadhuis.  In 
1533  had  de  stad  meer  noodig  van  de  Predikaren,  en 
daarvan  maakten  de  kloosterheeren  gebruik,  om  êenige 
huur  te  bedingen  voor  de  overbouwing,  welke  tot  nu 
toe  niets  aan  het  convent  had  opgebracht.  Zij  stonden 
toe,  dat  de  stad  in  huur  of  pacht  zou  hebben  de  ge- 
melde kamer,  welke  zij  in  rake  en  dake  zou  houden 
en  waar  geen  venster  op  het  westen  zou  mogen  zijn 
(thans  is  er  wel  een).  Verder  veroorloofden  zij,  dat  de 
stad  in  huur  zou  nemen  een  ledig  erf  in  de  Koningstraat, 
waarover  een  dak  zou  worden  geslagen  en  dat  dan  zou 
dienen  tot  bewaarplaats  van  „der  stede  artelerije";  daar 
mocht  niet  geklopt  of  rumoer  gemaakt  worden,  om 
de  broeders  op  hunne  slaapzaal  en  in  hunne  boekerij 
niet  te  storen.  De  huur  of  pacht  werd  aangegaan 
voor  den  tijd  van  vijftig  jaren  en  tegen  ƒ9. —  per 
jaar.  Doch  het  voornaamste  beding  bij  deze  overeen- 
komst was,  dat  de  stad  zou  bewerken,  dat  de  klooster- 
heeren op  alle  heilige  dagen  mochten  prediken  in  St. 
Gangolfsgasthuis,  (dat  stond  toen  op  de  tegenwoordige 
Botermarkt)  thans  het  St.  Elisabeth's  Gasthuis,  tegen 
voordeden  die  zij  van  de  Gasthuismeesteren  konden  ver- 
werven. Aan  dit  begeerde  verlof  hing  eigenlijk  het  geheele 
accoord  met  de  stedelijke  Regeering,  want  slaagden 
Burgemeesteren  er  niet  in  het  voor  de  Predikaren  te 
verkrijgen,  dan  gedoogden  dezen  ook  niet,  dat  eene  stapel- 
plaats  der    artillerie   op  hun  erf  zou  worden  gevestigd. 


205 

De  akte  waarin  dit  alles  begrepen  is,  luidt  als  volgt  i). 

Op  huyden  hebben  die  Burgemeesteren,  Scepenen  ende 
Tresorier  der  stede  van  Haerlem,  van  wegen  derselver 
stede  ter  eenre,  die  Prior  ende  gemeen  broederen  van 
de  predicaren-convente  binnen  derselver  stede  ter  andere 
zijden,  overeengedragen  ende  zijn  mit  malcandere  ge- 
accordeert,  als  dat  de  voors.  stede  in  huyre  ende  pacht 
hebben  sal,  die  camer  over  die  poorte  an  't  stadthuys, 
die  zij  in  rake  ende  dake  houden  sal,  ende  't  leedige, 
onbetymmerde  erfif,  toebehorende  't  voirs.  convente  in  de 
Conincstraet,  omme  tselve  mit  een  dack  te  betymmeren 
ende  de  voirs.  stede  hoer  artelerye  aldaer  te  setten  ende 
anders  te  besigen  ende  gebruycken,  behoudelick,  dat  de 
voorn,  stede  geen  doppen  of  rumoer  daerinne  sal  laten 
doen,  om  de  broeders  op  hoer  dormiter  ende  liberije 
nyet  te  turberen,  ende  als  de  voors.  stede  wil  tymmeren 
op  't  voors.  leedighe  erfif,  streckende  an  de  voors.  dormiter, 
soe  sal  de  voorn,  stede  veerthien  voeten  van  de  voors. 
dormiter,  ende  nyet  nader,  mogen  tymmeren,  ende  dit 
den  tijde  van  vijftich  jaren  lanck  achtereenvolgende, 
beginnende  ende  innegaende  nu  Sint  Jacobsdach  naest- 
comende,  ende  na  de  voors.  vijftich  jaren  noch  soe  lange 
dattet  voors.  convent  't  voorn,  ledighe  erve  sal  willen 
betymmeren  mit  huysen  omme  wacrlicke  personen  inne 
te  wonen,  gelijck  de  twee  huysen  getymmert  zijn,  staende 
tusschen  dit  leedige  erve  ende  der  voors.  stadthuys ;  als- 
dan sal  de  voors.  huyre  of  pachtinge  uyt  ende  te  nyete 
wesen,  ende  sal  de  voors.  stede  dan  gehouden  wesen  af 
te  breken  ende  na  hoer  te  nemen  't  geen  dat  zij  an 
ende  op  't  voors.  ledige  erve  getymmert  heeft ;  ende  dit 
om  de  somme  van  negen  rijnsgulden  tot  veertich  grooten 
Vlaems  't  stuck  sjaers,  te  weten  vier  Rijnsgulden  alle  jaers 
te  betalen  tot  Bamisse,  voor  de  pachte  staende  op  't 
voors.  leedighe  erve,  in  handen  dergheenen  die  de  pacht 
daer  op  hebben,  ende  vijfif  Rijnsgulden  alle  jaers  te  betalen 
tot  Sint  Jacobsdach  den  voors.  convente,  daer  off  Bamisse 
ende  Sint  Jacobsdach  Anno  xV^  vier  ende  dertich  deerste 
dagen  ende  termijnen  der  betalinge  wesen  ende  verschijnen 
sullen,  ende  alsoe  voort  van  jare  tejare  daernaestvolgende, 
soe  lange  de  voors.  huyre  of  pachtinge  dueren  sal  als 
voors.  is,  behoudelick  ende  wel  verstaende,  dat  de  stede 


i)   Inv.  Archief  der  Gemeente  Haarlem  Ie  afd.   No.   573. 


2o6 

voors.  solliciteren  ende  bearbeyden  sal,  dat  de  broeders 
van  't  voirs.  convcnte  sullen  prediken  alle  Heylige  daechs 
in  Sinte  Gangeloffsgasthuys,  als  zij  plegen  te  doen,  mit 
alzulcke  profijten  als  't  convente  voors.  mitte  gasthuys- 
meesteren  van  't  selve  gasthuys  overcomen  sullen,  ge- 
duerende  soe  lange  als  de  voors.  huyre  of  pachtinge 
dueren  sal,  ende  bij  gebreken,  dat  de  voors.  broeders 
int  voors.  gasthuys  nyet  prediken  en  mogen,  soe  sal  als- 
dan de  voors.  huyre  of  pachtinge  uyt  ende  te  nyete 
vvesen  ende  de  stede  gehouden  wesen,  tgeen  dat  zij  ge- 
tymmert  heeft  af  te  breken,  mit  conditie  ende  voorwaerde, 
dat  men  geen  veynsteren  noch  licht  sal  stellen  ofsetten 
an  de  westzijde  over  't  voors.  conventspoorte  van  de 
voors.  camer,  staende  an  stadthuys  voors.  Alle  dinck 
sonder  bedroch  ende  fraude.  In  oirconden  ende  kennisse 
der  waerheyt  soe  hebben  de  voors.  Burgermeesteren  't 
zegel  ten  saicken  der  voorn,  stede,  ende  den  voors.  Prior 
ende  gemeen  broeders  hoer  conventszegele  beneden  an 
desen  brieff,  die  twee  alleens  zijn,  gehangen  opten  twee 
ende  twintichsten  dach  in  Julio  int  jaer  ons  Heren  duysent 
vijffhondert  drie  ende  dertich. 

Een  jaar  hierna,  in  1534,  aanvaardde  het  klooster  het 
vruchtgebruik  der  renten  groot  twee  ponden  Vlaamsch 
'sjaars,  vermaakt  aan  een  der  conventualen,  genaamd 
Vincent  Jan  Cranendoncxz.,  door  zijne  te  Dordrecht 
overleden  zuster.  Stierf  broeder  Vincent,  dan  keerden 
de  renten  weder  onbezwaard  aan  de  andere  erfgenamen 
zijner  zuster  terug,  zooals  men  uitvoerig  kan  vernemen, 
uit  de  hier  tot  slot  volgende  akte  van  9  Juli   1534. 

Wij  Bourgermeesteren,  Scepenen  ende  Raidt  der  stede 
van  Dordrecht  doen  condt  allen  luyden,  dien  desen 
onsen  openen  brieff  gethoent  sall  worden,  dat  op  huyden 
datum  sbrieffs,  voir  onsen  Raide  gecomen  is  selven  in 
haeren  properen  persoene  Margriet  Jan  Cranendonck- 
dochter,  voer  haer  selven  ende  noch  als  voecht  van 
Cornelia  Cornelis  Cranendonck,  haers  broeders  onmondige 
dochter,  transporteerde,  drouch  op  ende  gaff  over,  den 
convente  van  die  predicaeren  oerden  tot  Haerlem,  tot 
behouff  van  broeder  Vincent  Jan  Cranendoncxz,  gepro- 
fessijt    broeder  van  de  predicaeren  oerde,  aftervolgende 


207 

den  testamente  ende  den  uutterste  wille  wijlen  Yde  Jan 
Cranendoncxdochter,  sijn  suster  saliger  gedachten,  in 
date  duysent  vijffhondert  twee  ende  dertich  den  twee 
ende  twintichsten  dach  in  Mey,  ende  wij  dairoff  gesien 
ende  gehoert  hebben,  in  den  eersten  teen  vierendeel  van 
drie  ponden  grooten  vlaems  sjaers  erfflosrenten,  dair  die 
stadtbrief  of  inhoudt  op  Jacop  van  Gulick  Michielsz., 
ende  verschinen  jaerlicx  den  eersten  dach  van  Februario 
ende  den  eersten  dach  van  Augusto  dairanvolgende, 
ende  noch  drie  Andriesgulden  sjaers  aflosrenten,  dair 
die  stadtbrieff  of  inhoudt  op  Jan  Roeloff  Cranendoncxz., 
ende  verschinen  jairlicx  op  Onser  Liever  Vrouwendach 
Assumptio,  ende  noch  vier  Rinssche  gulden  lijftucht- 
renten,  dair  die  stadtbrieff  off  inhoudt  op  Roeloff  Cranen- 
donck  Jansz.,  ende  verschinen  jaerlicx  op  Sinte  Urbanus 
ende  Sinte  Katherinendach,  ende  dit  in  betaelinge  van 
alsulcke  twee  ponden  grooten  vlaems  sjaers  lijfftucht- 
renten,  als  die  voirscr.  Yde  voer  broeder  Vincent,  ende 
nyemant  anders,  bij  tvoirscr.  testamente  gemaect  heeft, 
ende  zoe  die  voerscr.  drie  perceellen  van  renten,  sijn 
seven  stuvers  min  dan  twee  ponden  vlaems,  geloofden 
Margriet  voirn.  dair  jaerlicx  noch  bij  te  leggen  seven 
stuvers,  des  soe  zijnt  voirwairde,  indien  die  oeverste,  dair 
broeder  Vincent  onder  stait  ofte  naemaels  noch  onder- 
staen  sall,  dese  twee  ponden  grooten  vlaems  anders  wilde 
emploieeren  dant  voirscr.  testament  vermeit,  soe  souden 
in  dien  gevalle  dese  lijftuchtrenten  dan  weder  vrijcomen 
ende  succederen  an  de  voirscr.  Margriete  ende  Cornelia, 
sonder  wederseggen  van  yemants,  ende  indien  in  de 
jaerlicxe  betalinge  enich  gebreck  geviele,  geloefden 
Margriet  voirn.  inder  qualiteyt  als  voirscr.,  dair  voer  in 
te  staen.  Noch  sijnt  voirwaerden,  dat  na  den  overlijden 
van  broeder  Vincent  voirn.,  die  voirscr.  losrenten  weder 
vrijcomen  sullen  an  de  voirscr.  comparante,  in  de  qualiteyt 
soe  zij  voirscr.  staet.  Des  toerconden  soe  hebben  wij 
Bourgermeesteren,  Scepenen  ende  Raidt  voirn.,  onsen 
zegel  then  zaecken  hier  onder  aen  desen  brieff  doen 
hangen,  den  negensten  dach  van  Julio  anno  vijfthien- 
hondert  vier  ende  dertich. 

Nu  ten  slotte  nog  eene  akte,  waaruit  het  stoffelijk 
welvaren  van  het  Predikarenklooster  in  het  midden  der 
lóde  eeuw  kan  blijken.  Het  bezat  derdehalf  morgen  land 


208 

in  den  banne  van  Heemstede,  welke  wat  bijgekrooien 
moesten  worden,  en  de  materie  daarvoor  ware  te  halen 
uit  de  vlak  bij  gelegen  grafelijkheids-binnenduinen  of 
wildernissen.  Een  hiertoe  strekkend  verzoek  aan  de 
Kamer  van  de  Rekening  vond  een  goed  gehoor.  De 
Predikaren  mochten  hun  gang  gaan,  mits  zij  de  afgekarde 
stukken,  met  wat  ruigte  deden  beplanten,  opdat  de  dan 
wassende  opslag  het  verstuiven  der  duinen  zou  tegen- 
houden. 

Alles  duidelijk  omschreven  in  dit  consent  van 
10  Juni    1556. 

Op  't  versouck  gedaen  anden  luyden  van  den  rekening 
des  Conincx  in  den  Hage  bij  requeste  hemluyden  ge- 
presenteert  van  wegen  die  prior,  procurator  ende  ghe- 
meene  conventuaelen  vanden  predicarenoorde  binnen 
Haerlem,  versouckende  consent  omme  sant  ofte  aerde 
te  moegen  haelen  uyte  duynen  ofte  wildernissen  van 
Heemstede,  tot  toemaeckinge  van  zeeckere  derdalfve 
marghen  landts  ofte  daeromtrent,  hemluyden  supplianten 
toebehoerende  ende  liggende  in  den  banne  van  Heemstede. 
Die  voors.  vande  rekeninge,  gesyen  hebbende  d'in- 
formatie  opter  supplianten  te  kennen  geven,  genomen 
bijden  ontfanger  vanden  wildernisse  in  Noorthollant 
Gerrit  de  Witte,  daerbij  gebleken  is,  dat  bij  't  afifkarren 
vande  voors.  duynen,  te  weten  vanden  hoogen  berch, 
leggende  op  't  scheydt  van  Heemstereduyn,  streckende 
an  Jan  van  Zanens  duynken,  de  Co  Mat  toebehoerende, 
nyemant  geprejudiceert  mach  wesen,  immers  dat  die 
weydinge  vanden  duynen  daerbij  soude  verbeteren, 
Soo  hebben  dieselve  vanden  rekeninge  bij  advyse  van- 
den voors.  ontfanger,  de  voors.  supplianten  geconsenteert 
ende  consenteeren  mitsdesen,  dat  zij  tot  toemakinge 
vanden  voors.  lande,  alleenlick  sullen  moghen  uyten 
voors.  duynen  doen  halen,  alsoe  veel  aerde  oft  sandt, 
als  hemluyden  daertoe  van  noode  werdt,  ende  dit  ge- 
duerende  tot  kenlick  wederseggen  vandie  vande  Camere, 
mit  laste  dat  sijluyden  gehouden  worden,  die  raeuwe, 
afifgecaerde  plaetse,  met  wat  ruychte  ofte  andere  potaerde 
te  bestroijen,  jegens  't  verstuyven  vanden  selven  duynen. 


209 

Actum  ten  burele  vanden  voors.  rekeninge  in  den 
Haege  den  Xen  Juny  XVc  zess  en  vijftich. 

Mij  jegenwoordich 

Snouckaert. 

Geregistreert    in  't  vje  bouck  van 
appten  foliis  CXLV  ende  CXLVI.  xii.  st. 

Hiermede  zijn  de  berichten,  voornamelijk  aan  de 
stukken  ontleend,  ten  einde.  Hetgeen  van  elders  omtrent 
het  Haarlemsche  Convent  der  Predikaren  bekend  is, 
behoeft  niet  te  worden  herhaald.  Er  zij  slechts  herinnerd, 
dat  ten  jare  1581  het  klooster  deelde  in  het  lot,  dat 
alle  andere  geestelijke  gestichten  en  gilden  trof.  De 
doodsklok  werd  er  over  geluid,  de  bewoners  werden 
verstrooid  en  alle  bezittingen  ten  behoeve  van  de  stad 
Haarlem  verbeurd  verklaard. 

Het  zou  wel  merkwaardig  zijn  een  overzicht  te  geven 
van  hetgeen  het  klooster  bij  zijne  opheffing  bezat,  maar 
het  is  zoo  goed  als  onmogelijk  dit  samen  te  stellen, 
dewijl  in  de  rekening  der  geestelijke  goederen  alles 
dooreengemengd  en  geene  schifting  te  maken  is. 

Het  mogelijke  wil  ik  doen,  en  hier  ten  slotte 
laten  volgen  eene  aanteekening,  waaruit  blijkt,  welke 
bestemming  aan  de  kloostergebouwen  der  Predikaren 
is  gegeven.  Op  twee  tijdstippen.  Eerst  in  1594;  een 
jaar  willekeurig  gekozen,  maar  omdat  toen  eerst  orde 
was  gekomen  in  de  regeling  der  talrijke  bezittingen 
van  de  kloosters,  welke  aan  de  stad  waren  toegevallen. 
Vervolgens  een  paar  honderd  jaren  later,  in  1792,  meer 
naderende  aan  onzen  tijd,  waaruit  men  wat  uitvoeriger 
kan  zien,  hetgeen  de  stad  destijds  er  nog  van  in  bezit 
had.  Weinig  of  niets  is  daarvan  tot  heden  vervreemd, 
maar  eenige  der  lokaliteiten  hebben  eene  andere  be- 
stemming  gekregen,   of  zijn  door  gebouwen,  al  zij  het 

14 


van  geheel  afwijkenden  aard,  van  stadswege  vervangen, 
hetgeen  dan,  indien  slechts  eenigszins  doenlijk,  wordt 
opgegeven. 

De  kloosterkerk  en  een  goed  gedeelte  van  het  convent 
(deze  opmerking  ga  vooraf)  zijn  in  A°.  1595  ingericht 
tot    een    Prinselijk    Logement    (nu  nog  het  Prinsenhof). 

A°.  1594.  Het  principael  Convent  wordt  waergenomen 
bij  den  Conchierge,  ende  de  Hoff  (kloostertuin)  bij  den 
Hovenier  Jan  Janss.  van  Sompele. 

Mr.  Lieven  de  Key,  Stads  Metselaer,  ende  Ghijsbrecht 
Claess.    de    Haen,    wonen    beide    binnen    het    Convent. 

Het  Sacristije  wordt  gebruickt  tot  Duytsche  Gerefor- 
meerde Schoole,  ende  het  Poorthuys  wordt  bewoont 
bij  Mr.  Cornelis  Janss.,  schoolmeester  van  deselve  Schoole. 

Cornelis  Joosten,  Schout  ende  Capiteyn  van  de  Nacht- 
wachte,  bewoont  eene  huysinge  over  de  voors.  School- 
meester. Alle  dweick  alhier  gestelt  wort  voor  Memorie. 

Joannes  Damius,  Predicant,  bewoont  binnen  't  Convent 
eene  woninge  genaempt  des  Abtshuys,  ende  gheeft 
sjaers  te  huyre  vijff  en  dertich  ponden. 

A°.  1792.  De  kamer  voorheen  1)  de  Stads  Bibliotheek, 
boven  het  zoogenaamde  Prinsenhof,  is  verhuurd  ten 
behoeve  van  den  Heer  M.  A.  Beels,  minderjarigen  erf- 
genaam van  wijlen  Mr.  G.  W.  van  Oosten  de  Bruyn. 
(Voor  bewaarplaats  van  diens  in-  en  buiten  Haarlem 
vermaarde  bibliotheek,  publiek  geveild  in    1860). 

Het  Prinsen-Logement  wordt  bewoond  door  de 
Conchiergeresse  Marthe  Salome  Chaillet. 

a.  De  huizinge  in  de  Jacobijnenstraat  bewoond  geweest 
bij  den  Hovenier,  is  volgens  resolutie  van  Burgemeesteren 
van  15  September  1721,  gegeven  aan  Deken  en  Vinders 
van  het  Collegium  Medicum. 

è.  Twee  kamers  daarnaast,  of  achter  den  tuin,  voor 
dezen  bewoond  geweest  bij  den  Straatmaker,  worden 
nu  gebruikt  bij  Deken  en  Vinders  van  het  Collegium 
Medicum. 

c.  De  kamer  of  huizinge  voor  dezen  bewoond  bij  de 


l)   Nu,  in    1914  en   sedert  jaren,  weder.  Zie  Verslagen  van....  den 
Gemeenteraad  van   Haarlem.  Jaargang    l86i    blz.   376. 


Maitresse  van  de  Spinschool,  is  in  gebruik  afgestaan 
aan  Judith  de  Witt. 

d.  De  huizinge  daarnaast,  is  in  1765  door  Burge- 
meesteren gegund  aan  de  Super-Intendenten  en  Over- 
lieden  van  de  Manufacturen,  tot  hunne  Gildekamer. 

{a  waarschijnlijk  afgebroken  tot  vergrooting  van  den 
tuin.  b — d  thans  Bureau  van  Gemeentewerken). 

Het  Abtshuis,  staande  aan  de  Noordzijde  van  het 
Convent  of  Prinsen-Logement  (in  1800  afgestaan  aan 
het  Collegium  Medicum  voor  „Theatrum  Anatomicum". 
Thans  staat  op  die  plaats  het  Gymnasium). 

Een  lokaal  in  het  Pand,  links  van  de  binnenpoort, 
was  in    1792  en  daarna  het  Bierwerkershuisje. 

De  Kapittelzaal  werd  volgens  resolutie  van  Burge- 
meesteren van  22  Januari  1766  afgestaan  tot  eene 
vleeschhal  voor  de  Joden  „De  jodenhal".  (Thans  Magazijn 
van  brandbluschmiddelen). 

Daarboven  was  de  Vergaderkamer  van  het  St.  Lucas- 
of  Schildersgild  (van  1862 — 1914  de  Oudheidkamer  van 
het  Stedelijk  Museum).  Toegang,  nu  nog  bestaande,  in 
den  noordoostelij  ken  hoek  der  kloostergangen  van  den 
binnenhof. 

De  Looikamer,  de  Metselaarsgildekamer  en  het  Brood- 
wegerskantoor,  bevonden  zich  boven  de  noordelijke 
kloostergang.  Toegang  in  de  poort  leidende  van  de 
Zijlstraat  naar  de  Jacobijnenstraat.  (Thans  de  groote 
zaal  van  het  Gemeente-Archief). 

De  Gijzelkamers.  Toegang  op  de  binnenplaats  van 
het  Raadhuis.  (Thans  de  kamer  van  den  Gemeente- 
Archivaris). 

Moge  de  tijd  nog  eens  aanbreken,  dat  hetgeen  van 
het  Predikarenklooster  staande  bleef,  voor  zoover  daartoe 
vatbaar,  in  zijne  oude  gedaante  worde  hersteld. 

Haarlem.  C.  J.  GoNNET. 


GODFRIED  VAN  MIERLO. 

(Vervolg  van  Deel  XXXV,  bh.  346.) 


%  5.  Het  in  bezit  netnen  van  de  volle  bisschoppelijke 
jurisdictie. 

Een  andere  misstand,  tegen  welken  van  Nieuwland  te 
vergeefs  zich  had  pogen  te  verzetten  i),  was  het  uitoefenen 
der  jurisdictie  door  den  Domproost  en  zijn  kapittel 
binnen  de  grenzen  van  het  Haarlemsche  diocees.  Vóór 
het  oprichten  van  dit  diocees  bezat  de  Domdeken  in  zijn 
hoedanigheid  van  aartsdiaken  de  kerkelijke  rechtsmacht 
over  Amstelland  en  Kennemerland,  benevens  nog  eenige 
parochies,  in  de  nabuurschap  van  laatst  genoemd  dekenaat 
gelegen.  De  uitvoering  dier  jurisdictie  was  toevertrouwd 
aan  dekens,  welke  door  den  Domproost-aartsdiaken  ge- 
woonlijk in  elk  der  beide  gewesten  werden  aangesteld; 
tijdens  het  episcopaat  van  v.  Nieuwland  schijnt  echter 
aan  den  deken  van  Kennemerland  tevens  het  uitoefenen 
der  jurisdictie  over  Amstelland  te  zijn  opgedragen. 
Verder  had  men  binnen  het  gebied  van  het  Haarlemsche 
bisdom  nog  de  proosdij  van  Westfriesland,  omstreeks  het 
jaar  1500  vijf  en  vijftig  parochies  tellende  2),  maar  in 
1559  vermoedelijk  een  zestigtal.  Een  proost  stond  hier 
eveneens  aan  het  hoofd,  door  het  Domkapittel  te  be- 
noemen,   en   ook   deze   droeg  geregeld  zijn  macht  over 


i)  Bijdr.  bisd.  Haarlem  XXVI,   254;  IV,  414. 
2)  BiJdr.  hisd.  Haarlem  XXVI,    107. 


213 

op  een  deken,  die  te  Hoorn  resideerde.  Nagenoeg  het 
gansche  gebied  van  het  Haarlemsche  diocees  had  der- 
halve, direct  of  indirect,  onder  het  Domkapittel  gestaan. 
Zou  het  bestuur  van  den  bisschop  nu  niet  een  schijn- 
bestuur  blijven,  als  onder  van  Nieuwland,  maar  werkelijk- 
heid worden,  dan  moest  er  natuurlijk  een  radicale  ver- 
andering komen  in  dezen  toestand. 

Met  bekwamen  spoed,  nog  in  het  eerste  jaar  van  zijn 
bestuur,  heeft  de  nieuwe  bisschop  van  Haarlem  ook  aan 
dezen  misstand  een  einde  gemaakt.  Hier  achter  in  de 
Bijlagen  (I)  geven  wij  den  tekst  der  oorkonde,  welke 
van  Mierlo  bij  het  aanvaarden  der  jurisdictie  over 
Westfriesland  heeft  laten  opstellen.  Den  i/en  Juli  1571 
bevond  hij  zich  voor  dat  doel  te  Hoorn.  Aan  de 
geestelijkheid  en  magistraat  der  stad  is  toen  voorlezing 
gedaan  van  die  zinsneden  uit  de  oprichtingsbulle  Ex 
injuncio,  welke  bepaalden  dat  het  gansche  gebied  van 
Westfriesland  van  nu  af  tot  het  Haarlemsche  diocees 
zou  behooren.  Vervolgens  werden  de  brieven  van  placet 
voorgelezen,  eertijds  door  Philips  en  Margaretha  uit- 
gevaardigd om  aan  deze  beslissing  van  den  paus  kracht 
bij  te  zetten,  met  bevel  aan  den  president  van  het 
Hof  van  Holland,  Cornelis  Suys,  om  de  bulle  van  op- 
richting in  haar  ganschen  omvang  ten  uitvoer  te  leggen. 
Krachtens  deze  beschikkingen  van  paus  en  koning,  en 
naar  de  bepalingen  van  het  concilie  van  Trente,  verklaarde 
van  Mierlo  derhalve  alle  jurisdictie,  tot  nog  toe  hetzij 
door  het  Domkapittel  hetzij  door  den  proost  en  diens 
gedelegeerden  van  Westfriesland  uitgeoeffend,  voor  ge- 
ëindigd en  van  nu  af  nietig  en  nam  hij  als  bisschop 
van  Haarlem  zelf  daarvan  bezit.  Daarna  erkenden  zoowel 
burgerij  als  geestelijkheid  van  Mierlo  als  hun  wettigen 
overste  in  kerkelijke  zaken.  En  om  te  meer  kracht  bij 
te   zetten  aan  dit  in  bezit  nemen,  verrichtte  hij  daarna 


214 

eenigc  bisschoppelijke  functies,  eerst  in  de  hoofdkerk 
van  Hoorn,  aan  sint  Ciriacus  gewijd,  vervolgens  in  de 
overige  kerken  en  kapellen  van  de  stad.  Johan  Gruwel 
verloor  door  dezen  maatregel  al  de  volmachten,  welke 
hij  in  naam  van  den  proost  van  Westfriesland  had  uit- 
geoefend ;  de  oorkonde  van  v.  Mierlo  vermeldde  dat 
ook  uitdrukkelijk ;  maar  wij  lezen  daar  tevens  dat  de 
bisschop  van  Haarlem  hem  nu  op  zijn  beurt  tot  deken 
van  Westfriesland  aanstelde. 

Gelijk  te  verwachten  was,  legden  de  Domproost  en 
zijn  kapittel  zich  maar  niet  zoo  gemakkelijk  neder  bij 
de  krachtige  maatregelen  van  den  Haarlemschen  bisschop. 
Meerdere  stukken,  voorheen  behoord  hebbende  tot  het 
archief  van  den  Dom  en  thans  in  de  rijksarchieven  van 
Utrecht  bewaard,  kunnen  daarvoor  getuigen.  Wel  zijn 
niet  al  de  gewisselde  stukken  mij  onder  de  oogen  ge- 
komen, doch  hetgeen  ik,  dank  zij  de  hulpvaardigheid 
van  den  Utrechtschen  rijksarchivaris,  over  deze  zaak 
mocht  aantreffen  en  dat  hier  voor  het  eerst  zal  gepubli- 
ceerd worden,  is  voldoende  om  ons  een  kijk  te  geven 
op  het  verloop  van  den  strijd,  welken  de  Utrechtsche 
heeren  tegen  van  Mierlo  aanbonden. 

Uit  Bijlage  II,  het  eerste  in  de  rei  van  deze  documenten, 
blijkt  dat  de  nieuwe  bisschop  van  Haarlem  de  volle 
jurisdictie  over  Amsterdam  en  Amstelland,  over  Haarlem 
en  Kennemerland,  alsmede  over  eenige  parochies  in  de 
nabuurschap  van  dat  laatste  dekenaat  gelegen,  reeds 
had  opgevorderd  en  aanvaard  nog  vóór  hij  naar  Hoorn 
was  getrokken  om  daar  hetzelfde  betreffende  de  juris- 
dictie van  Westfriesland  te  verrichten.  Immers  de  twee 
bezwaarschriften,  welke  daartegen  werden  opgesteld, 
dagteekenen  van  7  en  9  Juli  1571,  terwijl  zijn  komst 
te  Hoorn,  gelijk  wij  hebben  gezien,  eerst  op  17  Juli 
van    dat    jaar    is    gevolgd.    Dit    feit  vernemen  wij   voor 


215 

het  eerst  uit  het  request  van  den  Domproost  met  zijn 
kapittel;  het  is  een  bewijs  te  meer  hoe  krachtig  van 
Mierlo  aanstonds  de  teugels  in  handen  heeft  genomen, 
nadat  hij  zelf  het  bestuur  over  het  bisdom  had  aanvaard, 
wetende  in  deze  aangelegenheid  op  Alva's  steun  te 
kunnen  rekenen.  De  bisschop  van  Haarlem,  zoo  be- 
klagen zich  dan  Domproost  en  Domkapittel  bij  den 
Geheimen  Raad  te  Brussel,  had  onlangs  de  gansche 
jurisdictie  over  Amstelland  en  Kennemerland  aan  zich 
getrokken ;  voor  de  uitoefening  daarvan  een  eigen  ge- 
delegeerde (vermoedelijk  Zaffius)  aangesteld  en  den  deken 
van  den  Domproost,  die  te  Haarlem  zetelde,  doen  aan- 
zeggen dat  hij  zich  wel  zou  onthouden  om  ook  maar 
een  enkele  daad  van  jurisdictie  in  één  der  beide  dekenaten 
uit  te  oefenen.  Om  het  onrecht,  hun  daardoor  aan- 
gedaan, te  bewijzen,  beroepen  zij  zich  op  een  schrijven 
van  de  landvoogdes,  in  1561  tot  de  vijf  kapittels  van 
Utrecht  gericht.  Bij  dat  schrijven,  zoo  betoogen  zij, 
had  de  Regeering  aan  de  prelaten  van  die  kapittels 
toegezegd  dat  zij,  niettegenstaande  het  oprichten  der 
nieuwe  bisdommen,  hun  leven  lang  in  het  bezit  zouden 
blijven  van  de  jurisdictie,  welke  zij  tot  nog  toe  in  die 
bisdommen  hadden  uitgeoeffend,  terwijl  hun  bovendien 
nog  schadeloosstelling  was  beloofd  voor  het  verlies  aan 
emolumenten,  dat  zou  volgen  uit  de  invoering  der 
hervormingsdecreten  van  Trente.  Laat  mij  aanstonds 
er  aan  toevoegen  dat  de  landvoogdes  ter  kwader  ure 
werkelijk  zulke  toezeggingen  had  gedaan,  gelijk  o.  a. 
blijkt  uit  haar  schrijven  van  27  Oct.  1561  i) ;  zulks  was 
geschied  om  op  die  wijze  de  kapittelheeren  gunstig  te 
stemmen  voor  de  schijnkeuze  van  Schenk  van  Tautenburg 


l)    De    volledige    tekst    bij    van  Heussen — van  Rhijn  Kerkel.  historie 
en  oudheden  (folio-editie)  I,   382 — 383. 


2l6 


en  tevens  hen  er  van  af  te  houden  dat  zij  de  Staten  van 
Utrecht  in  den  twist  over  deze  afgedwongen  keuze  zouden 
betrekken.  Vervolgens  worden  de  schadelijke  gevolgen 
van  het  optreden  van  v.  Mierlo  tegen  hun  deken  te 
Haarlem  in  het  licht  gesteld.  Vooreerst :  geldelijk  nadeel, 
want  bij  overeenkomst  van  6  Juni  1569^)  was  bepaald 
dat  de  institutie-gelden  aan  den  Domproost  zouden  blijven, 
alsmede  voorloopig  ook  de  boeten,  welke  waren  gesteld 
op  de  z.g.  criniina  minora,  op  het  sluiten  van  geheime 
huwelijken  en  het  nalaten  van  de  huwelijksbannen ;  dit 
alles  kwam  nu  op  eenmaal  tot  werkelijke  schade  van 
den  Domproost  en  zijn  kapittel  te  vervallen.  Maar  ver- 
volgens ook :  vermindering  van  aanzien,  daar  het  archi- 
diakonaat,  van  ouds  zoo  aanzienlijk  in  de  Utrechtsche 
kerk,  aldus  tot  de  beteekenis  van  een  louteren  eeretitel 
afdaalde,  hetgeen  niet  alleen  een  vernedering  zal  zijn 
voor  de  Utrechtsche  proosten,  maar  ook  voor  den  koning 
zelf,  die  hen  tot  dit  hooge  ambt  benoemt.  Hun  verzoek 
is  derhalve  dat  er  open  brieven  zullen  uitgevaardigd 
worden,  waarbij  in  naam  des  konings  den  bisschop  van 
Haarlem  worde  bevolen,  des  noods  onder  bedreiging 
van  groote  straffen,  den  Domproost  en  zijn  kapittel  in 
het  rustig  bezit  te  laten  van  de  jurisdictie  van  Amstel- 
land  en  Kennemerland. 

Twee  dagen  later,  op  9  Juli  1571,  volgde  een  tweede 
request  (Bijlage  III),  dat  het  vorig  smeekschrift  moest 
aanvullen.  De  Geheime  Raad  had  het  boven  vermeld 
request  aan  van  Mierlo  toegezonden  met  verzoek  daarop 


l)  Bijdr.  bisd.  Haarlem  XXVI,  256—257.  Dit  verdrag,  gesloten 
lusschen  den  Domproost  en  den  vertegenwoordiger  van  Nieuwland,  had 
moeten  dienen  om  het  uitoefenen  der  jurisdictie  in  Amstelland  en 
Kennemerland  althans  eenigszins  in  overeenstemming  te  brengen  met 
Trente,  dat  de  macht  der  aartsdiakens  in  cap.  20,  Sess.  XXIV  zeer 
had  besnoeid. 


217 

van  antwoord  te  willen  dienen.  Nu  er  echter  door  den 
Geheimen  Raad  geen  bepaalde  tijd  voor  dat  antwoord 
was  vastgesteld,  en  de  Domproost  met  zijn  gevolmachtigde 
onderwijl  verstoken  bleven  van  de  uitoefening  der  juris- 
dictie, alsook  van  de  geldelijke  voordeelen  daaraan  ver- 
bonden, nu  vreesden  zij  dat  de  bisschop  opzettelijk  zal 
talmen  met  zijn  verantwoording,  om  aldus  de  zaak  op 
de  lange  baan  te  schuiven.  Zij  verzochten  derhalve  aan 
den  Geheimen  Raad  een  bepaalden  tijd  vast  te  stellen 
voor  het  te  geven  antwoord.  Gelijk  uit  de  apostille, 
op  het  tweede  request  aangebracht,  blijkt,  heeft  de 
Geheime  Raad  met  dit  verzoek  rekening  gehouden; 
binnen  drie  weken  zou  van  Mierlo  op  de  bezwaren 
van  den  Domproost  hebben  te  antwoorden. 

Met  eenige  vertraging  kwam  die  verantwoording  op 
17  Aug.  1571  bij  den  Geheimen  Raad  in  (Bijlage  IV). 
Tegen  het  schrijven  van  de  landvoogdes  voert  de 
bisschop  aan  dat  deze  brief  buiten  voorkennis  van  écn 
der  beide  belanghebbende  partijen,  en  wel  van  den 
toenmaligen  bisschop  van  Haarlem,  Nic.  van  Nieuwland, 
was  uitgevaardigd ;  dat  dit  schrijven  zonder  kennis  van 
zaken  was  opgesteld  en  alleen  had  gediend  om  de  on- 
willige kapittels  van  Utrecht  over  te  halen  tot  de 
(schijn)keuze  van  een  aartsbisschop.  Vervolgens  tracht 
hij  ook  positief  zijn  goed  recht  aan  te  toonen.  Philips 
en  Margaretha  hadden  hun  placet  gegeven  aan  de  buUe 
Ex  injuncto  en  daarmede  op  hun  beurt  erkend  dat  de 
bisschop  van  Haarlem  over  de  volle  jurisdictie  zou  te 
beschikken  hebben,  welke  het  Kerkelijk  recht  aan  den 
ordinarius,  het  hoofd  van  een  bisdom,  toekent.  En  daar 
één  van  de  rechtsregelen,  welke  in  de  verantwoording 
wordt  aangehaald,  luidt  dat  alle  jurisdictie,  welke  door 
ondergeschikten  binnen  de  grenzen  van  een  nieuw  te 
stichten    bisdom    wordt    uitgeoeffend,    bij  het  oprichten 


2l8 


van  dat  bisdom,  aan  den  ordinarius  vervalt,  meent  van 
Mierlo  ook  op  dezen  grond  de  jurisdictie  over  de  beide 
dekenaten  Amstelland  en  Kennemerland  rechtmatig  zich 
te  hebben  toegeëigend.  Ten  slotte  het  nadeel  dat  voor 
Domproost  en  Domkapittel  uit  dezen  maatregel  zou 
voortvloeien.  Van  Mierlo  vergenoegt  zich  met  te  wijzen 
op  de  hervormingsdekreten  van  Trente ;  daarbij  wordt 
bepaald  dat  de  boeten,  welke  de  kerkelijke  rechter 
oplegt,  in  het  vervolg  alleen  zullen  dienen  voor  het 
ondersteunen  van  armen  of  voor  andere  godvruchtige 
doeleinden  ^)  en  dat  het  verleenen  van  beneficies,  in  de 
toekomst  steeds  geheel  om  niet  zal  moeten  geschieden  ^). 
Bezwaarlijk  kan  hij  gelooven  dat  men  van  de  zijde  der 
Regeering  zou  wenschen  te  herstellen  de  „onbehoirlijcke 
prouffijten  ende  misbruycken,  die  tot  groote  schandalisatie 
[in  de  beide  dekenaten]  geweest  sijn." 

Wij  kunnen  het  verloop  van  deze  zaak  niet  verder 
vervolgen  uit  gemis  aan  bescheiden.  De  apostille  gelast 
dat  het  antwoord  van  den  bisschop  aan  belanghebbenden 
of  hunne  vertegenwoordigers  te  Brussel  moest  mede- 
gedeeld worden,  opdat  dezen,  zoo  het  hun  goeddacht, 
daarop  zouden  repliceeren.  Waarschijnlijk  zullen  zij  dat 
ook  wel  gedaan  hebben,  de  houding  in  aanmerking  ge- 
nomen, welke  het  Domkapittel  in  een  soortgelijke  aan- 
gelegenheid, de  jurisdictie  van  Westfriesland,  ongeveer 
terzelfder  tijd  heeft  ingenomen.  Voor  zooverre  wij  weten, 
echter  zonder  het  gewenschte  resultaat ;  een  half  jaar 
later  brak  trouwens  de  opstand  in  de  Nederlanden  uit 
welke  aan  al  dit  twisten  een  geweldig  eind  zou  maken. 

De  stukken,  welke  nu  volgen,  betreffen,  zooals  gezegd 
is,    de    proosdij     van    Westfriesland.    Had    men,    waar 


1)  Conc.   Trid.  Sess.  XXV,  de  reform,  c.  3. 

2)  Conc,    Trid.  Sess.  XXIV,  de  reform,  c.    14. 


219 

't  Amstelland  en  Kennemerland  gold,  nog  eenigszins 
rekening  gehouden  met  het  veranderde  kerkrecht  en 
met  het  gezag  van  den  bisschop  van  Haarlem,  in  West- 
friesland  was  gedurende  het  gansche  bestuur  van 
V.  Nieuwland  alles  bij  het  oude  gebleven.  Alsof  er  geen 
hervormingsdecreten  van  Trente  bestonden,  ook  voor 
de  Utrechtsche  kerkprovincie  sinds  1565  verplichtend, 
bleef  de  proost  van  Westfriesland,  door  het  Domkapittel 
verkozen,  zijn  schier  onafhankelijke  macht  over  een 
aanzienlijk  deel  van  het  Haarlemsche  bisdom  handhaven 
en  door  bemiddeling  van  zijn  gedelegeerde  te  Hoorn, 
uitoefenen.  Om  dit  duidelijk  aan  te  toonen  volgen  in 
de  Bijlagen  een  drietal  stukken,  welke  alle  betrekking 
hebben  op  de  aanstelling  van  Joannes  Gruwel  tot  deken 
van  Westfriesland.  Die  aanstelling  had  plaats  in  de 
woelige  September-dagen  van  1566  en  viel  nagenoeg 
samen  met  het  optreden  van  een  nieuwen  proost,  want 
de  vroegere,  Cornelis  van  Nyenrode  '),  was  kort  te  voren 
toegetreden  tot  het  Compromis,  had  afstand  gedaan  van 
zijn  geestelijke  bedieningen  en  was  in  de  proosdij  van 
Westfriesland  opgevolgd  door  een  anderen  kanunnik 
van  het  Domkapittel,  Joannes  van  Wede.  Op  5  September 
dan  werd  Joannes  Gruwel,  die  tevens  pastoor  was  van 
Wijdenes,  voor  den  tijd  van  zes  jaren  tot  deken  van 
Westfriesland  benoemd.  In  de  aanstellingsakte  (Bijlage  V), 
door  het  Domkapittel  en  den  nieuwen  proost  uitge- 
vaardigd, zijn  de  bevoegdheden  opgesomd,  over  welke 
hij  als  gedelegeerde  zou  te  beschikken  hebben.  Be- 
houdens eenige  zaken,  welke  het  Domkapittel  aan  zich 
behoudt,  komt  zijne  jurisdictie  geheel  overeen  met  de 
rechtsmacht  van  een  bisschop  in  zijn  diocees.  Over  het 


l)  Meer  over  hem  in   (Drakenborch's)  Aanhangsel  op  de  ketkel.  Oud- 
heden V.  Nederland,  420. 


220 


concilie  van  Trente  wordt  echter  in  dit  stuk  met  geen 
enkel  woord  gerept.  Wel  had  dat  concilie  een  aantal 
bevoegdheden,  welke  hier  onder  de  rechten  van  den 
deken  worden  opgeteld,  aan  de  aartsdiakens  ontnomen 
om  ze  aan  den  bisschop  van  het  diocees  terug  te  geven  ^), 
maar  proost  en  Domkapittel  beschouwden  die  bepalingen 
als  niet  toepasselijk  op  de  proosdij  van  Westfriesland ; 
daarover  bezaten  zij,  naar  het  hun  voorkwam,  nog  altijd 
eene  nagenoeg  bisschoppelijke  rechtsmacht.  Geen  woord 
verder  ook  in  deze  akte  over  den  bisschop,  in  wiens 
gebied  de  proosdij  was  gelegen ;  later  zullen  wij  zien 
wat  daarvan  de  reden  was. 

Een  dag  later,  6  September,  is  de  akte  opgesteld  en 
onderteekend,  waarbij  Joannes  Gruwel  die  benoeming 
verklaart  te  aanvaarden  (Bijlage  VI).  Hij  belooft  als 
deken  van  Westfriesland  strikt  naar  den  inhoud  van 
den  aanstellingsbrief  zich  te  zullen  gedragen ;  verder 
zegt  hij  toe :  een  geregelde  boekhouding,  tweemalen 
's  jaars  rekening  en  verantwoording  in  Utrecht  af  te 
leggen,  en  wat  de  inkomsten  betreft  zal  hij  slechts  een 
derde  voor  zich  zelf  behouden,  al  het  overige  aan  den 
proost  en  het  Domkapittel  afdragen. 

In  het  zoo  even  vermelde  stuk  wordt  aan  het  einde 
ook  melding  gemaakt  van  twee  briefjes,  welke  door 
Gruwel  tevens  zijn  onderteekend.  De  kopie  van  beide 
„schedula's"  bevindt  zich  eveneens  in  het  oud-archief 
van  den  bisschop  van  Haarlem.  Het  ééne  briefje  telt 
nog  eens  de  gevallen  op,  in  welke  de  deken  zijn  juris- 
dictie niet  zal  mogen  uitoefenen.  Daar  de  akte  van 
aanstelling  ook  reeds  dezelfde  gevallen  vermeldt,  kan 
het   publiceeren   van  deze  „schedula",  welke  bovendien 


l)     Cofic.     Trid.    Sess.    XXIV,    de  reform,  c,   20;  XXV,  de  reform. 
3  en  c.   14. 


221 

uitvoeriger  is  dan  de  titel  laat  verwachten,  zonder 
schade  achterwege  blijven.  De  tekst  van  het  andere 
briefje  wordt  onder  Bijlage  VII  afgedrukt.  Het  bepaalt 
o.a.  de  „arrenda",  den  cijns,  welken  de  deken  van 
Westfriesland  jaarlijks  zou  moeten  opbrengen  aan  den 
proost  en  het  Domkapittel.  Met  het  feest  van  sint 
Remigius,  dus  op  i  October,  moest  hij  betalen  aan  den 
proost  van  Westfriesland  éénen  Engelschen  gouden 
rozenobel,  welke  daar  geschat  wordt  op  vier  en  een 
halven  gulden,  en  een  gelijke  som  aan  den  Domdeken. 
Bovendien  moest  hij  bij  het  naderen  van  de  groote 
Vasten  aan  den  deken  van  het  Domkapittel  verstrekken 
twee  vaatjes  bokkingen  van  goede  qualiteit  en  aan  den 
notaris,  alsook  aan  den  bode  van  hetzelfde  kapittel,  elk 
een  half  vaatje  van  dienzelfden   visch. 

De  vraag  rijst  nu  hoe  het  mogelijk  was  dat  in 
September  1566  zulk  een  abnormale  toestand  in  het 
bisdom  van  Haarlem  nog  kon  bestendigd  worden.  Dit 
feit  zou  onverklaarbaar  zijn,  wanneer  wij  niet  wisten 
dat  het  Domkapittel,  om  afstand  te  doen  van  de  juris- 
dictie over  Westfriesland,  eerst  de  betaling  kon  vorderen 
van  een  pensie,  welke  aan  deze  corporatie  reeds  in 
1561  was  toegezegd,  alsook  dat  de  toenmalige  bisschop 
van  Haarlem,  Nicolaas  van  Nieuwland,  steeds  in  gebreke 
is  gebleven  aan  die  verplichting  te  voldoen.  Op  1 1  Maart 
1561,  dus  gelijktijdig  met  de  oprichtingsbuUe  Ex  injuncto, 
had  Pius  IV  een  breve  ^)  uitgevaardigd,  waarbij  aan  het 
Domkapittel  een  jaargeld  van  300  gouden  dukaten  werd 
toegezegd    als    vergoeding   voor  de  proosdij  van  West- 


I)  Brom,  Archivalia  in  Italië  I,  no.  397.  Vermoedelijk  zijn  met  de 
60  kerken,  over  welke  de  breve  spreekt,  de  kerken  van  Westfriesland 
bedoeld,  want  dit  was  ongeveer  het  getal  der  kerken  aldaar,  terwijl 
het  aantal  kerken  in  Amstelland  en  Kennemerland,  bijeen  genomen, 
dat  getal  60  verre  overtreft. 


friesland  en  voor  60  parochiekerken,  welke  bij  het 
bisdom  Haarlem  waren  ingedeeld.  Het  bedrag  van  deze 
pensie,  zoo  verklaarde  de  breve,  moest  gevonden  worden 
uit  de  tafelgoederen  van  het  nieuwe  bisdom.  En  hoe 
het  kwam  dat  van  Nieuwland  maar  steeds  naliet  dat 
jaargeld  uit  te  keeren,  zal,  hoop  ik,  voor  de  lezers  van 
dit  tijdschrift,  wel  geen  geheimenis  zijn.  In  de  artikelen, 
hier  aan  zijn  droevig  bestuur  gewijd,  hebben  wij  her- 
haaldelijk gelegenheid  gehad  op  te  merken,  dat  de  eerste 
bisschop  van  Haarlem  immer  met  geldnood  heeft  te 
kampen  gehad;  dat  de  financies  der  Egmonder  abdij, 
de  voornaamste  bron  van  inkomsten  voor  het  nieuwe 
bisdom,  al  in  1564  noodlijdend  waren.  Wel  mocht  van 
Nieuwland  in  1563  en  nogmaals  in  1565  klagen  over 
het  hinderlijk  optreden  van  de  Utrechtsche  prelaten  in 
zijn  diocees,  hij  mocht  in  zijn  hulpeloosheid  zich  richten  nu 
eens  tot  de  landvoogdes,  dan  wederom  tot  den  Geheimen 
Raad,  maar  wat  baatte  dat  alles,  nu  hij  bleef  verzuimen 
de  gestelde  pensie  te  betalen.''  Het  Domkapittel  en  de 
proost  van  Westfriesland  stoorden  zich  volstrekt  niet 
aan  die  klachten,  en  gingen  rustig  voort,  alsof  er  geen 
bisschop  van  Haarlem  bestond,  hunne  jurisdictie  in  dat 
deel  van  het  diocees  uit  te  oefenen.  Eerst  met  den 
nieuwen  ordinarius  kwam  er,  gelijk  wij  zagen,  een  keer 
in  dezen  misstand.  Van  Mierlo  zal  zich  wel  niet  ontveinsd 
hebben  dat  vooral  zijne  maatregelen  betreffende  de 
jurisdictie  van  Westfriesland  hevig  verzet  zouden  uit- 
lokken van  belanghebbenden.  De  nu  volgende  stukken, 
allen  ontleend  aan  de  Rijksarchieven  in  de  provincie 
Utrecht,  zullen  ons  leeren  van  welken  aard  dat  verzet 
is  geweest. 

Nadat  van  Mierlo  op  17  Juli  1571  de  jurisdictie  van 
Westfriesland  aan  zich  had  getrokken,  richtte  het  Dom- 
kapittel met  zijn  deken,  Johan  van  der  Vecht,  aan  het 


223 

hoofd,  zich  tot  den  Geheimen  Raad  te  Brussel  om  van 
de  Regeering  het  placet  te  verkrijgen  op  de  uitvoering 
der  breve  van  Pius  IV,  waarbij  aan  dit  kapittel  een 
jaargeld  van  300  dukaten  was  toegezegd  voor  het  verlies 
der  jurisdictie  over  Westfriesland.  De  vorige  bisschop, 
zoo  betoogen  zij  in  hun  verzoekschrift  (Bijlage  VIII), 
had  het  Domkapittel  tot  zijn  aftreden  toe  in  het  bezit 
dier  jurisdictie  gelaten  en  derhalve  was  de  eisch  tot 
betalen  van  het  jaargeld  achterwege  gebleven.  Nu  de 
nieuwe  bisschop  dat  echter  wel  heeft  gedaan,  zullen  zij 
ook  de  pensie  van  hem  opvorderen.  Wijl  dit  laatste 
echter  onmogelijk  is  zonder  brieven  van  placet,  op 
naam  des  konings  uitgegeven,  en  deze  hun  ontbreken, 
verzoeken  zij  dringend  aan  den  Geheimen  Raad  om 
daarin  te  voorzien. 

Ofschoon  de  Geheime  Raad  had  bevolen  dat  van 
Mierlo  binnen  1 5  dagen  op  deze  suppliek  zou  antwoorden, 
duurde  het  tot  3  October  1571,  alvorens  hij  daarmede 
gereed  was.  De  bisschop  tracht  in  zijn  verweerschrift 
(Bijlage  IX)  aan  te  toonen  hoe  onredelijk  de  vordering 
van  de  Utrechtsche  heeren  is.  Reeds  toen  in  1561  het 
jaargeld  werd  vastgesteld,  bestond  er  groote  oneven- 
redigheid tusschen  de  som  gelds,  welke  het  bisdom  van 
Haarlem  zou  te  betalen  hebben,  en  het  financieel  nadeel 
dat  het  Domkapittel  leed  door  het  verlies  der  jurisdictie. 
Van  Mierlo  oordeelt  dat  dit  nadeel  niet  meer  dan  een 
tiende  van  de  drie  honderd  gouden  dukaten  kan  be- 
dragen hebben  en  wijst  erop  dat  de  „arrenda",  de  cijns, 
welken  de  deken  van  Hoorn  had  op  te  brengen,  on- 
geveer slechts  twintig  oude  schilden  bedroeg  1).  Sinds 
het  uitvaardigen  van  die  breve,  ruim  tien  jaren  geleden, 
en   thans,    zoo   gaat  het  betoog  verder,  is  er  onderwijl 


l)    Een    oud    schild    wordt    berekend  op  dertig  stuivers,    Ilollandscli. 


224 

door  de  wetgeving  van  Trente  zulk  een  verandering 
gekomen  in  het  financieel  beheer,  dat  de  uitoefening 
der  jurisdictie  geen  voordeel  meer  kan  opleveren  maar 
schade.  En  de  bisschop  herinnert  dan  er  aan  hoe  door 
dat  concilie  de  voornaamste  bronnen  van  dergelijke 
inkomsten  zijn  gestopt:  „boeten  en  bruecken"  mogen 
alleen  voor  weldadige  doeleinden  aangewend  worden  en 
de  institutiegelden  komen  zelfs  geheel  te  vervallen. 
Derhalve,  de  besluiten  van  Trente  „ad  unguem",  stip- 
telijk,  in  zijn  diocees  willende  onderhouden,  zoo  ver- 
zoekt van  Mierlo  de  gewenschte  brieven  van  placet 
niet  te  verkenen,  „aanschou  nemende  dat  die  nyet  en 
ontfanct  ende  neyt  ontfangen  en  mach,  consequentelijcke 
nyet  en  geven  kan." 

Op  26  October  1571  werd  dit  bezwaarschrift  van  den 
bisschop  door  het  Domkapittel  beantwoord  (Bijlage  X). 
Hetgeen  de  heeren  tegen  het  betoog  van  v.  Mierlo 
aanvoeren  komt  in  het  kort  hierop  neer :  Zelfs  wanneer 
er  onevenredigheid  zou  bestaan  tusschen  de  toegebrachte 
schade  en  de  pensie,  is  dat  nog  geen  reden  om  zoo 
mogelijk,  te  beletten  dat  er  brieven  van  placet  zullen 
afgegeven  worden,  maar  dan  behoort  de  zaak  gebracht 
te  worden  voor  dengene,  die  de  pensie  heeft  vastgesteld, 
d.  i.  voor  de  rechtbank  van  den  paus  of  zijne  gevol- 
machtigden. En  dit  klemt  te  meer,  omdat  Pius  IV  die 
pensie  heeft  verleend  louter  uit  goedgunstigheid ;  daarom 
wordt  er  in  de  breve  niet  gesproken  van  een  groote 
of  geringere  mate  van  schade,  welke  het  Domkapittel 
door  het  verlies  der  jurisdictie  zou  lijden,  maar  het  is 
alleen  de  bedoeling  van  den  paus  geweest,  door  verleenen 
van  een  jaargeld  dat  verlies  te  vergoeden.  Vervolgens 
beweert  het  Domkapittel,  dat  de  tafelgoederen  van  het 
Haarlemsche  bisdom  voldoende  zijn  om  de  gevorderde 
pensie    op    te    brengen.    Wij,    die    in    art.   4   van  deze 


225 

monografie  i)  hebben  gezien  onder  welke  zware  financieele 
zorgen  van  Mierlo  het  bestuur  over  het  bisdom  van  zijn 
voorganger  heeft  aanvaard,  weten  maar  al  te  goed  wat 
er  van  deze  bewering  is  te  houden.  Echter  ook  het 
beroep  op  de  bepalingen  van  Trente  houdt  volgens 
hen  geen  steek.  Wat  de  „boeten  en  breucken"  betreft, 
zoo  erkennen  zij,  deze  mogen  werkelijk  niet  langer  tot 
voordeel  strekken  van  den  kerkelijken  rechter,  maar 
de  pensie  is  volgens  hen  niet  in  de  plaats  gekomen  van 
die  voordeelen,  doch  een  daad  van  loutere  goedgunstigheid. 
Maar  een  bevel  om  de  instituties  steeds  kosteloos  te 
verleenen  hebben  zij  in  de  decreten  van  Trente  nergens 
kunnen  aantreffen  -).  En  bovendien  de  institutie-gelden, 
welke  zoo  gering  niet  zijn  als  van  Mierlo  het  laat 
voorkomen,  zouden  voor  het  doel,  door  Trente  beoogd, 
kunnen  besteed  worden,  bijv.  tot  onderhoud  van  de 
koorzangers  en  andere  schamele  dienaars  en  priesters, 
aan  den  Dom  verbonden.  Ten  slotte  verklaren  zij,  veel 
liever  in  het  bezit  te  blijven  hunner  aloude  jurisdictie, 
welke  eenig  is  in  de  gansche  Nederlanden ;  zij  zullen 
die  dan  uitoefenen  overeenkomstig  de  bepalingen  van 
Trente,  onverschillig  of  hun  dat  geldelijk  voordeel  zal 
opleveren  dan  wel  nadeel. 

Ook    het    verder  verloop  van  déze  aangelegenheid   is 
uit    de    voorhanden    stukken,    naar    het  schijnt,   niet  na 


1)  Bijdr.  bisd.  Haarlem  XXXIII,   329. 

2)  Leest  men  het  betreffende  hoofdstuk  (Sess.  XXIV,  de  reform. 
c.  14)  aandachtig  over,  dan  zal  bevonden  worden  dat  Trenle  zulk  een 
absoluut  bevel  inderdaad  niet  heeft  gegeven ;  maar  wel  verlangt  het 
concilie,  dat  bij  het  verleenen  van  instituties  alle  hebzucht,  en  ook  zelfs 
de  schijn  daarvan,  worde  vermeden.  Alleen  dan  kunnen  gevolgelijk 
institutie-gelden  geheven  worden,  wanneer  die  gelden  voor  een  god- 
vruchtig doel  zullen  aangewend  worden  en  de  ordinarius  onder  die 
voorwaarden  zijn  goedkeuring  aan  het  heffen  der  institutie-gelden  zal 
gehecht  hebben. 

15 


226 


te  gaan.  Veilig  mogen  wij  echter  aannemen  dat  het 
Domkapittel  er  niet  in  is  geslaagd  zijn  rechtsmacht 
over  de  proosdij  van  Westfriesland  te  herwinnen.  En 
evenmin  zullen  de  Utrechtsche  heeren,  naar  ik  vermoed, 
brieven  van  placet  hebben  verkregen  voor  het  innen 
hunner  pensie.  Eéne  zaak  blijkt,  dunkt  mij,  uit  de  hier 
volgende  bescheiden  allerduidelijkst :  dat  Godfried  van 
Mierlo  reeds  in  het  eerste  jaar  van  zijn  bestuur  grooten 
ijver  en  wilskracht  aan  den  dag  heeft  gelegd,  toen  hij 
de  volle  bisschoppelijke  jurisdictie  voor  zich  opeischte 
en  deze,  niettegenstaande  velerlei  bezwaren  en  tegen- 
werking, wist  te  behouden. 

A.  H.  L.  Hensen. 

BIJLAGE  1.  Zie  boven  blz.  213. 


1571»  Juli  17.  Hoorn. 

Akte  der  hibezitnetning  van  de  proosdij  van   Westfriesland  door 
Godfr.  V.  Mierlo,  bisschop  van  Haarlem. 

Anno  a  Nalivitate  Domini  millesimo  quingentesimo  sep- 
tuagesinio  primo.  Reverendissimus  in  Christo  pater  ac  dominus, 
dominus  Godefridus  a  Mierle,  Dei  et  apostolicae  sedis  gratia 
episcopus  Harlemensis,  cum  pacificam  cathedralis  ecclesiae  suae 
accepisset  possessionem,  omnem  jurisdictionem,  quam  hactenus 
decanus  et  capitulum  Majoris  ecclesiae  Ultrajectensis,  sive  ejus 
delegati  et  vicarii,  quocumque  titulo  decanorum,  provisorum, 
praepositorum  aliove  nomine  appellati,  de  jure  vel  consuetudine 
obtinuissent,  per  vim  decretorum  concilii  Tridentini  et  juxta 
bullam  erectionis  episcopatus  Harlemensis  cassatam  et  annu- 
latam,  ipso  facto  volens  adimere  et  dictos  quoscumque  juris- 
dictionem in  sua  diocesi  exercentes  amovere,  personaliter 
se  transtulit  in  oppidum  Hornanum  ut  praepositurae  Westfrisiae, 
olim  ad  decanatum  et  capitulum  Majoris  ecclesiae  Ultrajectensis 
(pertinentis),  acciperet  possessionem,  per  bullam  Pii  quarti  epis- 
copatui  Harlemensi  incorperatam  et  annexam.  Et,  convocatis 
ad    se   clero    et   senatu   dicti   oppidi  Hornani,  communicavit  et 


227 

exhibuit  ipsis  bullam  sanctissimi  domini  nostri  Pii  papae  erectionis 
episcopatus  Harlemensis  sub  plumbo  de  data:  anno  millesimo 
quingentesimo  sexagesimo,  quinto  Idus  Martii,  expeditam,  qua 
diocesis  Harlemensis  loca  describit,  ac  inter  caetera  oppidum 
Hornanum  eidem  cathedrae  subjicit  \  item  mandata  regiae 
catholicae  majestatis,  data  Uzandi,  die  sexta  Aprilis,  anno 
millesimo  quingentesimo  sexagesimo  primo,  signatum :  »Philippe", 
et  infra  »l  Courteville" ;  et  Margaritae  ducissae  Parmensis, 
nomine  regiae  majestatis  supradictae  Belgii  gubernatricis,  quibus 
dictarum  litterarum  apostolicarum  executio  specialiter  mandatur 
praesidi  curiae  Hollandiae  ad  effectum  deducenda.  Quibus 
visis  et  auditis  dictus  reverendissimus  dominus  Godefridus, 
episcopus  Harlemensis,  a  dicto  clero  et  senatu  cum  debita 
reverentia  fuit  inauguratus  tanquam  proprius  episcopus  ac 
prelatus  acceptus.  Qui  ibidem  tam  in  ecclesia  parochiali  quam 
in  aliis  adjacentibus  et  subjectis  sacellis  episcopales  actus  ac 
officium  pontificale  exercuit,  nemine  contradicente  vel  se  op- 
ponente.  Dictam  quoque  praeposituram  Westfrisiae,  olim  ad 
decanum  et  capitulum  cathedrale,  et  nunc  vero  metropolitanae 
ecclesiae  Ultrajectensis,  pertinentem,  incorporans,  decanum  seu 
officialem  ibidem  existentem  amovit  ac,  recepto  ab  eodem  et 
sibi  per  eundem  praestito  fidelitatis  et  obedientiae  canonico 
juramento,  ipsum  suo  nomine  in  dicta  praepositura  suum 
decanum  creavit,  constituit  ac  confirmavit  cum  facultatibus 
consuetis.  Quibus  peractis  idem  reverendissimus  dominus  ab 
eisdem  clero  et  senatu  solemniter  ac  honorifice  fuit  exceptus 
et  laudabiliter  tractatus,  solutis  per  dictos  clerum  et  senatum 
omnibus  expensis  ibidem  a  reverendissimo  factis.  Quae  acta 
sunt  coram  prelatis,  clericis  ac  famulis  dicti  reverendissimi 
Harlemensis  ac  universo  populo  dicti  oppidi  Hornani,  die 
decimo  septimo  Julii,  pontificatus  sanctissimi  domini  nostri  Pii 
papae  quinti  anno  sexto.  Quod  ego,  loannes  de  Ameronghen, 
insignis  curiae  episcopalis  Harlemensis  pedellus  ac  dicti  reveren- 
dissimi domini  episcopi  Harlemensis  virgifer,  qui  praemissis 
interfui  omniaque  et  singula  sic  fieri  audivi  et  vidi,  atque 
praesenti  instrumento  descripsi,  attestor: 

1.  de  Amerongen. 

Oud  archief  va?i  den  bisschop  van  Haarlem.  Kopie-boeck  I. 


228 
B  IJ  L  A  G  E  II.   Zie  bai'en  bh.  214.. 

157I)  Juli  7,  Utrecht. 

Bezwaarschrift  van  den  Domproost  tegen  den  bisschop  van 
Haarletn,  met  verzoek  dat  hij  door  de  Regeering  zal  gehandhaafd 
worden  in  het  ongehinderd  uitoefenen  der  jurisdictie  over  Ams tei- 
land en  Kennemerland. 

Copie  van  requeste  gepresenteert  die  7  July  1571  ex  parte 
reverend!  domini  archidiaconi  Trajectensis  contra  Harlemensem 
antistitem. 

Aen  den  coninck. 

Verthonen  in  alder  oidmoet  heer  Cornelis  van  Myerop, 
proost  en  archidiaken  ten  Dom  tUtrecht,  ende  met  hem  gevuecht 
voer  haer  interest  die  domdeken  ende  andere  heeren  van 
denzelven  capittele :  hoe  dat  die  voirseyde  domproost  ende  zijn 
voersaten  over  memorie  der  menschen  ahijt  sijn  geweest,  gelijck 
hy  alnoch  is,  behalven  die  turbatie  hieronder  geruert,  in 
peyseUjcke  ende  vredehjcke  possessie  vel  quasi  van  te  hebben 
en  texerceeren  het  officie  van  de  jurisdictie  archidiaconeel  van 
Haerlem  ende  Kennemerlant  ende  oyck  van  Amsterdam  ende 
Amstelant,  mitsgaders  noch  andere  hmiten  ende  plaetsen,  met 
allen  tgene  des  dairaf  en  uuyt  dependeert,  welcke  possessie 
ende  gebruyck  met  rijper  deliberatie,  kennisse  van  zaecken 
ende  uuyt  sunderlinghe  respect  ierst  by  de  hoocheyt  van  de 
hartoghinne  van  Parma  etc.  i)  en  de  dairna  by  uwe  majesteit 
respective  in  den  jaere  1561  is  geconfirmeert,  geapprobeert 
ende  geratificeert,  dairop  dat  uwe  majesteit  oyck  heeft  doen 
depescheren  acte  by  dewelcke  dezelfde  heeft  gewilt  dat  die 
archidiaconen  van  de  capitulen  tUtrecht  in  de  limiten  van  de 
nieuwe  bisdommen  haer  leven  lanck  by  haer  digniteyten, 
staten  ende  exercitiën  van  de  jurisdictie  archidiaconeel  al  evenwel 
souden  blijven  niettegenstaende  derectie  van  deselve  nieuwe 
bisdommen,  blijckende  by  de  copye  autentijque  van  deselve 
acte   hieraen    gehecht :    [verthonen]    alsoe    oyck    [hoe    dat]    de 

i)  Zie  den  tekst  van  dit  schrijven,  gedateerd  27  Oct.  1561,  bij 
V.  Heussen — v.  Rijn,  Kerkelijke  historie  en  0i44heden  (folio-editie)  1, 
382-383. 


229 

voirsegde  archidiaken  ende  andere  archidiakenen  van  Utrecht, 
elck  respective  binnen  zijne  limiten,  dexercitie  van  hunne  juris- 
dictie, digniteyten  ende  staten  niet  alleenlijck  bij  den  eertsbisscop 
van  Utrecht  maer  oyck  bij  dander  nieuwe  geconstitueerde 
bisscoppen  tot  noch  toe  is  toegelaten  geweest,  sonder  hem 
dairinne  eenich  obstakel  te  doen,  behalve  dat  nu  onlancx  ge- 
leden met  groote  nieuwicheyt  hem  heeft  vervoerdert  de  bisscop 
van  Haerlem  die  jurisdictie  van  voirsegde  domproost,  die  hy 
als  archidiaken  altijt,  soe  voirseyt  is,  binnen  die  limiten  van 
zijn  bisdom  heeft  gehadt  ende  geexerceert,  aen  hem  te  slaen, 
pretenderende  voertaen  dezelfde  alleen  texerceren  met  seclusie 
van  denselven  domproost,  hebbende  sijne  gecommitteerde  (die 
hy  tot  het  exercitie  van  sijne  voirsegde  jurisdictie  tot  Haerlem 
hadde  gestelt)  via  facti  ende  metter  date  doen  verbieden  dat 
hy  hem  het  voirsegde  officie  geenssins  meer  en  soude  onder- 
winden oft  dienaengaende  iet  uuytrechten,  want  hy  binnen 
sijn  limiten  gheen  archidiaken  meer  en  wilde  kennen  oft  toe- 
laten, mer  dieselfde  jurisdictie,  met  alle  tgene  dairuyt  dependeert, 
voertaen  alleen  behouden  ende  exerceren,  hebbende  oyck 
aenveert  het  recht  van  dinstitutïe,  'twelck  de  voirsegde  archi- 
diaconen  altijt  en  tot  noch  toe  heeft  gecompeteert,  directelijck 
tegen  die  voirsegde,  oude,  continuele  ende  duechdelijcke  possessie, 
contrair  ende  in  vilipendene  van  de  voirsegde  acte  bij  uwe 
majesteit  dairop  verleent,  dairaf  sijn  eerwaerde  over  langhe 
visie  is  gedaen  bij  copye  autentijcke.  Heeft  dairomme  des 
voirsegden  domproost  gecommitteerde  als  doen  geprotesteert 
van  de  voirsegde  turbatie  ende  injurie  die  sijne  meester  by  sijn 
eerwaerde  worde  aengedaen,  en  mitsdien  daeraf  begheert  acte 
notariael,  mitsgaders  oyck  visie  van  de  bescheede  op  twelck 
zyn  eerwaerde  hem  was  funderende,  dewelck  den  voirsegde 
gecommitteerde  al  is  geweygert  geweest,  ende  worde  den 
notaris  expresselijck  verboden  gheen  acte  van  tgene  des  dyen- 
aengaende  was  geschiet  uuyt  te  gheven,  twelck  al  tendeert  tot 
quader  consequentie,  in  afneminge  van  des  voirsegden  dom- 
proost oude  en  geconfirmeerde  gerechticheyden,  ende  tot 
groote  interest  ende  schade  van  gevuechden,  die,  soe  wanneer 
aen  haer  jaerlijcxe  distributie  ende  innecomen  yet  geraect  te 
gebreecken,  hun  verhael  hebben  op  de  incompsten  van  voirsegde 
archidiaconaetscap,  ende  oyck  in  prejudicie  ende  verminderinge 
vande    prëeminentiën    ende  gerechtigheden  van  uwe  majesteit, 


230 

dicwelcke  alleen  collateur  cnde  ghifter  is  vande  voirsegde 
digniteyten  van  de  vijf  archidiaconaetscapen,  die  duer  alzulckcn 
nieuwicheyden  geheel  titularcs  et  umbraticl  zouden  worden, 
en  worde  hiertegen  bij  uwe  majesteit  niet  voirsien.  Bidden 
dairomme  die  voirsegde  supplianten  ende  gevuechden  tot  con- 
servatie van  deselve  om  opene  brieven  van  maintenue /« /(^vv«nr, 
uyt  cracht  van  dewelcke  den  voirsegden  bisscop  van  Haerlem 
ende  allen  anderen,  des  van  noode  wesen  sal,  op  groote  penen 
bevolen  worde  dat  hy  den  suppliant,  oft  andere  daertoe  ge- 
committeert,  laete  in  sijn  digniteyten,  staeten  ende  exercitïen 
van  de  voirsegde  jurisdictie  archidiaconeel  peysselijck  ende 
vredelijck,  gelijck  hy  dat  altijt  geplegen  heeft  ende  na  recht 
ende  der  voirsegde  acte  van  uwe  majesteit  behoirt  te  geschieden  ; 
ende  in  gevalle  van  oppositie  die  voirsegde  bevelen  stadthoudende, 
ende  alle  andere  beletten  ende  verboden  ter  contrarïen  afgedaen 
sijnde,  ende  die  voirsegde  supplianten,  oft  zijne  gecommitteerde, 
laetende  in  de  voirsegde  digniteyten,  staeten  ende  exercitien 
van  de  voirsegde  jurisdictie,  niettegenstaende  eenige  oppositie 
oft  appellatie  gedaen  oft  te  doen  ter  contraire  ende  sonder 
prejudicie  derzelver,  de  opponenten  hier  te  hovedach  bescheyde 
worde,  Dewelck  doende  etc. 

Kanttee kening:  Doit  estre  monstré  aux  supplianls  ou  a  leurs 
députéz,  estans  en  ceste  ville,  pour  y  dire  ceque  bon  leur 
semblera.  Faict  a  Bruxelles  Ie   17  d'Aougst  1571. 

Soubsigné:  Van  der  Aa. 
Archief  vati   den   Dom,  Rijksarchieven  in  de  provincie  Utrecht, 

D,  669XX. 

BIJLAGE   III.  Zie  boven  blz.  216. 


1571,  Juli  9,  Utrecht. 

Verzoekschrift  van  den  Domdeken  aan  den  Geheimen  Raad,  opdat 
den  bisschop  van  Haartem  een  termijn  van  3  weken  zal  gesteld 
worden,  om  te  antwoorden  op  de  bezwaren,  door  den  Domdeken 
tegen  hem  ingebracht. 

Copie  van  de  tweede  requeste  gepresenteert  die  9  July  aen 
de  secrete  raet  ex  parte  reverendi  doviini  archidiaconi  et 
capituli  Trajectensis.   1571. 

Aen  den  coninck. 

Verthoonen  in  alder  reverentie  heer  Cornelis  van  Myerop, 
proest   archidiaken    van   den  dom  tUttrccht  ende  met  hem  ge- 


231 

vuegt  voer  haer  interest  die  deken  ende  andere  heeren  van 
deselffven  capittele:  hoedat  sijlieden  aen  uwe  majesteit  opten 
7  July  lestleden  bij  requeste  hebben  versocht  openen  briefïven 
van  maintenue  teghen  den  eerwaarden  heere  bisschop  van 
Haerlem,  waerop  uwe  majesteit  gelieft  heeft  tordineren  dat 
men  die  voerseyde  requeste  bij  beslotenen  brieven  zijner  eer- 
waarde souden  [toezenden]  om  enz.,  sonder  dat  dieselffve  uwe 
majesteit  daertoe  eenighen  precisen  tijt  heeft  gestelt,  dewelck 
den  suppliant  ende  gevueghde  (die  ondertusschen  souden  moeten 
blijven  uvt  heur  oude,  deuchdelijcke  ende  geconfirmeerde 
possessie  ende  gebruyck)  doet  vreesen  ende  beduechten  dat 
zijne  eerwaarde  die  sake  nae  zijner  beliefte  ende  goetduncken 
sal  dilayeren,  sonder  op  de  bevelen  van  uwe  majesteit  te 
letten,  tot  grooten  achterdeele  van  den  suppliant,  schade  ende 
interest  van  de  gevueghde,  die  daeromme  oidtmoedelijk  bidden 
dat  uwe  majesteit  gelieven  wille  die  eerste  ordonancie,  staende 
op  de  marge  van  de  requeste  hierby  gevuegt,  te  restringeren 
tot  eenen  sekeren  tijt  van  drye  weken  nae  de  insinuatie  van 
deselffve,  binnen  denwelcken  zijn  eerwaarde  gehouden  sal  zijn 
te  rescriberen  oft  dat,  by  faulte  van  dyen  denselffven  tijt  over- 
streken  sijnde,  op  het  versueck  van  suppliant  ende  gevueghden 
voerder  sal  worden  versien,  soo  uwe  majesteit  nae  gelegenheit 
van  de  sake  sal  bevinden  te  behooren.  Dewelck  doende  enz. 
Kantteekening :  L'évesque  de  Haerlem  fera  l'advertence  selon 
Ie  precedent  appoinctement  en  dedens  trois  sepmaines  de  l'in- 
sinuation.  Faict  a  Bruxelles  Ie  9  de  Juillet  157:. 

Soubsignc  V'an  der  Aa. 

Archief  van   den  Dom,  Rijksarchieven  in  de  provincie  Utrecht, 
D.  669XX. 

B  IJ  L  A  G  E  IV.  Zie  boi-en  bh  21^. 


1571,  Aug.  17.  Haarlem. 

Antwoord  van  Godfr.  van  Mierlo,  bisschop  van  Haarlem,  op  de 
beide  voorgcuznde  requesten  van  den  Domdeken. 

Om  vu>ten  naeme  ende  van  weghen  heeren  Godefroy  van 
Mirlo,  bisschop  van  Harlem,  corttelijck  te  antwoirddene  op 
twee  frivole  requesten  van  weghen  heer  Cornelis  van  Mierop, 


232 

proest  ende  archidiaken  van  den  Dom  tUytrecht  ende  met 
hem  gevueght  voer  haer  interest  die  deken  ende  andere  heeren 
van  denzelven  capittele  in  coninklijk  majesteits  secreten  raede 
tot  Bruessele  overgegeven  —  seydt  die  gerequireerde  dat  die 
supplianten  in  heurlieden  requesten  een  zekere  pretense  acte, 
by  der  hoocheyt  van  der  hertoginne  van  Parma  etc.  tot  voir- 
deringhe  der  electie  van  den  teghenwoirdigen  eertsbisschop  van 
Vuytrecht  in  den  jaere  71  geconcipieert,  sijns  bedunckens 
wel  sinistre  detorqueren  tot  confirmatie,  approbatie  ende  rati- 
ficatie van  het  oude  gebruyck  ende  possessie  van  der  jurisdictie 
als  domproests  voorseyd  over  Haerlem  ende  Kenmerlandt  ende 
mede  over  Amsterdam  ende  Amsterlandt  ende  andere  plaetsen, 
nu  resorterende  onder  't  bisdom  van  Haerlem,  ponerende  'tzelve 
geschiedt  te  zijne  met  rijpe  deUberatie,  kennisse  van  saecken 
ende  vuyt  sunderlinghe  respect,  alle  welcke  die  supplianten 
allegeren  omme  te  behouden  ende  te  genyeten  huerlieden  oude, 
gewoone,  onbehoirlycke  ende  scandaleuse  prouffijten,  daer  ter 
contrarien  in  de  geheele  pretense  acte  nyet  bevonden  en  wordt 
dat  eenich  partye,  te  min  die  bisschop  van  Haerlem,  in  der  tijt 
wesende,  daertoe  geroepen  es  geweest,  sulcx  dat  men  met 
recht  nyet  zeggen  en  kan  dat  die  voirseyde  acte  met  kennisse 
van  saecken  gepasseert  is.  Ende  voer  zoe  vele  aengaet  die 
deliberatie  ende  respecten,  zoe  ist  dat  die  voergenoempde 
acte  medebrenght  dezelve  te  tenderen  omme  te  voltrecken  en 
te  volbrenghen  delectie  des  eertsbisschops  voorseyden  ende 
nyet  omme  met  de  voorseyde  acte  jemanden  te  prejudiceren, 
te  min  den  nyewen  bisdomme  ter  requisitie  van  der  coninklijke 
majesteit  alsdoen  geerigeert  ende  opgerecht,  gemerct  haer 
hoocheyt  daerinne  verklaert  van  node  te  zijne  dat  die  nyeuwe 
opgerechte  bisschoppen  zouden  hebben  die  jurisdictien  zoe  veel 
die  gheestelycke  rechten  medebrenghen,  zoe  anders  heur  ampt 
ende  officie  heel  machteloos  wesen  soude.  [Notoir]  ist:  quod 
ex  quo  episcopatus,  ut  in  praesenti  casu,  seniel  est  cotistituius 
in  alieno  loco,  ipso  facto  eximitur  a potcstate  inferioriim  qiiiibi 
primo  habebantjurisdictionem.  Invocatur  P anortnitanus  et  cardi- 
nalis  Zabarella,  in  capite :  ^Cum  inferior  de  majori  et uberiori"'^). 


i)  Decretal.  Gregorii  IX,  lib.  I,  til.  XXIII,  c.  16.  «Panormitanus" 
's  Nicolaus  de  Tudeschis,  aartsbisschop  van  Palermo,  die  toelichtingen 
schreef  op  de  Decretalen  ;  hetzelfde  deed  ook   kardinaal  Zabarella. 


233 

Ende  alzoe  haer  hoochheyts  intentie  nyet  en  is  geweest 
die  overheyt  der  nyeuwer  bisschoppen  te  vercortten,  ende 
wederom  op  nyeuwes  den  archidiakenen  heurlieden  oude  juris- 
dictie te  confirmeren  ende  tapproberen,  die  denzelven  by  der 
pausselijcke  heylicheyt  deur  derectien  van  den  nyeuwen  bis- 
domme voirseyden  benomen  was,  verlichtende  deur  dyen  den 
last  voirmaels  den  voirnoemden  archidiakenen  incumberende, 
nochtans  omme  te  voirderen  die  voirnoemde  electie  van  heur- 
lieden eertsbisschop,  indyen  eenich  merckelijck  verlies  viele 
van  der  supplianten  incomen,  spruytende  vuyt  dexercitie  van 
de  voirsegde  getransfereerde  jurisdictie,  soude  haer  hoocheyt, 
daertoe  versocht  wesende,  verstaen  hebben  om  in  den  naeme 
van  sijnder  majesteit  commissarissen  te  deputeren  omme  tselve 
volcomelijck  te  verstaen.  Evenwel  nochtans  haer  hoocheyt 
alsdoen  verstont:  gebruyckende  die  gheestelijcke  jurisdictie  zoet 
behoirt,  naevolghende  die  decreten  ende  statuyten  der  heylighe 
catholijcke  kerke,  »datter  alzoe  vele  last  als  prouffijt  soude 
vallen  ende  dat  die  meyninghe  van  de  oude,  heylighe  kercke 
noijt  geweest  en  is  eenich  prouffijt  te  trecken  van  al  sulcke 
administratie",  waerby  gevueght  dat  sedert  data  van  de  pretense 
acte  by  theijlich  concilium  van  Trenten  die  amenden  ende 
breucken  ^)  paupcribus  loei  aiit  aliis  piis  usibiis,  ter  plaelsen 
daer  die  vallen,  geappliceert  wordden  ~),  ende  wel  expresselijck 
geordonneert  wordt  de  institutioncs  beneficiorum  te  verlcenen 
sonder  yet  daervan  te  genyeten  •^).  Welcke  oyck  op  dese  tijt 
meer  van  noode  is,  gemerct  't  groot  gebreck  van  goede,  be- 
quame  priesters  ende  sielbewaerders  datter  nu  teghenwoirdich 
is  onder  'tvoirnoemde  bisdom  van  Haerlem,  mede  overmidts 
veel  beneficien,  huer  goederen  ende  ondersaten  deur  die  voir- 
leden  inundatie  '*)  zoo  groetelijck  beschadicht  zijn  dat  eenige 
van  dyen  nu  desolaet  ligghen,  waerinne  nootelijck  versien  sal 
moeten  wordden.  Sulcx  dat  in  allen  gevalle  't  motijff  van 
prouffijten,  spruytende  vuyt  dexercitie  van  de  jurisdictie,  nu  ter 
tijt  cesseert,  ten  waere  dat  men  wederomme  op  nyewes  be- 
gheerden  te  stabilieren  die  onbehoirlijcke  prouffijten  ende  mis- 


i)  Frangere  legem  (dispensaties),  Kiliaan,  Etymologicum. 

2)  Sess.  XXV,  de  reform,  c.  3. 

3)  Sess.  XXIV,  de  reform,   c.    14. 

4)  Üe  watervloed  van  het  jaar   1570. 


234 

bruycken  die  tot  groote  schandalisatie  eertijts  geweest  sijn. 
Hierby  gevueght  dat  nyettegenstaende  eenighe  oppositie  van 
den  eerstbisschop  van  Colen,  bisschop  van  Luydicii  ^),  ende 
anderen  by  de  pausselijcke  heilicheyt  tanderen  tijden  geinter- 
poneert,  sijne  heylicheyt  gepersisttert  heeft  by  de  erectie  ende 
assignatie  van  diocese  ter  requisitie  van  den  coninklijken  majesteit 
solemneHjcken  gedaen,  ende  dat  dyensvolghende  die  eerts- 
bisschop  van  Mechelen  ende  die  bisschoppen  van  Antwerpen, 
Bossch,  Grueninghen,  Namen,  Leeuwaerden,  Deventer,  Ghendt 
ende  anderen  in  pacificque  ende  vredelyke  possessie,  gebruyck 
ende  exercitie  sijn  van  haerluyden  jurisdictie,  elck  in  zijn  diocese, 
met  seclusie  van  den  bisschoppen  ende  archidiakenen  van 
Camerijck,  Luydick,  Munster  ende  Vuytrecht.  Medegemerckt 
die  eerstbisschop  van  Vuytrecht  nae  de  voirgenoemde  erectie 
nu  teghenwoirdich  hem  nyet  en  onderstaet  oft  onderwindt  der 
ondersaeten  van  Harlem,  Amsterdam,  Alcmaer  ende  van  anderen 
plaetsen,  den  bisschop  van  Haerlem  voir  sijn  diocese  bij  zijne 
pausseHjcke  heylicheyt  geassigneert,  soe  zoude  insgelijcx  wel 
betamen  dat  die  domproest  ende  archidiaken  van  Uuytrecht, 
volghende  dexempel  van  anderen  ende  besunder  sijns  hceren 
ende  meesters  [cum  archidiaconus  sit  vicariiis  episcopi),  hem 
nyet  en  onderwondt  der  ondersaeten  van  den  bisschop  van 
Harlem,  die  van  den  bisdom  van  Uuytrecht  ende  consequentelijc 
mede  van  den  vicarius  van  dyen  deur  derectie  des  bisdoms 
voirsegd  ipso  facto  gesepareert  ende  gesegregeert  zijn.  Ende 
zoude  wel  zeer  monstrueux  ende  besunder  op  dese  tijt  schan- 
daleux  zijn  dat  een  archidiaken,  die  achtervolghende  't  heylich 
concilium  van  Trenten  op  vele  saken  sijn  jurisdictie  nyet 
exerceren  en  mach  dan  in  zijn  eyghen  propre  persoon,  waartoe 
de  suppliant.  God-betert,  qualicken  gedisponeert  is,  ende  dat 
mede  by  consent  van  zijnen  bisschop,  hem  wilde  onderwinden 
der  ondersaten  van  eenen  anderen  bisschop,  wyens  archidiaken 
hy  niet  en  is  ende  bij  denwelcken  hy  oyck  nyet  gecorrigeert 
en  zoude  moeghen  wordden  in  zijn  excessen,  welcke  excessen 
ende  misbruycken  van  den  voirnoemden  archidiaken  van 
Uuytrecht  oft  van  sijnen  dienaers  te  meer  te  verwachten  sijn, 
overmidts  de  supplianten  diese  haerluyden  requesten  principa- 
lijck    funderende    zijn   op    't  verlies   ende   schade  die  zijluyden 

I)  Luik. 


235 

[souden  ondergaen]  deur  tverlichten  ende  translatie  der  juris- 
dictie voirsegd.  Gemerct  dan  dat  sedert  den  jaere  XVc  tzestich, 
ten  welcken  tijde  de  bisdom  van  Harlem  onder  meer  andere 
notoirlijcke  geerigeert  ende  midtsdyen  den  archidiaken  van 
Uuytrecht,  voer  alzoe  vele  die  diocese  van  Harlem  aengaet, 
sijn  jurisdictie  ipso  facto  by  den  heylighen  stoel  van  Roomen 
benomen  ende  verlicht  es  geweest,  die  supplianten  egheen 
nyeuwe  rechte  oft  titel  verworven  en  hebben,  ende  dat  bij 
die  coninklijke  majesteit  tot  behoeff  van  de  gerequireerden 
alhier  ende  des  bisdomps  van  Harlem  voirnoemd  nu  den  drye 
ende  twintichsten  February  lestleden  wederomme  nyeuwe  brieven 
van  placet  in  gewoone  forme  geexpedieert  ende  gedepescheert 
sijn  met  behoirlijcke  brieven  van  attaché  bij  den  hove  van 
Hollandt  daerby  gevueght,  diewelcke  beyde  hiermede  aengc- 
hecht  zijn,  ende  dat  dyensvolghende  de  gerequireerde  in  ruste- 
lijcke  ende  vredelijcke  possessie  is  van  zijn  voirsegde  jurisdictie, 
diezelve  in  meyninghe  zijnde  te  continueren  ende  tadministreren 
met  Godts  gratie,  achtervolghende  den  wille  van  zijne  heylich- 
heyt,  van  'tconcilie  van  Trenten,  ende  van  zijn  coninklijke 
majesteit,  tot  augmentatie  van  godtsdienst  ende  tot  conservatie 
ende  versterckinghe  van  onse  oude,  cathplicque  religie,  mede 
aenschouw  nemende  dat  het  recht  totter  nominatie  van  't  voor- 
noemde bisdom  van  dierste  fundatie  af  de  coninklijke  majesteit 
competeert,  in  wyens  prejudicie  de  gerequireerde  't  voirseyde 
bisdom  nyet  titulaer  maken  en  kan,  obsiante  etiam  sibi  solito 
jiiramento  episcoporum  de  non  alienando,  Romano  pontifice 
ificonsuito,  passerende  't  voirder  inhouden  van  der  supplianten 
requesten  als  wesende  impertinent  ende  meestendeel  onwair- 
achtich  —  concludeert  daeromme  ende  uuyt  redenen,  hiervoeren 
breedere  verhaelt,  de  gerequireerde  dat  den  supplianten  haer- 
luyden  versueck  sal  wordden  ontseydt;  emmers  ende  ten  minsten 
dat  tot  achterdeele  van  de  voirnoemde  erectie  ende  assignatie 
van  de  diocese  ende  jurisdictie  van  Harlem  nyet  gedecideert  i) 
en  sal  wordden  sonder  singulierlijcke  sijne  coninklijke  majesteit 
hiervan  alvoerens  geadverteert  ende  antwoirdde  daeroppe  ont- 
fanghen  te  hebben,  oyck  met  behoirlijcke  rescriptie  van  der 
pausselijcke  heylichheyt  in  desen  dienende  daertoe  geobtineert. 
Onderteekent :  frater  Godefridus  a  Mierle 
Episcopus  Harlemensis. 
i)  Er  staat:  gedecieteert. 


236 

op  de  marge  van  desen  stont  geapposiil/eert  aldus:  Soit 
monstré  aux  suppliants  ou  a  leurs  députéz,  estants  en  ceste 
ville,  pour  y  dire  ceque  bon  leur  semblera.  l'aict  «i  Bruxelles 
Ie   17  d'Aoust  1571. 

Soubsigné :  Van  der  Aa. 

Archief  van   den  Dom,  Rijksarchieven  in  de  provincie  Utrecht, 
D.  669XX. 


B  IJ  L  A  G  E    V.    Zie  boven  blz.  219. 


1566,  September  5,  Utrecht. 
Benoeming  van   Joannes  Gruwel  tot  deken  van   West- Friesland. 

Decanus  et  capitulum  eclesiae  metropolitanae  Trajectensis  ac 
Johannes  de  Wede,  canonicus  praebendatus  ejusdem  ecclesiae 
et  praepositus  Westfrisiae  in  eadem,  universis  et  singulis, 
tam  clero  quam  populo  per  terminos  et  limites  praepositurae 
nostrae  West  Frisiae  constitutis,  salutem  in  Domino  sempiternara. 
Universitati  vestrae  cupimus  fore  notum  quod  nos  de  industria 
et  legalitate  honorabilis  viri  domini  ac  magistri  Joannes  Gruwelii, 
pastoris  de  Wijdenesse,  qui  apud  nos  plurimorum  commendatur 
testimonio,  considerantes,  eundem  dominum  Joannem  ad  sex 
annos,  in  festo  sancti  Remigii  i)  proxime  futuro  inchoandos, 
per  dictae  nostrae  jurisdictionis  Westfrisiae  terminos  et  limites 
fecimus,  constituimus  ac  ordinavimus  nostrum  decanum  et 
officialem,  prout  per  praesentes  facimus,  constituimus  et 
ordinamus ;  dantes  et  concedentes  ipsi  domino  Joanni  durantibus 
annis  supradictis  plenam,  liberam  et  omnimodam  potestatem, 
facultatem  ac  mandatum  speciale,  inter  clericos  et  laicos  et 
universitates  ac  collegia,  de  criminalibus,  civilibus  et  mixtis 
pecuniarum  causis,  nee  non  matrimonialibus  causis,  culpis, 
delictis  ac  negligentiis  quarumcumque  personarum  ac  univer- 
sitatum  ibidem  ac  homicidiis,  ex  officio  vel  ad  partium  instantiam, 
inquirendi,  corrigendi  et  diffiniendi  in  personas,  communitates, 
ecclesias,  parochias  et  loca ;  excommunicationis,  suspensionis  et 
interdicti    sententias    et    alias    poenas    canonicas    fulminandi    et 


i)   I   October. 


237 

infligendi  et  per  ipsum  inflictas  et  fulminatas  absolvendi,  sus- 
pendendi,  relaxandi  et  tollendi ;  necnon  matrimonia  clandestina 
contrahentes  et  eisdem  interessentes  corrigendi  et  hujusraodi 
excommunicationis  sententia,  quam  propter  hoc  incurrerunt, 
absolvendi,  necnon  clericos  et  ecclesiasticas  personas  caeterosque 
nobis  subjectos,  quorum  protervitas  et  rebellio  hoc  exegerint, 
super  quibus  conscientiani  tuam  oneramus,  capiendi,  captivandi 
et  incarcerandi  et  a  carcere  relaxandi ;  testamenta  quoque  et 
ultimas  voluntates  presbyterorum,  clericorum  et  aliorum  sub- 
ditorum  in  nostra  jurisdictione  confirmandi  et  approbandi ;  et 
bona  illorum  presbyterorum  et  aliarum  personarum  ecclesiasti- 
carum,  qui  intestati  ac  alias  sinc  licentia  testandi  discesserunt, 
arrestandi,  confiscandi  et  desuper  concordandi ;  et  insuper 
quoscumque  presbyteros  ac  clericos,  ad  quaecumque  beneficia 
et  officia  ecclesiastica,  cum  cura  vel  sine  cura,  etiamsi  canoni- 
catus  et  praebendae  fuerint,  praesentatos  examinandi,  illosque, 
si  idonei  reperti  fuerint,  praemissis  proclamationibus  debitis, 
instituendi  et  investiendi,  inhabiles  refutandi,  cum  absentibus  a 
suis  beneficiis  dispensandi,  officiationes  et  episcopalia  concedendi, 
ac  in  beneficialibus  et  matrimonialibus  causis  cognoscendi,  pro- 
cedendi  et  diffiniendi  —  proviso  quod  super  diffinitivis  sententiis 
in  causis  matrimonialibus  ferendis  consilium  nostrum  ab  ipsis 
decano  et  capitulo  ac  praeposito  inquiratur  —  necnon  aliquem 
antistitem  in  dictis  annis  vice  nostra  ad  dictam  jurisdictionem 
nostram  adducendi,  atque  illum  ecclesias,  capelias,  coemeteria  i) 
et  altaria  ibidem  consecrare,  easque  et  ea,  si  pollutae  seu 
polluta  fuerint,  reconciliari  faciendi  et  procurandi,  et  emolumenta 
exinde  provenientia  recipiendi  et  levandi ;  episcopalia  presby- 
teris  et  curatis  et  fratribus  mendicantibus  in  foro  conscientiae 
ad  confessiones  audiendas  et  in  casibus  episcopalibus  absol- 
vendi concedendi ;  sacrum  oleum  et  alia  sacramenta  in 
Paschate  ministrandi,  ac  notarium  idoneum  pro  suo  placito  in 
nostra  jurisdictione  assumendi ;  et  generaliter  omnia  et  singula 
faciendi  et  exercendi  quae  in  praemissis  et  circa  ea  necessaria 
fuerint,  seu  quae  opportuna  et  ad  examen  et  gubernationem 
dictae  nostrae  jurisdictionis  Westfrisiae  et  ad  ejus  decanum  et 
officialem  de  jure  vel  consuetudine  pertinere  dignoscuntur. 
Salvo  quod  idem  dominus  Joannes  proclamationes  et  jurisdictiones 


i)   Er  staat:   coeiiiiteriE 


238 

beneficiorum  et  ecclesiasticorum  officiorum,  ad  collationem 
comitis  Hollandiae  £t  ejus  locum  tenentis  pro  tempore  spectan- 
tium,  necnon  quorumcumque  privilegiorum,  donationum  et 
concessionum  et  beneficiorum  officiorumque  ecclesiasticorum 
fundatorum  de  novo  et  imposterum  fundandorum  confirmationes 
et  approbationes  primariasque  eorundem  beneficiorum  et  offi- 
ciorum ecclesiasticorum  institutiones  ac  eorundem  proclamationes 
et  quorumcumque  autorisationes  sub  sigillis  decani  seu  vice- 
decani  pro  tempore  ecclesiae  nostrae  Trajectensis  ac  praepositi 
Westfrisiae  expediet  et  expediri  faciet,  et  haec  Trajecti  a  nobis 
procurabit  sigillari  et  quod  idem  decanus  noster  durantibus 
annis  dictis  synodos  more  consueto  observabit.  Reservamus 
tarnen  nobis  ea  et  causas  ac  proventus  infrascriptos :  Imprimis 
reservamus  censum  dictarum  ecclesiarum,  parochiarum  et  capel- 
larum ;  item  reportationes  sancti  Martini  ae  visitationes  monas- 
teriorum  ibidem,  et  procurationes  visitationum  monasteriorum 
eorundem,  necnon  omnia  et  singula  emolumenta  et  proventus, 
de  jure  et  consuetudine  in  dicta  nostra  praepositura  Westfrisiae 
de  quaestibus  et  quaestoribus  fabricae  ecclesiae  nostrae  prove- 
nientes.  Item  omnes  et  singulas  precarias  per  terminos  et 
limites  jurisdictionis  nobis  debitas  et  concedendas,  ac  omne 
quod  fabricae  nostrae  supradictae  a  quibuscumque  personis 
ecclesiasticis  vel  saecularibus  occasione  »jucundi  adventus"  seu 
alias  in  testamentis  sub  limitibus  jurisdictionis  nostrae  hujus- 
modi  donari  et  legari  poterit  et  contigerit.  Quare  vobis  omnibus 
et  singulis  supradictis  in  virtute  sanctae  obedientiae  et  sub 
poenis  suspensionis  et  excommunicationis  districte  praecipientes 
mandamus  quatenus  eidem  domino  Johanni  decano  et  officiali 
nostro  praedicto  obediatis  in  omnibus  et  singulis  supradictis, 
reverenterque  intendatis  eidem.  Alioquin  sententias,  quas  ipse 
rite  tulerit  in  rebelles,  faciemus  auctore  Domino  inviolabiliter 
observari.  In  quorum  quidem  omnium  et  singulorum  fidem  et 
testimonium  praemissorum  presentes  litteras  nostras  exinde 
fieri  et  per  notarium  nostrum  subscribi  fecimus  et  mandavimus. 
Et  nos  vice-decanus  et  capitulum  praedictum  rogavimus  reve- 
rendum,  venerabilem  et  eximium  dominum  Joannem  van  der 
Vecht,  decanum  nostrum,  ut  has  litteras  nostro  nomine  sigillo 
suo  dignetur  sigillare. 

Quod  nos  Joannes  van  der  Vecht  praedictus,  rogatu  praedic- 
torum    dominorum,  libenter  fecimus  ac  sigillum  nostrum  prae- 


239 

sentibus  appendimus.  Datum  Trajecti  in  domo  nostra  capitulari 
minori,  ubi  ad  praemissa  fuimus  capitulariter  congregati. 

Anno  a  Nativitate  Domini  millesimo  quingentesimo  sexagesimo 
sexto,  die  vero  quinta  mensis  Septembris. 

Sü  erai  subscriptmn :  Lamszweerde,  notarius,  subscripsit. 
Oud-archief  vati  den  bisschop  van  Haarlem,  Kopieboeck  I. 


BIJLAGE  VI.  Zie  hwen  bh.  220. 


1566,  September  6. 

Aanvaarding  van  het  dekenaat  van   Westfriesland  door 
Johannes  Gruwel. 

Universis  et  singulis  praesentes  litteras  visuris  et  audituris, 
ego,  Joannes  Gruwelius,  pastor  in  Wijdenesse,  cupio  fore  notum  : 
quod  venerabiles  domini,  decanus  et  capitulum  insignis  ecclesiae 
metropolitanae  Trajectensis,  necnon  Joannes  de  Wede,  canonicus 
praebendatus  ejusdem  ecclesiae  ac  praepositus  Westfrisiae  in 
eadem,  mihi  regimen  et  gubernationem  dictae  jurisdictionis  West- 
frisiae per  suas  certi  tenoris  litteras  inferius  insertas  ad  sex 
annos,  in  festo  Remigii  proxime  futuro  inchoandos,  commiserunt. 
Idcirco  pro  me  meisque  heredibus  et  executoribus  tenore  prae- 
sentium  publice  recognosco  me  teneri  et  efficaciter  fore  obligatum 
ad  conservationem  omnium  et  singulorum  infrascriptorum.  Im- 
primis  vero  videlicet  quod  durante  dicto  sexennio  regimen  et 
gubernationem  jurisdictionis  per  terminos  et  limites  Westfrisiae, 
durante  commissione  mihi  a  dominis  decano  et  capitulo  ac 
praeposito  praefatis  desuper  facta,  tam  quoad  clericos  quam 
laicos,  juxta  formam  libri  Camerae  dictae  ecclesiae  Trajectensis 
et  commissionem  meam  praedictam  ac  scedulam  inferius  insertam 
atque  antiquam  dictarum  partium  laudabilem  consuetudinem 
exercebo  ac  per  presbyterum  idoneum,  de  consensu  eorundem 
dominorum  admissum,  (quem  eisdem  dominis  nominabo)  regi 
et  gubernari  faciam.  Et  quod  jura  ipsius  dominationis  Westfrisiae 
pro  meo  posse  conservabo  et  recuperabo  ac  conservari  et  recu- 
perari  faciam.  Item  hujusmodi  jurisdictioni  legaliter  ac  sub  fideli 
et  legali  computu  deserviam,  et  pro  laboribus  meis  habebo 
tertiam  partem  omnium  et  singulorum  emolumentorum,  ratione 


240 

jurisdictionis  quomodolibet  provenienlium  et  proventurorum. 
Dicti  vero  domini,  decanus  et  capitulum,  habebunt  reliquas  duas 
partes  eorandem  omnium  proventuum  etemolumentorum  ejusdem 
jurisdictionis.  De  quibus  quidem  omnibus  proventibus  et  emolu- 
mentis  antedictis  dominis,  bis  in  anno  quolibet,  fïdelem  et  legalem 
computum  reddam,  et  reliqua  solvam,  videlicet  in  synodo  quae 
quotannis  Trajecti  celebratur  post  Dominicam  > Cantate"  in 
Mayo  et  synodo  quae  in  festo  Remigii  proxime  subsequentis 
similiter  quotannis  celebratur.  Et  expensarum  ac  curialitatum 
omnium  et  singularum,  per  me  ratione  jurisdictionis  hujusmodi 
quomodolibet  factarum  et  solutarum,  similiter  tertiam  partem 
solvam ;  praedicti  vero  domini  [habebunt]  reliquas  duas  partes, 
deducendas  easdem  a  summa  receptorum  capitali,  quam  in  dictis 
terminis  in  computu  coram  dictis  dominis  pro  dictis  terminis 
reducam.  Praeterea  si  contingat  me  mori  durantibus  adhuc  dictis 
sex  annis  condictum  est  et  conventum  quod  heredes  et  executores 
mei  per  aliquem  presbyterum  idoneum  hujusmodi  jurisdictionem 
pro  mensibus  anni,  in  quo  mortuus  fuero,  restantibus  dumtaxat 
et  non  ulterius  exerceri  facient,  onera  supplebunt  et  duas  partes 
emolumentorum  et  proventuum,  ut  supra  dictum  est,  deducta 
pro  rata  tertia  parte  expensarum  solutarum  dictis  dominis,  decano 
et  capitulo,  solvent.  Insuper  in  casibus  per  dominos  decanum 
et  capitulum  ac  praepositum  pro  tempore  in  praedicta,  inferius 
inserta  scedula,  reservatis  ego  et  per  me  nominandus  nihil 
immutari  aut  attentari  fieri  procurabimus,  aut  immutabimus, 
attentabimus  seu  innovabimus,  nisi  de  ipsorum  dominorum 
decani  et  capituli  ac  praepositi  praedicti  expressa  licentia  el 
concensu  speciali.  Quae  omnia  et  singula  praemissa  et  eorum 
quodlibet,  necnon  articulos  super  exercitio  jurisdictionis  hujusmodi 
confectos,  praementionatos,  in  singulis  eorum  punctis  et  articulis 
ad  sancta  Dei  evangelia,  tactis  corporaliter  scripturis  sacrosanctis, 
juro  fideliter  adimplere  et  observare.  In  quorum  omnium  et 
singulorum  fidem  et  testimonium  praemissororum  presentes 
litteras  hujusmodi  manu  mea  propria  subscripsi  et  signavi,  ac 
proinde  venerabilem  et  eximium  virum  dominum  Rodolphum 
Straetmans,  canonicum  beatae  Mariae  Trajectensis,  rogavi  ut  has 
meas  litteras  subscribere  quoque  et  suo  sigillo  dignaretur  sigillare. 
Quod  ego,  Rodolphus  Straetmans,  rogatu  et  intuitu  dicti 
domini  Joannis  Gruwelii,  libenter  feci  ac  praesentes  litteras 
signavi   ac   sigillum    meum    praesentibus   appendi.  Datum  anno 


241 

Domini  millesimo  quingentesimo  sexagesinio  sexto,  die  vero 
sexta  mensis  Septembris.  Tenores  vero  commissionis  praedictae 
mihi  factae  necnon  scedulae  articulorum  super  exercitio  juris- 
dictionis  hujusmodi  confectorum  sequuntur  per  ordinem,  et  sunt 
tales  :  »Decanus  et  capitulum  ecclesiae  metropolitanae  Trajectensis 
ac  Joannes  de  Wede"  etc,  ut  supra  latius  in  instrumento 
delegationis  praepositurae  est  videre, 

Oud-archief  vatt  den  bisschop  van  Haarlem,  Kopieboeck  I. 


BIJLAGE  VII.  Zie  boven  bh.  221. 


1566,  September. 

Cijns  welke,  ie  beginnen  met  sint  Remigius  (i  October)  ijóó, 
gedurende  de  eerstvolgende  zes  jaren  zal  moeten  opgebracht  worden 
voor  het  uitoefenen  der  jurisdictie  in  de  proosdij  van  Westfriesland. 

In  primis  capitulum  dabit  commissionem  honorabili  domino 
Johanni  Gruwelio  hujus  sexennii  sequentis,  idque  sub  legali 
computu  quem  idem  dominus  Joannes  quotannis  reddet  de  omnibus 
et  singulis  emolumentis  et  proventibus  jurisdictionir  praepositurae 
praedictae,  de  quibus  emolumentis  idem  dominus  joannes  habebit 
unam  tertiani  et  dominus  decanus  et  capitulum  habebunt  reliquas 
duas  tertias. 

Item  dominus  decanus  et  capitulum  habebunt  optionem 
singulo  quoque  anno  arrendae  praedictiae  revocare  (si  placitum 
ipsis  fuerit)  antedictam  conmissionem,  sicuti  et  ipse  dominus 
Joannes  Gruwelius  eidem  commissioni  poterit  renuntiare,  salvo 
quod  et  dicti  domini  et  idem  dominus  Johannes  idipsum  dimi- 
diato  anno  cuilibet  prius  respective  huic  inde  tenebuntur  intimarc. 

Item  dabit  etiam  dictus  dominus  Johannes  singulis  anno  in 
Quadragesima  domino  decano  Trajectensi:  twee  goede  stroeyty'^) 
buckens.  Item  notario  et  nuncio  capituli,  cuilibet:  een  half 
stroeyty  buckens. 

Similiter  solvet  quotannis  in  festo  Remigii  praeposito  West- 
frisiae  el  notario  capituli,  cuilibet,  unum  nobile  aureum  Angliae 
cum  rosa  vel  quatur  florenos  cum  dimidio  pro  quolibet  nobili. 


i)      Stroe:      bepaalde      inhoudsmaat      (Verdam,      Middelnederlandsch 
Woordenboek). 

16 


242 

Et  ex  his  omnibus  solvet  idem  decanus  tertiam  partem  et 
reliquas  duas  partes  antedicti  domini  decanus  et  capitulum. 

In  cujus  rei  testimonium  ego,  Johannes  Gruwelius,  huic 
scedulae  manu  mea  subscripsi. 

Sic  er  at  subscriptum .   Gruwelius  subscripsi. 

Otid-archief  van  den  bisschop  -van  Haarlem.  Kopie-boeck  I. 


BIJLAGE  VIII.  Zie  boven  blz.  223. 


1571,  Aug.  20,  Utrecht. 

Stneekschrift  van  het  Domkapittel  om  's  konings  placet  te  ver- 
krijgen op  het  infien  van  een  jaargeld,  aan  het  Domkapittel  toe- 
gelegd ter  vergoeding  van  '/  verlies  der  jurisdictie  in  Westfriesland. 

Copie. 

Aan  den  Coninck, 

Geven  in  alder  oetmoet  te  kennen  uwe  majesteits  onder- 
danighe,  die  heeren  deecken  ende  capittele  van  de  metropolitaen 
kercke  binnen  uwe  majesteits  stadt  Utrecht,  hoe  dat  het  beliefFt 
heeft  die  heylicheyt  van  paus  Pius  quartus  in  den  jaer  1561  i), 
quinto  Idus  Martii,  hemlieden  supplianten  ofte  haerlieden  kercke 
uuyt  sijn  rechter  wetenschap,  absolute  macht  ende  pure  libe- 
raelheyt  te  reserveren  opde  taeffelgoederen,  vruchten  ende 
incomen  van  't  bisdomme  van  Haerlem  een  jaerlicxe  pensie 
van  drie  hondert  ducaten  de  Camera  2),  ende  dit  in  recompensie 
van  de  episcopael  jurisdictie  van  Westvrieslandt,  die  den  sup- 
plianten competeerden  ende  sijn  heylicheyt  by  de  bulle  van 
erectie  van  't  voorsegde  bisdomme  van  Haerlem  hem  supplianten 
afïgenomen  en  't  vorsegde  bisdomme  geappliceert  hadde,  welcke 
reservatie  geschiet  is  by  voorweten  van  uwe  majesteit  ende 
die  hoocheyt  van  de  hartoghinne  van  Parma,  doen  regente 
van  dese  landen,  die  deselve  alsulcx  by  sekere  haerlieden  acten, 
déén  van  date  den  23  Octobris  anno  1561  ende  dander  van 
date  den  lesten  January  anno  eodem,  geapprobeert  ende  goet- 
gekent    hebben,   gelijck    blijckt  by  de  copie  van  deselve  acten 


1)  Er  staat,  volgens  Paaschstijl  gerekend:    1560. 

2)  Zie   Brom,  Archivalia  in  Italië  I',   397. 


243 

hierbij  gevoucht.  Ende  so  die  eerwaardige  heere,  heer  Nicolaus 
de  Nova  terra,  yerste  bisschop  van  Haerlem,  hemlieden  sup- 
plianten in  haerlieden  oude  possessie  van  de  voorsegde  jurisdictie 
gelaten  heeft  tot  date  van  sijn  afFganck  toe,  so  en  hebben  die 
supplianten  die  voorsegde  buUe  van  reservatie  van  voorsegde 
pensie  nyet  te  werck  gestelt;  mer  also  het  belieft  heeft  die 
eerwaardige  heere  heer  Godefroy  van  Mierlo,  jegenwoirdich 
bisschop  van  Haerlem,  die  voorsegde  jurisdistie  volgende  de 
voorsegde  incorporatie  en  bullen  van  erectie  (so  hy  seyt)  te 
anveerden,  so  sal  hem  supplianten  van  node  wesen  die  voor- 
segde bulle  van  reservatie  ter  executie  te  stellen ;  mer,  also 
sy  des  nyet  en  vermoghen  sonder  te  hebben  uwe  majesteits 
brieven  van  placet,  so  ist  dat  sy  supplianten  oetmoedelick 
versoucken  dat  uwe  majesteit  gelieve  hemlieden  op  de  voor- 
segde bulle,  hier  aangehecht,  te  verlenen  brieven  van  placet 
in  behoerUcke  forme,  Tselve  doende  etc. 

/«  margiiie:  Attendue  la  qualité  de  la  cause  soit  monstré 
a  l'óvesque  de  Haerlem,  pour  y  dire  ceque  bon  luy  semblera, 
avant  que  ordonner  sur  Ie  placet.  Le  23  d'Aoust  1571.  Le  dit 
évesque  satisfera  a  ceque  dessus  en  dedens  quinze  jours  de 
l'insinuation  péremptoirement.  Soubsignc :  J.  de  la  Torre. 

Archief  vati   den   Dom.  Rijksarchieven  in  de  provincie   Utrecht, 
D,  699XX. 


BIJLAGE   IX.   Zie  boven  blz.  223. 


1571,  Oct.  3,  Haarlem. 

Advies    van    Godjr.    v.   Mierlo   op  voorgaand  stneekschrift^  hem 
ter  beantwoording  van  den  Geheimen  Raad  toegezonden. 

Copie. 

Om  me  uyten  name  en  van  wegen  heer  Godefroy  van  Mirlo, 
bisschop  tot  Harlem,  cortelijck  te  seggen  op  seekere  requeste, 
in  coninklijk  majesteits  secreten  raide  vanwegen  die  heeren 
deecken  ende  capittele  van  de  metropolitaen  kercke  van 
Uuytrecht  overgelevert,  waerinne  de  supplianten  versoecken 
sijn  coninklijk  majesteits  brieven  van  placet,  omme  alsnu  ter 
exercitiën  doen  stellen  seeckere  pretense  pauselijcke  bulle  van 
reservatie  van  een  excessive  pensie  van  300  ducaten  de  Camera, 


244 

al  in  den  jaere  1561I)  den  [11  Maart]  geexpedieert,  die  sup- 
plianten zouden  begeren  te  genyeten  uuyt  het  bisdom  van 
Hairlem  ter  causen  dat  den  supplianten  die  jurisdictie  van 
Westfrieslant  eertijts  by  der  pausselijcke  heylicheyt  benomen 
ende  aen  't  voirnoemde  bisdom  geappliceert  is :  seydt  de  ge- 
requireerde  dat  de  voirsegde  gepretendeerde  pensie  duer  ver- 
scheyden  middelen  immers  voir  desen  tegenwoirdigen  tijt 
geensins  en  behoort  geexecuteert  te  wordden,  lerst  gemerckt 
deselve,  als  succederende  in  de  plaetse  van  de  prouffijten  die 
de  supplianten  eertijts  plagen  te  genieten,  excedeert  dieselve 
nyet  alleenlijck  twee,  dry,  jae  acht,  tien  ofte  meermael,  soe 
de  gerequireerde  verstaet  deselve  jurisdictie  eertijts  by  den 
supplianten  in  perpehiam  arrendai?i  2)  uuytgegeven  te  sijn  voer 
de  somme  van  twintich  out  schilt  jaerlicx  oft  daeromtrent, 
waertegens  de  supplianten  voer  recompensie  pretenderen  te 
moegen  genieten  300  ducaten,  welke  immers  en  in  alle  gevalle 
te  seer  excessive  is.  Ten  anderen  soo  staet  te  noteren  dat  de 
pretense  assignatie  van  recompensie  geschiet  soude  sijn  in  den 
jaere  15618),  den  [11  Maart],  nae  welcke  tijde  by  't  heylige 
concilium  van  Trenten  geordonneert  is  dat  die  boeten  ende 
bruecken  geappliceert  soude  werdden  püs  usibiis  vel pauperibus 
loei,  dair  dieselven  vallen  sullen  *)  ende  dat  institutiones  bene- 
ficiortwi,  sonder  yet  dairvan  te  genyeten,  gegeven  behooren 
te  werdden,  decernerende  dat  degene  ter  contrariën  dede  ver- 
vallen souden  sijn  in  de  penen  contra  simoniacos,  nae  rechten 
gestatueert,  Ende  gemerckt  van  de  voirder  administratie  van 
de  jurisdictie,  so  veele  ofte  meer  lasten  comen  als  dair 
prouffijten  uuyt  souden  mogen  wijsen,  en  kan  de  gerequireerde 
nyet  verstaen  datter  eenige  prouffijten  nu  tegenwoirdich  te 
verwachten  sijn  uuyt  d'administratie  van  de  voirnoemde  juris- 
dictie, maar  schaede.  Soo  dan  de  supplianten,  bij  alsoo  verre 
sijlieden  selffs  de  voernoemde  jurisdictie  administreerden,  nae 
vermoegens  die  decreten  van  't  heylige  concilie  van  Trenten 
ende  oock  nae  sententie  van  den  geleerden  der  heyligen 
schriftueren    egeen    merckelijck   prouffijt   ende   souden  kunnen 


i)  Er  staat,   volgens   Paaschstijl  gerekend,    1560. 

2)  Arrenda  =  census  annuus  (Ducange,    G/ossariufn,  Niort   1883). 

3)  Er  staat  volgens  Paaschstijl   1560. 

4)  Cond.    Ttid.  Sesso  XXV,   de  reform,  c.   3. 


245 

genieten  uuyt  de  voirnoemde  administratie,  en  is  oeck  geen 
reden  ofte  billicheyt  conform  dat  ter  oirsaeken  van  dien  hem- 
lieden eenich  recompens  geaccordeert  soude  worden.  Sulcx 
dat,  nae  dyen  de  qualitee  van  de  saecken  geheelijcke  ende 
notoorlijcke  verandert  is  sedert  de  expeditie  van  de  voirsegde 
buUe  ende  dese  nu  dairop  versaeckte  executie,  als  geleden 
wesende  meer  als  thien  jaeren,  ende  dat  midler  tijt  't  heylige 
concilie  van  Trenten  de  voersegde  vercleringe  gedaen  heeft, 
dewelcke  by  de  tegenwoirdige  pausselijcke  heylicheyt  de  ge- 
requireerde  verstaet  nyet  alleenlijcke  geconfirmeert  maar  oick 
noch  tot  stricter  observantie  van  dien  vercleert  te  zijn,  ende 
dyens  volgende  gemerckt  dat  de  gerequireerde  egeen  prouffijt 
ter  werelt  en  verwacht  uuyt  de  voernoemde  administratie  maer 
seekere  schade,  begerende  ad  unguem  te  observeren  't  gene 
by  't  voernoemde  concilium  gestatueert  is,  ende  dat  de  sup- 
plianten, observerende  de  voornoemde  decreten  ende  vercleringe, 
egeen  prouffijten  genyeten  en  zouden,  alwairt  saicke  de  voir- 
noemde jurisdictie  hemlieden  nyet  aftgenomen  en  waire,  sulcx 
dat  se  alsnu  (cesserende  ipso  facto  de  prouffijten)  egeen  schaede 
of  interest  en  lijden,  wairop  eene  recompensie  gefondeert  soude 
mogen  sijn:  concludeert  daeromme  ende  uuyt  redenen  alhier 
geraect,  ende  bij  mijn  heeren  breeder  toverwegen,  die  ge- 
requireerde ten  fijne  de  supplianten  hairlieden  versochte  brieven 
van  placet  sullen  werdden  ontseyt,  aenschou  nemende  dat:  die 
nyet  en  ontfanct  ende  nyet  ontfangen  en  mach,  consequente- 
lijcke  nyet  geven  en  kan. 

Opte  marge  stont  aldus :  Soit  raonstrc  a  partie  pour  réplycquer. 
Faict  a  Bruxelles  Ie  3  d'Octobre  1571.  Soubsigné  :  J.  de  la  Torre, 

Archief  van  den   Dom.    Rijksarchieven  in  de  provincie  Utrecht, 
D,  699XX. 

BIJLAGE  X.    Zie  boven  bh.  22^. 


1571,  Oct.  26,  Utrecht. 

Antwoord   van    het    Domkapittel  op    het   advies  door    Godfr.  v. 
Mierlo,  in  zake  het  jaargeld  verstrekt. 

Copie. 
Omme  cortelick  uyt  den  name  ende   van  wegen  die  heeren 
domdeeken    ende    capittele    van    de  metropolitaenkerke  binnen 
Uytrecht,  supplianten,  te  repliceren  op  secckere  frivole  antwoordt 


246 

den  coninklijke  majesteit  ofte  die  van  zijne  majesteits  secreten 
raide  geexhibeert  van  wegen  den  eerwaarden  heere  ende  vader 
in  Gode,  heer  Godefroy  van  Mierlo,  bisschop  tot  Haerlem, 
gerequireerde,  volgende  d'apostille  gestelt  opte  marge  van 
voirsegde  antwoirde  in  date  den  3  Octobris  anno  71  :  seggen 
die  suppUanten  dat  alle  die  middelen  by  den  gerequireerde 
geallegeert  tot  deser  saecken  geheel  impertinent  zijn,  so  die 
supplianten  alhier  nyet  en  versoucken  dan  brieven  van  placet 
daerby  hemlieden  toegelaten  soude  worden  haerlieden  provisie 
apostolijcke  van  de  pensie  van  drie  hondert  ducaten  te  werck 
te  mogen  stellen.  Ende  en  cunnen  die  supplianten  nyet  verstaen 
eenige  saecke  ofte  redenen  waeromme  heurlieden  zulcx  zoude 
behoiren  geweygert  te  worden ;  noch  en  wert  by  de  gerequireerde 
te  dyen  eynde  nyet  een  middel  geallegeert ;  gelijck  als  in  der 
waerheit  oeck  alle  die  redenen,  waeromme  die  brieven  van 
placet  op  provisïen  apostolijck  geimpetreert  moeten  worden,  in 
dese  zaicke  cesseren,  overmits  dat  die  reservatie  van  de  voirsegde 
pensie  geschiet  is  by  voerweeten  van  zijne  majesteit.  Ende 
alzulcx  heeft  oick  de  hertoginne  van  Parma,  eertijts  regente 
van  dese  zijne  majesteits  Nederlanden,  ende  zijne  majesteit 
zelver,  by  de  acte  in  der  supplianten  requeste  angetogen,  de 
voersegde  pensie  ende  bulle  ofte  provisie  apostolijcque  ex- 
presselick  genouch  geapprobeert.  'T  en  doet  nyet  dat  die  ge- 
requireerde will  seggen :  dat  dese  pensie  verre  soude  excederen 
die  prouffijten  die  van  de  voirsegde  jurisdictie  comen  zouden, 
soe  'tselve  geen  reden  is  omme  't  versoechte  placet  te  beletten, 
maer  soude  alleenlijck  dienen  ten  principale  omme  die  reservatie 
van  de  pensie  te  doen  casseren  ofte  reduceren,  daervan  die 
kennisse  soude  vallen  voer  den  executeur  van  de  voirsegde 
bulle  ofte  andere  geestelijcken  rechters,  alhoewel  die  supplianten, 
indien  het  noot  dede,  wel  souden  verhopen  te  verthoinen  dat 
die  voersegde  allegatie  irrelevant  zoude  wesen,  so  overmits  dat 
die  reservatie  gedaen  is :  motu  proprio,  ex  mera  pontificis 
liberalitate  et  ex  plenitiidine  potestatis  ejtisdem,  zulcx  dat  alhier 
(gemerct  die  pauselijcke  heyliche}!  absolute  macht  heeft  om 
vryelick  oeck  sonder  eenighe  saecke  van  alle  beneficiën  te 
mogen  dispolieren  ende  den  possesseurs  van  dien,  eosque 
episcopos,  te  mogen  afstellen  ende  priveren)  nyet  van  noode 
es  van  eenige  vordere  saecke  te  verthonen.  Ende  [so]  de 
voersegde    bulle    oeck    geen    mentie    en   maeckt  van  de  grote 


247 

ofte  cleynheyt  van  de  vruchten  van  de  jurisdictie  van  West- 
frieslandt  noch  van  de  valeur  van  dien,  mer  alleen  naectelick 
van  de  jurisdictie,  dewelcke,  alsoe  de  gerequireerde  nyet  en 
can  ontkennen,  den  supplianten  loegecomen  te  hebben,  so 
volcht  dat  dallegatie  van  de  cleynheyt  van  prouffijten  van  de 
voersegde  jurisdictie  ganschelick  alhier  ondienstelick  is.  Te 
meer  dat  die  vruchten  van  de  taeft'elgoederen,  daerop  die  pensie 
geassigneert  is,  souffisant  genoich  zijn  omme  deselfde  pensie 
te  mogen  dragen,  ende  dat  na  rechten  in  assignanda  pensione 
geen  regard  genomen  ^ox\  super  valore  beneficii  quod  dimittitur, 
sed  super  valore  beneficii  quod  gravatur,  ne  videlicet  pensio 
excedat  vel  tertiam  vel  dimidiam  partem  fructuum  beneficii 
gravati.  Ende  en  sijn  die  emolumenten  van  de  voersegde 
jurisdictie  so  cleyn  nyet  als  die  gerequireerde  die  maect,  ende 
die  supplianten  wel  souden  contrarie  doceren,  evenverre  het 
noot  ende  alhier  nyet  impertinent  en  waere.  Nijttemin  genomen 
die  emolumenten  van  de  voirsegde  jurisdictie  nyet  meer  en 
waren  dan  die  lasten,  so  souden  die  supplianten  dieselve  liever 
begeren  te  behouden  dan  te  hebben  die  pensie  van  drie  hondert 
ducaten,  so  overmits  den  ouderdom  ende  lanckheyt  des  tijts 
dat  die  aen  der  supplianten  kercke  geweest  is,  alsoeck  overmits 
die  digniteyt  ende  eere,  so  zy  in  Westfrieslandt  hebben  epis- 
copael  jurisdictie,  dat  men  nyet  en  zall  bevinden  eenige  kercke 
metropolitaen  ofte  cathedrael  in  dese  lande  te  hebben,  ende 
zouden  zij,  supplianten,  wel  tevreden  zijn  haere  jurisdictie  te 
behouden  ende  den  gerequireerde  van  voersegde  pensie  onge- 
molesteert  te  laten.  Ontkennende  mitsdien  het  voorstel  van 
gerequireerde  ende  dat  die  pensie  soude  succederen  in  de 
plaetse  van  prouffijten  van  de  voirsegde  jurisdictie,  so  in  de 
bulle  daervan  geen  mentie  gemaect  wert,  maar  is  deselve  ge- 
assigneert ex  tnera  liberaliiate  pontificis,  als  boven  breder 
geseyt  is.  Ende  om  redenen  voersegd  is  impertinent  dallegatie 
van  't  concilium  van  Trenten  ende  dapplicatie  van  kueren  ende 
bruecken  etc.  Ende  nopende  't  poinct  van  de  institutiën  van 
de  beneficiën :  seggen  die  supplianten  dat  zy  by  't  concilium 
nyet  en  bevijnden  gestatueert  dat  die  voersegde  institutiën  gratis 
gegeven  souden  moeten  worden,  ende  daeromme  verstaen  zy 
dienaengaende  te  mogen  gebruycken  alsulcke  gerechticheyt  als 
zy  van  outs  gehadt  hebben,  welcke  gerechticheyt  sy  supplianten 
alleen    nyet   en    souden    willen  ontbeeren  voer  de  voerscreven 


248 

drie  hondert  ducaten,  nyet  om  die  prouffijten  die  van  de 
institutiën  zouden  mogen  comen  (die  nochtans  nyet  cleyn  en 
zijn),  maar  omme  die  collatie,  die  de  supplianten  doerdien 
jure  devoluio  ende  andersins  hebben,  daermede  zy  haerlieden 
choralen  ende  andere  schamele  dienaers  ende  priesters  van  haer- 
lieden kercke  connen  versien.  Ende  zooveel  betreft  die  schade 
die  de  gerequireerde  wel  seggen,  dat  in  de  administratie  van  de 
voersegde  jurisdictie  gelegen  zoude  zijn  :  seggen  die  supplianten 
dat  zy  tevreden  zijn  dienaengaende  te  verwachten  'tgene  van 
de  voersegde  jurisdictie  souden  mogen  comen,  't  sy  schade  ofte 
prouffijt  \  syn  oeck  tevreden  dieselve  te  regieren  nae  uuytwijsen 
van  't  concilium  van  Trenten,  ende  hebben  sulcx  noch  al  veel 
liever  te  doen  dan  te  lichten  die  voersegde  pensie.  Sulcx  dat 
geheel  vreemt  is:  dat  die  gerequireerde,  indien  hy  hem  by  de 
assignatie  van  de  voersegde  pensie  so  seer  beswaert  vijndt,  als 
hy  hem  aenneempt,  dat  hy  den  supplianten  by  haerlieden 
jurisdictie  nyet  en  laet  blijven,  gelijck  zijn  voersaeten  gedaen 
hebben,  so  hy  in  sulcken  gevalle  ontlast  zall  zijn  nyet  alleen 
van  de  costen  maer  oeck  van  de  moeyten.  Ende  en  can  die 
gerequireerde  nyet  clagen:  dat  die  qualité  van  de  saecke  ver- 
andert soude  wesen  sedert  den  date  van  de  reservatie  vande 
voersegde  pensie,  gemerct,  als  voersegd  is,  in  de  reservatie 
van  de  voersegde  pensie  gheen  regardt  genomen  en  is  op  den 
valeur  ofte  weerde  van  de  voersegde  jurisdictie,  mer  is  dieselve 
reservatie,  gedaen  :  ex  pura  liberalitaie,  ?noiu  proprio  et  pleni- 
iudine  potestatis  pontificiae,  quas  clausulas  necesse  non  fuisset 
adjicere,  si  pontifex  voluisset  tantum  justa  ex  causa  constituere 
pensionem  vel  si  in  dicta  constitutione  respecium  habuisset 
tantum  ad  emolumenta  ex  dixta  jurisdictione  provenientia, 
gelijck  als  dit  't  sijnen  tijd  breder  gededuceert  sal  worden. 
Ende  also  by  de  voersegde  clausulen  omfie  vitium  surreptionis 
et  obreptionis  ewech  genomen  wert,  so  verhopen  die  supplianten 
dat  uwe  majesteit  hemlieden  van  haerluyder  gerechticheyt  sal 
laten  genieten;  daeromme  dat  zy  persisteren  by  haerlieden 
requeste  ende  versouck  daerinne  gedaen. 

Opte     margine    stont    aldus:    Soit    monstré    a    partie    pour 
dublicquer.  Faict  a  Bruxelles  Ie  26  Octobre   1571. 

Et  soubsigné:  I.  de  la  Torre. 

Archief  van   den   Dom,  Rijksarchieven  in  de  provincie  Utrecht, 
D  699XX.  


GESCHIEDENIS  VAN  LANGERAAR  NA  DE 
REFORMATIE. 

Vervolg  van  Deel  XXXV,  blz.  114. 


Bij  het  samenstellen  der  geschiedenis  van  de  parochie 
Langeraar  na  de  Reformatie  is  mij  gebleken,  dat  én 
de  Batavia  Sacra  én  het  Kerkarchief,  grootendeels  door 
Pastoor  Burgmeijer,  oud-kapelaan  van  Langeraar,  op- 
gesteld, nogal  onjuistheden  bevatten  en  niet  zeer  volledig 
zijn.  De  onnauwkeurigheden  bestaan  grootendeels  daarin, 
dat  men  de  geestelijken,  die  hier  in  de  i"]^^  eeuw  zijn 
werkzaam  geweest,  zonder  onderscheid  pastoor  noemt, 
en  daardoor  is  eene  hopelooze  verwarring  van  jaartallen 
ontstaan. 

Abraham  van  Brienen  en  zijn  medehelpers 
(I628— 1640). 

In  ieder  geval  is  zeker  en  boven  allen  twijfel,  dat 
Abraham  van  Brienen  de  eerste  pastoor  was,  die 
hier  na  de  Reformatie  werkzaam  is  geweest.  Hij  kwam 
er  echter  niet  na  1631,  want  hij  werd  door  den  Vicarius 
generalis  Jacob  Bolius,  die  26  Augustus  163 1  stierf,  als 
pastoor  naar  Langeraar  gezonden.  Maar  hij  kan  ook 
niet  veel  vroeger  zijn  gekomen,  want  hij  was  in  het 
begin  der  zeventiende  eeuw  geboren.  Zijn  leeftijd  in 
aanmerking  genomen,  mogen  we  met  reden  veronder- 
stellen dat  hij  tusschen  de  jaren  1628— 163 1  hier  pastoor 
geworden  is. 


250 

Abraham  van  Brienen  was  te  Utrecht  geboren  (Batav. 
Sacra,  p.  II,  p.  127  en  p.  276.  Rhijnl.  Oudh.,  blz.  223. 
Hist.  ofte  Beschr.  v.  't  Utr.  Bisd.,  D.  I,  blz.  330—331). 
Van  jongs  af  gaf  hij  blijk,  niet  alleen  van  een  vroolijken 
en  levendigen  aard,  maar  ook  van  waarachtige  deugd 
en  zeldzamen  aanleg.  Zijne  ouders  lieten  hem  eerst  zijn 
lagere  studies  voltooien  en  zonden  hem  vervolgens  naar 
het  Hollandsche  Seminarie  te  Keulen,  waarvan  toen  de 
beroemde  Leonardus  Marius  president  was.  Hij  studeerde 
daar  te  zamen  met  zijn  vriend  en  lateren  buurtpastoor, 
den  bekenden  herder  van  Oud-Ade,  Antonius  van  der 
Plaet ;  en  zij  beiden,  evenals  Reynier  Coopman,  die 
naderhand  zijn  buurtpastoor  in  Leiden  werd,  behoorden 
tot  de  uitstekendste  studenten.  Gaarne  hadden  de 
Dominicanen  aldaar,  die  zijn  zeldzamen  aanleg  be- 
speurden, hem  evenals  Antonius  van  der  Plaet  in  hun 
orde  opgenomen,  en  het  schijnt,  dat  de  jeugdige  student 
reeds  besloten  was  tot  dien  stap,  toen  Marius  hem  wist 
te  overtuigen,  dat  hij  beter  deed  zich  naar  het  moeielijke 
arbeidsveld  te  begeven,  dat  hem  in  het  ongelukkige 
vaderland  wachtte. 

Na  priester  te  zijn  gewijd,  keerde  hij  naar  Holland 
terug  en  kwam,  nog  geen  dertig  jaar  oud,  als  pastoor 
te  Langeraar.  Hier  vond  de  jeugdige,  vurige  priester 
een  werkkring  naar  zijn  aard ;  hij  moest  de  geloofs- 
waarheden onderwijzen  aan  eenvoudige,  godvreezende 
lieden,  die  meer  dan  veertig  jaren  ^)  geen  priester  aan 
hun  hoofd  hadden  gehad.  Hij  moest  voorzichtig  zijn,  om 
niet  door  al  te  vurig  ijveren  uitgewezen  te  worden  door 
de    waakzame    Staten.    Als   een    goede  herder  ging  hij 


1)  Uit  het  Arc/i.  voor  de  Gesch.  v.  h.  Aartshisd.  Utrecht,  Dl.  XL, 
afl.  I  blz.  170  blijkt,  dat  in  1575  het  pastoraat  van  Langeraar  vacant 
was,  zoodat  de  inwoners  elders  huwelijken  moesten  laten  inzegenen. 
Of  na    1575   nog  een  pastoor  de  zielzorg  uitoefende,  is  mij  niet  bekend. 


251 

zijne  parochie  rond.  „His  Brienius  eorum  Pastor  cannabum 
Brumali  tempore  ad  ignem  decorticantibus  ac  purganti- 
bus,  Jesu  Christi  praecepta  ex  Evangelie  vitisque  Sanc- 
torum  praelegere  erat  sollicitus",  Bat.  Sacr.,  p.  II,  p.  128. 
Hoe  teekent  dit  zinnetje  den  edelen  man ! 

Hij  had  in  deze  parochie  nog  een  medehelper 
Franciscus  Eelckens  (Bat.  Sacr.,  p.  II,  p.  276  en 
p.  240 — 241).  Deze  was  ouder  dan  de  pastoor  en  om- 
streeks 1590  te  Amsterdam  uit  vermogende  ouders 
geboren.  Eerst  had  hij  te  Keulen  en  later  te  Leuven 
onder  Jansenius  de  theologie  gestudeerd.  Daarna  had 
hij  zich  naar  Parijs  begeven,  om  drie  jaren  later  naar 
zijn  vaderland  terug  te  keeren.  In  1626  zond  Rovenius 
hem  om  te  Langeraar,  Korteraar  en  andere  naburige 
plaatsen  de  geloovigen  bij  te  staan.  Hij  is  hier  geen 
pastoor  geweest,  want  zooals  uit  de  andere  bronnen 
eenparig  blijkt,  was  Van  Brienen  de  eerste.  Of  hij  later 
kapelaan  was  bij  Van  Brienen,  valt  moeilijk  te  zeggen. 
Waarschijnlijk  trad  hij  hier  op  als  een  medehelper, 
die  reeds  goed  bekend  was  met  den  toestand  der  Veen- 
parochies  en  wiens  hulp  door  den  jeugdigen  pastoor 
gaarne  werd  aanvaard.  Eelckens  was  een  vroom  priester, 
die  vooral  eene  groote  godsvrucht  had  tot  het  goddelijk 
Kind  Jezus.  Op  zijne  kamer  stond  een  kribbetje,  waarin 
een  gekleurd  gipsen  Christuskindje  rustte,  en  daar  voor 
knielde  de  eenvoudige  man  dikwijls  neder  in  gebed.  Tot 
1640  bleef  hij  hier  werkzaam  en  in  dat  jaar,  waarin  Van 
Brienen  vertrok  naar  Utrecht,  verliet  ook  hij  de  parochie 
om  zich  naar  Leiden  te  begeven,  waar  hij  als  de  eerste 
pastoor  der  Waalsche  parochie  werd  aangesteld.  Zijne 
verdere  lotgevallen  zijn  te  lezen  in  de  Bijdr.  v.  h.  bisd. 
Haarlem,  D.  II,  blz.  105—107.  Na  nog  pastoor  te  zijn 
geweest  in  den  Haag  en  na  hevige  vervolgingen  te 
hebben  doorgestaan,  is  hij  eindelijk  in  1^7  Superior  van 


252 

het  Leuvenschc  College  geworden  en  ten  slotte  over- 
leden in  een  tweede  door  hem  te  Brussel  gesticht 
College  30  April  1665.  Hij  was  Baccalaureus  in  de 
Godgeleerdheid,  priester  van  het  Oratorie  en  mede- 
helper van  den  Vicarius  Apostolicus. 

Behalve  door  dezen  Eelckens  werd  Van  Brienen  ook 
nog  bijgestaan  door  Cornelius  van  Wijckerslooth 
(Bat.  Sacr.,  p.  II,  p.  276.  Arch.  v.  h.  Aartsbisd.  Utr., 
D.  XII,  blz.  204  en  Descriptio  Staties  in  1638  door  Jac. 
de  La  Torre,  Abrah.  v.  Brienen  en  Nic.  Heynst  opgesteld). 
Deze  was  evenals  de  pastoor,  in  Utrecht  geboren  en 
Baccalaureus  in  de  godgeleerdheid.  In  1640  volgde  hij 
Van  Brienen  als  pastoor  op,  zooals  wij  later  zullen  zien. 

De  oude  kerk  van  de  parochie  (gelegen  midden  in 
het  dorp  Are  en  wel  in  het  daartoe  behoorend  gehucht 
„Kerkbuurt")  was  sedert  1586  ongeveer,  in  handen  der 
Protestanten ;  en  de  geloovigen  kwamen  in  alle  stilte  in 
boerenschuren  te  zamen.  Abraham  van  Brienen  bouwde 
in  Langeraar  naast  de  woning  van  Thymen  Corss. 
Volck  eene  pastorie,  die  met  voornoemde  woning  door 
eene  donkere  gang  was  verbonden  en  die  twee  studeer- 
kamers en  vele  andere  kleine  kamertjes  bevatte.  Be- 
neden bevond  zich  eene  ruime  kelderkamer,  waar  men 
de  H.  Mis  kon  hooren.  Hooger  gelegen  was  er  nog  een 
klein  vertrek.  Wij  weten,  dat  de  Katholieken  geene 
kerken  mochten  bezitten  en  daarom  vergaderden  zij  in 
het  huis  van  den  pastoor  en  op  andere  plaatsen  in  het 
dorp.  Feitelijk  was  ook  dit  verboden,  maar  oogluikend 
stonden  de  Baljuws  en  Schouten  veel  toe  wat  eigenlijk 
tegen  de  Plakkaten  der  Staten  was.  Waarschijnlijk 
eveneens  door  Van  Brienen,  was  er  te  Korteraar  een 
schuurhuis    tot    Kerk  ingericht  (patrones  de  H.  Maria). 

De  woning  van  Thymen  Corss.  Volck  en  de  pastorie 
waren  gelegen  op  de  tegenwoordige  kerkwerf  ter  plaatse 


253 

ongeveer,  waar  zich  nu  de  pastorie  en  de  oude  pastorie 
bevinden.  De  Katholieken  bezaten  echter  nóg  eene  ver- 
gaderplaats, zooals  blijkt  uit  eene  oude  beschrijving  der 
kerkgoederen,  ten  gemeentehuize  aanwezig.  Deze  lag 
buiten  de  bedijking  van  den  Wassenaarschen  polder  en 
was  naar  alle  waarschijnlijkheid  het  eerste  huis  van  de 
lange  rei  woningen  aldaar,  op  de  plaats  dus,  waar 
tegenwoordig  een  huis  staat  toebehoorend  aan  de  kerk 
en  gelegen  naast  de  boerenwoning  van  den  Heer  P.  van 
Rijn.  De  pastorie  lag  in  de  bedijking  van  genoemden 
polder.  De  oude  vergaderplaats  bevond  zich  ten  jare 
1720  tusschen  de  woningen  van  Piet  Claasse  en  Roelof 
Cornelisse. 

Er  waren  in  Langeraar  veel  Katholieken  en  mogen 
er  allicht  enkelen  tijdens  de  vervolging  zijn  afgevallen, 
verreweg  het  grootste  deel  was  aan  het  oude  geloof 
getrouw  gebleven.  Het  waren  eenvoudige  en  brave 
lieden,  die  met  den  grootsten  eerbied  bezield  waren 
jegens  de  priesters,  die  zooveel  gevaren  getrotseerd 
hadden  om  hen  bij  te  staan.  In  de  Bat.  Sacr.,  p.  II, 
p.  128,  worden  bijzonderheden  medegedeeld  die  onge- 
loofelij k  zijn.  Langeraar  behoorde  tot  de  parochies, 
waar  volgens  de  Descriptio  Status  bovenvermeld,  een 
vurige  ijver  heerschte  onder  de  geloovigen,  vele  ketters 
bekeerd  werden,  en  men  zoo  veelvuldig  tot  de  H.H. 
Sacramenten  naderde,  dat  de  priesters  van  den  vroegen 
morgen  tot  den  laten  avond  bezig  waren, 

Jac,  de  La  Torre  zegt  dan  ook,  dat  vreemdelingen 
zich  hier  in  de  eerste  dagen  van  het  Christendom 
terugwaanden.  Geen  wonder,  dat  Van  Brienen  en  zijne 
medehelpers  het  zoo  druk  hadden.  Hunne  werkzaamheid 
strekte  zich  uit  over  de  dorpen  Ter  Aer  (Langer-Aer, 
Corter-Aer  en  Kerkbuurt),  Bilderdam,  Vriesecoop  en 
Nieuwveen.  Hier  in  Ter  Aer  waren  meer  dan  300  katho- 


254 

lieke  huisgezinnen,  allen  vurig  gehecht  aan  den  Roomschen 
godsdienst.  Nog  kort  voor  1638  waren  er  1500  katho- 
lieken op  één  dag  door  den  Apost.  Vicaris  gevormd, 
en  het  jaar  te  voren  door  Rmus  D.  Gaspar  Munsterus, 
Episc,  Aereliopolitanus,  wijbisschop  van  Osnabrück,  met 
toestemming  van  den  Vicaris,  een  bijna  even  groot 
aantal  {Descriptio  Status). 

In  1637  vertrok  Van  Brienen  met  Jac.  de  La  Torre, 
aartsbisschop  van  Ephese,  naar  Rome  om  daar  een 
coadjutor  voor  Rovenius  te  vragen.  Hij  maakte  van  die 
gelegenheid  gebruik  om  in  de  Sapientia  het  doctoraat 
in  de  godgeleerdheid  te  verwerven  en  werd  tevens  tot 
Protonotarius  Apost.  benoemd. 

Wachtelaer  was  uit  Utrecht  verbannen,  en  wie  kon  in 
1640,  beter  het  gemis  van  dezen  voortreffelijken  man 
vergoeden,  dan  de  vrome  en  geleerde  Van  Brienen.  Hij 
werd  Assessor  der  Vicarissen  en  later  Provicarius  van 
den  Vicarius  Apostolicus  Joannes  van  Neercassel.  In 
1655  begaf  zich  Van  Brienen  voor  de  tweede  maal 
naar  Rome,  nu  om  daar  voor  Jac.  de  La  Torre  een 
coadjutor  te  vragen.  Hij  zelfwas  onder  de  acht  candidaten 
als  de  voornaamste  aan  Alexander  III  voorgesteld. 
„Abrahamus  Brienen,  Ultrajectensis,  Pastor  in  Civitate 
Ultraj.  S.  T.  Doctor,  rerum  agendarum  industrius, 
excellens  Verbi  Dei  praedicator,  pius  et  doctus,  aetatis 
50  annorum." 

Lange  jaren  is  Van  Brienen  werkzaam  geweest  te 
Utrecht  aan  de  St.  Gertrudiskerk  en  toonde  zich  behalve 
een  apostolisch  werker,  ook  een  uitstekend  predikant. 
Onder  den  schuilnaam  van  Abraham  van  der  Mat  heeft 
hij  verschillende  meditaties  in  het  Nederlandsch  ge- 
schreven, over  den  Advent,  over  het  Lijden  van  Christus, 
over  het  Allerheiligste  Sacrament,  over  Gods  tegenwoor- 
digheid. Van   1670 — 1709  zijn  deze  werkjes  met  prenten 


255 

opgesierd  uitgegeven  te  Leiden,  Utrecht  en  Haarlem  ^). 
(Vgl,  Relatio  seu  descriptie  status  religionis  catholicae 
in  Hollandia  etc,  quam  Romae  collegit  et  exhibuit 
Alexandro  III  et  cardinalibus  Congregationis  de  Prop. 
Fide.  Jacobus  de  La  Torre.  Rel.  Sept.  anno  1656:  Zie 
Archief  voor  de  Gesch.  v.  h.  Aartsbisd.  Utrecht,  D.  X, 
p.    199 — 200  en  D.  XII,  p.  204). 

Cornelius  van  Wijckerslooth  (1640 — 1650). 

Bij  het  vertrek  van  Abraham  van  Brienen  volgde 
zijn  kapelaan  Van  Wijckerslooth  hem  op.  In  het  raad- 
huis van  Ter  Aar  bevindt  zich  een  papier,  waarop  het 
volgende  te  lezen  staat. 

„Op  den  negenden  dag  October  zestien  honderd  een 
en  veertig,  compareerde  voor  Barteolomeus  Corse  van 
Svvanenburg,  gesubstitueert  scoute,  Baene  Crijnens  en 
Mateys  Gijsberts  Medenblic,  scepene  in  den  Ambagte 
van  der  Aer,  Mr.  Cornelis  van  Wijckersloot,  rooms 
priester,  onser  inwoonder,  en  heeft  zich  volgens  't  placcaet 
van  de  Hoogmog.  Heeren  Statengeneraal  der  vereenigde 
Nederlanden  van  den  3oen  Augustus  zestien  honderd 
een  en  veertig  laten  aenteyckenen,  verclaert  geen  Jesuit 
te  wesen,  en  gerne  als  een  vrijer  man  te  willen  ge- 
dragen. Aldus  gedaen  ten  dage  en  jare  als  boven. 

Ter  kennisse  van  mij  selve 
J.  Stouthandel." 

Het  was  onder  dezen  pastoor,  dat  Sebastiaan  Francken, 
ordinaris-raad  van  het  Hof,  een  bezoek  bracht  aan 
Langeraar   om  er  te  onderzoeken  in  hoeverre  de  plak- 


l)   Zie    Catalogus  v.  d.  kandsch.  en  boeken   van  het  bissch.   museum  te 
Haarlem  door  B.  Kruitwagen   O.F.M.  N.  256,   261  —  64,   320—22. 


256 

katen  overtreden  werden.  Hij  onderzocht  eveneens  te 
Korteraar.  Dit  belangrijk  stuk,  dat  zeer  juist  den  toestand 
der  parochie  in  die  dagen  laat  zien,  en  hoe  men  inder- 
daad hier  tamelijk  groote  vrijheid  bezat,  zullen  we  niet 
mededeelen.  Het  is  te  lezen  in  de  Bijdr.  van  het  Bisd. 
Haarlem,  D.  VII,  blz.  340  en  volg.  De  heer  Cornelius 
van  Wijckerslooth  stierf  hier  17  Dec.  1650.  De  Bat. 
Sacr.,  p.  II,  p.  276  begaat  eene  fout  als  zij  zegt, 
dat  Corn.  van  Wijckerslooth  als  pastoor  van  Stompwijk 
overleed.  Die  pastoor  is  een  andere.  Bat.  Sacr.,  p.  II, 
p.  267  zegt  dan  ook  veel  juister  in  tegenspraak  met 
p.   276,  dat  hij  vóór   165 1   overleden  was. 

Hij  had  als  kapelaan  Cornelius  Schaick,  die 
het  ook  kan  geweest  zijn  bij  Abr.  van  Brienen,  maar 
het  is  niet  waarschijnlijk.  Deze  had  immers  reeds  Eelckens 
en  Van  Wijckersloot  als  medehelpers  en  het  is  niet 
aan  te  nemen,  dat  hier  vier  priesters  tegelijk  werkzaam 
waren.  Cornelius  Schaick  was  evenals  zijn  pastoor 
Utrechtenaar  van  geboorte  en  Baccalaureus  in  de  god- 
geleerdheid. Later  is  hij  lange  jaren  pastoor  geweest  in 
Voorschoten,  waar  hij  reeds  in  1652  was  en  29  Oct.  1669 
overleed.  {Bat.  Sacr.,  p.  II,  p.  276  en  281). 

Ook  was  hier  in  bediening  Abraham  Stouthandel, 
omstreeks  1622  te  Korteraar  geboren.  Bat.  Sacr.,  p.  II, 
p.  128  begaat  eene  vergissing,  als  ze  zegt,  dat  Van  Brienen 
aan  hem  en  Eelckens  de  parochie  overliet  bij  zijn  ver- 
trek, want  hij  was  toen  nog  veel  te  jong.  In  1643 
bevond  hij  zich  hier  ook  niet,  want  anders  zou  Dominé 
Vergerus  hem  wel  aan  den  bovengemelden  ordinaris- 
raad  Francken  hebben  opgegeven.  Het  is  ook  uit  het 
geheele  verslag  duidelijk,  dat  hier  te  dien  tijde  slechts 
één  priester  was.  Pastoor  is  hij  hier  evenmin  geweest, 
zooals  uit  de  jaartallen  der  pastoorsopvolgingen  blijkt. 
Dus  medehelper.  Hij  stierf  24  Juli  1652  dertig  jaar  oud. 


257 
Henricus  van  der  Graft  (1651 — 1661). 

Wij  zullen  het  leven  van  dezen  beroemden  en  edelen 
priester,  die  als  Landdeken  van  Rhijnland  op  zijn 
buiten  te  Warmond  ten  jare  1694  stierf,  niet  in  den 
breede  bespreken.  Het  is  overbekend,  (Bat.  Sacr.,  p.  II, 
p.  266 — 269  en  p.  276.  Arch.  v.  d.  Gesch.  v.  h. 
Aartsb.  Utrecht,  D.  X,  blz.  199 — 200.  Rhijnl.  Oudheden, 
p.  323 — 324  en  262.  Jaarboekje  voor  Katholyken, 
1847).  Deze  leidde  in  Langeraar  een  streng  en  ver- 
storven leven,  dronk  geen  wijn  en  at  geen  vleesch. 
Beproevingen  werden  hem  allerminst  bespaard.  Hij 
werd  onderweg  bespot,  gedreigd  en  zelfs  mishandeld. 
Men  trachtte  hem  in  het  water  te  doen  vallen,  door  de 
balken  onder  de  brug  weg  te  trekken.  Maar  hij  schonk 
vergiffenis  aan  de  schuldigen,  toen  deze  ontdekt  werden ; 
en  bij  het  uitbreken  eener  besmettelijke  ziekte  beloofde 
hij  alle  hulp,  zoodat  ten  slotte  ieder  vol  bewondering 
was  voor  den  braven  man.  Wat  de  gave  van  voorspellen 
betrof,  die  hij  zou  bezeten  hebben,  hiervan  zegt  de 
B.  S.,  (p.  II,  p.  267)  „Ex  pio  illo  animi  afïectu  aliis 
etiam  coelestibus  donis  ac  beneficiis  servum  afflictum 
gravatumque  Deus  demulcet.  Non  semel,  ut  litteris 
Ultrajecto  26  Junii  anno  1694  datis,  testatum  fecit, 
laborum  ejus  aliquando  particeps  Ampliss.  Cornelis 
Stakenburgius,  se  pro  altari,  peracto  Missae  sacrifïcio, 
vertit  ad  populum,  ejusque  orationem  imploravit,  pro 
hac  illave  anima  cujus  decessus  adhuc  notus  non  erat, 
nee  pro  tempore  ac  loei  distantia  poterat  esse  cognitus ; 
sigillatim  notat  id  14  Octob.  anni  1658  circa  feminam 
quandam  Claram  Jans  accidisse. 

Een  en  ander  over  onderzoek  naar  Roomschen  en 
vergaderingen,  is  te  lezen  in  Bijdr.,  D.  IX,  blz.  i  — 17. 
Uit    Knuttel    (De   toestand  der  Nederl.  Kath.  ten  tijde 


258 

der  Republiek,  D,  I,  Bijlage  A)  blijkt,  dat  ook  over 
Langeraar  de  woede  der  predikanten  losbarstte,  wijl 
aldaar  in  „Ter  Aer"  nog  een  Katholiek  in  ambtelijke 
betrekking  was  n.1.  „Den  secretaris,  Een  welboren 
man"  (ten  jare    1658). 

De  kapelaan  van  Henricus  van  der  Graft  was  An- 
tonius  van  Sonsbeek,  en  wel  tot  1656.  Toen 
pastoor  Joannes  van  den  Ingen  ten  jare  1657  in  Noorden 
stierf,  volgde  Antonius  Sonsbeek  hem  op.  Hij  beleefde 
weinig  genoegen  van  dit  pastoraat.  „A  malevolis  rusticis 
coactus"  verliet  hij  in  1659  de  parochie  en  stierf  1 1  Jan. 
1660  te  Utrecht.  Hij  was  in  diezelfde  stad  geboren  en 
Doctor  in  de  Godgeleerdheid.  (Bat.  Sacr.,  p.  II,  p.  276 
en  277.  Rhijnl.  Oudh.  blz.   331 — 332). 

Vervolgens  was  kapelaan  Cornelis  Stakenborgh, 
geboren  in  het  dorpje  't  Wael  bij  Utrecht.  Nadat  hij 
te  Leuven  de  philosophie  en  theologie  had  gestudeerd 
en  Baccalaureus  was  geworden,  keerde  hij  naar  Holland 
terug  en  werd  in  1657  of  1658  kapelaan  bij  V.  d.  Graft. 
Na  diens  vertrek  schijnt  hij  hier  nog  korten  tijd  pastoor 
te  zijn  geweest.  Toen  Volkerus  van  Herkinge  gestorven 
was,  volgde  hij  dezen  op  in  het  pastoraat  van  Zwolle 
Dec.  1662,  en  bleef  er  tot  Dec.  1664.  i  Jan.  1665  kwam 
hij  als  pastoor  aan  de  Buurkerk  te  Utrecht.  In  1673 
reisde  hij  met  Joannes  van  Neercassel  naar  Parijs  en 
behaalde  daar  het  Licentiaat  in  de  beide  rechten.  Met 
twee  anderen  werd  hij  ten  jare  1704  door  het  Vicariaat 
aan  den  Paus  als  Vicarius  Apostolicus  voorgedragen. 
Zelf  was  hij  lid  van  het  Vicariaat.  Hij  stierf  13  Nov. 
1720  in  den  ouderdom  van  bijna  negentig  jaar  (Bijdr., 
D.  VII,  blz.  330 — 332.  B.  Sacr.,  p.  II,  p.  277  en  p.  121, 
Hist.  ofte  Beschrijv.  van  het  Utr.  Bisd.  I,  blz.  297.  De 
Godsdienstvriend,  D.   38,  p.   298). 

Stakenborgh    is    een    heftige    Jansenist    geweest.    Op 


259 

hem  hebben  de  volgende  regels  betrekking  uit  de  anti- 
Jansenistische  liedjes,  die  zijn  opgenomen  in  de  Studiën, 
D.  X,  blz.  41   en  blz,  45  : 

Heer  Staakenburg  werd  secretaris 

Derwijl  secreet  houdt  't  geen  dat  waar  is. 
en : 

Staeckenburgh,  van  haer  niet  verbastert, 

Wijl  hij  den  Paus  en  Bullen  lastert. 

Gijsbertus  de  Reeder  (1662—1699). 

Deze  was  de  opvolger  van  Hcnricus  v.  d.  Graft  of 
misschien  van  Stakenborgh.  Het  oudste  doopboek 
begint  tijdens  zijn  pastoraat.  Over  de  „de  Reeders"  is 
heel  wat  moeilijkheid  ontstaan.  De  Bat.  Sacra  geeft  er 
twee  van  dien  naam  op ;  de  grafsteen  in  de  Kerkbuurt 
eveneens  twee,  maar  met  eenig  verschil  in  den  naam. 
President  van  Kints,  een  Langeraarder,  trachtte  te 
vergeefs  in  een  brief,  nog  aanwezig,  de  moeielijkheid 
op  te  lossen.  En  toch  blijkt  bij  slot  van  rekening  de 
verklaring  zeer  eenvoudig  en  waren  alle  namen  juist,  wijl 
er  niet  twee,  naar  vier  „de  Reeders"  in  Langeraar  zijn 
geweest.  Volgens  Theod.  de  Cock  {in  De  Petro  Coddaeo . . . 
1.  II,  C.  VI,  §  6,  p.  46)  en  het  oude  doopboek,  was 
Gijsbertus  hier  40  jaren  werkzaam.  Dan  zou  hij  kapelaan 
zijn  geweest  bij  V.  d.  Graft,  wat  zeer  goed  mogelijk  is. 
Uit  een  brief  tijdens  het  pastoorschap  van  Rudolphus 
van  Beest  27  Maart  1708  uitgegeven,  blijkt,  dat  Heer 
Gijsbertus  de  Reeder  een  zeer  milddadig  man  was.  In 
dezen  brief  lezen  wij :  „want  het  is  maar  ruym  veertig 
jaer  geleden  /  doen  leerde  men  hier  maer  in  Timmer- 
huysen  en  Hooghuysen  /  gelijck  onse  Kerchuysen  oock 
hebben  geweest  /  ende  dat  dese  Huysen  /  en  oock  het 
Kerchsieraet  van  jaer  tot  jaer  van  mijn  Heer  de  Reeder 
tot  sijn  doodt  toe  zijn  verbeterdt de  Pastoor  was 


26o 


altijd  te  wel  vreden  /  en  met  de  gifte  van  de  Gemeente 
wel  vergenoegt  /  en  daer  door  was  hij  van  de  Gemeente 
seer  bemint"  Gijsbertus  de  Reeder  bouwde  waarschijnlijk 
ook  nog  eene  nieuwe  pastorie,  want  in  dienzelfden  brief 
schrijft  men  aan  pastoor  Van  Beest,  dat  men  heeft 
„nog  dat  Huys  getimmert,  daer  gij  tegenwoordig  in 
woont,  het  weick  hem  al  vrij  wat  over  de  duysent  guldens 
gekost  heeft."  Uit  heel  dit  schrijven  —  overigens  door 
vijanden  van  pastoor  Van  Beest  opgesteld  —  blijkt, 
dat  pastoor  de  Reeder  een  zeer  goedig  man  was,  die 
veel  deed  voor  zijne  parochie  en  in  hoog  aanzien  stond. 
Hij  was  een  Utrechtenaar  van  geboorte  en  had  te 
Leuven  de  Theologie  gestudeerd.  Den  gen  Februari  1699 
overleed  hij  plotseling.  Tijdens  zijn  pastoraat  werd  ten 
jare  1666  van  de  Wassenaarsche  plas,  achter  de  pastorie- 
werf  gelegen,  een  polder  gemaakt. 

Zijn  eerste  kapelaan,  voor  zoover  bekend,  was 
Joannes  de  Reeder.  Deze  was  te  Utrecht  omstreeks 
1664  geboren,  zoon  van  Floris  en  Gertrudis  .  .  .  (.'').  Van 
23  Nov.  1680  tot  12  Sept.  1688  was  hij  student  in 
het  college  der  Propaganda  te  Rome.  Hij  werd  daar 
priester  gewijd  en  behaalde  er  het  doctoraat  in  de 
Godgeleerdheid.  12  Sept.  1688  keerde  hij  naar  Holland 
terug  en  werd  kapelaan  bij  zijn  oom  Gijsbertus.  Hij  is 
ook  nog  dienst  doende  geweest  te  Rotterdam  in  den 
Oppert  bij  pastoor  van  Meppelen  en  begaf  zich  in  1693 
als  pastoor  naar  Montfoort,  waar  hij  28  Dec.  17 17  stierf. 

Zijn  opvolger  was  Antonius  Sonsbeek.  Deze 
was  te  Utrecht  in  1658  geboren  en  had  te  Leuven  de 
theologie  gestudeerd.  Na  eene  korte  poos  kapelaan  te 
zijn  geweest  in  Langeraar,  vertrok  hij  in  1692  als 
pastoor  naar  het  naburige  Hoogmade,  waar  hij  Cornelis 
Hartman  opvolgde.  Hij  bleef  daar  eenige  jaren,  maar 
moest    die    parochie    ten    jare     1704    verlaten    „midden 


26 1 


in  de  somer,  dewijl  hij  een  jansenist  was,  waarom  hem 
de  gemeynte  niet  langer  wilde  hooren"  ^).  Bijdr.,  D.  VII, 
blz.  238.  Van  daar  ging  hij  naar  Polsbroek.  Bijdr.,  D.  I, 
blz.  206,  komt  hij  voor  op  de  lijst  der  Refractarii 
„Antonius  Sonsbeek,  natif  d'Utrecht,  pasteur  in  Pols- 
broeck,  agé  58"  eveneens  op  eene  lijst  van  172 1.  Bat. 
Sacr.,  p.  II,  p.  275  en  p.  192.  Hist.  ofte  Beschr.  v. 
't  Utr.    Bisd.,    D.  II,  blz.  498.  Rhijnl.  Oudh.,  blz.   317. 

Na  hem  kwam  Theodorus  Bonifacius  de 
Reeder.  Deze  was  eveneens  in  Utrecht  geboren.  Hij 
was  student  geweest  te  Leuven  en  had  zich  9  Nov.  1685 
op  i8-jarigen  leeftijd  in  het  college  der  Propaganda  te 
Rome  laten  opnemen.  Hij  werd  te  Rome  priester  gewijd 
en  verkreeg  het  Doctoraat  in  de  Theologie.  11  Sept.  1691 
keerde  hij  naar  Holland  terug  om  vervolgens  bij  zijn 
oom  Gijsbertur  kapelaan  te  worden.  Dit  zal  geweest 
zijn  omtrent  1692,  toen  v.  Sonsbeek  naar  Hoogmade 
ging.  Theodorus  de  Reeder  stierf  21  Aug.  1695  te 
Langeraar  en  werd  in  de  Kruiskerk  van  de  Kerkbuurt 
begraven,  waar  ook  Abraham  Stouthandel  begraven 
lag  en  zijn  oom  Gijsbertus  zou  bijgezet  worden. 

Ook  is  hier  kapelaan  geweest  Nicolaas  de  Reeder. 
Deze  was  een  Gorcummer  van  geboorte  en  de  zoon 
van  een  broeder  van  Gijsbertus.  Nicolaas  had  te  Leuven 
de  theologie  gestudeerd  en  stond  zijn  oom  in  diens 
laatste  levensjaren  ter  zijde.  Toen  Gijsbertus  in  1699 
stierf,  hadden  de  Langeraarders  gaarne  Nicolaas  tot 
pastoor     gehad.     Codde    echter    gaf    hun    Sluyter    van 


l)  In  een  handschrift  van  Pastoor  IJurgmeijer,  waarin  hij  over  sommige 
refractarii  spreekt,  schrijft  hij,  waarschijnlijk  aanhalend  uit  een  of 
andere  relatio:  » Antonius  van  Sonsbeeck  Ultrajectinus  quinquagenarius. 
Studuit  Lovanii.  Vir  commodus.  Habet  communitatem  e.xiguam,  quani 
desereret,  nisi  amoena  domus,  quam  fere  solitarius  inhabitac,  impediret. 
Minoris   momenti  vir."   Is  dat  deze   Sonsbeek? 


102 


Rotterdam.  Nicolaas  werd,  na  eerst  nog  in  Rotterdam 
te  zijn  geweest  (Bat.  Sacr.,  blz.  283  en  277)  in  1706 
pastoor  te  Voorburg.  Na  aanvankelijk  met  de  Janse- 
nisten te  zijn  meegegaan,  kwam  hij  tot  inkeer  en  werd 
een  vurig  bestrijder  van  deze  dwaling.  Hij  stierf  te 
Oestgeest  4  Oct.  1727.  (Zie  over  dezen  pastoor  Bijdr., 
D.  V,  blz.  137  en  219.  „Het  Apostolisch  Vicarisschap 
van  Joannes  van  Bijlevelt  door  J.  F.  Vregt"  is  van 
groote  waarde,  om  den  toestand  van  Rhijnland  o.a.  te 
kennen).  Over  de  „de  Reeder's"  kan  men  lezen  „Pater 
van  Lommei :  De  Noord  Nederl.  leerlingen  van  het 
Urbaansch  college  te  Rome  geschiedk.  herdacht".  Ook 
stierf  hier  ten  huize  van  zijn  broeder  Gijsbertus  de 
Reeder,  Wilhelmus  de  Reeder  in  leven  pastoor  te 
Schoonhoven,  Gorcummer  van  geboorte  (Bijdr.  v.  het 
Bisd.  Haarlem.,  D.  VIII,  blz.  74). 

Gerardus  Sluyter  (1699). 

In  de  Bijdragen  van  Haarlem,  D.  2>3,  afl.  II  hebben 
we  reeds  zijne  geschiedenis  verhaald.  Hij  was  een  aan- 
hanger van  het  Jansenisme  en  door  Codde  den  Langer- 
aarders  opgedrongen.  Deze  verjoegen  hem  met  behulp 
van  den  baljuw,  ten  gevolge  waarvan  de  Langeraarders 
door  een  interdict  getrofifen  werden.  De  parochianen 
echter  hielden  twee  jaar  lang  vol,  tot  eindelijk  Rudolphus 
van  Beest  hun  als  pastoor  werd  gegeven.  Zie  verder : 
Arch.  V.  Utrecht,  D.  IX,  blz.  27,  blz.  274.  Batav.  Sacr., 
p.  II,  p.  277,  391.  Theod.  de  Cock,  de  Petro  Coddaeo, 
1.  II,  C.  VI,  §  6,  p.  46.  In  de  hier  boven  reeds  mede- 
gedeelde anti-Jansenistenversjes  komt  hij   aldus  voor: 

„Sluyter,  die  sluyt  de  gansche  Statie 
„Want  is  een  lid  met  approbatie." 


203 

Pastoor  Burgmeijer  verwijst  in  een  handschrift  naar 
de  Resolutien  der  Staten  van  Holland  dato  ii,  20  en 
21  Maart  en  17  April  1699,  in  de  meening  dat  deze 
op  bovengenoemde  uitdrijving  van  Sluyter  betrekking 
hebben.  Het  bleek  mij  echter,  dat  deze  resolutien  be- 
trekking hebben  op  een  geschil  over  den  schout  Francois 
van  Blijdenstein.  Behalve  twee  resolutien,  die  handelen 
over  de  voorvallen,  waarvan  in  de  Bijdr.  D.  35,  blz. 
112 — 114  sprake  is,  bevat  het  register,  voor  zoover 
ik  kon  nagaan,  geene  enkele  andere  resolutie  over  de 
kerkelijke  Geschiedenis  van  Langeraar. 

Rudolphus  van  Beest  (1700—1715). 

Volgens  hun  verlangen  kregen  dan  de  Langeraarders 
Rudolphus  van  Beest  als  pastoor.  Hij  was  in  Utrecht 
omtrent  1670  geboren  en  een  vriend  van  den  ouden, 
beminden  pastoor  de  Reeder  geweest.  In  Rome  had 
hij  theologie  gestudeerd  en  den  doctorstitel  gehaald. 
9  November  1685  daar  gekomen,  keerde  hij  17  October 
1691  terug.  Hij  was  eene  korte  poos  kapelaan  bij 
Theodorus  de  Cock  in  Leiden,  waar  hij  o.a.  voorkomt 
als  ingeschreven,  Juni  1692  in  het  Broederschap  van  de 
H.  Drievuldigheid.  Vandaar  werd  hij  in  1693  pastoor 
te  Wateringen.  De  Westlandsche  Aartspriester  J.  Roos 
bracht  hem  naar  zijne  pastorie  en  stelde  hem  voor  aan 
de  Wateringers,  die  vol  achterdocht  waren  ten  opzichte 
van  het  Jansenisme.  „Heb  geen  vrees",  zeide  de  Aarts- 
priester veelbeteekenend,  „dien  ik  breng,  is  student  van 
Urbanus."  Hij  was  dan  ook  met  hart  en  zin  rechtzinnig, 
zoodat  hij  den  Wateringers  aangenaam  werd,  de  Langer- 
aarders hem,  te  zijnen  tijde,  gaarne  als  opvolger  van 
Gijsbertus  de  Reeder  begeerden. 

8  December  1701  begon  zijn  pastoraat  en  dan  vangt 
ook   aan  het  tweede  doopboek,  dat  nog  in  de  pastorie 


264 

aanwezig  is.  Over  hem  schrijft  Theod.  de  Cock  in  zijn 
Apologie  van  1702,  nadat  hij  vermeld  heeft,  dat  de 
provicarii  in  zake  Sluyter  moesten  toegeven :  „de 
Jansenisten  dwarsboomen  hem  tot  nu  toe  voortdurend." 
Mogelijk  en  zeer  waarschijnlijk  komt  dan  ook  van  die 
zijde  een  Open  brief,  welke  17  Maart  1708  geschreven, 
den  isten  Februari  1709  met  een  bijvoegsel  vermeerderd, 
tegen  den  pastoor  te  Langeraar  in  druk  werd  verspreid. 
Zeer  merkwaardige  dingen  kunnen  wij  daaruit  leeren 
wat  betreft  den  toestand  in  Langeraar.  Vooreerst  blijkt, 
dat  in  den  troebelen  tijd  van  1699 — 1701  ^)  zeer  veel 
geld  was  zoek  geraakt  en  het  schijnt  dat  pastoor  van 
Beest  zich  daar  bitter  over  beklaagde ;  en  mogelijk  (i*) 
staat  er  mede  in  verband  de  legende,  die  nog  in 
Langeraar  voortleeft,  dat  eene  familie  in  oude  tijden  rijk 
was  geworden  door  het  koopen  van  kerkegoederen,  en 
later  tot  diepe  armoede  kwam.  Dan  verwijt  de  brief 
den  pastoor,  dat  hij  zegt  niet  te  kunnen  leven  van  de 
opbrengst  der  parochie  „daar  zijnder  veele  in  dese  Ge- 
meente die  geloven  /,  dat  gij  jaerlijcks  wel  omtrent  duysent 
guldens  aan  verval,  soo  van  Dooden  die  sterven  /  of  van 
jaergetijden  /  ofte  van  Missen  te  leesen  /  of  Siecken  te 
besoecken  /  of  Kinder  doopen  /  of  Kraemvrouwen  /  of 
van  trouwen  /  of  op  hooghtijden  /  ende  van  de  Menschen 
die  hare  devotie  houden  /  ofte  van  de  Geestelijcke  !  ofte 
iets  anders  wel  gegeven  werdt  /  dogh  laet  het  maer 
acht  hondert  wesen  /  soo  trect  gij  evenwel  jaerlijcks 
achtien  hondert  guldens  aen  contant  geldt  /". 

Dan  valt  de  brief  de  kerkmeesters  aan.  Men  merkt 
nu  dat  de  pastoor  om  de  gemeente  genoegen  te  doen, 
vier  mannen  had  aangesteld  die  dan  in  1707  de  reke- 
ning   en    verantwoording    moesten    nazien.    Deze  waren 


i)  Zie  Bi/Wr.  v.  H.   Deel   XXXIIT,   blz.   324—340. 


205 

tegen  den  pastoor  geweest  en  hadden  niet  willen  onder- 
teekenen, zoodat  de  pastoor  verder  met  zijn  eigen 
kerkmeesters  de  zaken  behandelde.  Maar  de  eene  kerk- 
meester was  volgens  den  brief  dronken  geweest,  „die  soo 
meenigmael  sijn  selven  in  den  Drank  misgrijpt  /  ja  soo 
ver  dat  sijn  Broeder  en  hij  malkander  seer  onbehoor- 
lijcke  dingen  verwijten  /  hetwelck  aen  de  Gemeente 
wel  bekent  is,  /  van  de  man  te  Korteraer  en  spreeck 
ick  niet  /  maer  ick  geloof  dat  gij  hem  soo  hoogh  stelt 
in  de  Regeeringh  als  een  ootjen  in  het  cijfïfer,  het  welck 
nul  is."  Nu  wil  de  schrijver  van  den  brief  dat  ieder 
jaar  een  andere  kerkmeester  zal  worden  aangesteld,  en 
dat  de  pastoor  met  minder  traktement  zal  tevreden 
zijn,  zoo  niet,  dreigt  de  brief,  zullen  andere  maatregelen 
worden  genomen.  In  1709  werd  de  briefin  druk  uitgegeven 
omdat  de  schrijver  vond,  dat  de  toestand  dezelfde  bleef. 
De  pastoor  wilde  land  doen  verveenen,  de  schrijver  is  er 
tegen.  Pastoor  van  Beest  en  met  hem  de  parochianen 
wilden,  naar  het  scheen,  eene  nieuwe  kerk  bouwen,  maar 
de  briefschrijver  waarschuwt  hem,  geen  landen  te  ver- 
veenen, en  voor  zich  zelven  minder  inkomen  te  vragen. 
Hij  zou  in  dat  geval  van  den  ambachtsheer  het  noodige 
verlof  kunnen  bekomen,  wijl  er  dan  geld  genoeg  zou 
zijn.  De  schrijver  is  fel  tegen  pastoor  van  Beest,  „en  wij 
hebben  nu  maer  een  Priester,  en  wij  hebben  nu  noch 
de  gewoonte  om  kaerssegelt  te  sineren  /  gelijck  men 
mergen  sal  sien  datter  veel  zijn  die  een  kaers  betalen  / 
en  oock  als  de  kinderen  tot  de  eerste  communie  gaen  / 
hetwelck   hier  voor  desen  geen  gebruyck  is  geweest  /." 

„En  alles  buyten  datter  doen  noch  veel  overschoot  /  en 
nu  jaerlijcks  soo  veel  te  kort  komt  /  dat  konnen  wij 
niet  begrijpen  ofte  verstaen  /  of  daer  moet  yets  after- 
schuylen  /  doch   hier  willen  niet  vorder  van  spreecken." 

De  arme  pastoor  Van  Beest   wandelde  niet  op  rozen. 


266 


In  eene  parochie  gekomen,  die  na  twee  jaren  regeerings- 
loosheid,  letterlijk  was  uitgeplunderd,  waar  jaarlijks 
volgens  den  brief  zelf,  aan  „den  Officier  /  of  aen  kaerssen  / 
of  aen  het  onderhoudt  van  de  kerckhuysen  of  kerck- 
padt  /  of  tot  het  verciersel  van  den  autaer  /  ofte  aen 
iets  anders  /  al  vrij  over  de  twee  duysent  guldens  van 
uwe  onderdanen  moet  werden  opgebraght",  bevond  hij 
zich  in  de  onmogelijkheid,  al  die  gelden  bijeen  te 
krijgen.  De  brief  eindigde  met  de  bedreiging,  den 
ambachtsheer  hulp  te  zullen  vragen,  opdat  deze  het 
uitveenen  der  landen  zou  beletten.  In  het  kort  wij 
lezen  in  den  brief,  dat  eene  partij  in  de  parochie  lang- 
zamerhand den  pastoor  het  bestuur  der  kerkgoederen 
tracht  te  onttrekken.  In  de  „Bijdragen"  D.  33  bl.  324 — 40 
hebben  wij  reeds  vroeger  beschreven,  hoe  ze  eindelijk 
den  opvolger  van  den  ijverigen  pastoor  Van  Beest, 
pastoor  Enners,  dit  bestuur  hebben  ontnomen  en  hoe  het 
recht  van  aanstelling  der  kerkmeesters  aan  den  ambachts- 
heer werd  opgedragen ;  zoover  kwam  het,  dat  pastoor 
Ermers  en  zijn  kapelaan  de  parochie  moesten  verlaten. 

Pastoor  Van  Beest  had  eene  uitgebreide  bibliotheek. 
Hij  was  een  felle  tegenstander  der  Jansenisten  en  teekende 
met  22  andere  priesters  een  libellus  supplex  tegen  Codde. 
Zijn  naam  mist  men  dan  ook  in  de  lijst  dergenen,  die 
het  verzoekschrift  ten  gunste  van  Codde  onderteekenden. 

Pastoor  Van  Beest  werd  evenals  zijn  opvolger  het 
slachtoffer  van  de  troebelen  tijdens  het  interdict.  Zijn 
naam,  mag  met  eere  genoemd  worden,  zooals  blijkt  uit 
de  geschiedenis ;  hij  werkte  en  zwoegde  onder  alle 
mogelijke  tegenwerking  ook  van  misleide  parochianen, 
die    den    toestand    niet    begrepen.    Hij    stierf  in    1715  i). 


i)  Arch.  V.  d.  Gesch.  v.  het  aartsbisd.  Utr.  D.  II,  p.  145.  D.  IX,  p.  259^ 
Bijdr.   D.   VII,   bl/,.  242.  D.  VI,  blz.  276.  Bat.  .Sacr.  p.  II,  blz.  246  en  277. 


267 

Overigens  schijnt  de  toestand  der  Langeraarsche 
Katholieken,  omstreeks  dezen  tijd  vrij  gunstig  en  onaf- 
hankeHjk  te  zijn  geweest.  In  October  17 13  legden  de 
gedeputeerden  van  de  Zuid-Holl.  Synode  aan  de  Staten 
van  Holland  eene  lijst  voor  om  bij  rekest  te  verzoeken 
protestantsche  ambtenaren  aan  te  stellen  in  ambten,  die 
katholieke  ambtenaren  bekleedden.  Uit  dit  stuk  blijkt 
dat  Langeraar  als  katholieke  ambtenaren  bezat :  een 
burgemeester,  4  schepenen,  2  armmeesters,  2  wees- 
meesters. Aldus  bij  Knuttel:  De  toestand  der  Nederl. 
Katholieken  ten  tijde  der  Republiek  II  d.  blz.  6S.  In 
1724  was,  naar  het  schijnt  deze  vermetele  paapsche 
stoutigheid  verdwenen,  want  bij  een  ander  rekest  van 
dat  jaar,  blijft  Ter  Aar  ongemoeid. 

Pastoor  Van  Beest's  eerste  kapelaan  was  J  o  a  n  n  e  s 
Veenroy.  Deze  was  van  Amsterdam  geboortig,  be- 
zocht daar  gedurende  eenigen  tijd  de  Latijnsche  school  tot 
hij  22  Juli  1695  in  het  college  der  Propaganda  te  Rome 
werd  opgenomen.  Hij  behaalde  er  den  doctorstitel  in 
de  godgeleerdheid  en  keerde  i  Sept.  1703  naar  Holland 
terug.  17  Nov.  1703  werd  hij  door  Theod.  de  Cock 
benoemd  tot  kapelaan  van  Langeraar.  Den  27en  Mei 
1704  werd  hij  met  11  andere  seculieren  en  4  regulieren 
naar  den  Haag  ontboden.  Deze  waren  na  Codde's  sus- 
pensie in  de  Missie  gekomen.  Op  aanstoken  der  Janse- 
nisten vaardigden  de  Staten  van  Hollanden  Wes-Friesland 
de  resolutie  uit  van  17  Juli  1704,  dat  zij  de  bediening 
niet  meer  mochten  uitoefenen.  Zoo  moest  dan  Veenroy 
Langeraar  verlaten;  1707  werd  hij  pastoor  te  Obdam, 
waar  hij  16  Dec.  17 14  overleed.  Bat.  Sacr.  p.  II,  p.  442. 
V.  Lommei,  vS.  y.  o.  c.  Arch.  v.  d.  Gesch.  v.  h.  Aarts- 
bisd.  Utr.  D.  I,  p.  411. 

Daarna  heeft  van  Beest  als  kapelaan  gehad  Gerardus 
de    Bruyn    van    Barend  recht,    over  wien  reeds  in 


268 


Bijdr.    D.    35    afl.   2  gesproken  is.  Deze  werd  begraven 
in  de  Kruiskerk  aan  de  Kerkbuurt. 

Sinds  II  Febr.  17 15  tot  20  Oct.  17 15  staat  er  geen 
huwelijk  meer  geboekt,  20  Oct.  werd  Itrmcrs  hier  pastoor. 

Joannes  Ermers  (1715 — 1717). 
Over  dit  tijdvak  hebben  wij  in  den  breede  gesproken 
in  de  Bijdragen  v.  h.  Bisd.  Haarl.  D.  33,  blz.  324 — 40. 
Wij    laten    hier   slechts  volgen  de  lijst  der  goederen  en 
kapitalen,  die  de  kerk  in   17 16  bezat. 

Uit  den  »Staat  van  de  vaste  goederen  van  de  Roomse  Gemeente 
Ter  Aar  gelijk  dezelve  in  de  Ambagts  quóhieren  bekent  staan 
en  bij  haar  a"  17 16  bezeten  zijn  geformeert  met  Corn.  Groenevelt 
den  27n  Dec.  1722  bij  J.  Brughart  secrets."  blijkt  dat  de  kerk  bezat : 

Eerst  twee  mergen  Hooy  of  Weyland  gelegen  in  de  Noordeyndse 
polder  in  het  loe  weer. 

Nog  1 :  200  roede  Hooy  of  Weyland  gelegen  in  de  Voorsz. 
Polder  in  het   15e  weer. 

Nog  3:  i37'/2  Roe  water  en  ackers  gelegen  in  de  voorsz.  Polder 
in  het  25e  weer. 

Nog  een  Erve  sonder  Huys  aan  den  Dijk  gelegen  in  de  voorsz. 
Polder  in  het  27e  weer.  Dit  behoort  tot  de  Pastorie  . . .  Memorie. 

Nog  I  M.  Hooy  of  Weyland  gelegen  in  de  voorsz.  Polder  in 
het  28e  weer. 

Nog  300  roe  water  en  ackers  gelegen  in  de  voorsz.  Polder  in 
het  35e  weer.  Corn.  Groenevelt  segt  dat  dit  Perceel  bij  de  Pastorye 
niet  verhuurt  werd  maar  werd  bewoont  bij  een  arme  vrouw  ge- 
naamt  Swarte  Pietje  dog  de  kerk  betaalt  de  Lasten  . . ,  Memorie. 

Nog  I  M.  Hooy  ofte  Weyland  gelegen  in  de  voorsz.  Polder  in 
het  40e  weer. 

Nog  I  :  250  Roe  Hooy  ofte  Weyland  gelegen  in  de  voorsz. 
Polder  in  het  40e  weer. 

Nog  2:  500  Roe  Hooy  ofte  Weyland  gelegen  in  de  voorsz. 
Polder  in  het  42e  weer. 

Nog  de  Pastorye  als  Boomgaart  en  Tuynen  gelegen  in  de  be- 
dijkinge  van  de  Wassenaarse  polder  groot  omtrent  3  M.  306  Roe 
werd  gebruykt  bij  den  Pastoor  van  de  Roomse  gemeente . . .  Memorie. 

Nog  7  M.  300  Roe  Hooy  en  Weyland  gelegen  in  de  voorsz. 
Wassenaarse  Polder. 

Nog  400  Roe  Hooy  of  Weyland  gelegen  in  de  Bloklantse  polder 
in  het  39e  Weer. 


269 

Nog  de  kerkwerf  Bloklantse  Polder  40e  weer . . .  Memorie. 

Nog  Een  Huys  en  Erve  met  2:  100  Roe  Hooy  of  Weyland 
gelegen  in  de  voorsz.  Polder  in  het  44e  weer. 

Nog  237V2  Roede  —  Houtland  —  gelegen  in  de  Lange  Schilker- 
polder  in  het  23e  weer. 

Nog  een  Huis  en  Erve  verongeld  voor  562V2  Roe  gelegen 
b'Oostendijks  van  de  Corteraarse  Polder  in  het  21e  weer. 

Een  Huys  en  Erve  staande  voor  aan  de  Pastorie  de  groote  is 
begreepen  onder  de  plaats  van  den  pastoor. 

Nog  een  dito  Huys  en  Erve  staande  en  begreepen  in  de  groote 
als  boven. 

Nog  een  Huys  en  Erve  sijnde  het  oude  Vergaderplaats  gelegen 
buyten  de  bedijkinge  van  den  Wassen.  Polder,  heeft  vrijdom 
met  de  voorsz.  Polder,  legt  in  't  molengelt,  tot  183  roe  verhuurt 
anno  1721  aan  Aaltje  Jans  verschenen  May  1721  —  is  bevorens 
bij  de  pastorie  selfs  gebruykt  geweest. 

Nog  een  Huys  en  Erve  legt  in  de  droogmakerije  vrij  van  alles 
omdat  begreepen  is  onder  11  M.:  6  roe  a  1720  gekogt  van 
Symen  Hendrikse. 

Staat  van  Capitalen  van  de  Roomse  gemeente  ter  Aer  gelijk 
dezelve  bekent  staan  op  den  inventaris  die  19  October  17 16  door 
Schout  en  Ambagtsbewaarders  daarvan  voor  Schepenen  gemaakt  is. 

Een  obligatie  van  hondert  gl.  Cap"  ten  name  van  de  Heer  Corn. 
de  Reeder  tot  lasten  van  Hendrik  van  Blijdestijn  tegens  vier  ten 
hondert  in  dato  den  i  Jan.  1669 100. 

{in  margine :  N.  B.  de  obligatie  staat  tot  lasten  van  Francois 
van  Blijdestijn,  Bailluw  van  Voshol  —  is  insolvent  overleden  en 
niets  van  te  bekomen). 

Een  obligatie  van  vijftig  gl.  Capt'  ten  name  van  de  Heer  Corn. 
de  Reeder  tot  lasten  van  Hendrik  Pieterse  tegen  4  percento  in 
dato  den  2  Aug.  1694. 

{in  margine:  is  afgelast  den  26  Mt.  17 19). 

Een  obligatie  van  436 :  5  —  Captl  op  een  open  naam  tot  lasten 
van  Simon  Hendrikse  tegen  4  ten  hondert  —  onder  borgtocht 
van  Pieter  Hendriks  en  Mergie  Jaspers  Wede  Hendrik  Cres  jn 
dato  den  19  Januarij   1710 436:5» 

{in  margine:  is  afgelost  26  Maart  17 19  hiervoor  gekogt  een 
huys  en  Erve  in  de  Wassenaars  polder). 

Een    rente    of   hypoteekbrief   van    650    gl.    Captl   ten    behoeve 

van tot  lasten  van  Jan  Corn.  Heen  onder  speciale  hypotheec 

met  de  papieren  daartoe  specterende  in  dato  den  i  Dec.  1655     650. 

{in  margine:  volgens  acte  gepasst.  voor  Schout  en  Schepenen 
van  Alkemade  den  28  Oct.  1668  hebben  de  heeren  Tymanus  Sprong 


270 

en  Johan  Gaal  houders  van  de  voorsz.  renten  kwijtgescholden 
190  gld.  met  alle  de  verlopen  interess.  tot  alderh.  1668  toe,  waar- 
voor het  huys  en  erve  daar  deze  somm  op  gehypothequeerd 
was  a"  1721  aan  Jacob  de  Vries  verkogt,  is  aangekomen). 

Een  obligatie  van  160  gld.  Cap'  ten  behoeve  van  den  Heer  Gijsbert 
de  Reeder  tot  lasten  van  Jan  Jansz.  Nieuwenhuysen  tegen  4  ten 
hondert  onder  borgtogt  van  Jan  Jochems  te  Amsterdam  in  dato 
den  II  July  1694 " 

Dit  zijn  de  oudste  schuldbrieven;  allen  bij  elkaar  gerekend 
vormden  zij  met  kleinere  bedragen  een  capitaal  van  pi. m.  ƒ  7/000. 

Justus  Vermey  (1718 — 1755). 

Door  het  gedwongen  vertrek  van  pastoor  Ermers 
was  de  parochie  andermaal  zonder  priesters.  Den  eersten 
keer  was  ze  langen  tijd  zonder  pastoor  geweest,  toen 
Rudolphus  van  Beest  vertrokken  was ;  nu  verkeerde  ze 
in  dien  toestand  door  het  vertrek  van  Joannes  Ermers. 
De  buurtpastoors  o.  a.  pastoor  Huysman  van  Rhijn- 
saterwoude  namen  de  zorg  over  de  parochie  waar. 
Maar  14  JuH  1718  was  het  hier  groot  feest,  want  toen 
haalde  men  den  nieuwen  pastoor  in.  Uit  een  lied  „Stigte- 
lijk  Vreugde-  en  Vreede-Gedicht  op  het  inhaalen  van 
den  Eerwaarden  Heer,  mijn  Heer  Justus  Vermey,  des 
Donderdags  14  Julius,  1718,  indePastoryevanLangeraar" 
blijkt  hoe  vurig  ieder  naar  vrede  en  rust  verlangde. 

Wij  zullen  slechts  een  viertal  regels  vermelden  die 
aangeven,  hoe  lang  de  parochie  zonder  herder  is  geweest : 

„Men  heeft  nu  in  een  Jaar 
Gods  zuyver  heylig  Woord 
Alhier  in  onze  Kerk 
Van  geen  Pastoor  gehoort." 

18  Juni  1717  diende  pastoor  Ermers  voor  het  laatst 
het  H,  Doopsel  toe;  28  Juni  was  hij  vertrokken.  14  JuH 
17 18  kwam  Justus  Vermey. 


271 

Inderdaad  was  pastoor  Vermey  een  uitstekend  herder 
voor  deze  parochie.  Hij  begon  in  17 19  met  den  bouw 
eener  nieuwe  kerk  en  schonk  haar  een  hoofdaltaar, 
twee  zijaltaren  met  mahoniehouten  tabernakels  en  een 
dito  communiebank,  benevens  een  orgelkast.  De  kerk 
was  toegewijd  aan  den  Martelaar  Adrianus,  van  oudsher 
patroon  der  parochie.  Zij  werd  gedekt  door  een  rieten 
dak.  Ook  vernieuwde  Justus  Vermey  de  geheele  pastorie. 
Tusschen  23  en  26  Mei  1720  werd  de  kerk  voltooid; 
want  in  het  doopboek  staat  omstreeks  dien  datum : 
Adrianus  (zoon  van)  Dirk  Krelisse  Swanevelt  (en) 
Martijntje  Jans  van  Seyl.  N.B.  primus  in  novo  oratorio 
in  L.  A.  S.  Adriani  baptizatus,  mater  muiier  prima  post 
partum  introducta  in  eo.  (Vglk.  Arch.  v.  d.  Gesch.  v.  h. 
Aartsb.  Utr.,  D.  XXVII,  p.   194). 

Het  bouw-contract  kan  men  nu  nog  in  het  gemeente- 
huis vinden.  Uit  dit  stuk  blijkt,  dat  bij  die  gelegenheid 
het  oude  huis  van  Thymen  Corss.  Volck  werd  afge- 
broken, dat  het  oude  pastorie-huis  gedeeltelijk  veranderd 
en  opgehoogd  werd,  en  een  nieuw  stuk  aan  werd 
gebouwd,  zoodat  dit  écne  pastorie  werd.  Ter  plaatse, 
waar  gedeeltelijk  het  oude  huis  van  Thymen  Corss. 
Volck  had  gestaan  en  vóór  het  nieuwgebouwde  stuk  der 
pastorie,  werd  de  kerk  gebouwd.  In  later  jaren  liet 
pastoor  Buys  groote  veranderingen  aanbrengen,  waarbij 
het  bovengenoemde  nieuwe  gedeelte  geheel  werd  ver- 
anderd en  eene  breede  voordeur  en  groote  voorkamer 
werden  bijgebouwd,  terwijl  op  zij  een  stal  en  keuken, 
gedeeltelijk  op  een  ander  stuk  van  het  oude  boerenerf 
werden  opgetrokken.  Ter  plaatse  der  oude  kerk  werd 
eene  grootere  gebouwd,  zoodat  ook  het  oudste  gedeelte 
der  pastorie  aan  de  Z.W.-zijde  achter  die  kerk  kwam 
te  liggen.  Deze  oude  kerk  werd  wederom  door  pastoor 
van    Dijk   afgebroken,    het  N.O.  gedeeltelijk  tot  schuur 


2/2 

ingericht  en  daarvóór  eene  nieuwe  kerk  en  nieuwe 
pastorie  opgetrokken.  Het  oudste  gedeelte  der  pastorie 
uit  den  tijd  van  pastoor  de  Reeder,  bestaat  uit  de  z.g. 
bijkeuken,  gang,  kelder  en  opkamer.  De  kelder  echter 
is  een  weinig  veranderd.  (In  191 3  is  deza  oude  pastorie 
geheel  afgebroken). 

Ook  bouwde  Vermey  in  1722  een  nieuw  kerkje  in 
Corteraar  (Patrones:  S.  Maria).  In  het  doopboek  staat 
te  lezen :  28  Juni.  Cornelia  (dochter  van)  Pieter  v.  d. 
Winde  (en)  Marytje  Claas  in  novo  oratorio  in  Corteraar 
baptizata  est.  Hij  schonk  aan  de  kerk  van  Langeraar 
een  nieuw  orgel,  dat  op  Paschen  1745  tot  Gods  eer 
werd  ingewijd. 

Wegens  de  veenderij  waren  er  vooral  des  zomers 
veel  vreemdelingen  in  Corteraar  werkzaam  en  daarom 
had  men  kort  na  de  reformatie  daar  een  kerk  of 
bedehuis  gebouwd.  Zondags  was  er  beurtelings  Mis 
in  Corteraar  of  in  Langeraar.  De  pastoor  ging  dan 
per  tentschuit  langs  het  nu  nog  bestaande  kerkpad 
tot  hij  langs  de  Schilliksche  kade  varende,  eindelijk 
de  kerk  bereikte,  die  dicht  bij  den  Korteraarschen 
hoek  stond. 

Justus  Vermey  had  te  Leuven  gestudeerd.  Hij  was 
geen  Goudenaar  zooals  de  Oudh.  van  Rhijnland  melden, 
maar  van  Bodegraven  zooals  hij  zelf  mededeelt  in  het 
Doopboek:  „Anno  1718  in  festo  S.  Bonaventurae  14  Juli 
die  Jovis  ego  Justus  Vermey  Bodengraviensis  suscepi 
curam  pastoralem  in  Langeraar  et  Corteraar."  Vermey 
was  eertijds  pastoor  geweest  te  Nibbix woude  (171  o —  1 7 1 8) 
en  was  vandaar  naar  Langeraar  gezonden.  In  later  jaren 
was  hij  Deken  van  Rhijnland  volgens  het  doopboek 
(.  .  .  discedente  in  Ravenstein  Decano  Justo  Vermey  .  .  .). 

Vermey  verliet  Langeraar  in  April  1755  en  ging  naar 
Ravenstein,  waar  hij   datzelfde  jaar  overleed. 


273 
Martinus  Willibrordus  Reuver  (1755 — 1788). 

18  April  1755  volgde  Reuver  zijn  voorganger  op. 
Nog  leeft  zijn  naam  onder  de  oude  Langeraarders  voort. 
Zijn  opvolgers  Hamburg,  Halsmans  en  Van  Halteren 
zijn  vergeten,  maar  nog  verhaalt  men  hier  van  pastoor 
Reuver,  den  geweldigen  predikant,  met  zijne  forsche 
stem  en  zijne  reusachtige  gestalte,  die  nergens  voor 
vreesde,  ook  niet  voor  de  Staten ;  zoodat  hij  eens  een 
boete  van  /500  moet  beloopen  hebben,  wegens  zijn  al 
te  groote  stoutigheid  tijdens  zijne  predikatie  op  het 
Mirakelfeest  te  Amsterdam.  Hij  bestuurde  met  krachtige 
hand  de  parochie  en  maakte  vele  fundaties. 

Pastoor  Reuver  was  een  Amsterdammer  van  geboorte. 
1788  verliet  hij  de  parochie,  begaf  zich  buiten  bediening 
naar  Maeseyck  en  stierf  18  Nov.  1789  te  Weert.  De 
laatste  jaren  was  hij  waarschijnlijk  niet  in  staat,  alleen 
de  parochie  waar  te  nemen,  want  in  de  resoluties  van 
de  gecommitteerde  Raden  van  Hollands  Zuiderkwartier 
komt  eene  resolutie  voor  van  23  Juli  1787,  waarin  verlof 
wordt  gegeven  voor  een  kapelaan.  Wie  of  deze  was, 
heb  ik  niet  kunnen  achterhalen. 


Joannes  Franciscus  Hamburg  (1788 — 1792). 

Deze  was  van  Amsterdam  geboortig  en  werd  op 
i8-jarigen  leeftijd,  8  Dec.  1759,  in  het  college  der 
Propaganda  aangenomen.  Hij  was  van  1777 — 1788 
pastoor  te  Hem  en  Venhuizen.  10  Oct.  1788  werd  hij 
pastoor  te  Langeraar.  Eene  resolutie  van  de  gecommit- 
teerde Raden  van  Hollands  Zuider-kwartier  van  10  Nov. 
1788  vermeldt  zijne  admissie  als  pastoor  alhier.  Hij  stierf 
3  Febr.  1792  te  Langeraar  en  werd  in  de  Kerkbuurt 
begraven. 

18 


274 

Nicolaas  Joannes  Halmans  (1792 — 1801). 

Deze  was  geboortig  van  Amsterdam  en  werd  van 
hier  verplaatst  naar  Amsterdam  buiten  de  Utreclitsche 
poort  (St.  Willibrordus  buiten  de  Veste),  waar  hij  stierf, 
ten  jare   18 13  den    13611  Juh'.  (KerkeHjk  Archief). 

Henricus  Jacobus  van  Halteren  (1801 — 1807). 

Deze  was  eerst  30  jaren  lang  pastoor  geweest  te 
Osdorp.  Pastoor  van  Kokkelink  roemt  hem  als  „vigi- 
lantissimus".  Hij  kwam  hier  28  Aug.  1801,  stierf  3  Febr. 
1807  en  werd  in  de  Kerkbuurt  begraven.  (Kerkelijk 
Archief). 

Bernardus  Henricus  van  Kokkelink  (1807 — 1822). 

Deze  was  geboren  te  Amsterdam  en  werd  in  1784 
6  Februari  kapelaan  te  Amsterdam  buiten  de  Utrechtsche 
poort,  in  de  „kerk  van  het  rustenburgerpad"  de  tegen- 
woordige parochie  van  Sint  Willibrordus  buiten  de  Veste. 

Na  eerst  nog  pastoor  te  zijn  geweest  in  Middelburg 
werd  hij  4  Maart  1807  pastoor  te  Langeraar.  Hij  deed 
eene  poging  om  een  R.  K.  kerkhof  op  te  richten,  maar 
deze  mislukte.  Pastoor  van  Kokkelink  supprimeerde  de 
bijkerk  van  Korteraar.  Eene  groote  verbittering  was 
hiervan  het  gevolg.  Algemeen  luidt  de  overlevering,  dat 
men  den  pastoor  heeft  pogen  te  vergiftigen.  Dit  is  zeker, 
dat  de  pastoor  in  alle  stilte  vertrokken  is  naar  Amsterdam 
waar  datzelfde  jaar  1822  hij  pastoor  werd  in  het  Beggijn- 
hof.  Hij  bleef  er  tot  6  Mei  1840,  toen  hij  zijn  ontslag 
nam.  30  October  1842  stierf  hij  als  rustend  pastoor  te 
Haarlem.  Twee  geschilderde  portretten  zijn  nog  be- 
waard :  één  in  de  pastorie  te  Langeraar,  één  in  het 
Beggijnhof  te  Amsterdam.  Hij  was  de  laatste  pastoor, 
die  de  officieele  pruik  droeg.  Naar  aanleiding  van  die 
pruik  droeg  hij  den  bijnaam  „bloemkool  met  saucijsjes" 


275 

wijl  de  pruik  maar  één  batterij,  één  krul  had,  die  in 
het  rond  op  verschillende  plaatsen  weggeknipt  was, 
waardoor  de  krul  in  losse  afzonderlijke  stukjes  neerhing. 
Zijn  kapelaan  was  zekere  heer  Van  Hemert,  nergens 
heb  ik  bijzonderheden  over  dezen  kapelaan  kunnen 
achterhalen. 

Gobertus  van  Lieshout  (1822 — 1839). 

Deze  was  in  1766  te  Rotterdam  geboren.  26  0ctober  1801 
werd  hij  pastoor  te  Leiden,  (St.  Petrus)  waar  hij  zich 
I  Maart  1804  in  het  Album  Studiosorum  der  Leidsche 
Academie  deed  inschrijven.  Veel  heeft  hij  daar  in  Leiden 
tot  stand  gebracht.  Hij  vernieuwde  en  vergrootte  kerk 
en  pastorie. 

Pastoor  Kervel  teekent  over  hem  aan :  „ornamenta 
sacerdotalia  aucta  sunt ;  et  communitas  ipsa  numero  et 
pietate  ere  vit."  Verder  richtte  pastoor  Van  Lieshout 
daar  in  18 16  eene  broederschap  op  van  Gedurige  Aan- 
bidding. Febr.  18 19  vertrok  hij  naar  „de  Pool"  van 
Amsterdam  als  opvolger  van  pastoor  Beukman,  maar 
verliet  weder  deze  parochie  12  Oct.  18 19.  (Bijdr.  v.  het 
bisd.  Haarl.,  D.  II,  blz.  400 — 402). 

In  Mei  1822  kwam  hij  in  Langeraar.  Eerst  brak  hij  in 
1822  de  bijkerk  in  Korteraar  af,  die  door  Van  Kokkelink 
gesupprimeerd  was  i).  Hij  werkte  met  ijver  aan  de 
Broederschap  der  Gedurige  Aanbidding,  die  wel  reeds 
opgericht  was,  maar  die  nu  door  den  pastoor  zeer  werd 
verbeterd  doordien  hij  een  register  van  alle  namen  aan- 
legde en  ieders  biduur  bepaalde.  Zoo  ook  richtte  hij  de 
Broederschap  der  Geloovige  Zielen  op.  Nu  wilde  de  pastoor 
het  plan  ten  uitvoer  brengen,  dat  ook  Van  Kokkelink 
reeds  had  opgevat,  en  een  eigen  R.K.  kerkhof  stichten. 


[)  Het  geheele  koop-  en  verkoopcontract  is  aanwezig  in  het  kerk-archief. 


2/6 

„In  het  jaar  Achttien  honderd  drie  en  twintig,  zoo 
zegt  het  oorspronkelijk  stuk,  heeft  de  Eerwaarde  Heer 
Pastoor  de  stemmen  der  Ledematen  van  beide  de  kunnen, 
zijnde  zeven  honderd  veertien  in  het  geheel,  Hoofd  voor 
Hoofd  bijzonder  opgenomen  en  bevonden  dat  behalve 
zes,  wier  Namen,  schoon  genoeg  bekend,  uit  Christelijke 
liefde  hier  zullen  verzwegen  worden,  alle  een  vurig  ver- 
langen hadden  om  een  eigen  Begraafplaats  te  hebben, 
ten  einde  volgens  de  voorschriften  der  H.  Kerk  begraven 
te  kunnen  worden." 

Ze  ondervonden  echter  veel  tegenkanting  bij  het 
Gemeentebestuur  en  de  Gedeputeerde  Staten  ja  zelfs  de 
Koning  wees  zijn  verzoek  af.  Ondertusschen  maakte 
Van  Lieshout  veel  verbeteringen  aan  de  oude  kerk  van 
pastoor  Vermey.  Hij  bracht  er  nieuwe  ramen  in,  bouwde 
er  een  tamelijk  hoogen  toren  op,  bracht  een  nieuwen 
ingang  aan  met  twee  opgaande  treden,  frontespice,  ook 
nog  een  uurwerk  in  den  toren  (een  goedkoop,  /  loo). 
25  Maart  1828  verscheen  onverwacht  een  decreet  van 
den  Koning,  waarbij  de  Gedeputeerde  Staten  aan  de 
besturen  dezer  Provincie  bekend  moesten  maken  dat 
iedere  godsdienstige  gezindheid  een  eigen  begraafplaats 
mocht  hebben.  27  Nov.  1828  werd  toen  hier  een  nieuw 
R.  K.  kerkhof  ingewijd. 

Zeer  eigenaardig  kwam  de  oprichting  van  het  kerkhof 
tot  stand.  De  parochianen  werden  verdeeld  in  contri- 
bueerenden  en  niet-contribueerenden.  De  laatsten,  die 
geene  bijdrage  konden  leveren,  legden  het  kerkhof  aan. 
Het  kerkhof  werd  gemaakt  ter  plaatse  waar  een  stukje 
land  lag  met  boomen  beplant.  De  oppervlakte  van  het 
toenmalige  kerkhot  was  acht  Rijnlandsche  roeden  lang, 
en  vier  breed,  dus  twee  en  dertig  vierkante  Rijn- 
landsche roeden  groot,  op  iederen  hoek  ervan,  was  een 
Cypressenboom  geplant,  welke  door  de  vier  kerkmeesters- 


277 

vrouwen  geschonken  waren.  Aan  de  Noordzijde  was  een 
bergje,  waarop  een  Kruis  van  veertien  voet  geplaatst 
was,  en  daaraan  een  Christusbeeld  groot  zeven  voet, 
welk  Kruis  en  Christusbeeld  een  geschenk  was  van  de 
jongeren  uit  Langeraar.  Het  kerkhof  was  omgeven  door 
een  voetpad.  De  toegang  was  over  eene  houten  brug, 
waarop  zich  een  hek  bevond,  doorwerkt  met  sikkels, 
zandloopers  en  doodshoofden,  benevens  twee  rondens, 
waarop  het  volgende  stond :  Ik  was,  wat  gij  thans  zijt. 
Haast  wordt  gij,  wat  ik  ben,  (en  boven,  onder  den 
zandlooper  met  vleugels)  Uw  tijd  vervliegt  met  den  tijd. 

Pastoor  Buys  liet  op  het  kerkhof  een  priestergraf 
metselen  waarin  hij  zelf,  pastoor  Van  Lieshout  en  pastoor 
Van  Dijk  zijn  bijgezet. 

Pastoor  Van  Dijk  heeft  het  kerkhof  doen  vergrooten, 
waardoor  het  hek  enz.  vervallen  is. 

Diens  opvolger  Pastoor  H.  Bakker  deed  echter  een 
nieuw  fraai  gesmeed  ijzeren  hek  aanbrengen. 

Pastoor  Van  Lieshout  is  hier  plotseling  gestorven 
6  Juni  1839.  Zijne  dienstbode  vond  hem 's  morgens  dood 
op  zijne  bedstede.  Pastoor  Buys,  zijn  opvolger,  tcekent 
over  hem  aan : 

„Deze  heer  was  vol  pittigen  luim  en  scherts,  zeer 
aangenaam  in  het  gezelschap,  de  opgeruimdheid  ziet 
hem  uit  't  gelaat,  en  men  is  geneigd  tot  lagchen  uit 
blijgeestigheid,  als  men  zijn  portret  aanschouwt  in  de 
pastorie  aanwezig,  waar  hij  is  afgebeeld  met  de  teekenpen 
in  de  hand.  Hij  teekende  en  schilderde  namelijk  zeer 
goed ;  vele  stukken,  meestel  copieën,  getuigen  van  zijn 
luimig  karakter,  zijn  bij  de  gemeentenaren  en  elders 
verspreid." 

Zijn  opvolger  P.  C.  Buys  getuigt  over  hem,  dat  al 
zijne  zaken  en  administraties  in  uitmuntende  orde  waren, 
hoewel  de  dood  hem  verrast  had. 


2/8 

Zijn  kapelaan  was  J.  J.  Burgmeyer.  Deze  was 
30  October  1808  te  Amsterdam  geboren.  Hij  studeerde 
achtereenvolgens  te  Hageveld,  Gemert  en  Warmond  en 
werd  21  September  1833  priester  gewijd.  Hij  was 
kapelaan  te  Leiden,  Langeraar  en  Rijswijk.  29  Juni  1844 
werd  hij  pastoor  te  Warmond,  waar  hij  13  Dec.  1850 
stierf. 

Veel  heeft  deze  priester  gedaan  voor  de  kerkelijke 
geschiedenis  en  zijne  geschriften  zijn  nog  aanwezig  in 
de  bibliotheek  van  het  Seminarie  te  Warmond. 

Zijn  opvolger  was  Houtman,  die  hier  nog  kapelaan 
was  bij  den  dood  van  pastoor  Van  Lieshout.  19  Juli  1839 
werd  hij  assistent  te  Edam.  Ook  over  dezen  geestelijke 
ontbreken  mij,  ondanks  nasporingen,  de  noodzakelijke 
verdere  bijzonderheden. 

Petrus  Cornelius  Buys  (1839 — 1875). 

Deze  was  26  April  1797  te  Oosterblokker  geboren 
en  hield  zich  aanvankelijk  met  den  landbouw  bezig. 
Op  i8-jarigen  leeftijd  ving  hij  zijn  studiën  te  Gemert 
aan  en  werd  8  Maart  1825  te  Mechelen  priester  gewijd 
door  den  Aartsbisschop  van  Mechelen,  prins  de  Méan, 
primaat  der  Nederlanden.  Na  op  verschillende  plaatsen 
als  kapelaan  en  deservitor  werkzaam  te  zijn  geweest 
o.  a.  te  Langendijk,  Wervershoef  en  Ouderkerk  a/d. 
Amstel,  werd  hij  22  Maart  1833  pastoor  te  Waddinx- 
veen  en    19  Juli    1839  pastoor  te  Langeraar. 

In  1841  brak  hij  de  oude  kerk  van  Justus  Vermey, 
door  Van  Lieshout  vernieuwd,  af  en  zette  op  die 
plaats  eene  nieuwe,  welke  15  Nov.  1842  door  Z.  D.  H. 
Cornelius  Ludovicus,  Baron  van  Wijkerslooth,  Bisschop 
van  Curium  i.  p.  i.  geconsacreerd  werd.  Vermeld  dient 
te   worden  een  alom  beroemd  gebleven  Missie,  die  hier 


279 

in  1850  plaats  greep  onder  leiding  van  F.  J.  van  Vree, 
toen  president  van  het  Groot  Seminarie  te  Warmond, 
(later  bisschop  van  Haarlem),  C.  van  Kints,  professor 
aan  het  Seminarie  te  Warmond  en  later  na  Van  Vree 
president  van  datzelfde  Seminarie  (Langeraarder  van 
geboorte),  en  Pluym  (naderhand  bisschop  van  Bulgarije). 
De  drukte  was  ontzettend,  van  alle  kanten  stroomde 
men  hierheen ;  men  verkocht  elkander  voor  veel  geld 
de  nummertjes,  die  aan  de  biechtelingen  werden  gegeven 
opdat  de  orde  bewaard  bleve.  Sommigen  gingen  niet 
naar  huis  maar  bleven  des  nachts  in  de  kerk  om  maar 
bij  tijds  aan  de  beurt  te  zijn. 

A°.  1857  werden  de  twee  marmeren  zijaltaren  ingewijd, 
welke  nu  nog  in  de  kerk  aanwezig  zijn. 

185 1  vernieuwde  pastoor  Buys  gedeeltelijk  de  oude 
pastorie,  welke  reeds  door  de  pastoors  Van  Lieshout  en 
Vermey  veranderd  was.  Ook  richtte  de  pastoor  in  1856 
een  armenhuis  op.  9  Mei  1863  werd  in  Langeraar  voor 
het  eerst  eene  katholieke  school  geopend. 

8  Maart  1875  vierde  pastoor  Buys  zijn  gouden 
priesterfeest,  dat  wegens  den  Paaschtijd  tot  7  April 
uitgesteld  en  toen  met  alle  plechtigheid  gevierd  werd. 
14  April  was  er  een  tweede  feest,  maar  twaalf  dagen 
later,  den  25en  April  1875,  stierf  pastoor  Buys  plotseling. 
Hij  werd  's  middags  na  het  middagmaal  door  zijne  dienst- 
bode dood  op  zijn  stoel  gevonden. 

Pastoor  Buys  was  zonder  een  geleerde  te  zijn,  een 
practisch  man;  begaafd  met  een  gezond  verstand  en 
een  helder  oordeel  wist  hij  wonderbaar  den  juisten  tijd 
tot  handelen  uit  te  kiezen  en  de  geschikte  middelen 
om  het  beoogde  doel  te  bereiken.  Velen  kwamen  daarom 
zijn  raad  inwinnen.  Zeer  veel  heeft  deze  pastoor  voor 
de  parochie  gedaan,  en  met  het  beste  gevolg! 

Zijn    portret    is    in    de    pastorie    aanwezig,    waar    hij 


28o 


wordt  afgebeeld  zittende  op  zijn  stoel,  op  den  achter- 
grond de  door  hem  gebouwde  kerk. 

Zijne  kapelaans  waren: 

Adrianus  Joannes  Looyaards,  geb.  te  Delfts- 
haven 1824,  Hij  was  hier  maar  korten  tijd.  Wegens 
ziekte  moest  hij  Maart  185 1  vertrekken  en  stierf  5  Mei 
185 1  in  den  ouderdom  van  27  jaren  en  8  dagen.  Hij 
werd  begraven  té  Overschie. 

Joannes  Debets,  assistent.  Deze  was  te  Vlaar- 
dingen  geboren  en  hier  werkzaam  van  Juni  185 1  tot 
Juni  1852.  Hij  werd  verplaatst  naar  Naaldwijk  en  is 
als  pastoor  van  Grootebroek  overleden. 

Franciscus  Willenborg,  geb.  te  Amsterdam. 
Deze  was  hier  werkzaam  van  Juni  1852  tot  26  Aug.  1855, 
toen  hij  vertrok  naar  Leidschendam,  overleden  als  pastoor 
van  Spaarnwoude  a/d.  Lie. 

In  dien  tusschentijd  is  hier  nog  tijdens  eene  ziekte 
(bloedspuwing)  van  Willenborg  Gerardus  Vogel 
zes  weken  assistent  geweest.  Deze  stierf  later  in  de 
„Posthoorn"  te  Amsterdam. 

Franciscus  Blom,  geb.  te  's-Hertogenbosch.  Deze 
was  hier  werkzaam  van  26  Aug.  1855 — 8  Oct.  1856. 
Hij  werd  later  pastoor  te  Voorschoten  en  stierf  plotseling 
als  pastoor  van  Schoonhoven  23  Sept.    1884  i). 

Gerardus  van  Dijk  hier  werkzaam  als  kapelaan 
van  1856 — 1875. 

i)  Hier  dient  vermeld  te  worden  een  man,  die,  hoewel  geen  priester, 
toch  zeer  veel  voor  Langeraar  heeft  gedaan,  de  Heer  Willem  Omtzigt. 
Deze  heeft  door  buitengewone  schenkingen  de  parochie  tot  bloei 
gebracht;  met  recht  staat  op  zijn  bidprentje:  »Dat  hem  de  vrede  ge- 
worde  ;  hij  is  waardig  Heer !  dat  Gij  hem  die  gunst  bewijst,  want  hij 
heeft  ons  volk  lief  gehad,  een  tempel  heeft  hij  ons  gebouwd;  hij 
beminde  den  luister  van  uw  huis,  de  woonplaats  uwer  heerlijkheid;  hij 
weende  over  die  in  druk  en  lijden  waren,  en  zijne  ziel  had  medelijden 
met  de  armen."  Willem  Omtzicht  werd  geboren  10  Jan.  1790  en  stierf 
24  Juli    1861    te  Langeraar. 


28 1 

Gerardus  van  Dijk  (1875 — 1908). 

Een  der  meest  eigenaardige  pastoors  van  het  aloude 
Langeraar  is  pastoor  Van  Dijk  geweest.  Hij  werd 
13  Mei  1831  te  Nederhorst-Denberg  geboren,  studeerde 
te  Kuilenburg  en  te  Warmond,  werd  in  1856  priester 
gewijd  en  kwam  8  October  van  datzelfde  jaar  als 
kapelaan  te  Langeraar.  Hij  bleef  daar  tot  den  dood 
van  pastoor  Buys  en  volgde  dezen  29  April  1875 
(28  Mei  installatie)  op.  Met  alle  recht  wijdde  pastoor 
Bakker,  zijn  opvolger,  hem  dit  grafschrift: 

Geheel  zijn  priesterleven 
Aan  Langeraar  gegeven. 

Pastoor  Van  Dijk  was  eene  bekendheid  in  het  diocees. 
Zijn  grappen  waren  spreekwoordelijk;  altijd  vroolijk 
en  opgeruimd,  ondanks  zijne  doofheid,  nam  hij  allen 
voor  zich  in,  dank  zij  zijn  gelukkig  karakter.  „Doove 
Gerrit",  zooals  zijne  confraters  en  parochianen  hem 
heel  vertrouwelijk  noemden,  was  een  vader  voor  zijne 
parochianen,  die  hij  bijna  allen  had  gedoopt  of  van 
kinderen  tot  volwassen  leeftijd  zien  opgroeien.  In  zijn 
vrijen  tijd  kon  men  hem  vinden  in  den  boomgaard  der 
pastorie,  bezig  zijne  geliefde  vruchtboomen  te  snoeien, 
want  als  bekwaam  snoeier  was  pastoor  Van  Dijk  bij 
katholiek  en  niet-katholiek  de  veel  gevraagde  raadsman. 

Maar  pastoor  Van  Dijk  was  ook  een  kunstenaar.  Des 
winters  vooral  bracht  hij  zijn  leegen  tijd  door  met  het 
snijden  van  houten  kruisen  en  heiligenbeelden.  Hij  had 
geene  opleiding  in  deze  kunst  genoten,  van  daar  mocht 
zijn  werk  gebreken  vertoonen,  maar  die  waren  niet  zoo 
groot,  of  ieder  kunstkenner  waardeerde  de  voortbrengselen 
van  zijne  ervaren  hand.  Jan  Brom  wijdde  hem  dan  ook 
een  artikel  vol  waardeering  in  het  Weekblad  „St.  Bavo" 
en  na  zijnen  dood  werden  eenige  zijner  kunstproducten 


282 


geplaatst    in    het    Bisschoppelijk    Museum    te    Haarlem. 

Was  pastoor  Van  Dijk  als  mensch  gezien  en  geacht, 
als  priester  bleek  zijne  werkkracht  nog  meer.  Getuige 
hiervan :  dat  hij,  bijna  zeventig  jaren  oud,  den  bouw 
ondernam  van  eene  nieuwe  kerk  (1901),  nieuwe  pastorie, 
in  1907  een  nieuwe  school  en  doktershuis.  Voor  dit 
werk,  waaraan  zooveel  financieele  zorgen  zijn  verbonden 
en  zooveel  moeilijkheden,  vooral  voor  een  dorpspastoor, 
die  dikwijls  geen  raadgevers  om  zich  heen  heeft,  schrikte 
hij  niet  terug,  maar  voleindigde  het.  Hij  bracht  in  de 
kerk  drie  kunstwerken  van  Jan  Brom,  het  altaar,  de 
communiebank  en  de  doopvont.  Eveneens  eene  schoone 
Piëta  van  Maas. 

In  1875  had  hij  voor  de  ouden  van  dagen  eennieuw 
armenhuis  opgericht  in  plaats  van  het  vroegere  door 
pastoor  Buys  gesticht,  dat  wegens  gebrek  aan  ruimte 
niet  meer  aan  zijn  doel  kon  beantwoorden.  8  Januari  1908 
stierf  pastoor  Van  Dijk,  diep  betreurd  door  zijne  parochi- 
anen. Tot  zijn  laatste  levensjaren  bleef  pastoor  Van  Dijk 
de  eenvoudige  kinderlijk-blijde  man,  die  als  een  vader 
te  midden  zijner  kinderen  leefde  en  hen  door  woord 
en  voorbeeld  tot  goede  geloovige  Christenen  opvoedde. 
Onder  de  Langeraarsche  pastoors  verdient  deze  herder 
eene  eereplaats. 

Zijn  kapelaans  waren  : 

Ludovicus  Henricus  Voortmans,  geb.  5  Febr. 
1845  te  Overschie.  Hij  was  eerst  assistent  aan  den 
Rijndijk  en  daarna  kapelaan  te  Langeraar  van  i  Mei 
1875  — 18  Mei  1878.  Na  kapelaan  te  zijn  geweest  in 
Heer  Hugowaard  en  Schipluiden,  werd  hij  1897  pastoor 
te  Tuitjehorn,   waar  hij   23   Mei    1906  stierf. 

Dominicus  Dionysius  Bos,  geb.  te  Rotterdam 
I  Juli  1849.  Hij  werd  te  Langeraar  kapelaan  18  Mei  1878 
na     eerst    assistent    te    zijn    geweest    te    Heinkenszand. 


283 

25  Sept.  1890  vertrok  hij  als  pastoor  naar  Wijk  aan  Zee. 
Sinds   1898  pastoor  te   Hem  en  Venhuizen. 

Andreas  Theodorus  Heileger  s,  geb.  te  Schoon- 
hoven 2  Febr.  1865.  Na  zijne  wijding  tot  priester  werd 
hij  kapelaan  te  Langeraar  26  Sept.  1890—23  Febr.  1894. 
Van  1894 — 1900  kapelaan  te  Rotterdam  (Houttuinen), 
1900 — 1907  kapelaan  te  's-Gravenhage  (St.  Joseph).  Van 
1907 — 1909  pastoor  te  Tholen.  Sinds  dien  tijd  rustend. 

Joannes  Maria  Aloysius  Bots,  geb.  te  Nieuw- 
koop 23  Mei  1868.  Kapelaan  te  Langeraar  23  Febr. 
1894— 1898.  1898 — 1901  kapelaan  te  Warmond,  1901 
kapelaan  te  Amsterdam  (St.  Willibrordus  binnen),  1909 
pastoor  te  Moordrecht. 

Simon  Joannes  van  Rijn,  geb.  te  Soeterwoude. 
Na  assistent  te  zijn  geweest  in  Haarlemmermeer  was 
hij  1898 — 1908  kapelaan  te  Langeraar.  Na  korten  tijd 
deservitor  te  zijn  geweest  bij  den  dood  van  pastoor 
Van  Dijk  en  kapelaan  bij  diens  opvolger  vertrok  hij 
21  Febr.  1908  naar  den  Haag  als  kapelaan  der  St.  Jacobus- 
kerk,    19 ii   pastoor  te  Wicringen. 

Henricus  Cornelius  Joannes  Bakker  (1908 — ). 

Pastoor  Bakker  werd  3  September  1854  te 's-Graven- 
hage geboren,  1880  werd  hij  priester  gewijd.  Achtereen- 
volgens was  hij  kapelaan  in  het  „Zwaantje",  Wateringen, 
Schoonhoven  en  Bodegraven.  1897  werd  hij  benoemd 
tot  pastoor  te  Kudelstaart. 

30  Januari  1908  volgde  pastoor  Bakker  zijn  voor- 
ganger op.  Pastoor  Van  Dijk  had  reeds  bemerkt  dat  de 
toestand  der  verpleegden  in  het  Armenhuis  veel  te 
wenschen  overliet.  De  ouden  van  dagen  leefden  als  in 
eene  kleine  republiek,  verpleegden  elkander,  verdeelden 
de  werkzaamheden  onderling,  terwijl  een  hunner  als 
„moeder"  het  huishouden  bestierde.  Reeds  had  pastoor 


284 

Van  Dijk  het  plan  gehad  een  groot  gesticht  „St.  Antonius" 
te  bouwen,  de  ouden  van  dagen  daarin  op  te  nemen 
en  het  geheel  te  laten  besturen  door  zusters.  De  gelden 
echter  waren  in  lang  niet  toereikend  na  den  bouw  van 
kerk,  school,  pastorie  en  doktershuis. 

Pastoor  Bakker  nu  nam  aanstonds  de  uitvoering  ter 
hand.  Plannen  en  teekeningen  werden  gemaakt,  eene 
leening  gesloten  en  in  191 1  een  aanvang  gemaakt. 
Ondanks  veel  tegenspoed,  zooals  het  doorbreken  van 
den  dijk  vóór  het  gesticht,  waardoor  de  geheele  fundeering 
overstroomd  werd,  was  het  groote  en  ruime  gesticht 
reeds  het  volgend  jaar  gereed  en  werd  in  October  19 12 
ingewijd.  De  ouden  van  dagen  werden  in  het  St.  Antonius- 
gesticht  onder  dak  gebracht ;  de  Zusters  der  Voorzienig- 
heid namen  de  zorg  op  zich  en  belastten  zich  tevens 
met  het  onderwijs  op  school,  en  een  aantal  kamers 
werd  opengesteld  voor  hen,  die  als  kostheeren  of  kost- 
dames  hun  dagen  daar  wilden  doorbrengen.  De  parochie 
schonk  aan  het  gesticht  een  fraai  Antoniusbeeld  van 
den  beeldhouwer  Maas,  dat  in  den  zijgevel  werd  aan- 
gebracht. Het  wit-marmeren  altaar  der  oude  kerk,  door 
pastoor  Buys  gebouwd,  kreeg  nu  eene  plaats  in  de  kapel. 
Architekt  van  het  gesticht  was  de  Heer  Robbers  uit 
Haarlem. 

De  oude  preekstoel  werd  uit  de  kerk  verwijderd  en 
een  nieuwe  in  19 ii  aangebracht.  Deze  onderscheidt 
zich  van  andere  spreekgestoelten  daardoor,  dat  de  kuip- 
vorm  werd  vermeden,  en  de  vorm  aan  de  Italiaansche 
spreektribune  herinnert.  De  marmeren  trap  voert  op 
naar  een  marmeren  platform,  rustend  op  twee  granieten 
zuilen,  terwijl  de  marmeren  met  koper  doorwerkte 
ballustrade  zich  verlengt  tot  omsluiting  van  de  spreek- 
plaats.  Deze  preekstoel  was  eveneens  het  werk  van  den 
beeldhouwer  Maas. 


285 

Datzelfde  jaar  werd  een  aanvang  gemaakt  met  de 
kruiswegstaties.  De  wrakke  en  onoogelijke  statieborden 
werden  weggebracht  en  de  kunstschilder  Loots  kreeg 
opdracht,  nieuwe  staties  te  schilderen.  Zij  vonden  al- 
gemeenen  bijval.  De  schilder  ging  volgens  geheel  andere 
opvattingen  als  gewoonlijk  te  werk,  maar  slaagde  vol- 
komen. In  plaats  van  het  rustige  meditatieve  bracht  hij 
een  realistischer  opvatting  tot  uitbeelding.  Zonder  tot 
eenige  ruwheid  of  grofheid  te  vervallen,  gaf  hij  den 
lijdensweg  met  alle  gebeurtenissen  zoo  objectief  mogelijk 
weer,  —  iets  wat  op  de  eenvoudigen  en  hier  in  dit 
geval  op  de  Langeraarders  veel  meer  indruk  maakt 
dan  wanneer  zij  de  meditatie  van  een  schilder  moeten 
bestudeeren.  Tevens  maakte  de  schilder  een  aanvang 
met  de  algeheele  beschildering  der  kerk.  Nog  ééne  daad 
van  pastoor  Bakker  verdient  allen  lof  en  navolging.  In 
de  kerk  bevonden  zich  dertien  gesneden  houten  Apostel- 
beelden, levensgroot,  die  reeds  waarschijnlijk  ten  tijde 
van  pastoor  Vermey  bestonden.  Vreemd  voorkomende 
in  hun  nieuwe  omgeving,  liepen  deze  beelden,  welke 
zeer  fraai  en  waardevol  zijn,  steeds  gevaar  door  een 
opvolger,  die  minder  oordeelkundig  was,  te  worden 
verwijderd  voor  eenige  onoogelijke  nieuwerwetsche 
heiligenbeelden.  Pastoor  Bakker  liet  de  oude  beelden, 
herinneringen  aan  zooveel  geschiedenis  en  verwikkeling, 
in  het  transsept  der  kerk  aanbrengen  op  de  oude  voet- 
stukken en  de  schildering  van  het  transsept  in  over- 
eenstemming met  die  beelden  inrichten. 

3  Januari  1909  werd  een  patronaat  opgericht  en  in 
October  werd  de  oude  school  tot  patronaatsgebouw 
aangewezen. 

Zijne  medehelpers  waren  : 

Simon  Joannes  van  Rijn,  die  echter  zooals  wij 
boven  zagen,  spoedig  vertrok. 


286 


Ignatius  Marie  Petrus  Alphonsus  Wils,  geb. 
te  Dordrecht  29  Sept.  1883.  Priester  gewijd  15  Aug.  1907. 
25  Oct.  1907  kapelaan  te  Oude  Tonge.  21  F'ebr.  1908 
kapelaan  te  Langeraar.  14  Aug.  191 1  kapelaan  te 
Amsterdam  St.  Willibrordus  buiten  de  Veste. 

Lambertus  Josephus  Cornelius  Spoorman, 
geb.  te  Leiden,  8  Oct.  1873.  Priester  gewijd  15  Aug.  1898. 
Assistent  te  Nieuwveen  10 — 18  Sept.  1891.  Kapelaan 
te  Roelofarendsveen  7  Oct.  1898.  Kapelaan  te  Amsterdam 
(S.S.  Petrus  en  Paulus)  25  Aug.  1905  en  12  Nov.  1909 
kapelaan  te  Rotterdam  (H.H.  Martelaren  v.  Gorcum). 
Sinds   14  Aug.    191 1  kapelaan  te  Langeraar. 

Amsterdam.  IGN.  M.  P.  A.  WiLS. 


C/5  cc 
DO 
ClQ 

^S 
UO 


u  u  5    .    •  -^  Ji  H  ö  -•  Ö  S)'^      i«  c  'S 

S.  i^  o  ü  J .-  -^r  5  >   >  ^  o  Ei  2  >  2  o  •?  2  1^ 

c^  <  Q  Q  O  ►H.^^z  2  [i:  Q  ^oz^Q-^  o^ 

ONOr^r^ON'*t^i-ic<-)too\oo  «T^vot^vovo  foJl 


O    O    O    O 

tJ-    <*    ■*    ir% 
SO    VO    \0    \0 


1-1  t>.  "  N  ON 
vO  u^  \0  vO  On 
vO  \0  >0  vO  NO 


N  wi  0\  0\  "^  -^  i^ 
O  On  On  On  1-1  O  « 
vO  vO  NO  ^  tv.  r^  t^ 


r~~  tv  iTN 


■1  CS  t~^  Il  M  00 
\r^  urt  Lr»  vO  nO  NO 
vO  nO  vO  vO  ^O  NO  vO 


M  u-i  On  O  ro 
On  On  On  O  O 
vO  vO  vO  t^  fv 


J  T3  J  • 

<u  c«  (u  Ë 

i;  £  ü  <u 

^  <  ^  2 


a 


o     (U     oj     o     o! 

■k--  o  D         ■"        ""^ 

D  U  J  D  .- 


1—        ^        QJ        QJ        ^        N.'        O^      QJ        t/)        (/)        1-" 


O  PQ 


e 

T3 

■ 

;_ 

4J 

J! 

.   Cu 

4J 

^ 

-d 

^    -g 

rt 

^1  • 

Pi 

^ 

TT!    ih 

1 

.2    u 

tf 

T. 

^   -f 

s^ 

!}{ 

• 

•    JS 

• 

T3 

m 

^ 

c 

> 

d: 

^ 

ecg 

2  ë  ë 
fe  u  o 


c    "J    ij    o    c 


c    o    o 
<  U  ü 


«'S 


^       (J       <U     r— , 


2  M   «   S   ^ 


3  > 


ö  ►£>  <  H  Z  ^  K  ^  O  ^  Uh  ►:; 


>  > 


c/ia 

DO 
üjO 


Uh 


c 
o 

^.  s 

ei     n! 

s  ^ 

rt   ^ 
J    S 


5J      c 

i  p  1 1 1 

--  Q  o 


''U 


5    <u    5 

ro  •- 
Cl    J= 


00      CT^     O      O      N 
t^     t^   CO    OO     00 


XJ-,    ^      PI      lj^\C      1^0000      O 
000000000000     ooooo 


ri-  00    00 

Os  o  o 

00    00      Os 


(S      LO  sO      "^ 


(«     (/i     tn 


o    t: 

Pi  < 


JS  s 


■1)    c    o    o 

'-C  45  -c   ° 

2  B  §  I 


OQ><.<"Z20i^'J5:zcö.'' 


N    Q   J 


3     3     t/T  i5 


5  e 


-     03 


5     g     3 


o 
c  o 


C  n    ' — > 


=   6 


K  .2 


•c  'S    o  < 


£3    (U     >>    o     rt 

«  K  Q  ^  -C 


Ö     m     o    ^ 


E  t  «    £ 


3     o!     c     u     y 


S  ^S  K  m  >  ü 


X  ;^,  v  " 


'    o      (ü    -Ö      ;^      >_      i_ 


Gerai 

Ludo 
Domi 
Andr 

Joann 
Simoi 
Henri 
Simoi 

C 

S 

> 
X 

GODFRIED  VAN  MIERLO. 
(Vervolg  van  Deel  XXXVI,  blz.  248). 


§  6.    Overige   maatregelen    van  bestuur  in  1571 — 1572. 

In  dit  artikel  zullen  wij  de  nog  overige  gebeurtenissen 
samenvatten,  welke  de  twee  eerste  bestuursjaren  van 
Haarlem's  tweeden  bisschop  hebben  gekenmerkt.  De 
tijdsorde  volgende,  moeten  wij  op  de  eerste  plaats 
melding  maken  van  eene  breve  door  Pius  V  op  2  Juli 
1571  uitgevaardigd.  De  tekst  van  dit  schrijven  is  reeds 
elders  afgedrukt  i).  Niet  slechts  v.  Mierlo  maar  ook  de 
meeste  andere  bisschoppen  in  de  Nederlanden  hadden 
ieder  zulk  een  breve  ontvangen.  De  paus  vermaande 
hen  bij  dit  schrijven  tot  meer  ijver  in  het  bestrijden 
van  de  dwaalleer  en  tot  trouwer  vervulling  van  hunne 
overige  plichten.  Waren  de  berichten  juist,  aldus  heette 
het  in  de  breve  zeer  omzichtig,  welke  den  paus  waren 
ter  oore  gekomen,  dan  had  de  maatregel  om  nieuwe 
bisdommen  in  de  Nederlanden  op  te  richten  zijn  doel 
gemist,  en  dat  wel  door  de  nalatigheid  en  zorgeloosheid 
van  de  bisschoppen  zelf.  Niet  ten  onrechte  legde  Laderchi 
1.  c.  den  nadruk,  wat  het  oordeel  over  den  toenmaligen 
bisschop  van  Doornik  betrof,  op  het  voorbehoud  door 
Pius    V    in    zijne    gestrenge    breve    gemaakt.   En  in  het 


l)  Arch.  aartsb.  Utrecht  XXII,  405.  Een  gelijkluidend  schrijven, 
gericht  aan  den  bisschop  van  Doornik,  was  reeds  vroeger  gepubliceerd 
door  den  voortzetter  van  de  Annalen  van  Baronius,  lac.  Laderchius 
(III,   anno    1571,   n".    34). 

ï9 


290 

voljrende  nummer  35  van  zijne  „Annales"  wees  hij 
bovendien  erop  dat  in  die  dagen  te  Rome  dergelijke 
en  nog  veel  erger  beschuldigingen  waren  uitgebracht 
tegen  een  zoo  voortreffelijken  bisschop  als  Wilhelmus 
Lindanus,  die  in  datzelfde  jaar  1571  zich  genoodzaakt 
zag  een  afzonderlijk  verdedigingsschrift,  zijn  „Galeatus", 
op  te  stellen  om  aldus  den  paus  beter  in  te  lichten. 
Volgens  Havensius  ^)  waren  het  »benijders  en  valsche 
broeders"  geweest,  welke  zulke  valsche  geruchten  om- 
trent Lindanus  hadden  overgebracht.  Uit  hetgeen  wij 
reeds  over  de  werkzaamheid  van  v.  Mierlo  hebben 
medegedeeld,  meen  ik  gerust  de  gevolgtrekking  te  mogen 
maken  dat  ook  hem  het  verwijt  van  „negligentia"  en 
„socordia"  niet  kon  treffen. 

Een  nieuw  bewijs  van  de  zorg  waarmede  Alva  de 
uitvoering  der  hervormingsdecreten  van  Trente  in  de 
nieuwe  bisdommen  heeft  trachtten  te  bevorderen,  levert 
Bijlage  L  In  het  15e  hoofdstuk  van  de  zevende  zitting 
had  het  concilie,  eene  bepaling  van  Vienne  hernieuwend, 
de  bisschoppen  aangemaand  om  door  bemiddeling  van 
zaakgelastigden  toch  vooral  zorg  te  dragen  voor  een 
nauwgezet  beheer  van  het  eigendom  der  gasthuizen. 
Later,  in  het  9e  hoofdstuk  van  de  twee  en  twintigste 
zitting,  hadden  de  vaders  van  Trente  bovendien  gelast 
dat  de  bestuurders  van  parochiegoederen,  alsook  zij, 
die     gesteld    waren    over    andere    kerkelijke    goederen, 


l)  Cortitnentarius  de  erectione  novorum  in  Belgio  episcopatuiwi  (Col. 
Agripp.  1609),  120.  Uil  den  tekst  aldaar  is  niet  op  te  maken  of  al 
dan  niet  de  «Galeatus"  in  druk  is  verschenen.  Havensius  heeft  echter 
het  «verweerschriftje",  dal  ook  gunstige  getuigenissen  van  Alva  bevatte, 
hetzij  dan  in  h.s.  of  in  druk  voor  zijne  Geschiedenis  der  bisschoppen 
van  Roermond  zeker  kunnen  raadplegen.  Jammer  dat  Dr.  Brom  bij 
zijn  nasporingen  in  de  Vaticaansche  archieven  en  de  Vaticaansche 
bibliotheek  blijkbaar  geen  spoor  heeft  kunnen  ontdekken  van  dit 
ongetwijfeld  hoogst  merkwaardig  geschrift. 


291 

jaarlijks  een  verslag  over  dat  beheer  moesten  uitbrengen 
bij  den  diocesaan  bisschop.  Op  ii  Juli  1571  herinnerde 
Alva,  toen  te  Antwerpen  vertoevende,  den  bisschop  van 
Haarlem  aan  deze  voorschriften  en  verlangde  dat  hij 
een  behoorlijk  overzicht  zou  laten  opstellen  van  het 
beheer  dier  goederen,  voor  zooverre  het  kerken  en 
godvruchige  instellingen  betrof,  welke  zich  in  zijn  diocees 
bevonden.  In  de  synode  van  October  1571,  waarover 
straks  nader,  heeft  v.  Mierlo  met  dit  schrijven  van  den 
landvoogd  rekening  gehouden.  In  het  achtste  van  de 
statuten,  daar  vastgesteld,  werd  bevolen  dat  de  pastoors 
met  hun  kerkbestuur  eene  beredeneerde  lijst  zouden 
opmaken  van  al  de  beneficies  en  overige  bedieningen, 
welke  tot  de  parochiekerk  behoorden  of  aan  kapellen, 
klooster-  en  gasthuiskerken,  binnen  de  grenzen  van  de 
parochie  gelegen,  waren  verbonden  en  dat  zij  de  kopie 
daarvan  zouden  opzenden  aan  den  bisschop.  Bij  alle 
waardeering  van  Alva's  zorg  voor  de  tijdelijke  belangen 
van  Haarlem's  kerk,  moet  het  ons  toch  opvallen  hoe- 
zeer in  dit  schrijven  ook  zijn  heerschzucht  omtrent 
kerkelijke  aangelegenheden  voor  den  dag  komt ;  een 
gedragslijn  waarmede  hij  trouwens  geheel  in  den  geest 
handelde  van  zijn  koninklijken  meester.  Wisten  wij  niet 
van  elders  beter,  men  zou  meenen  dat  de  verplichting 
om  aan  dit  bevel  te  voldoen  alleen  rustte  op  het  recht 
van  oppertoezicht  dat  de  souverein  in  deze  voor  zich 
opeischte ;  met  geen  enkel  woord  toch  wordt  in  dit 
schrijven  melding  gemaakt  van  de  wetgeving  van  Trente. 
Nog  sterker  spreekt  dit  Caesaro-papisme  uit  het  slot 
van  den  brief,  waarin  de  bisschop  gelast  wordt  de 
registers  van  hetgeen  kerken  en  liefdadige  instellingen 
toebehoorde  aan  de  Regeering  te  zenden,  opdat  „van 
ons  dairin  geordonneert  mach  worden  als  men  bevinden 
sal  't  bequaemste  te  sijn." 


292 

De  „Tabula  chronologica"  i)  vermeldt  op  het  jaar  1571 
ook  het  vaststellen  van  de  regels  voor  den  bisschoppe- 
lijken  rechtbank.  Bannius  leidt  dit  waarschijnlijk  af  uit 
het  feit,  dat  in  de  akten  der  synodus  van  October  1571 
de  vicaris-generaal,  Hieronymus  Vairlenius,  staat  aan- 
gegeven als  „ofificialis  curiae  Harlemensis".  Het  oud- 
archief  van  den  bisschop  van  Haarlem  bezit  eene  kopie 
van  deze  statuten,  maar  de  tijd,  waarop  ze  zijn  uit- 
gevaardigd, wordt  daarop  niet  vermeld.  Wijl  deze  statuten 
nog  nimmer  zijn  gepubliceerd  en  ze  den  lezer  in  staat 
stellen  zich  een  goed  begrip  te  vormen  van  de  beteekenis 
en  werkkring  van  zulk  een  bisschoppelijken  rechtbank 
in  de  zestiende  eeuw,  laten  wij  onder  Bijlage  II  een 
afdruk  daarvan  volgen. 

Een  der  middelen,  welke  vooral  heeft  medegewerkt 
om  de  wetgeving  van  Trente  ingang  te  bezorgen,  was 
het  geregeld  bijeenkomen  van  provinciale  en  diocesane 
kerkvergaderingen.  Ik  behoef  ter  bekrachtiging  van  dit 
feit  slechts  te  herinneren  aan  den  zegenrijken  werkkring 
van  den  H.  Carolus  Borromaeus  op  dit  gebied  in  het 
Milaneesche,  alsook  aan  het  niet  minder  merkwaardig 
verschijnsel  dat  de  hervormingen  van  Trente  op  het 
gebied  van  tucht  in  de  diocesen  van  Frankrijk  allengs 
zijn  doorgevoerd,  niettegenstaande  het  koninklijk  gezag 
aldaar  zijne  erkenning  aan  dit  deel  der  werkzaamheden 
van  het  concilie  durfde  te  onthouden.  Gelijk  van  een 
bisschop  als  v.  Mierlo  niet  anders  te  verwachten  was, 
heeft  hij,  zoodra  de  omstandigheden  het  hem  eenigszins 
toelieten,  ook  dit  voorschrift  van  Trente  (XXIV,  de 
Reform,  c.  2)  ten  uitvoer  gebracht.  Op  2  October  1571 
kwam  te  Haarlem  de  diocesane  synodus  bijeen.  De 
besluiten    van    deze    vergadering,    in    14   punten  vervat, 


:)   Bijdr.  bisd.  Haa7lcm,   1.    12. 


293 

zijn  reeds  vroeger  afgedrukt  en  te  vinden  in  de  „Batavia 
Sacra"  ^).  De  auteur  verzuimde  echter  daar  te  ver- 
melden dat  hij  die  statuten  heeft  gekopieerd  naar  een 
gedrukt  exemplaar,  dat  op  de  pers  is  gelegd  door 
Willem  Jacobsz.  te  Amsterdam  in  den  „Engelen-burcht", 
vermoedelijk  nog  1571  of  in  1572.  Hoofddoel  van  de 
synodus  was  natuurlijk  om  naar  de  vermaningen  van 
Trente  zorg  te  dragen  voor  eene  beter  geregelde  zielen- 
zorg.  Vandaar  het  voorschrift  om  registers  aan  te  leggen 
van  gedoopten,  gehuwden  en  van  verleende  huwelijksdis- 
pensaties  (VII),  alsook  het  bevel  om  aan  de  geloovigen 
dikwerf  de  wetgeving  van  Trente  betreffende  het  huwelijk 
uiteen  te  zetten  (V).  Met  hetzelfde  doel  voor  oogen 
werden  op  de  synodus  kandidaten  aangewezen  voor  eene 
commissie,  welke  den  bisschop  of  zijn  plaatsvervanger 
zouden  bijstaan  in  het  examineeren  van  al  degenen  die 
waren  voorgedragen  tot  het  verkrijgen  van  beneficies, 
waaraan  zielenzorg  was  verbonden  (II).  Echter  poogde 
men  ook  andere  misstanden  te  verbeteren :  art.  VI 
richtte  zich  tegen  hen  die  in  wilden  echt  samenleefden; 
art.  IX  verbood  het  lezen  van  gevaarlijke  alsook  door 
de  Kerk  uitdrukkelijk  veroordeelde  boeken  en  geschriften; 
art.  XI  ontzegde  aan  ketters  eene  kerkelijke  begrafenis, 
gelijk  aan  dezulken,  die  den  plicht  van  Paaschbiecht  en 
communie  hadden  verwaarloosd  en  vervolgens  zonder 
het  H.  Olysel  te  ontvangen  waren  gestorven.  En  om 
het  verspillen  van  kerkelijk  goed  te  voorkomen  was, 
gelijk  wij  reeds  vroeger  hebben  vermeld,  in  art.  VIII 
een  voorschrift  gegeven,  inhoudende :  dat  iedere  pastoor 
met  zijn  kerkmeesters  een  volledige  lijst  zou  opmaken 
van  beneficies  en  fundaties  en  dat  eene  authentieke 
kopie  van  dit  register  aan  den  bisschop  zou  overhandigd 


l)  Folio  editie,   II,  315—316. 


294 

worden.  Daar  Trente  ook  had  bevolen  dat  jaarlijks 
zulk  eene  kerkvergadering  moest  gehouden  worden  ^), 
gaf  één  der  laatste  statuten  (XIIT)  den  datum  aan, 
waarop  de  volgende  synode  in  1572  zou  bijeenkomen; 
daarvoor  werd  vastgesteld  de  derde  dag  na  Sint  Bar- 
tholomeus,  dus  27  Augustus.  De  tijdsomstandigheden 
hebben  dat  echter  belet;  het  oproer  tegen  den  Spanjaard 
had  zich  toen  reeds  uitgestrekt  over  het  grootste  ge- 
deelte van  het  bisdom  ;  Haarlem  stond  sinds  4  Juli  aan 
de  zijde  van  de  Prinsgezinden  en  de  bisschop  zelf  school 
in  den  vreemde. 

Reeds  in  1569  had  Alva  een  ordonnantie  uitgevaardigd 
waarbij  was  bepaald :  dat  niemand  in  de  Nederlanden 
een  regeeringspost  of  eenig  publiek  ambt  zou  kunnen 
verkrijgen,  tenzij  hij  eerst  het  bewijs  overlegde  dat  hij 
als  katholiek  had  geleefd,  welk  bewijs  de  onderteekening 
moest  dragen  hetzij  van  zijn  bisschop,  hetzij  van  zijn 
pastoor  2).  Het  vervullen  van  den  Paaschplicht  was 
natuurlijk  één  van  de  voornaamste  waarborgen  om  met 
goed  geweten  zulk  eene  attestatie  te  kunnen  afgeven. 
Gelijk  echter  in  tijden  van  beroering  nog  veel  meer 
dan  anders  pleegt  te  geschieden,  er  waren  personen, 
die  op  lossen  grond  beweerden  dat  iemand  zijn  plichten 
als  katholiek  niet  had  vervuld  of,  erger  nog,  die  tegen 
beter  weten  in  op  dit  punt  valsche  beschuldigingen  uit- 
brachten. Waarschijnlijk  hebben  deze  omstandigheden 
saamgewerkt  tot  het  uitvaardigen  van  het  bisschoppelijk 
decreet,  dat  wij  onder  Bijlage  III  publiceeren  en  moeten 
wij  aldus  de  woorden  :  „juxta  beneplacitum  ducis  Albani", 
welke  in  dit  stuk  voorkomen,  verstaan.  De  mogelijkheid 
is  echter   niet  uitgesloten  dat  v.   Mierlo  nog  een  afzon- 


i)  Sess.  XXIV,  de  Reform,  c.  2. 

2)  Gachard,    Corresp.  de  Philippe  II,   II,    104. 


295 

derlijk  bevel  had  gekregen  om  dit  mandement  uit  te 
vaardigen,  maar  zulk  een  schrijven  is  in  het  bisschoppelijk 
archief  niet  voorhanden,  noch  van  elders  ons  bekend. 
Op  23  Maart  1572  dan  gelastte  de  bisschop  aan  al  de 
biechtvaders,  in  zijn  diocees  werkzaam,  dat  zij  een 
afzonderlijk  register  zouden  aanleggen,  waarop  hunne 
biechtelingen,  ten  minste  voor  zoo  verre  dezen  leeken 
waren,  met  naam  en  voornaam  moesten  vermeld  worden 
en  dat  zij  desgevorderd  inzage  van  deze  lijst  zouden 
verstrekken.  Het  decreet  werd  uitgevaardigd  op  den 
Zondag  „ludica",  d.  i.  Passie-Zondag.  De  ijverige  bis- 
schop maakte  van  deze  gelegenheid  gebruik  om  zijn 
priesters,  welke,  gelijk  uit  het  decreet  blijkt,  in  die  week, 
aan  het  openen  van  den  Paaschtijd  voorafgaande, 
dagelijks  het  Woord  Gods  moesten  verkondigen,  te 
vermanen,  dat  zij  de  hoorders  niet  slechts  in  kennis 
zouden  stellen  met  den  inhoud  van  het  bisschoppelijk 
bevel,  maar  tevens  er  op  zouden  aandringen  om  toch 
één  van  hun  voornaamste  christen-plichten  te  vervullen. 
De  groote  werkzaamheid,  welke  wij  Haarlem's  tweede 
bisschop  in  dit  en  de  vorige  artikelen  zien  ontwikkelen, 
werd  helaas  spoedig  daarop  geknakt  door  het  oproer 
dat  in  de  Nederlanden  uitbrak.  Slechts  na  lang  aarzelen 
is  Haarlem  tot  de  partij  van  den  Prins  overgegaan ; 
reeds  op  30  April  werd  hiertoe  een  voorstel  gedaan, 
maar  eerst  op  4  Juli  ^)  kwam  het  bekende  accoord  tot 
stand.  De  reden  daarvan  moet  gezocht  worden  in  de 
gezindheid  van  de  aanzienlijksten  onder  de  burgerij, 
geestelijkheid  en  magistraat,  afkeerig  van  de  dwingelandij 
door    Alva  uitgeoefend,  maar  niet  oproerig  gezind,  be- 


ï)  Gewoonlijk  wordt  3  Juli  aangegeven,  doch  naar  Bor  (Boek  VI, 
381)  getuigt,  hebben  de  demagogen  op  3  Juli  aan  den  Haarlemschen 
magistraat  nog  één  dag  toegestaan  om  tot  het  afgedwongen  accoord 
over  te  gaan. 


296 

vreesd    ook  voor  de  wraak  van  den  geweldigen  hertog 

en  vol  wantrouwen  jegens  de  Calvinistische  volksmenners 

binnen  Haarlem.  Juist  op  denzelfden  dag  dat  een  tweetal 

van    dezulken,    de    toekomstige    „geusen-burgemeester" 

Fieter    Kies  en  Michel  de  Wacl,   beide  bannelingen,  op 

een    schuit    binnen    de    stad    zijn    gebracht    en    op  het 

stadhuis    ontboden    verklaarden  niet  wederom  te  willen 

vertrekken  ^),  is  v.  Mierlo  uit  Haarlem  geweken  ;  immers 

volgens    het    getuigenis    van    Sufifidus    Petri  ^)  moet  dat 

geschied  zijn  op  het  feest  van  St.  Jans  Geboorte,  d.  i. 

24    Juni.    Vermoedelijk    zag    hij    in    dat    bij   het  steeds 

driester  optreden  van  de  volkspartij  en  den  toenemenden 

angst    en    wankelmoedigheid    van    het    stadsbestuur    de 

overgang    van    Haarlem    slechts  een  kwestie  van  dagen 

was    en    verliet    hij    zijn    bisschoppelijke    stad  om  niet 

mede    verantwoordelijk    te    worden    gesteld    voor  dezen 

oproerigen   daad.  Ook  zal  de  bisschop  wel,   en  niet  ten 

onrechte,  beducht  geweest  zijn  voor  eigen  veiligheid  in 

de  toekomst  De  vikaris-generaal,  Hieronymus  Vairlenius, 

bleef    echter    in    Haarlem    achter,    en    heeft  daar  al  de 

ellende  van  de  belegering  mede  gemaakt  ^).  Van  Mierlo 

begaf  zich  naar  de  abdij  Terkamere  (la  Cambre),  door 

Cistercïenser    nonnen    bewoond    en    in    de  onmiddelijke 

nabijheid  van  Brussel  gelegen  *).  In  het  volgende  artikel 

zullen  wij   hem  daar  ontmoeten. 

A.  H.  L.  Hensen. 


1)  Naar  eene  aanleekening  uit  het  nog  onuitgegeven  Dagboek  van 
Wilhelmus  Verwar. 

2)  Continuatio  Suffridi   Petri   ad  Bekam,   fol.    10. 

3)  Willem  Verwer  teekende  in  zijn  Dagboek  op  15  Juni  1573  aan: 
ȟnse  vicarius,  Hieronymus  genaempt  en  pater  van  .Sint  Catherinen, 
werden  op  desen  dach  alle  sijne  boecken  gestroyt  ende  was  in  groote 
benautheyt." 

4)  De  abdij  is  in  1796  geseculariseerd.  Kerk  en  pand  zijn  nog  in  wezen 
en  gelegen  aan  de  Avenue  Louise,  op  weg  naar  het  Bois  de  la  Cambre, 
links.    Het    Ministerie  van   Oorlog  liet  zijne   kaarten   daar  vervaardigen. 


297 

BIJLAGE   I.  Zie  bovefi  bh.  2go. 


1571,  Juli  11,  Antwerpen. 

De  landvoogd  verlangt  van  v.  Mierlo  dat  er  een  nauwkeurige 
boekhouding  worde  gevoerd  bij  het  beheer  van  kerken  en  god- 
vruchtige instellingen. 

Don  Fernando  Alvares,  hartoch  van  Alve,  lieutenant,  gouver- 
neur ende  capiteyn  generael. 

Eerwerdighe  vader  in  Gode,  seer  beminde, 

Alsoo  men  siet  ende  dicmael  bij  experientie  bevonden  wordt 
dat  die  hospitaelen,  gasthuysen,  heylige  geest  tafels,  fabricquen 
vanden  kercken  ende  andere  pieuse  plaetsen  ten  achtercomen 
ende  verloren  gaen  ter  oorsaecken  dat  door  die  administrateurs 
ende  toesienders  vandien  daer  in  niet  gehandelt  en  wordt  als 
dat  behoort,  ende  aengemerkt  wij  daer  in  begeeren  te  versien 
opdat  die  goederen  ende  incompsten  vanden  hospitaelen  ende 
andere  huysen  als  boven  wel  ende  betamelijck  geregeert  ende 
geadministreert  worden  tot  profijte  van  den  armen  ende  der 
fabricquen  —  soo  ist  dat  wij  op  u  versoecken  dat  op  die  reecke- 
ninge  van  alsulcken  administrateurs  oft  ghij  selve  oft  yemandt 
anders  van  uwen  officieren  van  uwen  t'  wegen  sal  comen  den 
selven  administrateurs  doen  antwoorden  ende  bij  geschrift 
stellen  alle  die  renten  ende  incompsten  de  welcke  gevallen 
sijn  binnen  een  tijt  van  haerlieder  administratie  ende  te  doen 
het  uyterste  debvoir  om  die  selve  te  recouvreren,  mits  00c 
vande  renten  die  gevallen  waren  voor  haerlieden  administratie, 
ende  haerlieden  doen  een  cler  register  maecken  inhoudende 
die  schulden  diemen  den  voorscreven  godtshuysen  schuldich  is, 
wie  die  schuldenaers  sijn,  ende  sedert  wat  tijt;  welck  register 
sij  lieden  u  sullen  moeten  exhiberen,  op  dat  ghijt  dan  voorts 
aan  ons  moecht  seynden,  om  dat  van  ons  daer  in  geordonneert 
mach  worden,  dwelck  men  bevinden  sal  bequaemste  te  sijne. 
Gegeven  inde  stadt  van  Antwerpen,  den  11  in  Julio  anno  1571. 

Oud-xrchief  van  den  bisschop  van  Haarlem.  Copieboeck  I^jji — jj2. 


298 

B  IJ  L  A  G  E  II.  Zie  bm'en  bh.  2C)2. 

1571- 
Regels  voor  het  bisschoppelijk  gerechtshof. 

Ordinationes  sive  statuta  judicialia  in  curia  episcopali  Harle- 
mensi  observanda. 

C.    I.  De  iis  quae  generaliter  in  curia  sunt  observanda. 

In  primis  statuit  et  ordinavit  reverendissimus  in  Christo  pater 
et  dominus,  d.  Godefridus  a  Mierio,  episcopus  Harlemensis  ut 
omnes  et  singuli  in  curia  sua  postulaturi,  practicaturi,  advocati, 
procuratores,  notarii,  nuncii  caeterique  alii  quicunque  jurent 
eidem  reverendissimo  domino  episcopo  Harlemensi  ejusque 
successoribus,  item  officiali  ejus  generali,  fidelitatem,  obedientiam 
ac  reverentiam. 

Deinde  ut  jurent  quod  statuta  ejusdem  curiae  facta  et  facienda 
pro  posse  observabunt ;  secreta  curiae  non  revalebunt;  munera 
et  officia  sibi  incumbentia  fideliter  observabunt. 

Et  statuit  atque  ordinavit  idem  reverendissimus  ut  omnes  et 
singuli  praedicti  annis  singulis  prima  die  juridica  post  festum 
Trinitatis  praescriptum  juramentum  renovent  statutaque  hujus 
curiae,  praesertim  sua  officia  concernentia,  penes  se  habere 
teneantur. 

Item  ut  qualibet  hebdomade  judicium  servetur  feriis  secunda 
et  sexta  ante  meridiem  circa  horam  nonam,  quam  audientiam 
pro  multitudine  causarum  deinde  in  dies  subsequentes  officialis 
poterit  continuare,  si  modo  causarum  frequentia  id  exigat. 

Item  statuit  quod  omnes  causae  quae  coram  eodem  tribunali 
introductae  fuerint  omnesque  actus  judiciales  contentiosae  juris- 
dictionis  praedesignatis  diebus  et  horis  in  dicto  consistorio, 
officiali  ejusve  locum  tenente  pro  tribunali  sedente,  ventilabuntur, 
tractabuntur  et  fient,  et  aliter  vel  alibi  factae  pro  non  factis 
habebuntur,  proviso  tamen  quod  examinationes  testium,  expen- 
sarum  taxationes  et  similia  praedictis  horis  judiciliabus  per 
officialem  non  fiant,  ne  per  ejusmodi  occupationes  audientia 
impediatur,  sed  aliis  horis  convenientibus  peragantur. 

Actus  vero  voluntariae  jurisdictionis  poterit  officialis  exercere 
dum,  quando  et  ubi  causa  expostulaverit. 

Item  statuit  et  ordinavit  ut  omnes  et  singulae  causae,  quanto 
citius    fieri    poterit,    fine    debiio   terminentur   et,    si  quae  infra 


299 

annum  a  die  motae  litis  terminata  non  fuerit.  teneantur  tam 
procuratores  in  causa  illa  servientes  quam  notarius  de  ea  mora  sive 
de  dicta  processus  retardatione  eundum  reverendissimum  sive  ejus 
officialem  reddere  certiorem,  qui  deinde  illis  terminumstatuatcom- 
petentem  infra  quem  praedictus  processus  omnino  terminetur  cura- 
bitque  in  hoc  reverendissimus  e jusve  officialis  ne  quae  causa  ultra 
biennium  a  die  motae  litis  pendeat  indecisa.  Quod  si  procuratores  et 
notarius  praedicti  eorumve  aliquis  in  certoriando  aut  debite  prose- 
quendo,  uti  supra  dictum  est,  negligens  fuerit,  erit  is  pro  qualitate 
causae  et  alias,  prout  reverendissimo  videbitur,  graviter  mulctandus. 
C.  2.  De  officiali. 

Officialis  in  omnibus  audientiis  per  se  ipsum  praesideat,  in 
quibus  officium  suum  gratis  praestet  contentus  salario  a  reve- 
rendissimo ei  assignato. 

Quod  si  autem  eum  legitime  impeditum  aut  abesse  contingat, 
in  locum  suum  substituere  potest  i)  advocatum  aliquem  vel 
alium  virum  prudentem  et  honestum  qui  in  audientia  quidem 
praesideat  sed  nullum  tarnen  decretum  interponat. 

Neque  vero  liceat  officiali  in  die  audientiae  domo  abesse 
nisi  speciali  ad  hoc  licentia  impetrata  a  reverendissimo  sub 
poena  arbritaria. 

Item  responsiones  partium  et  examina  lestium  (a  quibus  fere 
tota  causa  dependet)  officialis  ipse  audiat  aut  impeditus  non 
passim  sed  probo  alicui  et  circumspecto  viro  tantum  committat, 
dato  ei,  si  videbitur,  adjuncto. 

Atqui  ad  hujusmodi  examinationes  faciendas  assignabit  officialis 
aliud  quodvis  tempus  idoneum  praeter  horam  audientiae. 

Omnes  autem  emergentes  et  incidentes  quaestiones  tenebitur 
officialis  terminare  infra  sex  hebdomodas  a  die  conclusionis, 
etiamsi  talis  sit  causa  quae  cum  consilio  jurisconsulti  vel  juris- 
consultorum  per  officialem  videbitur  esse  terminanda;  quod 
quidem  officialis  facere  potest  sumptibus  partium,  infra  tamen 
tempus  supradictum  ;  et  ni  faciat,  per  eumdem  reverendissimum 
ad  id  censuris  et  poenis  compelletur. 

Item  is  qui  habebit  a  reverendissimo  curam  sigilli  officii  nullas 
litteras  aut  actus  judiciales  privato  suo  sigillo  signabit  et  officii 
sigillum  non  aliter  litteris,  actibus  ne  judicialibus  [quidem],  apponet 
nisi  primum  registratis  et  per  secretarium  curiae  subscriptis. 


l)  Er  staat:  possit. 


300 

Item  si  officialis  impedimenti  conscius  particepsve  fuerit  ali- 
terve  obstiterit  ne  appelanti  in  casibus  a  jure  permissis  integra  i) 
acta  infra  mensem  tradantur,  ad  dupli  poenam  quanti  ea  lis 
fuerit,  inter  appellantem  ut  pauperes  loei  distribuendam,  com- 
pelletur. 

C.   3.  De  advocatis  et  procuratoribus. 

Advocati  si  consistorium  intraverunt  officiali  pro  tribunali 
sedenti  reverenter  inclinabunt  sedebuntque  a  latere  ipsius  officialis. 

Procuratores  autem  stabunt  aut  sedebunt  in  loco  ipsis  assig- 
nato  et  cavebunt  sibi  omnes  et  singuli  ne  irreverenter  aut 
indiscrete  ibidem  loquantur  sub  poena  privationis  aut  suspensionis 
officii  aut  alia  pecuniaria  per  officialem  moderanda. 

Pauperibus  advocati  procuratoresque  gratis  inserviant,  et  si 
plures  pauperum  causae  occurent  ita  eas  distribuet  officialis  inter 
advocatos  et  procuratores  ne  unus  plus  aliis  gravetur. 

Interdicit  autem  idem  reverendissimus  omnibus  et  singulis 
advocatis  et  procuratoribus  ne  quovis  quaesito  colore  lites 
actionesve  emanl  vel  sibi  cedi  faciant  aut  recipiant  suis  sumptibus 
prosequendas  aut  participent  talibus  aut  pacificentur  ")  de  quota 
litis  neve  immoderatas  etiam  sportularum  praetextu  pecunias 
a  clientelis  extorqueant  sed  honesto  suo  salario  contenti  sint; 
qui  secus  fecerint,  pro  arbitrio  reverendissimi  puniantur. 

Similiter  interdicit  omnibus  et  singulis,  tam  advocatis  quam 
procuratoribus,  ne  causas  iniquas  suscipiant  defendendas,  sub 
simili  poena  arbitraria,  neve  etiam  aequas  et  justas  diutius 
aut  prolixioribus,  quam  sit  necesse,  scripturis  protrahant  et 
extendant  partesque  non  necessariis  sumptibus  gravent  aut  in 
ulla  judicii  parte  calumnientur,  sub  simili  poena  arbitraria. 

Quamobrem  statuit  et  ordinavit  idem  reverendissimus  ut 
quoties  negotium  arduum  occurret  et  deductionem  aliquam 
videbitur  requirere  vel  plura  capita  continere,  libellus  statim  ab 
initio  porrigatur  articulatim  scriptus,  sitque  actor  e  vestigio 
paratus  ad  praestandum  calumniae  juramentum,  si  ita  judici 
videbitur  expedire.  Quod  nisi  paratus  sit  actor  praestare,  pro- 
hibet  idem  reverendissimus  ne  quis  advocatus  vel  procurator 
ejus  causam  suspiciat  defendendam  vel  susceptam  ulterius  prose- 
quatur ;  et  nisi  abstineat,  etiam  ipse  tanquam  calumniator  punietur. 


1)  Er  staat:  integre. 

2)  Er  staat:   pacificantur. 


30I 

Quod    ipsum    facta    suo    tempore   responsione   in  reo  similiter 
voluit  observari. 

Porre  ne  in  processibus  confusie  aliqua  oriatur  si  minus 
integre  statuta  hujus  curiae  observentur,  statuit  et  ordinavit 
idem  reverendissimus  ut  omnes  causae  per  procuratores  hujus 
curiae  dirigantur. 

Qui  autem  pro  alio,  sive  actore  sive  reo,  in  judicio  com- 
parere  volet,  de  mandato  sufficienti  docere  debet  idque  vel 
statim  nisi  judex  ex  gratia  certura  quempiam  terminum  statuat 
infra  quem  documenta  praedicta  exhibeat;  quod  ni  fecerit,  pro 
ea  temeritate  procurator  arbitrio  judicis  punietur.  Et  si  ex 
defectu  mandati  processum  in  dubium  revocari  contingat  ipse, 
non   pars,  dispendium  ferat. 

Habebit  etiam  quilibet  procurator  registrum  suum  sive  pro- 
tocollum  in  quo  annotabit  causas  et  personas  et  earum  terminos 
quorum  ipse  curam  suscepit-,  quod  ni  faciat,  punietur  singulis 
vicibus,  quibus  in  hoc  negligentiae  culpabitur,  in  mulctam 
septem  stuferorum. 

Item  statuit  et  ordinavit  quod  procuratores,  si  nullititatem 
aliquam  in  processibus  per  negligentiam,  injuriam  aut  impe- 
ritiam  vel  etiam  absentiam  commiserint,  parti  laesae  de  expensis 
et  damnis,  ea  occasione  passis,  absque  appellatione  et  uUa 
contradictione  ad  dictamen  officialis  satisfaciant,  et  si  in  mora 
satisfactionis  fuerint,  ab  officio  suspendantur  et  nihilominus 
parti  laesae  satisfacere  teneantur. 

C.  4.  De  secretarie  curiae,  ejus  substituto  et  notariis. 

Secretarius  curiae  in  omnibus  audientiis  personaliter  praesens 
erit.  Quod  si  autem  legitime  impeditus  fuerit  ex  permissu 
officialis,  alium  quemdam  notarium  ejusdem  consistorii  sub- 
stituet;  alioquin  singulis  vicibus  mulctabitur  une  floreno. 

Praesens  autem  secretarius  per  modum  protocoUi  annotabit 
ea  quae  in  judicio  geruntur;  non  autem  ibi  scribet  extensa  nisi 
ex  causa,  judicis  animum  dumtaxat  movente,  aliter  ei  fuerit 
mandatum ;  quod  protocellum  tanquam  publicum  ad  officium 
sive  curiam  episcopalem  Harlemensem,  non  autem  ad  notarium, 
pertinebit. 

Omnes  actus  judiciales,  citationes,  monitoria,  decreta,  man- 
data, excemmunicatienes,  absolutiones,  suspensiones,  sententiae, 
etc.  per  eundem  curiae  secretarium  vel  ejus  substitutum  sub- 
scribi  debent. 


302 

Item  omnes  scripturae  in  judicio  exhibitae  vel  saltem  earum 
copiae  authenticae,  per  ipsum  collationatae,  omniaque  acta  a 
dicto  secretario  conserventur,  donec  vel  liti  renuntiatum  fuerit 
vel  sententia  transierit  in  rem  judicatam  vel  alicui  ut  tradat 
mittatve  discutienda  vel  examinauda  jusserit  officialis  vel  per 
judicem  appellationis  fuerint  requisita. 

Quin  et  idem  secretarius  registrum  faciet  omnium  sententiarum 
in  eadem  curia  latarum  et  pronunciatarum,  quod  etiam  in  dicta 
curia  sive  officio  in  publicum  et  communem  omnium  usum 
asservabitur. 

Item  ne  ex  negligentia  secretarii  processus  diutius  protra- 
hantur,  quod  scilicet  parti  adversae  copia  scripti  alicujus  in 
judicio  exhibiti  vel  acta  aliqua  judicialia  tardius  conficiantur, 
statuit  et  mandat  idem  reverendissimus  ut  secretarius  in  singulos 
dies  quatuor  folia  ad  minus  expedire  teneatur,  quorum  in 
singulis  lateribus  viginti  quinque  lineae  ad  minus  et  in  qualibet 
linea  septem  dictiones,  duabus  syllabis  pro  una  dictione  com- 
putatis,  contineantur.  Quod  ni  faciat,  arbitrio  officialis  et  pro 
qualitate  causae  erit  puniendus. 

Porro  appellatione  in  casibus  permissis  interposita  teneatur 
notarius  congrua  mercede  accepta  actorum  copiam  appellant! 
(si  tamen  hoc  postulaverit)  quanto  citius  et  ad  minus  infra 
mensem  exhibere.  Qui,  si  in  difierenda  exhibitione  fraudem 
fecerit,  ab  officii  administratione  arbritrio  reverendissimi  sus- 
pendetur  et  ad  dupli  poenam  quanti  ea  lis  fuerit,  inter  appel- 
lantem  et  pauperes  loei  distribuendam,  compellatur. 

Voluit    insuper    et    ordinavit    idem    reverendissimus    ne  quis 

notarius,    etiam    quacumque   authoritate   creatus,  ad  ullum  ejus 

officii  exercitium  in  hoc  suo  consistorio  admittatur  nisi  prius  per 

reverendissimum  ejusve  officialem  examinatus  fuerit  et  approbatus. 

C.   5.  De  cursoribus  sive  executoribus  et  nunciis. 

Item  statuit  et  ordinavit  idem  reverendissimus  ut  cursores, 
in  officio  suo  aUoquin  non  impediti,  horis  audientiae  in  con- 
sistorio vel  ad  ejus  ostium  sint  praesentes. 

Item  voluit  ut  praedicti  cursores  officialem,  ad  audientiam 
venientem  et  inde  domum  redeuntem,  debitis  et  solitis  horis 
deducant  et  reducant. 

C.  6.  De  citationibus. 

Quandoquidem  in  judiciis  (saltem  quoad  praeperatoria  litis) 
primum  esse  solet  citatio  partis,  statuit  et  ordinavit  idem  reve- 


303 

rendissimus  imprimis  ut  citationes  in  scriptis  expediantur  sub 
sigillo  officialitatis  et  subscriptione  secretarü  curiae,  atque  aliter 
factas  haberi  voluit  et  habebit  pro  nullis. 

Utque  in  iis  parti,  nominadm  expressae  (generales  eniin 
citationes  non  nisi  in  certis  casibus,  in  jure  expressis,  sunt 
admittendaej  terminus  competens  assignetur,  quo  vel  ipse  vel 
ejus  legitimus  procarator  instructus  compareat  coram  judice,  ad 
petitionem  adversarii  responsurus. 

Et  ne  quam  occasionem  habeat  vocatus  cur  minus  veniat 
instructus,  causa  debiti  in  citatione  exprimenda  est. 

Termini  autem  competentia  primum  quidem  aestimabitur 
prout  infra  cap.  14,  de  terminorum  observatione,  plenius  dicetur, 
deinde  vero  etiam  locorum  distantia  in  ea  erit  exprimenda. 
Quamobrem  si  citandus  infra  quatuor  milliaria  a  loco  curiae 
seu  judicis  citantis  resideat,  talis  terminus  per  apparitorem  seu 
cursorem  citato  assignari  debet,  et  pro  itinere  faciendo  saltem 
diem  unum  integrum  habeat  praeter  spatium  temporis  praesenti 
alioquin  assignandum.  Si  vero  ultra  quatuor  millaria  et  infra 
octo  praesideat,  duos  dies  habeat  pro  itinere.  Si  ultra  octo, 
tune  saltem  tres  vel  etiam  plures  pro  loei  distantia,  uti  modo 
dictum  est,  aliterque  facta  citatio  tanquam  nulliter  facta  revo- 
cabitur  condemnabiturque  temerarius  executor  sive  apparitor 
in  expensas. 

Quin  et  appariior  sive  cursor  relationem  factae  executionis, 
quo  die  scilicet  insinuatio  facta  sit,  quem  terminum  assigna- 
verit  ad  comparendum,  quidque  vicissim  responsi  acceperit, 
fideliter  scribet  in  dorso  literarum  citationis,  et  horum  omnium 
tam  literarum  citationis  quam  suae  relationis  copiam  sive 
exemplum  relinquet  parti  citatae  requaesitus,  idque  expensis 
citari  procurantis. 

Potest  etiam  judex  ad  quaerimoniam  sive  supplicem  libellum 
partis  sub  certa  magna  poena  pecuniaria  praecipere  adversario 
ut  de  delicto  vel  debito,  cujus  in  eadem  suplicatione  fit  mentio, 
satisfaciat  infra  terminum  competentem  vel  compareat  ad  certum 
diem  coram  judice  causam  allegaturus  cur  id  facere  teneatur. 
Quo  comparente  resolvetur  dictum  praeceptum  in  vim  simplicis 
citationis  et  procedetur  deinceps  ordinarie  vel  summarie  prout 
causae  qualitas  videbitur  postulare.  Quapropter  vult  idem  reve- 
rendissimus  hujusmodi  praecepti  intimationem  fieri  per  cursorem, 
ut  de  simplici  citatione  modo  dictum  est. 


304 

Per  viam  autem  monitorii  procedi  solet  in  causis  confessis, 
liquidis,  spolii,  residentiae  curati,  criminalibus,  concubinatus, 
correctionum  morum,  matrimonialibus  et  similibus. 

C.  7.  De  non  comparentibus  et  contumacibus. 

Statuit  praeterea  et  ordinavit  idem  reverendissimus  ut  neutra 
parte  comparente  citatio  habeatur  pro  deserta  ac  si  reus  vocatus 
non  esset.  Et  comparente  reo  et  non  veniente  actore,  si  reus 
commeatum  petat,  dabitur  ei  abeundi  iacultas  et  incidat  actor 
in  poenam  viginti  stuferorum  et  in  expensas. 

Comparente  autem  actore  el  reo  non  veniente,  dabitur  contra 
eum  primus  defectus  punieturque  reus  mulcta  decem  stuferorum 
ac  decernetur  secunda  citatio  Ad  quem  reo  non  comparente, 
dabitur  secundus  defectus  et  mulcta  erit  vigenti  stuferorum  et 
decernetur  tertia  citatio  sub  magna  (utpote  succedente  in  locum 
excommunicationis)  et  gravi  poena  pecuniaria,  suspensione  a 
fructibus  beneficiorum,  pignorum  captione,  distinctione  personae, 
aut  alia  simili,  pro  qualitate  causae  et  personae,  judicis  arbi- 
trario  moderanda.  Qua  contumacia  per  reum  commissa  ad 
requaesitionem  actoris  decernetur  et  alia  insuper  citatio  ad 
convincendam  oranem  rei  malitiam.  Q.ua  [littera]  ad  primam 
diem  juridicam  vel  ad  alium  terminum  competententem  citetur 
ad  videndum  decerni  litteras  executoriales  praedictarum  omnium 
poenarum,  etiam  cum  invocatione  brachii  saecularis,  quatenus 
opus  fuerit.  Et  procedi  nihilominus  in  ipso  negotio  poterit, 
nisi  in  dicto  termino  reus  comparuerit  et  contumacias  purga- 
verit  priores. 

Et  ut  judiciorum  brevitati  etiam  in  initio  litis  studeatur,  vo- 
luit idem  reverendissimus  ut  quotiescumque  causae  persona- 
rumque  qualitas  non  refragabitur,  officialis  unam  dumtaxat 
citationem  pro  tribus  eamque  peremptoriam  decernat  una  cum 
comminatione  poenae  majoris,  uti  de  tertia  citatione  modo 
dictum  est,  procedatque  deinde  ad  alteram  ex  superabundanti, 
ac  si  tres  aliae  citationes  processissent,  de  cujus  modo  et  for- 
mula  similiter  dictum  est. 

Et  si  ne  tune  quidem  comparet,  accusata  per  actorem  rei 
contumacia  et  defectu  a  judice  obtento,  fiat  ex  parte  actoris 
petitio,  et  ex  parte  rei  lis  habeditvr  pro  contumacia,  ac  praestito 
juramento  calumniae  admittet  judex  actorem  ad  probandam 
intentionem  suam. 

Nullus   autem    in    universo  judicio  censebitur  contumax,  nisi 


305 

quem    judex    pro    tribunali    sedendo    contumacem    reputaverit. 

Porro  poenae  praedictae,  eo  ipso  quod  exactae  fuerunt  per 
procuratorem,  officii  locis  piis  ibi  existentibus  applicentur. 

C.  8.  De  comparentibus  et  communi  modo  procendendi. 

In  termino  autem  praesentibus  actore  et  reo  seu  eorum 
procuratoribus  actor  proponet  petitionem  suam  vel  verbo  vel 
scripto,    ad    quam    statira    pertinenter   respondebitur  per  reum. 

Dabit  operam  judex  ut,  sumptibus  litigantium  parcendo,  quam 
poterit  fieri  brevissime  causam  expediat  jubeatque  imprimis 
hujusmodi  dicta,  hinc  inde  per  partes  in  judicio  proposita  et 
responsa,  per  secretarium  curiae  fideliter  annotari,  adeo  ut,  si 
partibus  placeat,  etiam  unico  contextu  servari  possint  renuntia- 
reque  liceat  terminis  de  jure  servandis  et  ut  simpliciter  et  de 
plano  ac  sok  veritate  inspecta  summarie  procedatur. 

Quin  et  idem  reverendissimus  statuit  et  ordiriavit  ut  in  om- 
nibus vilibus  causis,  duodecim  scilicet  florenorum  Caroleorum 
et  infra,  absque  scripto  simpliciter  et  de  plano  procedatur. 

Et  statuit  insuper  omnes  causas  civiles,  quarum  aestimatio 
centum  Caroleos  aureos  non  exedit,  esse  ac  haberi  summarias. 

Sin  autem  majoris  momenti  et  indagationis  causa  esse  vide- 
bitur,  praefiget  judex  lerminum  competentem  ad  articulatim  i) 
libellandum   et  reo  eundem  terminum  ad  libellari  videndum. 

Statuitque  et  ordinavit  idem  reverendissimus  quod  nisi  in 
dicto  termino  libellus  articulatus  et  manu  et  propria  procuratoris 
aut  advocati  subscriptus  porrigatur,  talis  procurator  sive  quicumque 
ejusmodi  scripturam  exhibens  mulctetur  poena  sex  stuferorum, 
et  officialis,  recipiens  et  admittens  eandem  scripturam  sine  con- 
tradictione,  incidat  in  mulctam  decem  stuferorum.  Idemque 
observari  voluit  in  responsionibus,  replicationibus  et  quibus- 
cumque  aliis  scriptis  in  judicio  exhibendis,  nempe  ut  articulata 
et  subscripta  exhibeantur  sub  simili  poena. 

Et  si  reus  praetendat  se  aliqua  exceptione  declinatoria  aut 
dilatoria  veile  uti,  vel  tempus  deliberandi  petat  salvis  suis 
exceptionibus,  praefigetur  eidem  reo  terminus  competens  ad 
omnes  exceptiones  suas  tam  declinatorias  quam  dilatorias  propo- 
nendas  procedeturque  circa  dictas  exceptiones  per  responsionem, 
replicationem  et  duplicationem  allegatorumque  probationem 
continuo,  donec  judex  eas  per  sententiam  suam  interlocutoriam 


l)  Er  staat:   articulate 


3o6 

vel  admiserit  vel  rejecerit;  quo  posteriore  casu  in  eadem  inter- 
locutoria  praefiget  reo  certum  terminum  libello  actoris  respon- 
dendi  litemque  debite  contestandi. 

Poterit  autem  reus  ante  litis  contestationem  dumtaxat,  vel, 
si  eam  differat,  in  termino  ad  litem  contestandam  sive  libello 
respondendum  primum  assignato  et  non  postea,  dictas  suas 
exceptiones  proponere  et  ordine  prosequi. 

Et  ne  lites  indebite  prorogentur,  statuit  et  ordinavit  idem 
reverendissimus  ut  post  peremptoriam  citationem  legitimumque 
litis  ingressum  omnes  termini  per  judicem  praefigendi  in  tota 
et  universa  lite  ejusque  dependentüs  et  annexis  sint  peremptorii, 
qui    tarnen  pro  judicis  arbitrio  nonnunquam  possunt  prorogari. 

Quapropter  in  termino  ad  respondendum,  si  reo  non  respon- 
dente  actor  rei  contumaciam  accusaverit,  praejudicabit  sibi  reus 
in  illo  actu  habebiturque  ac  si  respondisset  et  litem  contestatus 
esset,  nisi  judex  terminum  prorogaverit ;  alioquin  vel  etiam  in 
termino  dictae  prorogationis  consessae  procedendo  ad  ulteriora 
ac  praevio  juramento  calumniae  ex  parte  actoris  praestando 
praefigetur  eidem  actori  terminus  ad  articulandum  aut  ad  pro- 
bandum,  si  libellus  ejus  fuerit  articulatus. 

Sed  si  reus  responderit  litemque  fuerit  contestatus,  tenebitur 
etiam  statim  calumniae  juramentum  praestare ;  quo  facto,  si 
replicare  volet  actor,  praefigetur  ei  terminus  ad  id  faciendum  ; 
quo  veniente  dabitur  similiter  aliter  terminus  reo  ad  duplicandum, 
et  ex  causa  ad  triplicandum  potest  procedi. 

Quo  peracto,  hoc  est  in  postremo  tali  actu  judiciali,  utrique 
parti  statuetur  terminus  ad  articulandum,  nisi  fortassis  scripturae 
praviae  jam  sunt  articulatae,  quam  articulationem  idem  reveren- 
dissimus mandat  semper  fieri  quoties  in  scriptis  proceditur,  uti 
supra  dictum  est;  quo  tempore  praefigitur  partibus  intentionem 
suam  probare  volentibus  terminus  tam  ad  respondendum  quam 
ad  probandum  ac  statuendus  est  etiam  adversario  terminus  ad 
dandum  interrogatoria.  Hoc  facto  citabitur  adversarius  ut  per- 
sonaliter  respondeat  »credit"  vel  non,  vel  »verbum  veritatis", 
pro  qualitate  materiae  controversae. 

Factam  autem  responsionem  per  verbum  »ignorat"  habebit 
judex  pro  negativa.  Et  si  detrectaverit  pars  alterutra  respondere, 
ad  petitionem  adversarii  citabitur  primum  simpliciter,  deinde 
bis  sub  poenis  pecuniariis  et  tandem  quarto  sub  poena  confessi, 
quemadmodum  in  C.  de  terminorum  observatione  tradetur. 


307 

Et  praefigentur  partibus  intentionem  suam  probare  volentibus 
sub  prima  et  secunda  dilationibus  termini  comparentes  juxta 
locorum  habitationum  partium,  temporis,  causae  et  reliquarum 
qualitatum  exigentiam ;  quibus  sine  ulla  testium  productione 
exspiratis  poterit  judex  ex  causa  ligitima  alios  terminos  probandi 
sub  tertia  dilatione  praefigere ;  quos  interim  judex  et  prorogare 
poterit  ex  causa  et  ad  elapsos  similiter  restituere. 

Testimonia  autem,  nisi  per  judicem  causae  ejusve  delegatum 
testibus  (uti  modo  dicetur)  examinatis,  vel  olim  ad  perpetuam 
rei  memoriam  aut  alibi  cum  solitis  et  debitis  solemnitatibus 
legitime  requisita  et  producta,  non  passim  admittentur  ad  plenis- 
simam  probationem  nisi  apud  dictum  judicem  ejusve  delegatum 
fuerint  recollecta. 

Cum  autem  quispiam  testes,  instrumenta,  vel  quid  simile 
producere  volet,  citabitur  ad  eum  diem  pars  adversa  ut  videat 
insuper  produci  instrumenta,  registra  et  similia  in  probationem 
eorum  articulorum  quos  in  »bilgetta"  sive  sedula  citationis 
ejusmodi  annotaverit;  quo  termino  existente,  sive  praesens 
fuerit  adversarius  sive  non,  procedetur  nihilominus  ad  dictorum 
receptionem.  Testium  examen  convenit  in  utriusque  partis  ab- 
sentia  fieri  et  cuilibet  audito  super  eum  depositis  silentium 
imponi,  donec  publicabuntur. 

Examinatis  a  partibus  productis  testibus,  si  quidem  neutra 
pars  amplius  quippiam  producere  intendit,  citatio  decernetur  et 
partibus  seu  earum  procuratoribus  presentibus  terminus  praefi- 
getur  ad  renunciandum  ulteriori  productioni  et  ad  videndum 
testium  dicta  publicari  et  ad  dicendum  et  excipiendum,  si  velit, 
copiam  attestationum  et  praefigetur  excipienti  terminus  corn- 
petens,  quo  adveniente  replicabitur  infra  terminum  similiter 
competentem  ac  probanda  breviter  probari  debent. 

Tandem  praefigetur  terminus  ad  concludendum  et  concludi 
videndum  et  audiendum  in  hujusmodi  causa.  In  quo  termino 
concludent  et  petent  secum  concludi  et  judex  concludet  cum 
iisdem,  reservata  tamen  sibi  facultate  et  potestate  eandem  con- 
clusionem  retractandi,  si  id  ita  videbitur  expedire. 

Porro  ubi  judex  satis  deliberavit  (infra  sex  hebdomadas  a  die 
conclusionis,  uti  supra  dictum  est),  citari  curabit  partes  ad  ter- 
minum competentem  ad  audiendum  jus  dici  et  sententiam 
definitivam  ferri. 

Sed  si  contra  contumacem  vel  abstntem  sine  litis  contestatione 


3o8 

ferenda  est  sententia,  in  citatione  fiat  comminatio  quod  feretur 
sententia  condemnatoria  contra  eum. 

Deinde  lata  sententia  definitiva,  si  contingat  ab  ea  appellari, 
potest  id  viva  voce  fieri,  si  statim,  hoc  est,  judice  adhuc  pro 
tribunali  sedente,  interponatur ;  alioquin,  si  ex  intervallo  fiat, 
in  scriptis  appellandum  est. 

Deferet  autem  judex  appellationi,  nisi  vel  notorie  frivola 
fuerit  vel  ejusmodi  causae  quae  appellationem  non  admitlit. 
Quod  si  judex  ex  causis,  animum  suum  moventibus,  appel- 
lationi non  detulerit,  sententiam  suam  executioni  demandabit 
donec  per  superiorem  fuerit  inhibitus.  Sed  si  detulerit,  poterit 
praefigere  appellanti  terminum  convenientem  secundum  locorum 
distantiam  et  personarum  et  negotii  qualitatem ;  regulariier 
autem  si  ad  Sedem  Apostolicam  fuerit  appellatum,  praefiget 
terminum  trium  mensium  ad  docendum  de  diligentia  prosecu- 
tionis  et  alios  tres  menses,  immediate  subsequentes,  ad  prose- 
quendam  appellationem,  quibus  terminis  effluxis  judex  a  quo 
potest  decernere  executoriales,  si  appellans  non  docuerit  de 
diligentia  et  prosecutione  praemissis. 

Si  vero  ad  Sedem  Metropolitanam  appellabitur,  statuetur  appel- 
lanti spatium  sex  hebdomadarum  ad  docendum  de  diligentia 
et  aliarum  sex  hebdomadarum,  immediate  sequentium,  ad 
docendum  de  prosecutione  ;  quod  nisi  appellans  fecerit,  mandabit 
judex  a  quo  sententiam  suam  executioni. 

Ab  interlocutoria  sententia  vel  gravamine  appellari  non  potest, 
nee  tenetur  judex  appellationi  ejusmodi  deferre,  sed  potest  ad  ultiora 
procedere,  nisi  habeat  vim  sententiae  definitivae  vel  nisi  gravamen 
per  definitivam  reparari  vel  ab  ipsa  definitiva  appellari  non  possit. 

Porro  si  quis  in  casibus  a  jure  permissis  appellaverit  aut  de 
aliquo  gravamine  conquestus  fuerit,  seu  alias  ob  lapsum  biennii 
(infra  quod  a  die  motae  litis  processus  terminatus  non  fuerit) 
ad  alium  judicem  recurrerit,  teneatur  acta  omnia,  in  hoc  judicio 
gesta,  suis  expensis  ad  judicem  appellationis  transferre,  eodem 
tamen  reverendissimo  ejusve  officiali  prius  admonito,  ut,  si 
quid  ei  pro  causae  inslructione  videbitur,  possit  judici  appel- 
lationis significare.  Et  statuit  idem  reverendissimus  [ut],  etiamsi 
appellatus  actis  (uti  modo  dictum  est)  translatis  coram  eodem 
judice  appellationis  uti  volet,  non  tamen  teneatur  ad  eorum 
expensas  pro  aliqua  portione,  sed  integrum  hoc  onus  ad  appel- 
lanten! pertineat. 


309 

In  his  autem,  ubi  de  visitatione  aut  morum  correctione, 
interdictione  notario  ab  episcopo  facta,  residentia  curatorum, 
clausura  monialis,  precedentia  aut  concubinatibus  agitur,  appellatio 
executionem  non  impedit  aut  suspendit. 

C.  9.  De  causis  beneficialibus. 

Qui  ad  beneficium  aliquod  deinceps  praesentabitur,  primo 
omnium  juxta  statuta  Tridentini  concilii  ^)  etiam  per  episcopum 
examinandus  est. 

Peracto  itaque  hujusmodi  examine  et  approbatione  (quae  gratis 
fient)  obtenta,  statuit  et  ordinavit  idem  reverendissimus  ut 
praesentatus  impetret  solitas  literas  proclamationis  ab  eo  qui 
jus  habet  instituendi.  Quod  ni  fecerit  infra  tempus  (quadrimestre 
scilicet  si  patronus  laicus  fuerit,  aut  semestre  si  ecclesiasticus) 
patronus  ad  praesentandum  a  jure  praefixum,  collatio  illa  ad 
superiorem  censebitur  devoluta.  Deinde  obtentis  literis  procla- 
mationis, praesentatus  faciat  illas  exequi  secundam  formam  in 
iis  expressam ;  executioni  demandatas  reportabit  in  termino  et 
accusabit  contumaciam  non  comparentium  petens  se  institui : 
et  nemine  comparente  adjudicabitur  praesentato  instituiio.  Sed 
si  quis  erit  qui  se  hujusmodi  institutioni  volet  opponere,  potest 
id  tum  facere  et  dicere  ex  adverso  partem  suam,  a  vero  patrono 
praesentatam,  in  hujusmodi  beneficio  instituendam  fore  et  causas 
rationesque  suae  oppositionis  ailegare.  Et  tune  praefigetur  ter- 
minus ad  libellandum  et  libellari  videndum  ad  quindenam. 

Quo  termino  adveniente  praefigitur  aUus  brevis  terminus  ad 
jurandum  de  calumnia,  nisi  in  eodem  termino  praedictum  jura- 
mentum  praestiterit,  ac  procedetur  deinde  ulterius  prout  ordo 
causae  dictaverit  expedire. 

Quin  etsi  sine  proclamationibus  ad  beneficii  alicujus  posses- 
sionem  quis  fuerit  admissus,  qui  taU  possessori  oppenere  se 
volet,  curabit  is  dictum  possessorem  in  jus  vocari  ac  dicto 
libello  procedere  potest  summarie  vel  ordinarie.  In  quo  tamen 
illud  cavendum  est  ne  ob  solam  contumaciam  rei  actor  in 
possessionem  mittatur  causa  rei  servandae,  sed  liceat  etiam  in 
hoc  casu  (contumacis  absentiam  divina  replente  praesentia), 
etiam  lite  non  contestata.  diligenter  examinato  negotio,  ipsum 
fine  debito  terminare. 

Pendente  vero  hujusmodi  causa  beneficiali  omnium  fructuum 


l)  Sess.  VII,  c.    13.  [Ue  reformatione]. 


3IO 

et  emolumentorum  ejus  cura  et  dispositie  penes  reverendissimum, 
aut  ejus  potestate  ad  hoc  specialiter  deputatum,  erit  qui  detractis 
sumptibus  in  officium  dicti  litigiosi  beneficii  requisitis  de  reliquo 
rationem  redditurus  est  ei  cui  beneficium  adjudicabitur.  Q_uod  ita 
plane  obtinebit  donec  alterutur  saltem  in  possessoriotriumphaverit. 
C.   lo.  De  causis  matrimonialibus. 

In  causa  matrimoniali  (quae  non  inferiorum  judicum  judicio, 
etiam  in  visitando,  sed  episcopi  tantum  examini  et  jurisdictioni 
relinquitur)  expedit  ut  actionem  proponere  volens  libellum  det 
articulatum  cum  designatione  temporis,  loei  el  cum  expressione 
verborum  etc.  Et  in  exhibitione  libelli  praestabit  actor  calumniae 
juramentum  et  dabitur  reo  copia  libelli  praefigiturque  ei  terminus 
competens,  quo  adveniente  praevio  juramento  calumniae  affir- 
mative  vel  negative  singulatim  in  persona  respondeat.  Valde 
autem  utile  fuerit  ut  judex  ex  officio  interrogatoria  quaedam 
faciat  ad  causae  investigationem  et  decisionem  spectantia,  ad 
quae  jubeat  partes  omnino  respondere,  quae  responsiones  actis 
jungantur.  in  caeteris  procedetur  ordinarie  vel  summarie. 

Poterit  etiam  judex  vel  officio  vel  ab  actore  requisitus  sub 
ecclesiasticis  censuris  aut  pecuniariis  poenis  tam  alterutri  quam 
utrique  parti  injungere  ne  lite  hac  pendente  cum  alio  matri- 
monium  contrahat. 

Notandum  autem  est  hoc  loco  quod  sententia  contra  matri- 
monium  lata  nunquam  transit  in  rem  judicatam. 

Item,  si  pars  vere  paupertatem  probaverit,  quod  non  cogitur 
extra  provinciam  nee  in  secunda  instantia  nee  in  tertia  in  eadem 
causa  matrimoniali  litigare  nisi  pars  altera  et  alimenta  et  expensas 
litis  velit  subministrare. 

C.   II.  De  injuriis. 

Actiones  injuriarum  statuit  et  ordinavit  idem  reverendissimus 
non  facile  admittendas,  sed  voluit  ut  ante  earum  initium  offi- 
cialis  vel  per  se  vel  per  alios  operam  det  sopiendis  istiusmodi 
dissidiis. 

Quod  si  obtineri  non  potest,  actor  imprimis  munitus  sit  per 
actum  revocationis  ad  animum  et  taxationis  injuriarum.  Et 
videat  ne  actio  sua  sit  jam  consumpta. 

C.   12.  De  causa  spolii. 

In  hujusmodi  causis  citatio  fiet  per  monitorium  cum  poena, 
et  in  termino  reo  comparenti  dabit  actor  sive  spoliatus  libellum 
articulatum  et  procedetur  quanto  citius  fieri  poterit. 


3" 

C.   13.  De  causis  criminalibus. 

Procurator  fiscalis  vel  per  se  ratione  officii  sui  vel  cum 
injuriato  et  laeso  exposita  querela  apud  judicem  impetret  moni- 
torium  contra  reum  vel  reos  cum  expositione  causae  et  exces- 
suum  etc.  Et  ut  infra  certum  terminum  Deo  et  ecclesiae  satisfaciat 
et  emendam  praestet  condignani,  aut  alias  juxta  canonicas  sanc- 
tiones  puniatur  cum  clausuia:  »nisi  causam"  etc.  resolutoria 
in  citationem,  aut  ad  personae  apprehensionem  et  detentionem, 
si  de  fuga  temeatur.  In  summa,  ne  citatio  in  criminali  causa 
temere  decernatur,  voluit  idem  reverendissimus  ut  pro  qualitate 
causae  et  personarum  judex  decretum  suum  temperet  et  ut 
procurator  fiscalis  non  nisi  ex  mandato  judicis  ejusmodi  litem 
instituat,  justitiam  autem  omnino  non  deserat,  nisi  ex  speciali 
mandato  ejusdem  reverendissimi,  sed  ad  finem  usque  eam 
sincere  prosequatur.  Neque  abs  re  fuerit  secretarium  curiae 
speciale  habere  registrum  excessuum  in  quo  plane  referenda 
sunt  nomina  reorum  et  causae,  priusquam  ulla  adversus  eosdem 
citatio  decernatur,  nisi  fortassis  ex  causa  aliter  expedire  judici 
videatur. 

Et  ut  processus  hujusmodi  citius  expeditiusque  terminentur 
expedit  ut  reus  in  persona  propria  comparens  respondeat  ad 
singulos  articulos  speciatim  per  verbum  veritatis  et  super  negatis 
procurator  fisci  procedat  ad  probationes.  Et  reus  contra  ad 
exceptiones  defensionemque  sui  legitimam  admittatur  totaque 
causa  quam  poterit  fieri  citissime  terminetur  et  absoluta  debitae 
executioni  demandetur. 

Sit  tamen  in  potestate  judicis  injunctae  poenitentiae  sive 
satisfactionis  tempus  pro  suo  arbitrio  et  ex  causa  prorogare. 

Et  si  delicti  atrocitas  depositionem  degradationemve  requirat, 
servabitur  in  ea  id,  quod  a  patribus  in  sacro  Tridentino  concilio 
est  statutum  in  C.  4  [de  Reform.]  S.  XIII. 

C.   14.  De  terminorum  observatione. 

Prima  citatio  sive  monitio  debet  habere  ad  minimum  spatium 
14  dierum  post  executionem  ejusdem,  adeo  ut  decima  quinta 
dies,  si  juridica  fuerit,  alioquin  prima  deinde  subsequens,  sit 
dies  praefigenda  comparationi.  Secunda  autem  citatio  et  ulteriores 
singulae  habeant  dies  septem ;  quae  vero  ex  gratia  judicis  fient, 
pendent  ab  ejus  arbitrio. 

Ab  his  excipiuntur  citationes  sive  monitiones  in  causis  spolii, 
matrimonii,  criminum,  peregrinorum  provisionalibus  et  similibus, 


312 

quae  moram  istam  sine  scandalo  aut  injuria  alterius  ferre 
nequeunt,  atque  ideo  judex  pro  suo  arbitrio  in  his  terminum  statuet. 

Post  citationem  et  in  judicio  comparitionem,  tam  per  se 
quam  per  procuratorem,  statuit  et  ordinavit  idem  reverendissimus 
ut  omnes  termini  sint  peremptorii,  nisi  per  judicem  prolon- 
gentur,  quam  prorogationem  etiam  in  termino  assignato  facere 
atque  ex  causa  iterare  et  ad  elapsos  (non  tamen  nisi  ex  causa) 
restituere  judex  potest. 

Et  quia  actor  merito  paratus  in  judicio  comparere  debet,  si 
tamen  libellum  scriptum  non  habebit  et  judici  videbitur  in 
scriptis  esse  procedendum,  assignabitur  ei  terminus  ad  libel- 
landum  et  libellum  articulatura  exhibendum  ad  octavum ;  sed 
in  prima  comparatione  debet  actor  jurare  de  calumnia,  si  ei 
fuerit  injunctum. 

Et  si  forte  libellus  articulatus  non  fuerit,  scripto  tamen  [sit] 
exhibitus.  Ubi  libello  responsum  erit,  dabitur  terminus  hinc 
inde  ad  articulandum,  unus  pro  libello  et  alter  pro  responsione  i). 
Et  hic  erit  ad  octavam  vel  duodecimam  pro  judicis  discretione. 

Ad  respondendum  libello  etiam  articulatim,  dabitur  terminus 
ad  quindenam,  et  si  petatur,  prolungabitur  deinde  ad  octavam 
vel  ulterius,  si  causa  hoc  requirat.  In  quo  termino  respondens 
similiter  de  calumnia  jurabit. 

Ad  replicandum  similiter  erit  terminus  ad  quindenam.  Ad 
duplicandum  similiter;  et  sic  deinceps,  si  erit  necesse. 

Ad  respondendum  articulis  primus  terminus  erit  ad  octavam 
diem ;  reliquos  autem  tres  moderabitur  judex  singulos  pro  suo 
arbitrio. 

Ad  producendum  omnia  pro  qualitate  negotii  et  causae  erit 
terminus   ad   octo   vel  plures  dies,  arbitrio  judicis  moderandos. 

Ac  si  testibus  res  erit  probanda,  ad  praefigendum  terminum, 
quando  testes  produci  debent,  erit  ad  octavam,  vel  alias  pro 
judicis  discretione. 

Ad  videndum  testes  recipi  et  jurare  et  ad  dandum  interea 
interrogatoria,  si  voluerit,  erit  terminus  ad  octo,  vel  alias 
judicio  officialis  judicisve  moderandus. 

Ad  producta  publicanda,  ad  primam  juridicam. 

Ad  dicendum  contra  producta,  ad  quindenam. 

Ad  concludendum  in  causa  cum  summaria  repetitione  actorum 


i)   Er  staat:   uni   libellum   et  alteri   responsionem. 


313 

et    terminorum    substantialium    ad    evitandas  nullitates,  hic  ter 
minus  dabitur  ad  primam. 

Ad  audiendam  sententiam,  ad  octavam  vel  quindenam,  vel 
prout  judici  videbitur. 

C.   15.  De  festis  palatii  curiae  Romae. 

De  lijst  der  feestdagen^  ivaarop  de  Romeinse he  curie  en  in 
aansluiting  daarbij  ook  de  bisschoppelijke  rechtbank  te  Haarlem 
geen  zitting  hield,  laten  wij  als  hier  van  minder  beteekenis 
achterwege. 

C.   16.  De  taxa  expensarum. 

Ook  deze  lijst,  waarop  de  proceskosten  in  schellingen  zijn 
berekend  voor  de  verschillende  formaliteiten,  kan  o.  i.  achter- 
wege blijven. 

Forma  juramenti. 

Ego,  N.,  ab  hac  hora  fidelis  et  obediens  ero  reverendissimo 
in  Christo  patri  ac  domino  d.  Godefrido  a  Mierlo,  episcopo 
Harlemensi  ejusque  officiali  pro  tempore.  Boni  procuratoris 
officium  fideliter  diiigenterque  exercebo  et  omnia  et  singula 
statuta  ejusdem  reverendissimi  domini  episcopi  ejusque  officialis, 
tam  facta  quam  facienda,  praecipue  officium  meum  ullatenus 
concernentia,  integre  ac  plene  observabo.  Sic  me  Deus  adjuvet 
et  haec  sancta  Dei  evangeiia. 
Oud  archief  van  den  bisschop  van  Haarlem,  Kopie-boeck  I. 


BIJLAGE    lil.  Zie  boven  blz.  294. 
1572,  Maart  23.  Haarlem, 
Bevel  van  v.  Mierlo  om  lijsten  van  biechtelingen  aan  te  leggen. 

Godefridus  a  Mierle,  Dei  et  apostolice  sedis  gratia  episcopus 
Harlemensis,  omnibus  et  singulis  nostre  diocesis  pastoribus, 
animarum  curam  habentibus  eorumque  vices  quocumque  modo 
gerentibus,  necnon  cujusvis  ordinis  regularibus  aliisque  Christi 
sacerdotibus,  ad  confessiones  secularium  audiendas  presentatis 
et  legitime  admissis,  salutem  in  Domino  sempiternam.  Ne 
peccatorum  confessio  atque  expiatio,  ad  salutem  pro  necessaria, 
quavis  occasione  negligatur  ac  decretum  generalis  concilii,  olim 
anno    1215    celebrati  i),    observetur,    utque    probi    et   catholici 


i)  Het  2 ie  hoofdstuk  der  bepalingen  van  hel  vierde  algemeene  concilie 
van    het  Lateraan,  waarbij   de  jaarlijksche  biecht  werd  voorgeschreven. 


314 

nostre  diocesis  homines  integritatis  sue  contra  quoscumque 
calumniatores  et  criminatores  testimonium  habeant,  praecipimus 
et  districte  mandamus  omnibus  et  singulis  supra  scriptis  eccle- 
siasticis  viris  sub  poena  privationis  beneficiorum  et  officiorum 
ac  previlegiorum  amissionis  ut  juxta  beneplacitum  illustrissimi 
ac  excellentissimi  ducis  Albani,  gubernatoris  generalis,  etc, 
libellum  componant  in  quo  omnium  sibi  confitentium  nomina 
et  cognomina  diligenter  conscribant  et  fideliter  custodiant,  semper 
parati  ad  illius  exhibitionem,  quoties  requisiti  fuerint.  Proinde 
sub  eisdem  poenis  dictis  ecclesiasticis  viris  praecipitur  ne  cui- 
quam,  ad  eos  accedenti,  officium  audiendi  confessionem  negare 
audeant,  verum  pro  opportunitate  loei  et  temporis  illos  benigne 
prompteque  excipiant  ac  pro  cause  ac  rei  necessitate  instruant, 
doceant,  consolentur  ac  admittant.  Concionatores  porro  die 
crastino  i)  aliisque  sequentibus  diebus  hujus  nostri  statuti  neces- 
sitatem  simul  et  utilitatem  pro  concione  populo  exponant,  quo 
ira,  indignatio,  afflictiones  et  plage,  que  potissimum  propter 
sacrosante  Eucharistie  perceptionem  a  Deo  mortalibus  immit- 
tunter,  facilius  avertentur  et  catholici  et  sincere  fidei  homines 
ab  omni  suspicione  hereseos  in  futurum  liberentur  ac  securi 
reddantur ;  adeo  ut  nemo  sane  mentis  idem  decretum  improbare 
aut  damnare  poterit,  nisi  forte  omnem  humanitatem  ac  reve- 
rentiam  exuerit  ac  hereticus  vel  de  fide  suspectus  fuerit.  Datum 
Harlemi,  anno  1572,  10  Kalendas  Aprilis.  Sub  sigillo  nostro 
secreto. 

De  mandato  prefati  reverendissimi  domini 

siibscriptum  erat : 

H.  Bertrandus,  secretarius. 

Oud  archief  van   den   bisschop  van  Haarlem,  Copieboeck  I,  jgy. 


l)    Maandag    in   de   Passie-week;    de   Paasch-tijd  begon  ook  toen   met 
Palm- Zondag, 


ALIMENTATIE    DER    KLOOSTERLINGEN    VAN 
MARIËNHAVEN  TE  WARMOND. 


Volgens  een  request,  opgenomen  in  het  „Gerechtsboek 
van  Leiden"  (I,  114),  schuilden  op  het  einde  van  1572 
of  in  het  begin  van  1573  de  bewoners  van  het  Cister- 
ciënser  klooster  Mariënhaven  te  Warmond  binnen  de 
muren  van  die  stad.  De  communiteit  bestond  toen  uit 
zeven  monniken  en  twee  leekebroeders ;  zij  heetten  in 
dit  request : 

1.  Anthonis  Hermansz.,  prior. 

2.  Huych  Dircxz.,     religieus. 

3.  Dirck  Jansz. 

4.  Pieter  Jacobsz. 

5.  Willem  Gerritsz. 

6.  Cornelis  Adriaensz. 

7.  Jan  Jansz. 

8.  Hubert  Pietersz.,   laick. 

9.  Jan  Michielsz.  „ 

Na  het  overgaan  van  Leiden  waren  allen  aanvankelijk 
in  hun  convent  te  Warmond  gebleven  en  hadden  zich 
onder  bescherming  van  den  Prins  gesteld.  En  toen  op 
de  Statenvergadering  van  Dordrecht  (19  JuH  1572)  was 
bepaald  dat  men  door  een  gedwongen  leening  dezen 
zou  ter  hulp  komen  in  zijn  poging  om  met  wapengeweld 
het  juk  van  Alva  af  te  schudden,  hadden  de  Cister- 
ciënsers  van  Warmond  ook  „de  rest  van  haere  ghouden 
(ontvangsten)  ende  silveren  juwelen  (kerksieraden)  ten 
behoeve    vande    gemeene    saecke    over    gegeven."    Een 


3i6 

lang-er  verblijf  in  het.  convent  bleek  echter  onmogelijk; 
de  kloosterlingen  ondervonden  daar  zooveel  overlast 
van  ecnige  „fortseerders  ofte  vagebunde",  die  hen  meer- 
malen zelfs  in  levensgevaar  brachten,  dat  zij,  op  het 
einde  van  1572  of  in  het  begin  van  1573,  genoodzaakt 
waren  naar  Leiden  te  vluchten.  Daar  gold  sinds  4  Oc- 
tober  1572  het  voorschrift,  dat  „de  geestelijkheid  haer 
renten  en  pachten  op  schrift  of  bij  eede  [soude]  seggen"  ^). 
Nu  de  Cisterciënsers  het  klooster  verlaten  en  een  toe- 
vlucht binnen  Leiden  hadden  gezocht,  was  dit  bevel 
ook  op  hen  van  toepassing;  gevolgelijk  hadden  zij  „den 
staet  van  de  incompsten  ende  lasten  van  het  convent 
over  gegeven  in  handen  van  Andreas  Schot,  ontfanger 
over  't  quartier  van  Rijnlant."  Doch  in  hun  nood  be- 
riepen zij  zich  thans  ook  op  den  verderen  inhoud  van 
het  voorschrift  van  4  October,  bepalende,  „dat  men 
elk  soude  geven,  daer  zij  of  leven  souden."  Bij  request 
verzochten  derhalve  de  voortvluchtige  religieuzen  aan 
de  Staten  van  Holland  om  onderstand  „soo  mogelijk 
van  200  pond  'sjaars  voor  eiken  monnik  en  voor  den 
den  prior,  die  meer  dan  twee  jaren  zijn  ambt  had 
bekleed,  om  eene  dubbele  portie."  Op  21  Maart  is  de 
beschikking  der  Staten  gevolgd ;  aan  het  verzoek  om 
den  prior  eene  dubbele  toelage  te  verstrekken  werd 
voldaan,  doch  overigens  de  alimentatie  op  de  helft  van  het 
gevraagde  gesteld ;  de  prior  van  Mariënhaven  zou  alzoo 
200  gulden  's  jaars  ontvangen,  de  overige  monniken 
van  het  convent  elk  100  gulden  en  ieder  van  de  beide 
leekebroeders  60  gulden. 

A.  H.  L.  Hensen. 

i)   Zie  het  kroniekje   bij   Oriers,   Beschrijving   der  stad  Leiden,  I,  614. 


REPERTORIUM  OP  DE  NEDERLANDSCHE 
TIJDSCHRIFTEN. 


Volgaarne  verleent  de  Redactie  op  verzoek  plaatsing 
aan  de  hierachter  volgende  aankondiging. 

„Met  ingang  van  het  jaar  19 14  wordt  onder  den  titel 
„Repertorium  op  de  nederlandsche  tijdschriften"  door  de 
Afdeeling  voor  Documentatie  der  Koninklijke  Biblio- 
theek een  maandelijksche  bibliografie  bewerkt  en  uit- 
gegeven van  bijdragen  in  tijdschriften,  jaarboeken,  ver- 
slagen enz.,  voor  zoover  deze  onvertaald  en  door  de 
schrijvers  onderteekend  zijn. 

Deze  bibliografie  zal  zoowel  de  tijdschriften  van 
algemeenen  als  van  wetenschappelijken  aard  omvatten 
en  zoowel  oorspronkelijke  bijdragen  als  de  voornaamste 
kritieken  van  de  afgeloopen  maand  opnemen. 

Reeds  in  1910  ving  de  Koninklijke  Bibliotheek  aan, 
de  periodieke  literatuur  in  een  bibliografie  op  losse 
kaarten  te  documenteeren. 

Het  Repertorium  is  een  voortzetting  en  uitbreiding 
dier  bibliografie.  Naast  de  editie  op  kaarten  verschijnt 
thans  een  editie  in  boekvorm. 

Deze  editie  zal  uitgegeven  worden  in  maandelijksche 
afleveringen,  elk  van  ongeveer  vier  vellen  druks :  onge- 
veer 500  titels.  Deze  zullen  systematisch  gerangschikt 
worden  in  rubrieken,  waarop  twee  registers  zullen 
worden  bewerkt :  een  alfabetisch  schrijversregister  en 
een  alfabetisch  trefwoorden-register.  Jaarlijks  zullen  deze 


3i8 

maandregisters  in  jaarregisters  worden  verwerkt  en  den 
jaargang  besluiten. 

Enkele  proeven  van  bewerking  vindt  men  hiernevens 
afgedrukt. 

Het  Repertorium  in  boekvorm  wordt  aan  hen,  die 
daartoe  den  wensch  te  kennen  hebben  gegeven  en 
bereid  zijn  de  verzendingskosten  ad  ƒ0,50  per  jaar  te 
voldoen,  kosteloos  toegezonden. 

Men  heeft  de  keuze  tusschen  afdrukken  op  gewoon 
papier  en  op  aan  één  zijde  bedrukt  papier-pelure,  dat 
zich  beter  leent  tot  uitknippen  en  opplakken  op  kaarten 
of  fiches. 

De  editie  op  kaarten  is  alleen  verkrijgbaar  in  vol- 
ledige stellen.  Bibliotheken,  vereenigingen  en  particu- 
lieren, die  zich  op  deze  editie  wenschen  te  abonneeren, 
kunnen  zich  wenden  tot  de  „Drukkerij  Humanitas", 
Vaillantlaan  292 — 294,  's-Gravenhage. 

December   191 3.  W.  G.  C.  BWANCK. 


LEUVENSCH  BOEKENFONDS. 


Met  veel  ingenomenheid  en  warme  aanbeveling  ver- 
leent onze  Redactie,  op  uitnoodiging,  plaats  aan  onder- 
staande Circulaire.  Buiten  de  onderteekenaars  heeft  nog 
een  zestigtal  van  onze  voormannen  op  het  gebied  van 
Wetenschap  en  Kunst  instemming  met  het  plan  betuigd. 

Nu  de  oude  Academiestad  Leuven  door  een  zoo  wreed 
lot  getroffen  en  daarbij  de  Bibliotheek  door  brand  ver- 
nield is,  noodigen  de  ondergeteekenden  alle  Nederlanders 
en  Nederlandsche  instellingen  van  Wetenschap  en  Kunst 
uit,  mede  te  werken  tot  de  hernieuwing  dier  boekerij 
door  zich  reeds  nu  bereid  te  verklaren,  na  den  oorlog 
boeken  uit  hunne  eigen  bibliotheken  en  exemplaren  der 
door  hen  geschreven  of  uitgegeven  werken  af  te  staan. 

Opgaven  op  bijgaand  formulier  ^)  van  wat  men  be- 
schikbaar wenscht  te  stellen  worden  ingewacht  bij  den 
jsten  Secretaris  ('s-Gravenhage,  125  Laan  van  N.  O.  Indië). 
Deze  opgaven  zullen  worden  verwerkt  in  een  syste- 
matischen  catalogus,  die  het  Bestuur  der  Bibliotheek 
zal  worden  aangeboden.  Daarna  zullen  de  voor  de 
Bibliotheek  aanvaarde  boekwerken  door  de  onderge- 
teekenden van  de  eigenaars  worden  opgevraagd  en  naar 
Leuven  opgezonden.  Opzending  van  boeken  reeds  than.s 
is  ongewenscht. 

Ook  gelden  tot  bevordering  van  dit  plan  zullen  gaarne 


i)  Dit  formulier  is  te  verkrijgen  bij  den  heer  Mr.  Verspyck  Mijnssen 
Van  Boetzelaerlaan  No.   7  te  's-Gravenhage. 


320 

worden  aanvaard  door  den  Penningmeester  ('s-Gravenhage, 
yj  Van  Blankenburgstraat). 

Het  ligt  in  de  bedoeling  tot  vorming  van  sub-comités 
voor  het  bovenomschreven  doel  in  de  neutrale  staten 
over  te  gaan. 

Prof.  Mr.  R.  Fruin,  Algemeen  Rijksarchivaris  te  's-Gra- 
venhage,  Voorzitter. 

Mr.  M.  I.  DUPARC,  Referendaris  bij  de  Afdeeling  Kunsten 
en  Wetenschappen  van  het  Departement  van  Binnen- 
landsche  Zaken  te  's-Gravenhage,   Penningmeester. 

Dr.  J.  Kalf,  Secretaris  der  Rijkscommissie  tot  inven- 
tariseering  en  beschrijving  van  de  Nederl.  Monumenten 
van  Geschiedenis  en  Kunst  te  's-Gravenhage. 

Prof.  Dr.  W.  Martin,  Buitengewoon  Hoogleeraar  aan 
de  Rijksuniversiteit  te  Leiden,  Directeur  van  het 
Koninklijk  Kabinet  van  Schilderijen  (Mauritshuis)  te 
's-Gravenhage. 

Prof.  Dr.  S.  G.  de  Vries,  Buitengewoon  Hoogleeraar 
aan  de  Rijksuniversiteit  te  Leiden,  Bibliothecaris  der 
Universiteitsbibliotheek  te  Leiden. 

Dr.  M.  P.  Rooseboom,  Secretaris  van  den  Nederlandschen 
Oudheidkundigen  Bond  te  's-Gravenhage,  i^te  Secretaris. 

Mr.  J.  A.  G.  Verspyck  Mijnssen,  Secretaris  der  Ver- 
eeniging  „Die  Haghe"  te  's-Gravenhage,  2de  Secretaris. 


MOORDRECHT. 


Het  is  voor  wie  de  geschiedenis  der  parochie  Moor- 
drecht op  wil  stellen  geen  alledaagsch  voorrecht,  bij 
het  bijeenbrengen  der  gegevens,  te  ervaren,  dat  reeds 
in  de  i8de  eeuw  eene  afzonderlijke  uitgave,  gewijd  aan 
de  oude  ambachtsheerlijkheid  Moordrecht,  het  licht  heeft 
gezien  ^).  En  zijne  voldoening  over  deze  geschiedkundige 
ervaring  stijgt  nog  hooger,  wijl  de  schrijver,  Joannes 
Janzonius,  geen  gewoon  geletterd  man,  maar  een  geleerde 
was,  die  om  zijne  geschriften  onder  zijne  tijdgenooten 
eene  zekere  bekendheid  verworven  had ') ;  bovendien 
had  hij  gedurende  bijna  vijftig  jaren  te  Moordrecht  als 
predikant  „'t  outaar"  beklommen,  om,  naar  eigen  ge- 
tuigenis „'t  regt  en  heyl  van  Koning  Jezus  uyt  te 
brommen"  ^).  Zoo  dus  ooit  iemand  tijd  en  gelegenheid 
heeft  gehad  om  door  te  dringen  tot  in  de  dagen  der 
middeleeuwen,  kennis  te  nemen  van  de  oude  destijds 
bestaande  historische  bescheiden,  dan  zeker  Joannes 
Janzonius,  die,  naar  eigen  zeggen  „aan  den  gezegenden 
IJselstroom  in  rust  en  vrede  heeft  gezeten  onder  zijnen 
wijnstok  en  vijgeboom"  *). 


i)  ya?tzonius,  yohan:  Korte  beschrijvinge  van  de  Oude  Ambagts- 
Heerlijkheyd  Moordregt,  Gouda  bij  Jacobus  van  der  Klnes,  boekverkooper 
op  de  Haven,  in  de  vier  Evangelisten,    1729. 

2)  Van  der  Aa,  A.  y.:  Aardrijkskundig  Woordenboek,  te  Gorinchem, 
bij  Jacobus  Noorduyn,    1846,   dl.   VII,  i.v.   Moordrecht. 

3)  Janzonius  werd  in    1737  emeritus  en  overleed  in    1745. 

4)  L.  c. 


322 

En  inderdaad  aan  lofredenaars  heeft  het  deze  uitgave 
niet  ontbroken : 

Oudheyd-betnimiaars  leest^  ey  leest  dees  schoone  blad'ren 
Om  in  een  kleyn  gescJirift^  veel  oudheyd  te  vergaderen' ; 
en  tot  Janzonius  ging  de  hulde : 

Gij'  raapt  met  uwe  pe?t  uyt  schrijvers  ivyt  beroemd 

Veel  pit  te  zaam  bijeen. 

En  toch,  waarde  lezer,  zoo  hoog  als  de  belangstelling 
was  gestegen,  zoo  diep  ook  was  de  teleurstelling.  In 
deze  „korte  beschrijvinge"  van  i8  bladzijden  lag  wel 
veel  rijkdom  aan  schriftuurkennis  en  een  groote  overvloed 
van  aanhalingen  uit  klassieke  schrijvers,  maar  voor 
„oudheyd-minnaars"  van  Moordrecht's  kerkgeschiedenis, 
o  zoo  weinig  „pits"  geborgen.  Zoodat  ons  niets  anders 
overbleef  dan  de  oude  officieele  geschiedboeken  opnieuw 
open  te  slaan,  om,  met  behulp  van  enkele  onuitgegeven 
bescheiden,  eene  tweede  schets  te  ontwerpen  van  Moor- 
drecht's kerkgeschiedenis  van  de  dagen  der  middeleeuwen 

tot  op  onzen  tijd. 

*       * 

Het  dorp  Moordrecht,  een  goed  half  uur  gaans  ten 
zuiden  van  Gouda,  behoort,  om  zijne  schilderachtige 
ligging  ten  deele  op,  ten  deele  tegen  den  IJseldijk,  tot 
de  meest  bekoorlijke  dorpen  van  Zuid-Holland.  Het 
dankt  zijnen  naam,  gelijk  de  meeste  steden  en  dorpen 
des  lands,  aan  de  plaatselijke  gesteldheid  des  bodems. 
In  de  middeleeuwen  waren  deze  landen  rondom  Gouda 
rijk  aan  water  —  denk  aan  Haastrecht  en  Oudewater  — 
aan  veen  —  Waddinxveen  —  en  aan  moer,  dat  slijk 
of  modder  beteekent.  Want  de  IJsel  „een  matelycken 
rivier    ghelyck"  ^),    in    vrije    verbinding  staande  met  de 


l)  Matthijs  van  der  Hotive :  Hantvest  of  chartre  chronyck,  tot  Leyden 
bij  Jan  Jansz.  van   Dorp  ende   Dirck   Maire,   anno    1636,  dl.  1,  blz.   113. 


323 

Nieuwe  Maas  en  als  andere  zeeboezems  onderhevig  aan 
eb  en  vloed,  stuwde  in  de  vroege  middeleeuwen,  als 
zijnde  eene  onbedijkte  rivier,  zijne  wateren  vrijelijk  over 
deze  landen,  waardoor  een  drecht  of  overvaart  —  vandaar 
Moordrecht's  naam  i)  —  noodzakelijk  werd.  Toch  was 
men  met  het  bedijken  van  den  IJsel,  waarlangs  de  handel 
zich  bewoog  naar  Utrecht  2),  reeds  vroegtijdig  begonnen, 

O  zilvre  IJzzelstroom  met  wonder  eb  en  vloed. 
Wat  torst  uw  kille  schoot  een  onwaardeerbaar  goed 
En  schatte)!  zonder  end .  .  .  . 

Want  in  1254  werden  de  Moordrechtenaars  door  den 
Roomsch-koning  Willem  II  met  verschillende  voorrechten 
begiftigd,  omdat  zij  in  het  bezweren  of  in  het  beteugelen 
van  herhaaldelijk  ontstane  dijkbreuken  eene  prijzens- 
waardige waakzaamheid  hadden  aan  den  dag  gelegd  '^). 
Nog  heden  worden  te  Moordrecht  en  te  Cortland  — 
het  tegenwoordige  Cortenoord  —  door  de  geweldige 
kronkelingen  van  den  IJselstroom  de  meest  zwakke  punten 
in  de  overigens  geweldige  bedijking  aangetroffen.  Zoo 
komt  ook  in  de  rekeningen  der  grafelijkheid,  dateerende 
uit  de  jaren  1334  en  1343,  onder  de  uitgaven  een  post 
voor    „van    in  cortland  den  quaden  dyck  te  dernen"  '^). 


i)  De  schrijfwijze  van  Moordrecht  is  zeer  onvast.  Zoo  vindt  men: 
Moerdrecht,  Mordrecht,  Meerdracht,  Moirdrecht,  Noirdrecht,  Noertdrecht, 
en  zelfs  kortweg  Moort  en  Moordt. 

2)  Acker  Stratingh,  G.:  Aloude  Staat  en  Geschiedenis  des  Vader- 
lands, te  Groningen  bij  R.  J.  Schierbeek,   1847,  dl.  I,  blz,   159. 

3)  Frans  van  Mieris:  Groot  Charterboek,  te  Leyden  bij  Pieter  van 
der  Eyk,   1753,  dl.  I,  blz.  291. 

4)  Hamaker,  H.  G.:  De  Rekeningen  der  Grafelijkheid  van  Holland, 
Utrecht,  Kemink  en  Zoon,  1875,  dl.  I,  blz.  227;  id,  dl.  II,  blz.  43. 
Uitgave  Hist.  Gen.  No.  21  en  24.  Dernen  beteekent  volgens  Verdam: 
stoppen,  dichten.  Het  is  voor  de  plaatselijke  geschiedenis  wel  aardig 
hier  op  te  merken,  dat  de  bekende  »Snelle"  reeds  in  de  grafelijkheids- 
rekeningen  in  de  benaming  »die  Snellecamp"  wordt  aangetroffen.  Rek. 
der  Graf.:   dl.   I,   blz.   215;  dl.   II,  blz.   30,    134. 


324 

Gelijk  nog  op  dezen  tijd,  zoo  was  ook  in  de  middel- 
eeuwen de  kerk  en  daarmede  het  geheele  dorp  onder 
de  schutse  gesteld  van  den  H.  Joannes  den  Dooper, 
wiens  sterfdag  door  de  H.  kerk  op  den  29en  Augustus 
herdacht  wordt.  Vandaar  dat  ook,  geheel  daarmede 
overeenkomstig,  blijkens  een  post  uit  de  grafclijkheids- 
rekeningen  van  1334,  de  pachten  der  te  Moordrecht 
bestaande  biertollen,  gerekend  werden  in  te  gaan  en  te 
eindigen  met  den  feestdag  van  den  H.  Joannes  den 
Dooper  ^).  Volgens  Van  Heussen  ^)  zou  zelfs  Moordrecht 
zijn  naam  ontleenen  aan  den  moord  op  den  H.  Joannes 
den  Dooper  gepleegd.  En  blijkbaar  werd  deze  spits- 
vondigheid, allicht  ontstaan  door  de  soms  voorkomende 
benaming  „Moort  en  Moordt,"  ^)  voor  zoo  vernuftig  ge- 
houden, dat  de  Nederd.  Herv.  Gemeente  te  Moordrecht 
in  haar  kerkzegel  op  „moord"  meende  te  moeten  zin- 
spelen, door  eene  vrouw  uit  te  beelden,  die  door  drie 
moordenaars  wordt  aangevallen,  maar  zich  veilig  weet 
in  haar  steun  op  het  Woord  Gods.  Als  randschrift 
voert  het  de  zinspreuk :  üita  intcr  latrones.  Veilig  in 
het  midden  der  moordenaars.  Geen  wonder,  dat  nog  in 
onzen  tijd  de  inwoners  van  Moordrecht  in  de  wandeling 
wel  eens  „Moordenaars"  genoemd  worden.  Het  wapen 
evenwel  van  Moordrecht  is  een  zilveren  achtpuntige  ster 
op  een  veld  van  goud. 

In  de  middeleeuwen  werd  op  den  IJsel  nabij  Moordrecht 
van  de  doorvarende  schepen  van  wege  den  Hollandschen 
graaf    tolgeld    geheven.    Zoo    bepaalde    in    1249    graaf 


i)  L,  c,  dl.  I,  blz.  211. 

2)  Bat.  Sacr.:  p.  II,  pag.  207.  rriinus  pagi  illius,  cui  decollatio 
S.  Joannis  Baptistae  sacra,  ii?ide  et  ei  Jiomen  ohvenit,  inhabitans  pastor 
Reinerus  Visscher. 

3)  Reitsma  en  Van  Veen:  Acta  der  provinciale  en  particuliere  Synoden, 
te  Groningen   bij  J.   B.   Wolters,    1893,   dl.   Il,   blz.   295,   297. 


325 

Willem  II,  dat  die  van  Dordrecht  als  gunst,  te  Moor- 
drecht voor  den  doorvoer  van  wijn,  laken,  staal  en  ijzer 
den  vollen  tolprijs,  maar  voor  zout  en  mondspijs  den 
halven  prijs  zouden  betalen,  en  dat  de  doorvoer  van 
alle  andere  koopmanschappen  vrij  en  onbelast  zou  ge- 
schieden ^).  En  wederom  in  1273  2)  en  niet  in  1223, 
zooals  sommigen  meenen  s),  werd  in  een  charter,  uit- 
gegeven ten  bate  van  de  vorstelijke  abdij  te  Rhijnsburg, 
van  een  grafelijken  tol  te  Moordrecht  gewag  gemaakt. 
Waar  die  tol  heeft  gestaan,  is  op  het  oogenblik  aan 
niemand  met  zekerheid  bekend.  Over  de  sluizen  te 
Moordrecht  wordt  in  de  grafelijkheids-rekcning  van  1334 
gesproken*);  en  in  141 5  sloten  hoogheemraden  van 
Schieland  een  overeenkomst  met  de  Rijnlandsche  am- 
bachten Alfen,  Hazerswoude,  Waddinxveen  en  Boskoop 
om  door  het  ambacht  Moordrecht  met  twee  sluizen  uit 
te  wateren  op  den  IJsel  en  daarvoor  jaarlijks  cene  zekere 
som  te  betalen  aan  Schieland  *). 

Op  kerkelijk  gebied  was  Moordrecht  zoowel  vroeger 
als  thans  vereenigd  met  het  aan  de  andere  zijde  des 
IJsels  gelegen  Goudcrak.  Het  behoorde  tot  het  aarts- 
diaconaat  van  Oud-Munster  of  S.  Salvator  en  tot  het 
decanaat  infra  Isalam  et  Leccam,  waartoe  het  grond- 
gebied werd  gerekend,  dat  zich  langs  de  Lek  en  den 
IJsel    uitstrekte    van    Gouda    tot    Krimpen    —    Stolwijk 


1)  Frans  van  Mieris:  1.  c,   dl.   I,  blz.   255. 

2)  Frans  van  Mieris:  1.  c,   dl.    I,   blz.    369. 

3)  Janzonius:  1.  c,  blz.  3;  Tegenwoordige  Staat  der  Vereenigde 
Nederlanden:  te  Amsterdam  bij  Isaac  Tirion,  174^,  dl.  VII,  blz.  26; 
Mattheus  Brouérius  van  Nidek:  Kabinet  van  Nederlandsche  en  Kleefsche 
Oudheden,  te  Amsterdam  bij  J.  A.  Crajenschot,    1793,  dl.  V,  blz.  112; 

Van  der  Aa,  A.  J. :  1.  c. 

4)  L.  c,  dl.    I,  blz.  211. 

5)  Blécoiirt,  A.  S.  de:  Ambacht  en  Gemeente,  J.  H.  A.  Wansleven 
en  Zoon,  Zutphen,    1912,   blz.  46. 


326 

alleen  uitgezonderd.  Het  begcvingsrecht  der  kerk  be- 
hoorde tot  den  proost  van  Oud-Munster.  Jammer  dat 
de  rekeningen  van  den  aartsdiaken  van  Oud-Munster 
zijn  verloren  gegaan. 

In  het  staatkundige  werd  Moordrecht  ingedeeld  bij 
het  baljuwschap  van  Schieland  i),  of,  zooals  de  grafelij k- 
heids-rekcningen  zich  uitdrukken  bij  „het  land  tuisken 
Schye  ende  Gouda"  -).  Aan  die  van  Gouda  was  den 
loen  Juni  141 3  door  graaf  Willem  vrijheid  gegeven  om 
tusschen  Gouda  en  Moordrecht  een  gerecht  te  plaatsen 
om  de  kwaaddoeners  te  straffen  „die  hoir  lyff  verbuert 
hebben"  ^). 

Van  de  oude  parochie-kerk,  die  nog  in  wezen  is, 
dagteekent  de  toren,  die  bouwvallig  begint  te  worden, 
uit  het  begin  der  15de  eeuw.  De  kerk  zelf,  eene  kruis- 
kerk, in  baksteen  opgetrokken,  is  eenbeukig,  met  houten 
tongewelf,  en  dateert  met  haar  ruim  priesterkoor  uit 
den  aanvang  der  i6de  eeuw.  In  het  priesterkoor,  dat 
tot  bergplaats  dient,  is  eene  zoldering  gelegd,  waar- 
boven zich  vertrekken  bevinden.  Op  de  viering  staat 
een  dakruiter  met  windvaan.  Met  hare  sobere  maar 
bevallige  afmetingen,  met  hare  vooruitspringende  spitse 
zijgevels  maakt  zij  op  den  voorbijganger  een  bekoor- 
lijken indruk,  al  is  zij  ook  ontsierd  door  allerlei  bijge- 
bouwtjes,  en  behoort  gewis  tot  de  fraaie  middeleeuwsche 
dorpskerken.  Volgens  Janzonius  zou  zij  „van  eene  so 
groote  ruimte  wezen,  dat  honderden  en  somtijds  duizenden 
de  stemme  des  leeraars  kunnen  hooren"  ^).  Deze  mede- 
deeling  is  niet  zonder  overdrijving.  Maar  zonderling  is 
inderdaad  hetgeen  Van  der  Aa  omtrent  deze  kerk  ver- 


i)  Matthijs  van  der  Houve:  1.  c,  dl.  I,   blz.    loo. 

2)  L.  c,  dl,  I,  blz.  34,  98;  dl.  II,  blz.  43,   159. 

3)  Frans  v.  Mieris:  dl.  IV,   blz.   235. 

4)  T>.  c,  blz.   T5. 


327 

haald  i).  Volgens  hem  zou  deze  op  en  top  Middeleeuvvsche 
bouw  eerst  dagteekenen  uit  het  jaar   1657. 

In  het  register  der  kerkelijke  tienden,  dat  over  de 
jaren  1275  — 1280  loopt,  en  waarin  de  inkomsten  ge- 
boekt werden,  welke  door  de  bestaande  parochies  in 
het  bisdom  Utrecht  werden  opgebracht  ten  bate  van 
het  H.  Land,  komt  ook  Moordrecht  voor,  en  draagt  bij, 
vergeleken  met  de  andere  daar  genoemde  kerken,  met 
een  aanmerkelijk  bedrage).  Ook  voor  den  afbouw  van 
den  Utrechtschen  dom  bleef  de  parochie  Moordrecht, 
blijkens  de  oudste  rekeningen,  in  offervaardigheid  niet 
achter  ^).  Wel  een  bewijs,  dat  Moordrecht  reeds  vroeg- 
tijdig tot  zekeren  bloei  en  welvaart  gestegen  was. 

In  1263  werd  de  kerk  van  Moordrecht  door  den 
proost  van  Oud-Munster  begeven  aan  Hermanus  Albus, 
kanunnik  te  Utrecht  ^).  Aan  Jacob  Jansz.  bijgenaamd 
Stock,  werd  in  1373  vergunning  verleend  om,  behalve 
Moordrecht,  nog  twee  andere  beneficies  te  bezitten, 
waarvan  aan  een  zelfs  nog  zielzorg  verbonden  was  ^). 
Doch  reeds  in  het  volgende  jaar  in  1374  verruilde  hij 
met  Heer  Frederic,  genaamd  „capellaen",  de  kerk  van 
Moordrecht  met  de  parochiekerk  van  Maarsen  en  een 
altijddurend  beneficie  in  de  kerk  van  S.  Salvator  te 
Utrecht^).  In  1494  was  te  Moordrecht  pastoor  Heer 
Cornelis  Taerdt,  oud  50  jaar  ") ;  en  blijkens  de  Informacie 


i)  L.C. 

2)  yoosting,  y.  G.  C.  en  Muller ^  S.:  Bronnen  voor  de  geschiedenis 
der  kerkelijke  rechtspraak  in  hel  bisdom  Utrecht  in  de  middeleeuwen, 
's-Gravenhage,  Martinus  Nijhoff,   1906,  dl.   I,  blz.    10,   20,   21,   23. 

3)  Joosthig,  y.   G.   C.  en  Muller,  S.:  L.  c,   blz.  84. 

4)  yoosting,  y.   G.   C.  en  Muller,  S.:  L.  c,  blz.    150—151. 

5)  Brom,  G. :  BuUarium  Trajectense,  Ilaga-Comitis,  Martinus  Nijhoff, 
1895,  tom.  II,  No,  2187,  pag.  257. 

6)  Brom,   G:  1.  c,  tom.  II,  No.   2189 -2190,  pag.  257  —  258. 

7)  Bijdr.  V.   H.:   dl.   III,   blz.   301. 


328 

van  15  14  genoot  de  pastoor  tot  zijn  onderhoud  27  lichte 
guldens  lijfrenten,  „welcke  gemaeckt  waeren  int  oorloge 
van  Joncker  Frans",  en  als  „papelicke  proeven"  de  op- 
brengsten van  12  morgen  lands  onder  Moordrecht  ge- 
legen^). Bij  de  kerkvisitatie  in  1567  door  den  aartsdiaken 
van  S.  Salvator,  Herman  van  Rennenborch,  ingesteld, 
bleek  maar  al  te  zeer,  hoe  treurig  te  Moordrecht  de 
kerkelijke  toestanden  gesteld  waren.  Geheel  tegen  de 
bepalingen  van  het  concilie  van  Trente  hield  de  pastoor 
Cornelius  Egidius  geen  verblijf  in  zijne  parochie,  en 
bovendien  had  hij  aldaar  de  zielzorg  opgedragen  aan 
iemand,  die  daartoe  heel  weinig  geschiktheid  bezat  3). 
Inderdaad  op  het  godsdienstig  en  kerkelijk  leven  zoo 
van  priesters  als  van  leeken  in  de  parochies  langs  de 
Lek  en  den  IJsel  wordt  door  deze  kerkvisitatie  een 
bitter-betreurenswaardig  licht  geworpen  ^),  zoodat,  toen 
zich  enkele  jaren  later  de  Hervorming  in  deze  streken 
vertoonde,  bijna  zonder  uitzondering,  alles  voor  de 
katholieke  kerk  verloren  ging.  De  enkele  katholieken, 
die  te  Moordrecht  getrouw  bleven  aan  het  aloude  geloof, 
werden  te  Gouda,  of  door  uit  Gouda  komende  priesters 
in  hunne  godsdienstige  belangen  verzorgd  *). 

* 
Ook  tijdens  de  Hervorming  is  het  beeld  dat  ons  van 
de    toestanden  op  kerkelijk  gebied  te  Moordrecht  door 
de    geschiedboeken    ontworpen    wordt,    verre    van    aan- 
trekkelijk. Reeds  den  24en  Augustus   1587  werd  op  de 


1)  Infor?nacie    van    Hollant   ende    Vrieslant:   Leiden,    A.  \V.  Sijthoflf, 
1866,  blz.  489 — 490. 

2)  Verslagen  van  Kerkvisitatïéii  in  het  Bisdom  Utrecht  uit  de  lóde  eeuw  : 
Amsterdam,  Johannes  Muller,    191 1,  pag.   370, 

3)  L.  c,  pag.  369-375;  itl.  1-c.,  pag.  433—457- 

4)  Archief  v.   Utr. :  dl.  I,  blz.  218;   dl.  XVII,  blz.  465;   dl.  XVIII, 
blz.  32;  dl.  XX,  blz.  363. 


329 

synodale  vergadering  te  Delft  over  het  geschil  gesproken, 
dat  „in  der  kercke  tot  Moordrecht"  ^)  gerezen  was. 
Daartoe  had  het  gedrag  en  het  optreden  van  den  eersten 
„diener",  Joannes  Iserman,  aanleiding  gegeven.  Hij  had 
zich  schuldig  gemaakt  aan  „lichtveerdigheyt"  „ende 
rassicheyt"  in  het  spreken  -) ;  zonder  genoegzaam  bewijs 
had  hij  den  schout  verdacht  „een  concept  te  hebben 
gemaect  hem  van  den  predickstoel  te  steenigen" ») ; 
bovendien  had  hij  tijdens  zijne  ziekte  aan  „sotticheyt" 
geleden  *),  en  ten  laatste  uit  een  door  hem  „getimmert" 
huis  de  zoldering  weggebroken  om  er  een  ander  huisje 
mede  te  betimmeren  '").  Vandaar  dat  Iserman  van  zijn 
dienst  ontslagen  werd,  en  van  hooger  hand  Florentius 
Marcus  aan  de  Gemeente  gegeven  werd  *).  Maar  de 
Gemeente  begeerde  den  opgedrongen  Marcus  niet,  zoodat, 
blijkens  eene  synodale  vergadering  van  Schiedam,  ge- 
houden den  3oen  Augustus  1588  „de  onordentlycheden" 
in  Moordrecht  aanhielden").  Om  nu  tot  vrede  te  geraken, 
zou  Florentius  Marcus  vrijwillig  van  zijnen  dienst  afstand 
doen  **),  en  zou  Lambertus  Jemmingius,  eertijds  predikant 
te  Schoonhoven,  beroepen  ^),  maar  tevens  door  de  synode 
krachtig  vermaand  worden  „zich  alsoe  te  dragen  by 
den  gerichte  ende  by  de  kercke  tot  Moordrecht  als  een 
vroom  predicant  behoort  te  doen,  opdat  daer  vrede 
ende    eenicheyt    moge    blyven"  ^^).  En  inderdaad  onder 


1)  Reitsma  en    Van    Veen:  1.  c,  dl.  II,   blz.   294. 

2)  L.  c,  dl.  II.  blz.  296. 

3)  L.  c,  blz.  296. 

4)  L.  c,  blz.  296. 

5)  L.  c,  blz.  294. 

6)  L.  c,  dl.   11,  blz.  335. 

7)  L.  c,   dl.    II,   blz.  31Ó-317;   id.   l.c,   blz.   327. 

8)  L.c,  dl.  II,  blz.  340-341. 

9)  L.c,  dl.  11,  blz.  342  —  343. 

10)  L.c,  dl.   II,  blz.   351. 


330 

Jemmingius  bleef  in  het  kerkelijk  leven  de  vrede  in 
Moordrecht  gehandhaafd,  totdat  wederom  onder  diens 
opvolger  Dirck  Bax  op  kerkelijk  terrein  de  hevige  strijd 
ontbrandde,  welke  in  de  geschiedenis  als  die  van  de 
Remonstranten  en  contra-Remonstranten  bekend  staat  ^). 
Ds.  Bax  werd  in  1619  voor  de  classis  gedaagd  van 
Gouda,  maar  bleef  aan  zijne  remonstrantsche  gevoelens 
vasthouden,  ook  nadat  hem  drie  dagen  van  beraad  ge- 
geven waren  3).  Weshalve  werd  hij  van  zijne  bediening 
ontslagen  en  te  Moordrecht  de  stichter  eener  Remon- 
strantsche gemeente.  Tot  op  het  einde  der  vorige  eeuw 
behielden  de  Remonstranten  te  Moordrecht  hun  eigen 
kerk  en  predikant.  Op  de  plaats  waar  eens  het  kerk- 
gebouw stond,  is  nu  het  postkantoor  verrezen.  De  laatste 
predikant  Ds.  van  Manen  verliet  zijne  kleine  kudde 
en  werd  leeraar  in  de  aardrijkskunde  te  Groningen. 


Intusschen  duurde  het  tot  1659  eer  de  verweesde 
parochie  wederom  een  vasten,  een  in  haar  midden  ver- 
blijf-houdenden  herder  ontving  in  den  persoon  van 
Reinier  Visscher  (1659 — i/i^).  Hij  was  geboortig  van 
het  aan  de  overzijde  des  IJsels  gelegen  dorp  Gouderak 
en  blijkbaar  van  gegoeden  huize.  Door  Van  Heu.ssen 
wordt  hij  in  17 14  een  grijsaard  genoemd  van  hooge 
jaren  \  Het  door  hem  aangelegde  doopboek  begint  met 
den    yen    December    1659^).    Waarschijnlijk  woonde  en 


i)  lypeij,    A,   en   Dermout,   I.    y.:    Geschiedenis  der  Nederlandsche 
Hervormde  Kerk,  te  Breda  bij  \V.  van  Bergen,  1822,  dl.  II,  blz.  153  —  291. 

2)  Archief  voor  Kerkelijke  geschiedenis :  te  Leiden  bij  S.  en  J.  Luchlmans, 
1836,  dl.  VII,  blz.  40. 

3)  Bat.  Sacra:  p.  II,  pag.  207. 

4")    't  Is    dus    onjuist    van    Pater    van    Loniinel    om    de   Statie   «in  of 
omtrent    1666"   te   laten   beginnen.  Bi/dr.  v.  H.:  dl.   I,   blz.  97. 


331 

kerkte  hij  aanvankelijk  in  zijn  ouderlijk  huis,  want  eerst 
in  1661  werd  door  Jan  Reinierse  Visscher,  den  vader 
van  den  pastoor,  onder  Moordrecht  een  stuk  grond 
aangekocht,  waarop  een  huis  stond  en  eene  loods,  die 
tot  bedehuis  werd  ingericht.  Toen  den  6en  Juni  1726 
de  predikanten  er  op  aandrongen,  dat  de  Staten  maat- 
regelen zouden  nemen  tegen  „den  aanwas  van  het  paus- 
dom", werden  de  Hoogmogende  Heeren  ook  op  de 
stichting  der  Statie  Moordrecht,  als  in  strijd  met  de 
bestaande  plakkaten,  opmerkzaam  gemaakt^).  Aan  recog- 
nitie-geld werd  jaarlijks  aan  den  schout/ 31. 10  betaald  2). 

Pastoor  Visscher  heeft  de  Statie  van  zijne  tijdelijke 
goederen  rijkelijk  bedacht. 

Eerstens  liet  hij  bij  zijn  afsterven,  behalve  eenige  gelds- 
waardige  papieren,  het  in  1701  door  hem  gekochte  stuk 
land,  dat  nevens  de  kerk  was  gelegen,  aan  de  Statie 
achter  8);  en  ten  andere  verrijkte  hij  haar  bij  zijn  leven 
met  een  verguld-zilveren  ciborie,  een  dito  kelk  en  met 
vier  rood- bronzen  kandelaars,  waarop  een  schildje  is 
aangebracht  met  drie  visschen  en  de  beginletters  van 
pastoors  naam :  R.  V. ;  welke  voorwerpen  op  heden  nog 
in  de  parochie-kerk  aanwezig  en  in  gebruik  zijn. 

Onder  de  300  geestelijken  die  in  1701  een  verzoek- 
schrift opzonden  naar  Rome  in  het  belang  van  den 
Vicaris  Apostolicus  Petrus  Codde,  bevond  zich  ook  de 
naam  van  Reinier  Visscher  *).  En  volgens  Van  Heussen 
zou  pastoor  Visscher  in  1709  aan  de  Groot-Mogenden 
beloofd   hebben   geen  briefwisseling  te  houden  met  den 


1)  Knuttel,  W.  P.  C:  De  toestand  der  Nederlandsche  Katholieken 
ten  tijde  der  Republiek,  's-Gravenhage,  Martinus  Nijhoff,  1894,  dl.  II, 
blz.   154—155. 

2)  L.  c,  dl.  II,  blz.  305. 

3)  Kerkarchief :  Moordrecht. 

4)  Bat.  Sacra:  p.  II,  pag.    519. 


332 

van  regecringswege  niet  erkenden  Vicaris  Adam  Daemen  ^). 
Het  heeft  alzoo  den  schijn  als  zou  pastoor  Visscher  be- 
smet zijn  geweest  met  de  Jansenistische  dwahngen  van 
zijn  tijd.  Toch  is  van  hem,  gelijk  van  zoovelen,  die 
Van  Heussen  tot  zijne  partijgenooten  trachtte  te  rekenen, 
geen  enkel  feit  bekend,  waaruit  zijne  weerspannige  ge- 
zindheid ook  maar  eenigszins  zou  blijken. 

Pastoor  Visscher  stierf  te  Moordrecht  den  28en  Februari 
171 8,  alzoo  na  een  herderschap  van   59  jaren. 


Joannes  Baptista  Mustelje,  Miisteljier,  Miistelier 
{1718 — 1720)  was  te  Rotterdam  geboren  en  gedurende 
slechts  twee  jaren  pastoor  van  Moordrecht  ^).  Tijdens 
zijne  laatste  ziekte  werd  hij  in  de  herderlijke  bediening 
ter  zijde  gestaan  door  zijn  broeder  Carolus  Mustelier, 
die  hem  ook  als  pastoor  in  de  Statie  opvolgde  ^). 

Joannes  Baptista  Mustelier  stierf  te  Moordrecht  den 
I4en  Maart    1720  *). 

Carolus  Mustelier  (1720 — 1724)  eveneens  Rotter- 
dammer van  geboorte,  was  onder  de  katholieken  van 
Moordrecht  niet  gezien,  en  minder  nog  geacht  of  bemind. 
Want  toen  hij,  volgens  het  verslag  van  Joannes  van 
Bijlevelt  s),    wel  te  goeder  trouw  maar  toch  hoogst  on. 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  X,  blz.  390. 

2)  BiJdr.    V.    H.:    dl.  I,  blz.  97:  Archief  v.   Utr.:  dl.  IV,  blz.    132. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   II,   blz.   345. 

4)  De  Katholiek:  dl.  63,  jg.    1873,  blz.   276. 

5)  De  passus  uit  het  memoriale  van  J.  v.  Bijlevelt,  waarin  deze  zaak 
ter  sprake  komt,  werd  in  het  Archief  van  Utrecht  (dl.  XXII,  blz.  209) 
in  ten  deele  onverstaanbaar  Latijn  weergegeven.  Weshalve  Mgr.  Graaf 
voor  mij  de  goedheid  had  den  tekst  volgens  het  handschrift  in  het 
Bisschoppelijk  Archief  te  Haarlem  opnieuw  over  te  schrijven.  Bij  ver- 
gelijking  springt  het  verschil  der  beide  lezingen  den  lezer  terstond  in 


333 

voorzichtig,  eene  obligatie  der  kerk,  waarvan  hij  meende, 
dat  zij  aan  zijn  overleden  broeder  had  toebehoord, 
zonder  den  Aartspriester  of  den  Apostolischen  Vicaris 
te  raadplegen,  had  verkocht,  werd  hij,  aangeklaagd  door 
zijn  eigen  parochianen,  in  hechtenis  genomen,  en,  ofschoon 
vele  invloedrijke  personen  voor  hem  tusschen  beide 
kwamen,  tot  ballingschap  van  12  jaren  veroordeeld.  Hij 
verliet  Holland  en  Zeeland  en  werd  pastoor  te  Vilsteren, 
waar  hij  tot  1732  verbleef  i),  waarna  zijne  benoeming 
volgde  van  pastoor  te  Kampen  ").  Hij  stierf  te  Kampen 
den  3ien  Maart   1738. 


Theodoriis  Joannes  van  Bemmel{\J2\ — 17 26)  geboren 
te  Nieuwkoop  3)  en  in  1720  te  Keulen  tot  priester  ge- 
wijd *),  was  „sedert  eenigen  tijdt  capellaen  te  Wassenaer"  ^), 
en  bij  zijne  benoeming  tot  pastoor  te  Moordrecht,  sub- 
sidiarius    of   kapelaan    te    Poeldijk  ^).    Het  mocht  dezen 


het  oog.  «Pejori  imo  perditissimo  loco  videbantur  inolestiae  quas  Carolus 
Musteljier  pastor  in  Moordrecht  prope  Goudain  sua  sibi  inscitia  intulerat, 
obligationem  aliquam  stationis  suae  vendendo  cui,  fratris  sui  ibidem 
pastoris  defuncti  eam  esse  existimans,  quasi  suae  subscripserat,  quod 
aliqui  e.\  ejus  communitate  subodorantes  et  male  in  eum  jam  pridem 
animati,  ad  judicem  detulerunt,  per  quem  carceri  mancipatus  et  duo- 
decim  annorum  exilio,  aegre  tarnen  nee  sine  multorum  interventu,  exilio 
multatus  est.  Confitendum  quidem  est  Em.  P.P.  inculpabili  eum  in  hoc 
ignorantia  laborasse,  at  in  eo  vel  maxime  deliquit  quod  dubius  haerens 
id  insciis  ac  inconsultis  Vicario  Apostolico  et  Archipresbytero  suo 
attentaverit."  In  het  stedelijk  archief  van  Gouda  was  omtrent  dit  proces 
niets  te  vinden. 

1)  Archief  V.    C'fr.:  dl.   IV,   blz.    132;  id.  dl.  X,  blz.  34. 

2)  Bijdr.    V.    IL:    dl.    I,    blz.    423;  Archief  7^.    Utr.:  dl.  1,  blz.  77; 
id.  dl.  I,  blz.  316;  id.  dl.   IV,   blz.   132;  id.  dl.  XXV,  blz.  400. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   I,   blz.  97. 

4)  Bijdr.  V.  H.:   dl.  II,  blz.   357. 

5)  Archief  V.    Utr.:  dl.   III,   blz.   94. 

6)  Archief  V.   Utr.:  dl.  XXII,  blz.  209 


334 

jeugdigen  priester  inderdaad  gelukken  om  de  opschudding 
door  pastoor  Mustelier  in  de  Statie  verwekt  te  bedaren, 
waarna  hij  in  Juni  1726  tot  pastoor  benoemd  werd  te 
Ameland  ^).  Door  den  aartspriester  Ram  van  Schalkwijk 
werd  hij  in  1736  bij  den  Vice-Superior  aanbevolen  voor 
de  vacante  Statie  Blaricum,  waar  hij  ook  benoemd  werd 
en  tot  zijn  dood  verbleef  in    17582). 

Pastoor  Van  Bemmel  moge  al  een  voorzichtig  en 
beleidvol  man  zijn  geweest :  een  administrator  was  hij 
allerminst.  Te  Blaricum  schreef  hij  zijne  doopelingen 
niet  in  het  doopboek  maar  in  zijne  directoria's ;  en  aan- 
gaande zijne  eerste  kerkvisitatie  te  Blaricum  in  1755 
schreef  de  aartspriester  Gomes,  pastoor  te  Weesp : 
„omnia  ibi  sordide  reperi"  ^). 


Theodoriis  van  der  Waar(d)t  (1726 — 1728)  was 
Leidenaar  van  geboorte*).  De  Statie  telde  destijds  150 
communicanten  ^).  Hij  werd  in  1728  als  pastoor  naar 
Oestgeest  verplaatst  s),  waar  hij  tot  aan  zijn  dood  toe 
verbleef  in   1753. 

Petrus  Hagelnian(s)  (1728 — 1733)  was  geboren  te 
Amsterdam  7)  en  te  Brussel  in   1724  tot  priester  gewijd^). 


i)  Archief  v.  Utr.:  dl.  I,  blz.  416;  id.  dl.  III,  hlz.  94.  Elders 
wordt  's  mans  komst  op  Ameland  maar  verkeerdelijk  gesteld  op  1725. 
Bijdr.  V.  H.:  dl.  I,   blz.  423;  Archief  v.   Utr.:  dl.  II,  blz.   146. 

2)  BiJdr.  V.  H.:  dl.  I.  blz.  423;  Archief  v.  Utr.:  dl.  I,  blz.  63; 
id.  dl.  III,  blz.  94. 

3)  Archief  V.   Utr.:  dl.  I,  blz.  416. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   XIV,   blz.   80. 

5)  Archief  V.   Utr.:  dl.  X,  blz.   18. 

6)  Bijdr.    V.   H.:  dl.  I,  blz.  97;  Archief  v.   Utr.:  dl.  VIII,  blz.  89. 

7)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XIV,  blz.   51. 

8)  Bijdr.  V.  //.;  dl.  XVII,   blz.   219. 


335 

Hij  was  „waereldspriester"  en  blijkens  het  ingesteld 
onderzoek  volgens  het  plakkaat  van  21  Sept.  1730 
„oud  46  a  47  jaren"  ^).  Hij  was  in  1726  kapelaan  te 
Nieuwkoop*).  In  1733  werd  hij  pastoor  benoemd  te 
Delfshaven,  waar  hij  verbleef  tot  1739^).  Blijkens  eene 
opgave  in  het  kerkarchief  te  Delfshaven  werden  door 
burgemeester  en  bestuurders  der  stad  Delft  in  1735  de 
rentmeester  en  de  kerk-  en  armmeesters  van  Delfshaven 
aangesteld.  Blijkbaar  een  uitvloeisel  van  de  bepaling 
der  Hoogmogenden  dat  alle  ambtenaars  en  bestuurders 
van  kerkelijke  goederen  tot  den  Hervormden  godsdienst 
moesten  behooren  *).  Waarheen  pastoor  Hagelmans  in 
1739»  opgevolgd  te  Delfshaven  door  pastoor  Leonardus 
Robbers,  vertrokken  is,  blijkt  niet.  Volgens  het  Archief 
van  Utrecht  komt  hij  eerst  in  1741  als  pastoor  voor 
te  Bovenkarspel,  waar  hij  verbleef  tot   1746  '). 

Op  de  najaarsvergadering  van  het  zoogenaamde 
Haarlemsche  kapittel,  gehouden  den  3^^"  October  1747, 
werd  aan  Petrus  Hagelmans  25  gulden  toegekend^). 
Eene  nadere  bepaling  van  deze  goedgunstige  beschikking 
werd  daaraan  niet  toegevoegd. 


Adrianus  de  Keyzer  (1733 — 1755)  was  geboortig  van 
Gouda")  en  stond  in  1730  om  de  ,,indispositie"  van 
pastoor    Cramer    als    kapelaan   te    Reeuwijk  ^).  Hij  was 


i)L.c. 

2)  Archief  V.   Utr.:  dl.  X,   bh.   14. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   I,   blz.   423. 

4)  Knuttel,    IV.  P.   C. :  1.  c,   dl.    II,   blz.    69;    id.  1.  c,  blz.  291—293. 

5)  Archief  V.    Utr.:  dl.    IV,  blz.    117. 

6)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XVII,  blz.  337. 

7)  Bijdr.   V.  H. :  dl.  I,  blz.  97. 

8)  Bijdr.  v.  H.:  dl.  XIV,  blz.  94. 


336 

„een  wereltspriester,  geen  Jansenist,  maar  van  de  leer 
van  Augustinus  en  Thomas  d'Aquinen."  Wegens  hersens- 
ziekte  verliet  hij  in  1755  de  Statie^).  Uit  den  tijd  van 
pastoor  Keyzer  dagteekent  het  deftig  zilveren  schenk- 
blad,  op  het  ©ogenblik  nog  in  gebruik  bij  de  parochie, 
hetwelk  om  zijn  vaardig-gedreven  randversiering  onder  de 
beste  kunstvoorwerpen  van  de  i8de  eeuw  moet  gerekend 
worden.  Tevens  liet  pastoor  Keyzer  aan  de  Statie  eenig 
tafelzilver  achter,  dat  echter  om  den  eigenaardigen  en 
hedendaags  moeilijk-bruikbaren  vorm,  door  den  tegen- 
woordigen  pastoor,  met  toestemming  der  kerkelijke 
Overheid,  is  versmolten  en  hervormd  tot  een  zilveren 
ciborie. 


Gerardiis  van  Delden  (1755  — 1765)  uit  eene  achtbare 
familie  te  Oldenzaal  gesproten  2),  werd  den  8en  Maart  1755 
pastoor  benoemd  der  Statie  Moordrecht,  destijds  eene 
„Statio  modica",  en  280  communicanten  tellende  3).  In 
het  verslag  aan  de  propaganda  door  den  nuntius  in 
1758  opgesteld,  wordt  pastoor  van  Delden  een  „uitstekend 
en  waakzaam  herder"  genoemd.  Tevens  werd  door  den 
nuntius  bij  die  gelegenheid  de  klacht  van  pastoor 
Van  Delden  aan  de  propaganda  overgebracht,  dat  de 
paters  Franciscanen  uit  Gouda  enkelen  zijner  parochianen 
tot  zich  trokken,  en  —  zoo  voegt  de  Nuntius  eraan 
toe,  —  in  het  toelaten  van  vreemdelingen  tot  de 
H.  Sacramenten  in  den  Paaschtijd  wat  al  te  gemakkelijk 
waren  *). 


i)  Archief  V.   Utr. :  dl.  IV,  blz.    124. 

2)  Door    Tubantinus    wordt    hij    in     (ü  Katholiek  (jg.    1874,   dl.   66, 
blz.  329)  Jacobus  Gerhardus  genoemd. 

3)  Archief  V.    Utr.:  dl.   II,  blz.    155;   id.   dl.   VIII,   blz.   336. 

4)  Archief  V.    Utr.:  dl.  VIII,   blz.  336. 


337 

In  1765  werd  hij  als  pastoor  verplaatst  naar  Bergen, 
waar  hij  een  inkomen  genoot  van  900  a  1000  gulden 
en  tot  zijn  dood  verbleef  in    1778  ^). 

De  familie  van  Delden,  thans  Wiegman  te  Oldenzaal 
bezit  een  portret  van  dezen  geestelijken  voorzaat  ^). 


Joannes  Rijuders  (1765 -- 1776)  was  te  Amsterdam 
geboren  3)  en  in  1758  tot  priester  gewijd'*).  In  1759 
stond  hij  als  kapelaan  te  Amsterdam  aan  den  Post- 
hoorn '").  Zijn  admissie-brief  te  Moordrecht  dagteekent 
van  30  October  1765  "),  In  de  najaarsvergadering  van 
datzelfde  jaar  besloten  de  Haarlemsche  kapittelheeren 
aan  pastoor  Rijnders  200  gulden  te  geven  „om  voor 
zijn  bedehuis  paramenten  aan  te  schaffen"  '^).  Blijkbaar 
was  het  onder  de  pastoors  bekend,  dat  pastoor  Rijnders 
naar  verandering  van  Static  hunkerde ;  want  toen 
Vogelensang  open  kwam,  werd  hij  in  de  missie  algemeen 
daarvoor  genoemd  ^).  Maar  de  benoeming  bleef  uit : 
doch  nog  in  hetzelfde  jaar  werd  hij  pastoor  van  Beverwijk, 
waar  hij  tot  zijn  dood  verbleef  den  4en  Mei  1784^). 
Pastoor  Rijnders  was  een  weinig  begaafd  redenaar  en 
een  man  van  bescheiden  kennis  ^*^). 


1)  Bijdr.  V.  //. ;  dl.  I,  blz.  97;   Archief  v.    Utr. :  dl.  VIII,   biz.  131. 

2)  De  Katholiek:  jg    1874,  dl.  66,  blz.  329. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  I,  blz.  97. 

4)  Archief  V.   Utr.:  dl.  VIII,  blz.  356. 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XIV,  blz.   185. 

6)  Bi/dr.  v.   H. :  dl.  XXII,  blz.  '^ï;  Archief  v.  f  7r. ;  dl.  VIII,  blz.  117, 

7)  Bijdr.   V.  H.:  dl.  XVII,  blz.  345. 

8)  Bijdr.  v.  H. :  dl.  XII,  blz.  24. 

9)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   I,  blz.  423;    Archief  v.    Utr.:  dl.   IV,  blz.    139. 

10)  Concionator  minus  eloquens  infimaeque  capacitatis.  Bisschoppelijk 
Oud- Archief  te  Haarlem. 

22 


338 

Adriamis  Jacobns  van  der  Sbiys  (1776 — 1779)  werd 
in  1743  te  Rotterdam  geboren,  was  kapelaan  in  de  Oude 
Molstraat  te  's-Gravenhage  i)  en  ontving  den  3  len  juH  1776 
zijn  admissiebrief  als  pastoor  van  Moordrecht  2).  In  het 
tweede  jaar  van  zijn  pastoraat  werd  de  hand  geslagen 
aan  den  opbouw  van  een  nieuw  kerkhuis.  Want  de 
door  pastoor  Visscher  tot  bedehuis  ingerichte  loods 
was  zoo  bouwvallig  geworden,  dat  aan  herstellen  niet 
te  denken  viel.  Den  i6en  April  1777  richtten  pastoor 
en  kerkmeesters  tot  de  Staten  van  Holland  en  West- 
Vriesland  het  verzoek  om  tezelfder  plaatse  van  de  oude 
eene  nieuwe  kerk  te  mogen  bouwen,  die  62  voet  lang, 
26  voet  breed,  en  18  voet  hoog  zou  zijn.  Op  dit  verzoek 
werd  den  6en  Mei  1777  goedgunstig  beschikt  ^),  maar 
onder  beperking  der  bepaalde  voorwaarden,  „dat  de 
venstercosijnen  zouden  wezen  ordinaris-kruiscosijnen 
zonder  boogen,  en  worden  voorzien  van  gemeene  glazen 
in  lood  gezet,  en  het  dak  met  ordinaris  roode  pannen 
gedekt ;  dat  de  deurcosijnen  niet  breeder  mogten  zijn 
dan  4  voeten  met  enkele  gladde  buitendeur;  dat  het 
kerkhuis  in  het  uiterlijk  aanzien  op  geen  kerk  of  ander 
publiek  gebouw  gelijke"  •^).  Door  Arie  Meurs  werd  den 
2oen  Mei  1777  de  opbouw  der  kerk  aangenomen  voor 
de  som  van  4916  gulden  en  binnen  vijf  maanden  op- 
geleverd. Den  24en  October  1777  werd  van  de  Staten 
aan  het  kerkbestuur  toestemming  verleend  om  in  het 
nieuwe  kerkhuis  dienst  te  doen  ^).  Ter  bestrijding  der 
kosten  werden  drie  geldswaardige  papieren,  afkomstig 
uit  de  nalatenschap  van  pastoor  Visscher.  en  eene  waarde 


1)  Bijdr.  V.   H.:  dl.   XVIII,   blz.   385- 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,  blz.   52. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,  blz.   52. 

4)  Kerkarchief  Moordrecht, 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,  blz.  52. 


339 

vertegenwoordigend  van  3000  gulden,  ten  gelde  gemaakt. 
De  andere  den  bouw  der  kerk  betreffende  bijzonder- 
heden staan  met,  op  het  oogenblik  moeilijk  leesbare, 
letters  gebeiteld  in  een  gedenksteen,  die  blijkbaar 
vroeger  als  stoep  dienst  deed  aan  den  ingang  der  kerk, 
maar  thans  gelegd  is  voor  de  deur  aan  den  voorgevel 
der  pastorie.  Men  leest  daarop : 

Hier  heeft  Heer  Adrianus  Jacobiis  van  der  Sluys, 
Pastoor  der  kerk,  voor  God  gesticht  dit  bedenluiis, 
Catarijn  Joauna    Werf,  genaamd  van  Melissant, 
En  Martha  van  Capel,  geboren    Witveldt  leiden 
Den  eersten  steen,  op  tuien  7  Geboiizv  rees  tot  zijn  stand: 
Hermanus  Gildenhuis  was  d' opperman  van  beiden. 

Pastoor  van  der  Sluys  werd  in  latere  jaren  nog  ge- 
prezen „voor  weinig  geld  te  Moordrecht  een  fraaie  kerk 
gebouwd  te  hebben."  Maar  het  kerkbestuur  uit  die 
dagen  had  toch  maar  al  te  zeer  vergeten,  dat  op  den 
moerassigen  bodem  geen  kerk  kon  gebouwd  worden, 
rustende  op  heipalen  van  slechts  zes  meter  lengte.  De 
gevolgen  van  dezen  te  zwakken  onderbouw  bleven  niet 
uit,  zooals  uit  de  verdere  geschiedenis  der  Statie  zal 
blijken. 

Intusschcn  werd  pastoor  Van  der  Sluys  in  1779  ver- 
plaatst naar  Vlaardingen  en  Zouteveen,  en  blijkens  zijn 
admissiebrief  den  22en  Februari  in  zijne  nieuwe  Statie 
toegelaten  ^).  Over  zijne  herderlijke  werkzaamheid  te 
Vlaardingen  staat  in  het  kerkarchief  aldaar  niets  aan- 
geteekend. 

In  1787  werd  hij,  met  recht  van  opvolging,  tot 
coadjutor  benoemd  bij  den  bejaarden  pastoor  Cleij  in 
de    Oude    Molstraat    te    's-Gravenhage.    Reeds  in    1788 


i)  Bijdr.  V.  //. ;  dl.   I,  blz.  97;  id.  dl.   XXII,  blz.  66. 


340 

volgde  hij  hem  op  als  pastoor  en  landdeken  van  Delf- 
land. Te  's-Gravcnhage  bouwde  hij  in  1 79 1  eene  nieuwe 
pastorie  ^). 

Toen  in  1794  de  Nuntius  Braricadoro  uit  Brussel 
vluchtte  voor  de  naderende  sanscullotten  en  in  den 
Haag  bescherming  zocht  bij  het  zinkende  Oranjehuis, 
nam  hij  bij  pastoor  Van  der  Sluys  zijn  intrek.  De 
Nuntius  die  onvoorzichtig  genoeg  partij  had  gekozen 
voor  den  straks  vluchtenden  Oranjevorst,  genoot  daar- 
door voor  de  uitoefening  zijner  hoogepriesterlijke  plichten 
eene  in  ons  land  ongekende  vrijheid.  Zoo  diende  hij 
in  den  Haag  in  de  Statie  van  pastoor  Van  der  Sluys 
het  H.  Vormsel  toe  aan  4000  vormelingen.  Tevens  legde 
hij  in  den  Haag  een  geschil  bij,  gerezen  tusschen 
pastoor  Van  der  Sluys  en  de  regulieren  „over  ijverzucht 
en  verdachte  partijdigheid."  Ook  op  andere  plaatsen 
in  de  buurtschap  van  den  Haag  vond  de  Nuntius  ge- 
legenheid om  zijn  heilig  dienstwerk  uit  te  oefenen  ^). 
Toch  heeft  de  ondervinding  bewezen,  hoe  geheel  tegen 
de  staatkundige  inzichten  van  den  Nuntius,  vrijheid 
voor  de  Katholieke  kerk  van  andere  zijde  dan  van  de 
Oranje-partij  te  verwachten  was. 

Door  koning  Lodewijk  werd  in  1807  de  kerk  op  het 
Binnenhof  aan  pastoor  Van  der  Sluys  in  eigendom  en 
ten  gebruike  afgestaan.  Op  het  kerstfeest  van  1807 
werd  daarin  voor  het  eerst  de   H.  Mis  gelezen. 

Pastoor  Van  der  Sluys  stierf  den  I5en  December  1820  ^) 
en  werd,  blijkens  een  zilveren  begrafenis-penning  4),  in 
de    groote    kerk    te    's-Gravenhage    begraven.    Hij    was 

1)  Bi/dr.  V.  H.:  dl.   XVI II,   blz.  385—388. 

2)  Archief  v.    Utr.:    dl.   XXXVI,   blz.   268—270;   iu.   l.c,   blz.   325. 

3)  De  Godsdienstvriend :  dl.   VI,   blz.   45. 

4)  Bisschoppelijk  Museum  te  Haarlem:  Gids,  vijfde  druk,  blz.  164, 
No.  264. 


341 

TJ  jaren  oud.  In  het  bisschoppelijk  Museum  te  Haarlem 
bestaat  van  hem  een  portret  in  kopergravure  ^). 

*  * 
* 

Cornelis  Francisais  Beltijick  (1779 — 1789)  was  in 
1746  te  Pijnacker  geboren  2),  en  werd  blijkens  zijn 
admissie-brief  den  3en  Maart  1779  als  pastoor  van 
Moordrecht  toegelaten  ^).  Bij  zijne  Overheid  stond  hij 
aangeschreven  als  een  bekwaam  godgeleerde  en  een 
waakzame  herder*).  In  1781  bouwde  hij  te  Moordrecht 
eene  nieuwe  pastorie  in  den  deftigen  iSen  eeuwschen 
trant.  Tot  in  191 3  prijkte  de  beneden-kamer  links  aan 
plafond  en  schoorsteen  met  niet-onverdienstelijk  stuc- 
werk, terwijl  nog  heden  de  zoogenaamde  kapelaans- 
kamer gesierd  is  met  een  schoorsteenstuk  op  doek  den 
patroon  der  Statie  S.  Jan  den  Dooper  met  het  Lam 
Gods  voorstellende.  Jammer  dat  ook  de  pastorie,  gelijk 
vroeger  de  kerk,  op  te  lichte  fundecringen  gebouwd 
werd,  zoodat  zij  op  verscheidene  plaatsen  gescheurd  en 
verzakt  is,  en,  wat  den  voorgevel  betreft,  aanmerkelijk 
buiten  het  lood  geraakte.  Nadere  bijzonderheden  omtrent 
den    bouw  worden  in  het  kerkarchief  niet  aangetroffen. 

Pastoor  Beltinck  werd  in  1789  den  22en  December 
verplaatst  naar  Schipluiden  ^),  waar  hij  den  25en  Januari 
1806,  bijna  óo  jaren  oud,  kwam  te  overlijden^). 

*  * 

FredericHs  Schouten  (1789  — 1795)  was  geboren  te 
Nes-  en  Swaluvvebuurt ''),  en  kwam  blijkens  zijn  admissie- 


i)  L.  c,  blz.  125. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  I,  blz.  97. 

3)  Bydr.  V.  H.:  d.  XXII,  blz.  52. 

4)  Bi/dr.  V.  H.:  dl.  XXXIl,  blz.  422. 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,  blz.   58. 

6)  Bijdr.  v.  If. :  dl.   XXXII,  blz,  421—422. 

7)  Bijdr.  V.  n. :  dl.   I,   blz.  97. 


342 

brief  den  Qen  Februari    1789  te  Moordrecht  i),   waar  hij 
verbleef  tot  zijn  dood  den  22en  December   1795. 


Reinier  Ruel  (1795  — 1804)  was  Amsterdammer  van 
c^eboorte  -)  en  gedurende  eenige  jaren  kapelaan  te 
Leidschendam  ^).  Hij  bestuurde  de  Statie  Moordrecht 
tot  1804,  toen  zijne  benoeming  volgde  van  pastoor  te 
Hoorn  aan  de  Statie  in  de  Achterstraat  en  deken  van 
West- Vriesland.  Op  den  22en  December  1812  werd 
hij  pastoor  te  Leidschendam,  waar  hij  door  het  sluiten 
van  de  bijkerk  onder  de  buurtschap  Veur  van  zijne 
parochianen  veel  verdriet  en  tegenwerking  ondervonden 
heeft-*).  Eerst  onder  zijn  opvolger  keerde  de  rust  in 
de  Statie  terug. 

Hij   stierf  te  Leidschendam  den  6en  Sept.    181 7  »). 


WiUiehmis  Henricus  Ter  horst  (1804 — 18 11),  een  neef 
van  moederszijde  van  pater  Roothaen,  was  Amster- 
dammer van  geboorte  ^)  en  eenigen  tijd  kapelaan  te 
Overveen ''').  Bij  de  constitutie  van  1798  was  bepaald, 
dat  alle  kerkgebouwen  en  pastoriehuizen  der  voormaals 
heerschende  kerk,  voor  zooverre  zij  door  aanbouw  uit 
de  afzonderlijke  kas  der  gemeente,  geen  bijzondere  en 
wettige  eigendommen  waren,  genaast  konden  worden, 
tegen    eene    matige    uitkeering,    door    de    grootste    der 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXII,   blz.   52. 

2)  Bijdr.  V.  H. :  dl.  I,  blz.  97. 

3)  Bi/dr.  V.  H.  :  dl.   III,  blz.   385. 

4)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  III,  blz.  376—380. 

5)  Bijdr.  V.  H,:  dl.  III,  blz.  385. 

6)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   I,  blz.  97. 

7)  Bijdr.  V.  H.:  dl.   III,   blz.   349. 


343 

godsdienstige  gezindheden  eener  plaats.  Maar,  zoo  werd 
deze  bepaling  bij  publicatie  van  ii  Oct.  1798  nader 
omschreven,  mocht  de  aanvrage  niet  gedaan  zijn  voor 
den  iien  November  1798,  dan  was  het  recht  om  te 
naasten  vervallen,  en  zou  men  het  er  voor  houden, 
dat  de  rechthebbenden  van  hunne  rechten  afstand 
hadden  gedaan,  en  mitsdien  de  tegenwoordige  bezitters 
ongestoord  in  het  bezit  hunner  goederen  konden  ver- 
blijven. 

Aanspraak  op  teruggave  der  oude  parochiekerk  hadden 
de  katholieken,  als  zijnde  geenszins  de  grootste  onder 
de  te  Moordrecht  bestaande  godsdienstige  gezindheden, 
onder  pastoor  Ruel  niet  laten  gelden,  maar  er  moest 
nog  altijd  een  vergelijk  worden  getrofifen  tusschen  de 
bestaande  kerkelijke  genootschappen,  waarbij  aan  het 
kleinste  eene  matige  uitkeering  moest  geschieden  van 
de  waarde,  waarop  kerk  en  pastorie  begroot  werden. 
Daarvoor  nu  heeft  pastoor  Terhorst  zorggedragen,  zoodat 
door  het  protestantsch  kerkgenootschap  den  26en  Juli 
1809  '^^ri  de  katholieken  een  bedrag  werd  uitgekeerd 
van  430  gulden  en  8  stuivers.  Kerk  en  pastorie  waren 
op  eene  waarde  geschat  van  3042  gulden,  16  stuivers 
en  4  penningen. 

In  181 1  werd  pastoor  Terhorst  verplaatst  naar  Stomp- 
wijk  ^),  waar  door  hem  in  18 19  de  kerk  verfraaid  en 
een  bijzonder  kerkhof  werd  aangelegd  ^).  Den  30^"  April 
1824  verhuisde  hij  naar  Oestgeest,  waar  hij  in  1840 
zijn  eervol  ontslag  ontving.  Te  Haarlem  kwam  hij  den 
gen  Sept.   1842  te  overlijden  ^). 


1)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  I,  blz.  ^T\  De  Godsdietistvriend :  diX.YAlMi-  Z^^^- 

2)  De  Godsdienstvriend:  dl.  IV,  blz,  254. 

3)  L.  c,    dl.    XII,    blz.    368;  id.  dl.  XLV,  blz.  95;  id.  dl.  XLIX, 
blz.  215,  334. 


344 

Florentiiis  Esinan  (i8ii  — 1828)  was  Noordvvijker 
van  geboorte')  en  in  1804  tot  priester  gewijd").  Van 
1806 — 181 1  was  hij  kapelaan  te  Dordrecht'^).  In  1828 
werd  hij  verplaatst  naar  Pijnacker,  waar  hij  den 
29en  November   1845  kwam  te  overlijden'*). 


Joannes  Josephus  van  Reysen  (1828 — 1838)  was  te 
Rotterdam  geboren  ^).  Onder  zijn  pastoraat  werden  de 
herstellingen  van  de  onder  pastoor  Van  der  Sluys  ge- 
bouwde maar  te  licht  onderheide  kerk  krachtig  ter 
hand  genomen.  Haar  toestand  was  allertreurigst  ge- 
worden. Aan  de  Zuid-Westzijde  was  zij  aanmerkelijk 
verzakt;  nieuwe  ramen  waren  noodzakelijk  geworden, 
ja,  indien  niet  terstond  werd  ingegrepen,  viel  voor  het 
behoud  der  geheele  kerk  ten  zeerste  te  vreezen.  Maar 
de  kerkekas  was  noodlijdend  en  voor  zulke  aanzienlijke 
uitgaven  niet  berekend.  Daarom  richtte  het  kerkbestuur 
in  1830  tot  Zijne  Majesteit  den  Koning  een  verzoek- 
schrift om  steun,  waarop  den  5en  Augustus  1830  goed- 
gunstig met  eene  subsidie  van  1200  gulden  beschikt 
werd.  Eenzelfde  verzoekschrift,  gericht  tot  Gedeputeerde 
Staten,  werd  eerst  van  de  hand  gewezen,  maar  opnieuw 
ingezonden,  welwillend  opgenomen  en  eene  subsidie  van 
400  gulden  in  het  vooruitzicht  gesteld.  De  katholieken 
der  Statie  hadden  225  gulden  bijeengebracht.  Bij  open- 
bare aanbesteding  werd  het  geheele  herstel  der  kerk 
aangenomen  door  C.  van  der  Kuy  te  Moordrecht  voor 


1)  Bijdr.  V.   IL:  dl.  I,   blz.   97. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  I,  blz.  423. 

3)  L.  c. 

4)  Bijdr.  V.   II.:  dl.  I,   blz.   423. 

5)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  1,  blz.  97. 


345 

1850    gulden.    Toch    zal    later   blijken    dat  deze  gelden 
nutteloos  werden  uitgegeven. 

Den  len  Juni  1838  werd  pastoor  Van  Reysen  ver- 
plaatst naar  Vlaardingen,  waar  hij  tot  zijn  dood  verbleef 
den  iQcn  Maart  1847  ^).  In  het  kerkarchief  te  Vlaardingen 
staat  over  zijne  herdelijke  werkzaamheden  niets  bijzonders 

aangeteekend. 

*  * 

Joannes  Josephus  Groen  (1838— 1848)  was  Amster- 
dammer van  geboorte  2),  van  1833 — 1837  kapelaan  te 
Rhijndijk,  waartoe  destijds  de  bijkerk  behoorde  aan 
den  Groenendijk  3),  van  1837 — 1838  kapelaan  te  Lisse  *), 
en  in   1838  kapelaan  te  Noordwijk  ^). 

Onder  zijn  pastoraat  werd  tegenover  de  kerk  op  den 
IJseldijk  eene  dubbele  werkmans-woning  gebouwd,  waar- 
onder gelegenheid  werd  gemaakt  voor  stalling  van 
tien  paarden. 

In  de  jaren  1838  en  1839  werd  pastoor  Groen  in 
zijne  bediening  ter  zijde  gestaan  door  de  kapelaans 
H.  Blom  en  H.  J.  IJzermans.  Hij  stierf  na  eene  ziekte  van 
slechts  drie  dagen  te  Moordrecht  op  den  29en  December 
1848,  in  den  ouderdom  van  44  jaren,  en  werd  te 
Kralingen  begraven.  Volgens  de  Godsdienstvriend  was 
hij  onder  zijne  parochianen  „bemind"  en  „hooggeschat"  "). 

*  * 

* 

Andreas  Feijen  (1848— 1858)  werd  te  Oude-Tonge 
den  I5en  Februari  18 12  geboren  en  den  22en  October  1837 


1)  De  Godsdienstvriend:  dl.   XL,  blz.  299;  id.  dl.  LVIII,  blz.   207. 

2)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  I,  blz.  97. 

3)  Bijdr.  V.  H.:  dl.  XXVI,  blz.  no\  De  Godsdiensiv?iend :  dl.  XXXI, 
blz.  239;  id  dl.  XXXIX,  blz.   152. 

4)  De    Godsdienstvriend,    dl.  XXIX,  blz.    152;  id.  dl.   XL,  blz.    155. 

5)  L.  c,  dl.  XL,   blz.   155,  299. 
6J  L.  c,  dl.  LXII,  blz.  98. 


346 

te  Warmond  tot  priester  gewijd  ^).  Hij  was  kapelaan 
te  Vlissingen  van  1837 — 1839,  leeraar  te  Hageveld,  en 
in  1848  assistent  te  Poeldijk  2).  Den  3ien  December  1848. 
toen  pastoor  Groen  nog  boven  aarde  stond,  kwam  hij 
als  pastoor  te  Moordrecht  aan. 

Het  eerste,  waaraan  pastoor  Feijen  zijne  aandacht 
wijdde,  was  aan  het  herstel  van  de  opnieuw-verzakkende 
en  bouwvallig-wordende  kerk.  Daarvoor  had  hij  uit 
eigen  middelen  en  uit  de  Statie  de  benoodigde  gelden 
bijeengebracht.  ,,Het  kerkgebouw,  zoo  schreef  destijds 
de  Godsdienstvriend  ^),  is  in  een  behoorlijken  toestand 
gebracht,  en  verdient  nu  den  naam  van  Godshuis.  Het 
dak  der  kerk,  zijnde  vroeger  roode  pannen,  is  ver- 
anderd in  blauwe;  het  kruis,  waarmede  het  niet  prijkte, 
staat  nu  op  het  torentje,  dat  vroeger  niet  te  zien  was; 
doodelijke  stilte  die  eertijds  heerschte,  wordt  nu  afge- 
wisseld door  een  aangenaam  gelui  van  onze  torenklok  •*) ; 
het  innerlijke  onzer  kerk  duidt  thans  iets  majestueus 
aan,  daar  daarin  bijna  alles  vernieuwd  is." 

In  1852  werd,  gewis  te  zeer  in  de  nabijheid  der  kerk, 
een  bijzonder  kerkhof  aangelegd,  waarvan  de  kosten 
890  gulden  beliepen,  welke  uit  vrijwillige  bijdragen 
werden  tezamen  gebracht. 

In  1856  werd  de  Statie  Moordrecht  tot  parochie  ver- 
heven met  eigen  geestelijk  grondgebied,  waartoe,  behalve 
de  burgerlijke  gemeente  Moordrecht,  gerekend  werden 
te  behooren :  de  burgerlijke  gemeenten  Nieuwerkerk 
a/den  IJsel,  Ouderkerk  a/den  IJsel,  Berkenwoude,  Zuid- 


1)  Bijdr.  V.   II.:  dl.  I,  blz.  97;   i.1.  dl.  I,  blz.  390. 

2)  De   Godsdienstvriend:  dl.  LXII,   blz.    105. 

3)  L.  c,  dl.  LXIX,  blz.  238—239. 

4)  Uit  torenklokje  draagt   het  jaarcijfer    1696  en  voert  tot  randschrift : 
Vigilate  et  orate.  Blijkbaar  is  het  dus  van  elders  aangebracht. 


347 

broek  en  Gouderak,  met  uitzondering  van  Stolwijkersluis 
dat  onder  Gouda  viel. 

Toen  nu  in  1856  pastoor  Feijen  het  plan  opvatte 
om  in  plaats  van  het  bouwvallige,  telkens  herstelde 
bedehuis  eene  geheel  nieuwe  kerk  te  bouwen,  stuitte  hij 
op  den  onwil  en  de  tegenwerking  zijner  parochianen. 
Volgens  eenigen  was  de  kerk  „een  waardig  Godshuis", 
ja  bezat  zelfs  „iets  majestueus"  ;  volgens  anderen  en  die 
werden  vooral  onder  de  Nieuwerkerkers  gevonden,  diende 
de  nieuw  te  stichten  kerk  niet  op  dezelfde  plaats,  maar 
meer  in  het  midden  der  parochie,  naar  den  kant  van 
Nieuwerkerk  gebouwd  te  worden ;  aan  de  kerk  zelf  ont- 
braken voor  den  nieuwen  bouw  de  benoodigde  fondsen ; 
de  goede  gezindheid  onder  de  parochianen  ging  te  loor ; 
jegens  den  pastoor  was  de  algemeene  achting  en  ge- 
negenheid sterk  verminderd :  zoodat  bij  het  vertrek  van 
pastoor  Feijen  de  parochie  in  allerlei  moeilijke  om- 
standigheden werd  achtergelaten. 

Pastoor  Feijen  vertrok  naar  Sassenheim,  waar  hij  den 
7en  Februari  1863,  bijna  51  jaren  oud,  kwam  te  over- 
lijden 1). 

Er  hangt  in  de  pastorie  te  Moordrecht  een  portret 
van  pastoor  Feijen  (hg.  87  cm.  br.  74  cm.)  geschilderd 
door  B.  J.  C.  Weingartner,  1858;  tevens  bestaat  ervan 
hem    in    het    bisschoppelijk   Museum    te    Haarlem  eene 

lithographie  "}. 

*      * 
♦ 

Adria7ius  Joannes  van  der  Drift  (1858 — 1894)  was 
te  's-Gravenhage  in  1826  geboren  en  in  1850  tot  priester 
gewijd^).  Hij  was  achtereenvolgens  kapelaan  te  Rotter- 


i)  De  Godsdienstvriend :  dl.  XC,  blz.   106. 

2)  Gids  van  het  Biss.  Museum:  vijfde   druk,  blz.   Ii8. 

3)  Bijdr.  V.  IL:  dl.  I,  blz.  97. 


34<^ 

dam  in  de  S.  Laurentius-parochie  ^),  te  Kethel  ^),  te 
Soeterwoude  ^),  te  Middelburg  ^),  te  Vlissingen  ■'')  en  te 
Berkenrode  ''). 

Bij  zijne  benoeming  tot  pastoor  te  Moordrecht  gaf 
de  Bisschop  hem  in  opdracht  de  nieuwe  kerk  wederom 
tezelfdcr  plaatse  op  te  bouwen,  en  daarvoor  een  plan 
te  laten  ontwerpen,  dat  in  begrooting  de  lo.ooo  gulden 
niet  zou  te  boven  gaan. 

In  zijne  bouwplannen  werd  pastoor  Van  der  Drift 
krachtig  ter  zijde  gestaan  door  den  toenmaligen  burge- 
meester van  Moordrecht,  die  de  belangen  der  hulp- 
behoevende parochie  zoodanig  wist  te  steunen,  dat  van 
regeeringswege  2000  gulden  en  door  de  provincie 
3300  gulden  als  toelage  voor  den  bouw  werd  toege- 
zegd 7).  De  plannen  der  kerk  door  den  opzichter  van 
Waterstaat,  Van  Echten,  ontworpen,  werden  door 
J.  van  Leeuwen  te  Overschie  voor  9930  gulden  uitge- 
voerd. Den  I9en  Juli  1859  werd  de  eerste  steen  gelegd. 
Tijdens  den  bouw  werd  in  de  pastorie  in  de  beneden- 
kamer  links  de  H.  Mis  gelezen,  terwijl  ook  de  gang  en 
de  benedenkamer  rechts  door  de  geloovigen  in  gebruik 
werden  genomen.  Deze  toestand  heeft  geduurd  tot 
November  1860. 

In  1872  waagde  men  het  zoowaar  juist  aan  die  zijde 
der  kerk,  waar  bij  ondervinding  de  bodem  het  zwakste 
was,  aan  den  Zuid-West-kant,  eene  doopkapel  te  bouwen 
zonder  te  heien.  Na  acht  jaren  was  men  gedwongen  de 


i)  De  Godsdienstvriend :  dl,  LXV,  blz.    154. 

2)  L.  c,  dl.  LXVIII,  blz.  47;  dl,  LXIX,  bh.   142. 

3)  L,  c,  dl.  LXVIII,  blz.  47;  dl.  LXXV,  blz.  227. 

4)  L.  c,  dl.  LXXVI,  bh.   145, 

5)  L,  c,  dl,  LXXVI,  bh.  242, 

6)  L.  c,  dl.  LXXVI,  bh.  241. 

7)  L.  c,  dl.  LXXXV,  bh.  45-46. 


349 

geheele  kapel  af  te  breken,  waarna  zij,  maar  toch  ook 
weer  matigjes  beheid,   opnieuw  werd  opgetrokken. 

In  1885  eischte  de  door  pastoor  Beltinck  gebouwde 
pastorie  tegen  verdere  verzakking  aan  de  Zuid-West-zijde 
door  nieuw  heiwerk  gesteund  te  worden.  Maar  ook  toen 
heeft  wederom  de  zuinigheid  de  wijsheid  bedrogen: 
zoodat  toen  pastoor  Bots  in  19 12  voornemens  was  de 
gescheurde  en  danig-vervallen  pastorie  grondig  te  her- 
stellen, hij  het  raadzaam  oordeelde  eerst,  omtrent  de 
degelijkheid  van  het  gebouw  zelf,  advies  in  te  winnen 
bij  den  architect  J.  Stuyt.  Het  advies  luidde :  „de  palen 
zijn  alle  gaaf,  maar  veel  te  licht;  het  gebouw  zal  het 
uw  leeftijd  wel  uithouden ;  de  scheuren  zijn  niet  ver- 
ontrustend ;  de  bovenverdieping  moet  met  geen  zware 
meubelen  belast  worden." 

Bij  gelegenheid  van  het  zilveren  priesterfeest  van 
pastoor  Van  der  Drift  werd  door  de  parochianen  aan 
de  kerk  een  nieuw  hoofdaltaar,  en  bij  diens  veertigjarig 
priesterschap  een  nieuwe  communiebank  geschonken. 
Geholpen  door  meerdere  milddadige  families  wist  pastoor 
Van  der  Drift  gedurende  de  ^6  jaren  van  zijn  herderlijk 
bestuur  de  kerk  met  allerlei  sieraden  te  verrijken,  maar 
de  aankoop  geschiedde  zoo  weinig  oordeelkundig,  dat, 
volgens  de  bemerking  van  pastoor  Bots  „in  het  kleine 
kerkgebouw  haast  alle  stijlen  der  aarde  vereenigd  zijn." 

Toenemend  ooglijden  noopte  pastoor  Van  der  Drift 
in  1894  ontslag  uit  de  bediening  aan  te  vragen.  Hij 
begaf  zich  naar  Prinsenhage,  waar  hij  den  len  Augustus 
1900  in  den  Heer  ontslapen  is. 

Bij  testamentaire  beschikking  schonk  hij  aan  de 
parochie  eenige  effecten  voor  den  bouw  eener  toekomstige 
bijzondere  school. 

De  naam  van  pastoor  Van  der  Drift  is  nog  op  het 
oogenblik  bij  de  parochianen  van  Moordrecht  en  Nieuwer- 


350 

kerk  in  hooge  eere.  Van  hem  hanj^t  in  de  pastorie  een 
goed-gelijkend  portret. 


Petrus  Adrianus  Lejeune  (1894 — 1900)  was  den 
25en  Augustus  1848  te  Gouda  geboren,  studeerde  te 
Hageveld,  te  Culemborg  en  te  Warmond,  en  werd  den 
15  en  Augustus  1875  door  Mgr.  Wilmer  tot  priester 
gewijd.  Hij  was  kapelaan  te  Overveen  van  1875 — 1879, 
te  Stompwijk  van  1879 — 1883,  te  Ouderkerk  a/den  Amstel 
van  1883 — 1890,  en  rector  aan  het  jongensweeshuis  te 
Amsterdam  van   1890 — 1894. 

Gedurende  de  jaren  van  zijn  pastoraat  heeft  hij  zich 
vooral  verdienstelijk  gemaakt  voor  de  katholieken  van 
Nieuwerkerk,  bij  wie  nog  altijd  de  hoop  op  een  eigen 
kerkgebouw  —  maar  waarvan  pastoor  Van  der  Drift 
niets  wilde  weten  —  was  levendig  gebleven.  Toch 
gebeurde  er  in  de  eerste  jaren  onder  pastoor  Lejeune 
niets  dat  hun  hoop  op  slagen  bood.  Evenwel  stonden 
hunne  kansen  al  aanstonds  beter  dan  ooit  te  voren, 
omdat  pastoor  Lejeune  de  vriendschap  genoot  der 
Nieuwerkerksche  familie  Moons,  van  wie  men  wist,  dat 
zij  niet  alleen  eene  vurige  voorstandster  was  eener  eigene 
kerk,  maar  bovendien  in  staat,  om  aan  dat  verlangen 
door  geldelijken  steun  kracht  bij  te  zetten.  En  ziet, 
toen  de  zaken  zoo  stonden,  kwam  den  7en  Augustus  1897 
te  Moordrecht  te  overlijden  Arie  Tettero,  van  geboorte 
een  Nieuwerkerker  en  destijds  gewoond  hebbende  aan 
den  's-Gravenweg  op  de  boerderij,  gelegen  tusschen  de 
Hitlandsche  laan  en  de  Polderbrug.  Bij  testamentaire 
beschikking  had  hij,  bij  wijze  van  legaat,  aan  het  bisdom 
Haarlem  enkele  perceelen  weiland  onder  Nieuwerkerk 
vermaakt,  met  verplichting  de  opbrengst  der  landerijen 
hoogstens  gedurende  40  jaren  te  beleggen,  en  voor  die 


351 

som  land  aan  te  koopen  en  eene  kerk  te  bouwen  voor 
de  katholieken  van  Nieuwerkerk.  Mocht  het  bisdom  op 
deze  door  den  erflater  gestelde  voorwaarde  niet  ingaan, 
dan  zouden  na  40  jaren  de  landerijen  en  de  gekweekte 
renten  aan  zijne  erfgenamen  ten  goede  komen. 

Gelukkig  mocht  pastoor  Lejeune  namens  den  Bisschop 
deze  schenking  aanvaarden,  waardoor  tevens  zekerheid 
verkregen  werd,  dat  binnen  een  afzienbaar  tijdsverloop 
aan  de  gestelde  verplichtingen  zou  voldaan  worden.  Die 
aanvaarding  geschiedde  den  25611  Januari  1898;  maar 
zooals  te  verwachten  was,  nu  schoot  met  de  familie 
Moons  het  geheele  katholieke  Nieuwerkerk  krachtig 
toe.  Er  werd  gratis  bouwterrein  aangeboden ;  aan- 
merkelijke giften  werden  in  vooruitzicht  gesteld ;  nieuwe 
giften    en    nieuwe    toezeggingen    werden    door   anderen 

gedaan en    pastoor    Lejeune    bezweek    voor    den 

godsdienstigen  drang  der  Nieuwerkerkers  en  stelde 
hunne  verlangens  aan  het  oordeel  van  den  Bisschop 
voor.  De  Bisschop  stemde  toe  en  gaf  aan  pastoor 
Lejeune  in  opdracht  de  eerste  maatregelen  te  treffen, 
welke  tot  den  bouw  eener  bijkerk  te  Nieuwerkerk  leiden 
konden.  Te  Moordrecht  werd  deze  beslissing  met  geen 
onverdeelde  blijdschap  vernomen.  De  katholieken  aldaar, 
die  bij  geen  ondervinding  wisten,  wat  het  zeggen  wil, 
in  wintertijd  vooral,  langs  gladde  wegen,  onder  sneeuw- 
en regenvlagen  een  kerkgang  te  houden  naar  het  bijna 
anderhalf  uur  ver  afgelegen  Moordrecht,  vonden  de 
scheiding,  alleen  om  geldelijke  redenen,  minder  aan- 
genaam. Want  velen  waren  van  meening,  dat  bij  eene 
splitsing  der  twee  gemeenten.  Moordrecht  niet  in  staat 
zou  zijn  om  de  lasten  te  dragen,  welke  aan  het  bestaan 
en  het  onderhoud  der  parochiekerk  verbonden  waren. 
Maar  pastoor  Lejeune,  gesteund  door  enkelen  uit  zijn 
kerkbestuur,    ging   eenvoudig   verder,    en  gaf  den  Heer 


352 

Dessin^  te  Gouda  in  opdracht  voor  de  te  bouwen  bij- 
kerk een  ontwerp  in  te  leveren.  De  plannen  van  den 
Heer  Dessing  waren  wel  keurig  en  alleszins  aanbe- 
velingswaardig, maar  gingen  de  draagkracht  van  het 
kerkbestuur  zoodanig  te  boven,  dat  van  alle  verdere 
onderhandelingen  met  hem  werd  afgezien. 

Intusschen  had  ook  de  Heer  van  Gils  te  Rotterdam 
een  ontwerp  ingezonden,  waarvan  hij  in  een  begeleidend 
schrijven  getuigde,  dat  het  voor  18.000  gulden  kon 
worden  uitgevoerd.  „Doch  daar  ik  begrijp  —  aldus  de 
Heer  van  Gils  ^)  —  dat  u  niet  zult  willen,  dat  iemand 
bij  dezen  bouw  eenige  schade  zoude  lijden,  heb  ik  de 
geraamde  aannemingssom  op  ƒ18.800  gebracht.  Maar 
hieronder  is  dan  mijn  eereloon  voor  het  maken  van 
teekeningen  en  bestekken  begrepen ;  het  houden  van 
toezicht  en  het  maken  van  reiskosten.  En  deze  be- 
rekening  is    niet    oppervlakkig    maar  serieus  geschied." 

En  in  latere  brieven  herhaalde  de  Heer  van  Gils 
nogmaals:  „Bestek  en  teekening  zijn  nog  eens  nauw- 
keurig nagezien  en  als  solied  werk  uitgerekend.  Over 
honderd  jaren  moet  uw  kerkje  nog  even  solied  zijn  als 
over  tien  jaren,  anders  begin  ik  er  liever  niet  aan. 
Indien  met  i  Juni  kan  begonnen  worden,  zal  het  werk 
zoo  omtrent  Allerheiligen  zijn  opgeleverd." 

Geen  wonder  dat  het  kerkbestuur  na  deze  verklaringen 
in  den  Heer  van  Gils  vertrouwen  stelde  en  hem  in 
opdracht  gaf  zijne  bouwplannen  uit  te  voeren. 

Middelerwijl  hechtte  ook  de  kerkelijke  Overheid  aan 
zijne  plannen  hare  goedkeuring,  maar  had  toch,  voor- 
gelicht door  haren  raadgever  op  bouwkundig  gebied, 
in  een  begeleidend  schrijven  er  de  bemerking  aan  toe- 
gevoegd,    dat    het    begrootingscijfer    wel    wat    te    laag 


l)  Kerkarchief  Nieuiverkerk. 


353 

berekend  was.  Eene  maar  al  te  gegronde  bemerking : 
want  toen  den  24en  Mei  in  het  openbaar  de  aanbesteding 
plaats  greep,  werd  geen  enkele  aannemer  bereid  gevonden 
om  voor  18.800  gulden  de  bouwplannen  van  den  Heer 
van  Gils  uit  te  voeren.  Zoodat  het  kerkbestuur  met 
hem  in  nader  overleg  trad,  en,  nadat  enkele  wijzigingen 
in  bestek  en  teekeningen  waren  aangebracht,  besloot, 
om  aan  den  Heer  van  Gils  zelf  voor  de  ronde  som 
van  20.000  gulden  zijn  bouwplan  ter  uitvoering  op  te 
dragen. 

De  Heer  van  Gils  was  met  dit  blijk  van  vertrouwen, 
waardoor  hij  voor  het  eerst  in  de  gelegenheid  gesteld 
werd  zijne  talenten  op  bouwkundig  terrein  te  openbaren, 
hoogelijk  ingenomen,  al  was  de  prijs  wat  krap  berekend. 
„U  zult  begrijpen,  zoo  schreef  hij  aan  het  kerkbestuur, 
dat  ik  het  doe  voor  mijnen  naam." 

Omtrent  den  bouw  zelf  van  het  kerkje  teekende 
pastoor  Lejeune  in  het  kerkarchief  aan :  „Hoewel  er 
niet  aanstonds  behoefte  bestond  aan  een  groot  kerk- 
gebouw of  aan  eene  groote  pastorie,  zoo  werd  toch  de 
niet  van  grond  ontbloote  mogelijkheid  voorzien  van 
eene  latere  vergrooting,  ja  zelfs  van  eene  mogelijke 
afscheiding  van  Moordrecht.  Op  die  mogelijkheid  werd 
bij  den  bouw  gerekend. 

De  kerk  werd  gedacht  als  kruiskerk  en  het  plan 
bestond  om  later  aan  het  priesterkoor  een  Sacristy  te 
bouwen.  Ook  de  pastorie  was  er  op  berekend  om  later 
vergroot  te  kunnen  worden.  Met  het  oog  op  den  tuin 
werd  de  Pastorie  niet  aan  den  noordelijken  maar  aan 
den  zuidelijken  gevel  der  kerk  opgetrokken.  Het  achterste 
gedeelte  slechts  der  kerk  werd  voltooid ;  daar,  waar 
het  dwarsschip  zou  beginnen  was  een  spouwmuur 
geplaatst." 

Aanvankelijk    vlotte    het    werk    zoo,    dat    reeds   den 

23 


354 

I7en  Juli  door  Deken  Malingré  van  Gouda  de  eerste 
steen  gelegd  kon  worden.  Later  is  het  met  den  op- 
bouw minder  vlug  gegaan,  zoodat  eerst  den  igen  Dec, 
onder  aanroeping  van  den  H.  Josef,  als  patroon,  de 
kerk  door  den  deken  van  Gouda  werd  ingezegend. 
Op  den  eersten  Kerstdag,  25  December  1899,  werd 
de  kerk  beschouwd  als  te  zijn  opgeleverd,  en  droeg 
pastoor  Lejeune  er  de  eerste  H.  Mis  op  van  dank- 
baarheid. 

In  het  volgende  jaar  werd  pastoor  Lejeune  verplaatst 
naar  Schoonhoven,  waar  hij  in  1905  zijn  ontslag  uit 
de  heilige  bediening  aanvroeg,  en  zich  terugtrok  in  het 
S.  Elisabeth's  Rustoord  te  Grave.  Later  in  1908  ver- 
huisde hij  naar  de  Pelgroms-Stichting  te  Zevenaar,  en 
thans  woont  hij  sinds   191 3  te  Velzen-Driehuis. 

Reeds  bij  zijn  leven  heeft  pastoor  Lejeune  de  bijkerk 
van  Nieuwerkerk  rijkelijk  bedacht. 


Joannes  Ludovictis  Hubertus  Stams  (1900 — 1906) 
was  den  i6en  December  1849  te  Rotterdam  geboren, 
en  begon  eerst  op  meer  gevorderden  leeftijd  zijne  priester- 
lijke studiën  op  onze  beide  Seminariën.  Hij  werd  den 
I5en  Augustus  1880  tot  priester  gewijd  en  was  achter- 
eenvolgens assistent  te  Haarlem  aan  het  Spaarne,  kape- 
laan te  Wijk  aan  Zee  en  te  Delft,  en  rector  van  de 
H.  Sacraments-kapel  te  Rotterdam. 

Pastoor  Stams  was  van  eene  zwakke  gezondheid ; 
toenemend  hartlijden  noopte  hem  in  1906  zijn  emeritaat 
aan  te  vragen :  hij  vertrok  naar  het  S.  Elisabeth's  ge- 
sticht te  Dongen,  waar  hij  reeds  den  loen  September 
1906  kwam  te  overlijden. 

Onder  zijne  parochianen  leeft  pastoor  Stams  voort 
als    een    devoot     priester     van     gemoedelijk     karakter. 


355 

eenvoudig     in     den     omgang    en     liefdadig    jegens    de 
armen. 


Theodorus  Fraticisciis  Ebbinkhnysen  (1906  — 1909)  was 
den  2en  Augustus  1863  te  Amsterdam  geboren,  studeerde 
op  de  beide  Seminariën  van  ons  bisdom,  en  werd  den 
I5en  Augustus  1889  tot  priester  gewijd.  Hij  was  achter- 
eenvolgens kapelaan  aan  de  S.  Josef-parochie  te  Rotter- 
dam, te  Haarlemmermeer  aan  den  Spaarnwouderweg, 
te  Hillegom,  en  rector  van  het  gesticht  „de  Heibloem". 

Reeds  den  3en  September  1909  werd  hij  door  zijne 
benoeming  tot  deken  en  pastoor  van  Alkmaar  aan  de 
parochie  Moordrecht  ontnomen. 

De  lezers  van  dit  tijdschrift  zullen  zich  dankbaar 
herinneren,  hoe  pastoor  Ebbinkhuysen  indertijd  tot  het 
drietal  priesters  behoorde,  door  wie  een  uitgebreid  register 
op  de  eerste  20  deelen  van  deze  Bijdragen  werd 
samengesteld. 

Joannes  Maria  Aloyshis  Bots^  die  sinds  1909  het 
herderlijk  bestuur  voert  der  parochie,  is  den  23611  Mei 
1868  te  Nieuwkoop  geboren,  studeerde  aan  onze  Semi- 
nariën Hageveld  en  Warmond,  en  werd  den  15  en  Februari 
1894  tot  priester  gewijd.  Hij  was  kapelaan  te  Langeraar, 
te  Warmond  en  te  Amsterdam  aan  S.  Willibrordus 
binnen  de  Veste. 

Onder  pastoor  Bots  werd  den  3en  Juni  191 2  de 
bijkerk  te  Nieuwerkerk  van  de  moederkerk  afge- 
scheiden 1),  en  tot  zelfstandige  parochie  verheven  3).  De 


1)  Eigenlijk  is  Moordrecht  de  stiefmoeder  van  Nieuwerkerk,  zooals 
uit  eene  beschrijving  der  parochie  Kralingen,  waartoe  na  de  zooge- 
naamde Hervorming  Nieuwerkerk  behoorde,   later  blijken  zal. 

2)  Schrijver  dezes  werd  daarvan  de  eerste  pastoor. 


356 

redenen,  welke  den  herder  van  Moordrecht  tot  de  aan- 
vrage dezer  afscheiding  hadden  aangezet,  werden  door 
hem  zelf  in  „de  Nieuwe  Zuid-Hollander"  aldus  in  het 
kort  samengevat. 

Ten  eerste,  omdat  het  voor  de  katholieken  aldaar 
een  geestelijk  voordeel  was,  indien  zij  in  hun  midden 
een  eigen  herder  hadden,  die  hen  bezoeken  en  verzorgen 
ën  dagelijks  voor  hen  het  H.  Misoffer  kon  opdragen 
Dan  kon  ook  het  onderricht  der  kinderen  beter  behartigd, 
en  aan  het  verlangen  des  H.  Vaders,  ten  aanzien  van 
de  veelvuldige,  zoo  mogelijk  dagelijksche  H.  Communie, 
ruimer  worden  voldaan. 

Ten  tweede  werd  gereeder  gelegenheid  geboden  om 
te  Nieuwerkerk  eene  bijzondere  school  te  stichten, 
waartoe  door  Tettero  bij  uiterste  wilsbeschikking  den 
eersten  geldelijken  steun  geschonken  was. 

Ten  derde  om  zelf  in  staat  te  zijn  meer  uitsluitend 
aan  de  geestelijke  belangen  van  Moordrecht  zijne 
priesterlijke  krachten  te  wijden. 

En  zoo  werd  reeds  te  Moordrecht  in  den  aanvang  van 
19 13  een  begin  gemaakt  met  den  bouw  van  een 
St.  Josef's-Gesticht,  volgens  plannen  van  den  architect 
J.  Stuyt,  waarin  Zusters  van  het  arme  Kind  Jesus  leer- 
naai-  en  bewaarscholen  zouden  openen. 

De  bouw  werd  den  I2en  Maart  in  het  openbaar  aan- 
besteed en  voor  28.828  gulden  gegund  aan  de  gebroeders 
Dessing,  aannemers  te  Gouda.  Den  25en  September 
namen  de  eerwaarde  Zusters,  aanvankelijk  vijf  in  getal, 
—  thans  zijn  er  zeven  —  in  de  nieuwe  Stichting  haar 
intrek,  en  openden  den  len  October  hare  scholen  met 
44  kinderen,  welk  getal  in  19 14  reeds  tot  73  is  opge- 
klommen. 

Aan  den  lateren  geschiedschrijver  moet  hier  worden 
overgelaten    te    verhalen,    hoe    pastoor   Bots   door   zijn 


357 


milddadigheidszin  en  priesterlijken  ijver  de  parochie  van 
Moordrecht  tot  voordeel  en  zegen  is  geweest. 

Op  den  feestdag  van 

S.  Theresia   1914. 
Nieuwerkerk  a/den  IJsel.  J.  C.  VAN  DER  Loos. 


LIJST  DER  EERWAARDE  HEEREN  DIE  TE  MOORDRECHT 
ALS  KAPELAAN  ZIJN  WERKZAAM  GEWEEST. 


Namen  : 
Gerardus  Moerland. 
Andr.  H.  J.  Sprenger. 
Joës  P.  Huibers. 
Theod.  J.  van  Noord. 
Joës  H.  Duijmel. 
Adr.  Koopman. 
Chr.  Dessing. 
Jac.  C.  van  der  Loos. 


GeboorteplcMts : 
Utrecht. 
Den  Haag. 
Amsterdam. 
Middelburg. 
Schiedam. 
Werfershoef. 
Gouda. 
Rijswijk  Z.-H. 


Te  Moordrecht 
1893— 1894 
1898—1899, 
1899— 1902, 
1902 — 1905, 
1905 — 1908, 
1908— 1911, 
1911  — 1912 
1912. 


EEN  VIERTAL  VISITATIEBRIEVEN  VAN 
LEEUWENHORST. 


Eén  der  voornaamste  middelen  om  de  kloostertucht 
te  bewaren  en,  zoo  deze  in  verval  geraakte,  te  herstellen 
was  de  z.g.  „visitatio",  de  komst  van  kloosteroversten, 
meestal  uit  de  nabuurschap,  op  gezette  tijden  in  het  convent 
om  aldaar  onderzoek  in  te  stellen  naar  het  onderhouden 
van  den  regel  en  overtredingen,  wanneer  deze  voorkwamen, 
uit  te  roeien.  Ten  dienste  der  kloosterlingen  werd  dan  na 
dit  onderzoek  eene  lijst  opgesteld  van  die  punten,  welke 
volgens  het  oordeel  van  den  „visitator"  het  meest  de 
behartiging  verdienden.  En  opdat  zulke  punten  niet  in 
vergetelheid  zouden  geraken,  werd  door  den  visitator 
tevens  gelast  dat  de  „charta  visitationis",  zooals  die  lijst 
werd  genoemd,  op  bepaalde  dagen  van  het  jaar  aan  de 
communiteit  zou  voorgelezen  worden. 

Vier  van  zulke  visitatiebrieven,  uitgevaardigd  voor  de 
abdij  Leeuwenhorst,  zijn  bewaard  gebleven  in  het  H.  S. 
van  P.  van  der  Schelling,  dat  eene  uitvoerige  geschiedenis 
van  dit  klooster  bevat  en  aan  het  seminarie  te  Warmond 
toebehoort.  Wij  zullen  deze  nog  onuitgegeven  visitatie- 
brieven in  de  Bijlagen  geheel  afdrukken  en  hier  eenige 
bizonderheden  mededeelen,  welke  tot  beter  begrip  van 
elk  dier  stukken  kunnen  dienen. 

Bijlage  I  betreft  eene  visitatie  gehouden  in  het  1488 
door  Henricus  van  der  Heyden,  ook  wel  H.  van  Calcar 
geheeten,  abt  van  het  klooster  Camp  bij  Rheinberg  in 
het  Keulsche,  aan  deze  zijde  van  den  Rijn.  Hij  had  dit 


359 

onderzoek  verricht  „auctoritate  paterna".  Deze  term 
wijst  op  de  innige  verhouding  in  welke  de  abdij  van 
Camp,  door  Cisterciënser  monniken  bewoond,  stond  tot 
Leeuwenhorst,  op  korten  afstand  van  Noordwijk-binnen 
gelegen  ^),  welke  abdij  tot  dezelfde  Orde  behoorde,  maar 
Cisterciënser  nonnen  binnen  hare  muren  huisvestte.  Na- 
genoeg van  den  aanvang  af,  sinds  1275,  was  Leeuwen- 
horst bij  Camp  geïncorporeerd  en  waren  de  abten  van 
Camp  hare  „geestelijke  vaders"  geweest,  die  voor  de 
verschillende  belangen  der  abdij  zorg  droegen  en  als 
zoodanig  ook  in  gewone  omstandigheden,  en  dan  met 
uitsluiting  van  alle  andere  kloosteroversten,  de  jaarlijksche 
visitatie  hadden  te  houden. 

Wanneer  wij  nu  den  visitatiebrief  van  1488  verder 
inzien,  dan  bemerken  wij  vooreerst  dat  de  „clausuur", 
de  insluiting,  met  toestemming  van  den  visitator  niet  in 
hare  oorspronkelijke  gestrengheid  werd  onderhouden. 
Immers  aan  de  kloostervrouwen  was  het  toegestaan  nu 
en  dan  hare  bloedverwanten  en  bekenden  buiten  de 
abdij  te  gaan  bezoeken.  Naar  de  opvatting  van  Hendrik 
van  der  Heyden  werd  echter  van  dit  verlof  een  te  ruim 
gebruik  gemaakt  en  hij  vermaande  daarom  tot  beperking. 
Bovendien  bleef  het  aan  de  nonnen  ten  strengste  ver- 
boden zulke  bezoeken  af  te  leggen  tijdens  de  Vaste, 
vooral  om  de  veelvuldige  ergernissen,  aan  het  vieren 
van  den  vastenavond  eigen,  en  ook  mochten  zij 
Leeuwenhorst  niet  verlaten  om  wille  van  bruiloft, 
kermis  of  andere  wereldlijke  vermakelijkheden.  Binnen 
het  klooster  zelf  was  de  clausuur  strenger  geregeld. 
Als  voornaamste  bepaling  gold  dat  de  nonnen  zich 
niet    mochten    begeven    buiten    het    terrein,    dat    door 


l)  De  plek  der  voormalige  abdij  is  thans  te  vinden  aan  het  uiteinde 
der  Leeuwenhorsterlaan  en  op  ongeveer  400  meter  afslands  van  de 
Ilaarlemmertrek  vaart. 


300 

voor-  en  achterpoort  van  de  abdij  was  ingesloten.  Uit- 
zondering werd  gemaakt  voor  een  gezamenlijke  wandeling, 
over  welk  geval  wij  later  nog  meer  zullen  vernemen. 
En  verder  golden  binnen  het  kloosterterrein  nog  de 
volgende  beide  bepalingen:  vooreerst  zouden  de  nonnen 
geen  spijs  of  drank  tot  zich  nemen  in  de  huizen  van 
den  biechtvader,  de  kapellaans  der  abdij  of  van  den 
rentmeester.  En  ook  was  het  haar  niet  toegestaan, 
wanneer  zij  vertoefden  in  de  huisjes  welke  tot  het  zieken- 
kwartier  behoorden,  daar  mannelijke  personen  toe  te  laten 
voor  eten  of  drinken.  Wie  redelijk  oordeelt,  zal  moeten 
erkennen  dat  deze  maatregelen,  op  zich  zelf  beschouwd, 
ons  nog  niet  het  recht  geven  een  ongunstig  oordeel  uit 
te  spreken  over  den  zedelijken  toestand  van  Leeuwen- 
horst 1) ;  men  behoeft  daarin  niet  meer  te  zien  dan  een 
middel  om  te  groote  vertrouwelijkheid  —  met  al  de 
gevolgen  daarvan  —  te  voorkomen.  Ook  thans  nog 
gelden  deze  zeer  wijze  maatregelen  voor  onze  ziekenzusters. 
Het  nauwgezet  bidden  van  de  kerkelijke  getijden  was, 
zooals  uit  dezen  visitatiebrief  verder  blijkt,  één  der  voor- 
naamste plichten  van  de  kloostervrouwen  te  Leeuwenhorst. 
Zelfs  de  zieken  en  hoogbejaarden,  welke  hare  dagen  door- 
brachten in  de  „siekkaamer",  moesten  dat,  zoo  mogelijk, 
doen.  Uit  een  lateren  visitatiebrief  van  1570  zal  blijken 
dat  de  nonnen  toen,  en  waarschijnlijk  ook  wel  voorheen, 
op  gewone  dagen  ten  vier  uren  opstonden  om  de  Metten 
te  gaan  bidden,  op  Zondagen  ten  drie  uren  en  op  hooge 
feesten  reeds  ten  twee  uren.  Een  eigenaardig  verbod, 
in  onzen  visitatiebrief  opgenomen,  gaf  aanleiding  dat 
men  ook  op  de  godsvrucht  der  nonnen  van  Leeuwenhorst 


l)  Romer,  Geschiedk.  overzicht  v,  d.  kloosters  en  abdijen  v.  Holland 
en  Zeeland,  bl.  300,  waagt  het  niettemin,  alleen  op  grond  van  deze 
bepalingen,  te  beslissen  dat  »de  kuischheid  in  Leeuwenhorst  niet  roem- 
waardig  is  geweest". 


36i 

heeft  afgegeven  ^).  De  visitator  toch  verbood  ten  strengste 
om  in  het  vervolg  honden  en  vogels  in  de  kerk  of  in 
het  koor  mede  te  brengen.  Over  het  verkeerde  van  de 
zaak  behoeft  niet  getwist;  doch  het  is  nog  een  open 
vraag  of  dat  misbruik  al  dan  niet  veelvuldig  te  Leeuwen- 
horst voorkwam.  Van  meer  belang  ware  het  geweest 
eraan  te  herinneren  dat  de  meeste  nonnen  tot  den  aan- 
zienlijken stand  behoorde  en  de  adel  van  die  dagen, 
gelijk  op  miniaturen  en  paneelen  is  te  zien,  bizonder 
gehecht  was  aan  het  bezit  van  huisdieren. 

Bijlage  II  en  III  hebben  betrekking  op  de  reformatie 
van  Leeuwenhorst,  welke  vijf  jaren  later,  in  1493,  is  tot 
stand  gekomen.  Reeds  in  1453  was  er  spraak  geweest  van 
zulk  eene  hervorming.  Toen  had  paus  Nicolaas  V,  den  abt 
van  het  Benedictijner  convent  sint  Pauwei  te  Utrecht 
gelast,  behalve  andere  vrouwenkloosters,  ook  het  convent 
ter  Lee  als  visitator  te  bezoeken  ten  einde  daar  eene 
grondige  reformatie  in  te  voeren  ^).  Uit  de  bescheiden 
van  Leeuwenhorst,  voor  zooverre  ze  bewaard  zijn  ge- 
bleven, valt  niet  op  te  maken  of  ook  maar  eenigszins 
aan  deze  pauselijke  lastgeving  betreffende  ter  Lee  is 
voldaan.  Maar  in  de  kloosterkroniek  van  Camp  *)  lezen 
wij  betreffende  eene  latere  reformatie  het  volgende : 
„in  het  jaar  1493,  op  het  feest  van  Sint  Pantaleon 
(28  Juli)  heeft  de  hervorming  en  insluiting  plaats  ge- 
vonden van  de  kloostervrouwen  in  de  abdij  van  Leeuwen- 
horst, alwaar  twee  derde  van  de  nonnen  de  clausuur 
hebben    aanvaard,    doch    acht    [uit   de  abdij]  zijn  weg- 


1)  Röiner,  1,  c. :  »het  christelijk  leven  der  kloosterzusters  van  Leeuwen- 
horst schijnt  nog  al  iets  te  wenschen  overgelaten  te  hebben." 

2)  Brom,  Archivalia  in  Italië  n".   149;  ter  Lee«  is  een  schrijffout  in 
de  breve  voor  ter  Lee ;  een  klooster  ter  Leen  is  niet  bekend. 

3)  Afgedrukt    in  de  Annalen  des  historischen   Vereins  für  den  Nieder- 
rhein  XX,  347. 


362 

gegaan  om  onder  elkander  te  beraadslagen.  De  visitatie 
had  plaats  op  verzoek  en  met  medehulp  van  Jan  van 
Egmond,  stadhouder  van  Holland  en  Zeeland,  in  op- 
dracht van  den  Roomsch  koning  Maximiliaan  en  van  zijn 
zoon  hertog  Philips.  En  om  dit  werk  te  bevorderen 
zijn  nonnen  uit  het  hervormde  klooster  Fürstenberg  [bij 
Xanten]  daarheen  gezonden." 

Deze  tekst  eischt  eenige  toelichting.  Ook  ditmaal  zijn 
het  wederom  de  Bourgondische  vorsten  geweest,  die  tot 
eene  kloosterhervorming  in  de  Nederlanden  hebben  mede- 
gewerkt. Toen  tot  de  reformatie  van  Leeuwenhorst 
werd  besloten,  was  't  juist  het  laatste  jaar  van  het 
regentschap  dat  Maximiliaan  uitoefende  voor  zijn  minder- 
jarigen zoon  Philps  den  Schoone.  Er  heerschte  toen, 
in  1493,  rust  en  vrede  binnen  Holland  ;  de  boeren-opstand 
van  het  kaas-  en  broodvolk,  waarvan  de  woelingen  zich 
hadden  uitgestrekt  tot  Leiden,  was  juist  een  jaar  te  voren 
door  Albrecht  van  Saksen  onderdrukt,  en  Maximiliaan 
maakte  zich  gereed  de  heerschappij  der  Bourgondische 
gewesten  aan  zijn  zoon  over  te  dragen.  De  stadhouder 
over  Holland  en  Zeeland,  Jan  van  Egmond,  richtte  zich 
nu  tot  den  abt  van  Camp,  den  ons  reeds  bekenden 
Hendrik  van  der  Heyden,  en  verzocht  dezen  als  geestelijken 
vader  van  Leeuwenhorst  de  reformatie  en  inclusie  der 
abdij  te  wilen  ondernemen.  Gelijk  de  kloosterkroniek 
ons  zeer  beknopt  mededeelt,  is  dat  ook  werkelijk  ge- 
schied en  wel  onder  persoonlijke  medewerking  van  den 
stadhouder.  De  groote  meerderheid  van  de  klooster- 
vrouwen, zestien  nonnen  met  de  abdis,  aanvaardden 
onvoorwaardelijk  den  regel  van  Citeaux.  Gelijk  bij  eene 
dergelijke  hervorming  pleegde  te  geschieden,  werden 
door  den  abt  van  Camp  eenige  nonnen  ontboden  uit 
het  reeds  vroeger  hervormde  klooster  van  Fürstenberg, 
welk  convent  in  de  onmiddelijke  nabijheid  van  Xanten 


363 

was  gelegen,  om  de  kloostervrouwen  van  Leeuwenhorst 
in  een  nauwkeurig  onderhouden  van  den  regel  te  onder- 
richten en  voor  te  gaan.  Hare  namen  worden  nergens 
in  de  bewaard  gebleven  oorkonden  van  Leeuwenhorst 
vermeld  ;  zooals  meer  voorkwam,  zullen  zij  waarschijnlijk, 
toen  haar  taak  voltooid  was,  naar  Fürsterburg  zijn 
terug  gekeerd. 

Hoe  ging  het  echter  met  het  achttal,  dat  zich  niet 
onvoorwaardelijk  aan  de  reformatie  had  willen  onder- 
werpen ?  Bijlage  II  kan  ons  daaromtrent  nader  inlichten. 
De  kloosterkroniek  vermeldt  alleen  dat  zij  om  te  beraad- 
slagen zijn  weggegaan  {pro  deliberatione  exierimt).  Op 
zich  zelf  zou  dit  nog  kunnen  beteekenen  dat  zij  het 
kapittelhuis,  waar  over  het  aanvaarden  van  de  refor- 
matie moest  gestemd  worden,  gezamenlijk  hebben  ver- 
laten; uit  het  notarieel  verslag  blijkt  echter  dat  zij  zich 
om  voorlichting  en  hulp  hadden  gericht  tot  den  deken 
van  den  Oudmunster  te  Utrecht,  Hendrik  van  Lockhorst  i) 
en  met  dezen  op  4  Maart  1493  naar  Leeuwenhorst  zijn 
gekomen;  het  achttal  had  derhalve  tijdelijk  de  abdij 
vaarwel  gezegd.  Waarom  zij  zich  bepaaldelijk  tot  den 
Utrechtschen  prelaat  hebben  gericht,  is  wel  te  achter- 
halen. De  kloosters  der  Cisterciënsers  hadden  niet  zooals 
de  meeste  andere  conventen  een  lid  van  den  adel  tot 
advocaat,  maar  krachtens  privilege,  door  Koenraad  IV 
in  1240  aan  de  Cisterciënsers  geschonken,  trad  de  keizer 
zelf  als  beschermer  van  deze  kloosterlingen  op.  Vandaar 
dat  er  in  de  bescheiden  van  Leeuwenhorst  nimmer 
sprake  is  van  een  adelijken  „advocatus",  zooals  bijv. 
herhaaldelijk    in    de   geschiedenis   der  Egmonder  abdij, 


l)  Zie  over  hem:    [Drakenborch]    Aanhangsel  op  de  Kerkl.   Oudh.  v, 
Nederland,    123. 


3^4 

maar  dat  onze  graven,  wanneer  de  nood  het  vereischte,  zelf 
zijn  opgekomen  voor  de  belangen  van  Leeuwenhorst. 
Daar  de  reformatie  der  abdij  echter  op  aansporing 
der  Bourgondische  vorsten  was  ondernomen,  konden  de 
onwillige  kloostervrouwen  ditmaal  niet  op  bijstand 
rekenen  van  datzelfde  gezag  en  hebben  zij  daarom  bij 
deze  gelegenheid  haar  toevlucht  genomen  tot  een 
Utrechtschen  prelaat,  want  velen  der  kloosterjuffers 
waren  uit  het  Sticht  afkomstig,  van  adelijken  afkomst 
zooals  hij  en  blijkens  zijn  titel  van  „notarius  apostolicus" 
was  V.  Lockhorst  ook  in  het  kerkelijk  recht  ervaren. 
Met  groot  beleid,  naar  ik  meen,  heeft  deze  prelaat 
zijn  taak  als  onderhandelaar  vervuld.  Want  gelukkig 
voor  de  belangen  van  de  abdij  plaatste  hij  zich  niet  maar 
botweg  op  het  standpunt  dat  de  onwilligen  „de  vaan 
des  oproers  hadden  opgestoken"  ^),  doch  toonde  te  be- 
grijpen dat  er  zeer  verzachtende  omstandigheden  voor 
de  onwilligen  in  aanmerking  kwamen.  Immers  wij  mogen 
niet  vergeten  dat  deze  kloostervrouwen  hare  geloften 
hadden  afgelegd,  toen  de  regel  met  toestemming  van 
de  geestelijke  vaders  nog  niet  zoo  streng  in  Leeuwen- 
horst werd  onderhouden.  Van  grove  misbruiken  lezen 
wij  in  de  oorkonden  nergens  iets;  er  was  derhalve 
voldoende  reden  om  te  veronderstellen  dat  de  onwilligen 
ter  goeder  trouw  dwaalden,  meenende  te  kunnen  blijven 
leven  gelijk  zij  dat  gewoon  waren,  zóo  als  zij  het  God 
en  hare  oversten  eertijds  hadden  beloofd.  Bovendien 
behoort  men  te  bedenken  dat  voor  het  slagen  eener 
kloosterreformatie  oprechte  en  vrijwillige  toetreding 
noodzakelijk  is ;  daarom  moest  men,  zoo  meende  de 
deken,  de  jufvrouwen  niet  met  harde  middelen,  maar 
door  toegevendheid  tot  rede  trachten  te  brengen. 


l)  Romer,  1.  c. 


365 

De  commissarissen,  met  de  regeling  van  dit  geschil 
belast,  wilden  het  aanvankelijk  op  eene  andere  wijze 
beproeven.  Door  den  abt  van  Citeaux,  die  aan  het 
hoofd  der  gansche  Orde  stond,  en  door  het  algemeen 
kapittel,  de  vergadering  van  kloosteroversten  welke  in 
het  belang  der  Orde  jaarlijks  te  Citeaux  bijeenkwam, 
waren  voor  deze  taak  aangewezen  de  abt  van  Boneffe 
en  de  prior  van  IJsselstein.  In  beide  kloosters  was  de 
reformatie  sinds  lang  doorgevoerd.  Boneffe,  een  klooster 
van  Cisterciënser  monniken  in  de  buurt  van  Namen, 
werd  toemaals  bestuurd  door  Petrus  de  Quaye,  een 
Vlaming  van  geboorte.  En  aan  het  hoofd  van  het 
klooster  van  IJsselstein,  eveneens  door  Cisterciënser 
monniken  bewoond,  stond,  sinds  het  convent  zich  had 
aangesloten  bij  de  congregatie  van  Sibculo,  niet  meer 
een  abt  maar  een  overste,  die  uit  gevoel  van  nederig- 
heid zich  met  den  titel  van  prior  vergenoegde.  Toen 
de  hervorming  van  Leeuwenhorst  op  tegenwerking  van 
een  deel  der  communiteit  afstuitte,  zal  de  abt  van 
Camp  zich  waarschijnlijk  tot  Citeaux  hebben  gewend 
om  raad  en  hulp.  In  ieder  geval,  het  opperbestuur  der 
Orde  trok  de  zaak  thans  aan  zich  en  gelastte  voor- 
noemde kloosteroversten  de  reformatie  en  inclusie  van 
Leeuwenhorst  tot  een  goed  einde  te  brengen.  Op  3  Juni 
1494  kwamen  zij  met  den  deken  van  den  Oudmunster 
en  tevens  met  het  achttal  opposanten  in  Leeuwenhorst 
aan  en  begonnen  nog  op  dienzelfden  dag  de  onder- 
handelingen te  voeren,  welke  ook  den  volgenden  dag 
zijn  voortgezet.  Van  Lookhorst  heeft  het  gansche  ver- 
loop daarvan  in  een  notarieel  stuk,  hierachter  onder 
Bijlage  II  te  vinden,  aangeteekend.  Wij  zien  daar  ieder 
in  zijn  eigenaardig  karakter  optreden :  den  abt  van 
Boneffe,  een  Vlaming  als  gezegd  is,  heftig  en  toch  niet 
zonder     sluwheid;     de    juffrouwen     van     Leeuwenhorst 


366 

schichtij^  maar  niettemin  vasthoudend ;  den  wereld- 
kundigen  prelaat  die,  trouw  aan  het  eenmaal  gegeven 
woord,  de  zaak  in  het  juiste  spoor  weet  te  leiden.  Hier 
erover  uit  te  weiden  is  overbodig,  zou  het  naïeve  verhaal 
der  gebeurtenissen  slechts  schaden ;  de  belangstellende 
lezer  gelieve  derhalve  het  stuk  zelf  te  raadplegen. 

Over  het  resultaat  der  visitatie  mag  echter  in  deze 
inleiding  niet  gezwegen  worden.  Het  negental  gunst- 
bewijzen, welke  aan  de  nonnen  Leeuwenhorst  werden 
verleend  ten  koste  van  den  strengen  regel,  zijn  in  de 
akte  van  overeenkomst  opgesomd.  Op  verlangen  van 
beide  partijen  zou  echter  die  akte  aan  het  oordeel  en 
de  goedkeuring  van  den  abt  van  Camp  onderworpen 
worden.  Aldus  is  geschied  en  in  Bijlage  III  vinden  wij 
de  nadere  beschikkingen  welke  de  geestelijke  vader  der 
abdij  in  deze  heeft  genomen.  Beide  stukken  vullen  der- 
halve elkander  aan  en  geven,  om  ons  tot  de  hoofdzaken 
te  beperken,  deze  uitkomst:  Vooreerst  wat  het  uit- 
oefenen van  de  gastvrijheid  in  Leeuwenhorst  betreft. 
De  gasten  zullen  naar  hun  staat  verwelkomd  worden 
hetzij  door  de  abdis,  hetzij  door  de  priorin  of  onder- 
priorin, benevens  door  den  biechtvader  der  abdij. 
2.  Zij  zullen  alleen  vertoeven  in  een  gastenkamer, 
grenzende  aan  de  vertrekken  van  de  abdis.  3.  De 
gasten  mogen  ontvangen  worden  tot  aan  het  luiden 
van  de  Vespers.  4.  De  zorg  voor  de  gasten  is  op  de 
eerste  plaats  toevertrouwd  aan  de  abdis  of  de  priorin ; 
zij  mogen  zich  daarbij  bedienen  van  de  medehulp  der 
jufvrouwen,  doch  de  keuze  geschiede  met  oordeel 
en  omzichtigheid.  5.  De  jufvrouwen  mogen  echter  met 
het  verkenen  van  hulp  nimmer  iets  verzuimen  van 
haar  breviergebed.  6.  Mannelijke  gasten  moeten  bij  het 
luiden  der  Completen  de  abdij  verlaten  en  mogen  daar 
nimmer    overnachten ;    aan    vrouwelijke    gasten    is    het 


1^1 

daarentegen  geoorloofd  met  de  jufvrouwen  binnen  het 
„slot"  te  komen,  in  haar  gezelschap  op  het  kloostererf 
te  wandelen  en  in  de  gastenkamer  te  overnachten,  doch 
de  jufvrouwen  zullen  in  dat  geval  de  gastenkamer  verlaten 
en  naar  haar  eigen  slaapzaal  gaan  kort  na  de  Completen. 

Ten  opzichte  van  het  onderhouden  der  clausuur  werd 
eene  zeer  eigenaardige  uitzondering  toegestaan.  De  achter- 
poort van  de  abdij  uitgaande,  kwam  men  over  weiland 
aan  eene  wetering,  de  Zwet  geheeten,  ter  plaatse  waar 
thans  de  Haarlemsche  trekvaart  zich  bevindt  en  langs 
dit  watertje  liep  eene  laan  ten  dienste  van  de  boeren 
uit  den  omtrek.  Wijl  de  plek  ver  buiten  het  gewoel 
der  menschen  was  gelegen,  koelte  en  verkwikking  aan- 
bood, werd  aan  de  abdis  toegestaan  om  in  die  laan  met 
de  gezamenlijke  communiteit,  zooals  voorheen,  eens  in 
de  maand,  tusschen  Noon  en  Vespers  eene  wandeling 
te  gaan  doen  en  de  jufvrouwen  mochten  bij  die  ge- 
legenheid ook  de  hoeven,  welke  de  abdij  daar  bezat, 
binnengaan. 

De  bewilliging  van  het  „utreysen"  zal  aan  den  abt 
van  Camp  wel  de  meeste  zorg  hebben  gebaard ;  deze 
concessie  was  bizonder  in  strijd  met  de  clausuur  en  zeker 
niet  zonder  gevaar  voor  den  goeden  geest  der  klooster- 
vrouwen. Toch  durfde  hij  blijkbaar  zijn  bekrachtiging 
niet  onthouden  aan  de  eenmaal  toegestane  gunst.  De 
bepaling,  dat  zij  daarvoor  afzonderlijke  toestemming 
moesten  hebben  van  de  abdis,  bleef  natuurlijk  gehand- 
haafd; ook  het  reeds  vroeger  vermelde  gebod  om  aan 
geen  wereldlijke  vermakelijkheden  deel  te  nemen ;  doch 
bovendien  werden  de  zestien  weken  tot  dertien  inge- 
krompen en  terwijl  zij  dezen  termijn  over  meerdere  be- 
zoeken konden  verdeelen,  moest  binnen  drie  jaren  de 
bewilliging  afloopen ;  daarna  zou  geen  verlof  tot  „utreysen" 
meer  gegeven  worden. 


368 

Bijlage  IV  bevat  den  tekst  van  een  visitatiebrief  in 
1570  opgesteld.  Ditmaal  ging  de  visitatie  direkt  uit  van 
het  hoogste  gezag  in  de  Orde.  Immers  de  abt  loannes, 
die  haar  ondernam,  stond  niet  slechts  aan  het  hoofd 
van  één  der  voornaamste  kloosters  van  de  Cisterciënsers, 
de  abdij  Morimond  in  de  nabijheid  van  Langres  gelegen, 
maar  was  bovendien  plaatsvervanger  van  den  Generaal-abt 
van  Citeaux,  sinds  Pius  V  dezen  in  1566  tot  kardinaal 
had  verheven.  In  de  laatste  week  van  Mei  1570  bevond 
hij  zich  te  Leeuwenhorst  en  heeft  toen  zeer  ingrijpende 
maatregelen  van  hervorming  genomen.  Gelijk  in  den 
visitatiebrief  wordt  medegedeeld,  had  de  Regeering  hier 
te  lande  hem  gelast  uit  haar  naam  te  verklaren  dat  de 
bepalingen  van  het  concilie  van  Trente  ook  voor  de 
abdij  zouden  gelden.  Niet  onwaarschijnlijk  is  het  Alva 
geweest,  die  den  stoot  zal  gegeven  hebben  tot  deze 
kloostervisitatie ;  de  geschiedenis  van  Godfried  van  Mierlo 
heeft  ons  reeds  geleerd  hoezeer  de  landvoogd  heeft  ge- 
ijverd om  de  wetgeving  van  Trente  alom  in  den  lande 
te  laten  toepassen. 

Uit  den  inhoud  van  den  visitatiebrief  blijkt  verder 
dat  het  't  streven  van  dezen  abt  is  geweest  om  de  meer 
gemoedelijke  levenswijze  te  Leeuwenhorst  geheel  in 
overeenstemming  te  brengen  met  de  gestrenge  wetten 
van  Trente  betreffende  de  religieuzen,  zoo  als  die  in 
het  decreet  „de  regularibus  et  monialibus"  van  de 
XXVde  zitting  waren  vastgesteld.  Daarmede  kwamen 
al  de  vroeger  verzachtingen  in  den  kloosterregel  te  ver- 
vallen ;  de  gunsten,  waarvan  bij  vroegere  gelegenheden 
zoo  dikwerf  sprake  was  geweest,  zijn  in  den  visitatiebrief 
van  1570  zelfs  met  geen  woord  genoemd  en  de  daar 
vermelde  bepalingen  sluiten  ze  beslist  uit.  En  in  afwijking 
met  de  vroegere  visitatiebrieven  wordt  ook  de  levenswijze 
der  kloostervrouwen  van  Leeuwenhorst  in  allerlei  bizonder- 


369 

heden  omschreven  ;  het  bidden  van  den  brevier,  't  houden 
van  het  kapittel,  de  godsdienstige  oefening  op  de  Zon- 
dagen en  de  handenarbeid  in  de  week,  het  stipt  onder- 
houden van  de  clausuur  en  van  het  kloosterlijk  stilzwijgen, 
zelfs  de  stof  en  snit  van  hare  kleeding,  dat  alles  en  nog 
meer  kan  men  in  dat  document  vinden  aangegeven. 
Zeker  is  het  allerminst  de  bedoeling  van  den  visitator 
geweest  dat  de  bewoonsters  van  Leeuwenhorst  het  ge- 
makkelijke leven  van  adelijke  kostjufifrouwen  zouden  leiden. 
Dat  kan  men  ook  voor  de  tijden,  welke  voorafgegaan 
waren,  niet  op  haar  toepassen.  Doch  van  nu  af  hadden 
zij    te   leven  als  streng  verstorven  Cisterciënser-nonnen. 

Gelijk  voorheen  bleef  ook  ditmaal  de  betrekking  tot 
den  geestelijken  vader  gehandhaafd.  Wij  kunnen  dat 
opmaken  uit  een  transfix,  bevattende  het  schrijven  van 
den  toenmaligen  abt  van  Camp,  Richard  van  Xanten, 
dat  aan  den  visitatiebrief  van  den  abt  van  Morimond 
was  vastgehecht.  De  brief  (Bijlage  V)  is  gedateerd  van 
14  Augustus  1571  en  wel  uit  Leeuwenhorst  zelf.  De 
abt  heeft  derhalve  in  dat  jaar  nog  de  gewone  visitatie 
in  de  abdij  gehouden ;  het  is  echter  de  laatste  maal 
geweest  dat  hij  zijn  ambt  daar  heeft  kunnen  vervullen. 
De  genomen  besluiten  droegen  zijn  goedkeuring  weg  en 
het  schrijven  heeft  ten  doel  om  door  een  vaderlijk  woord 
de  kloostervrouwen  van  Leeuwenhorst  tot  gehoorzaamheid 
te  vermanen. 

Weldra  maakten  staatkundige  beroeringen,  in  welke  ook 
Leeuwenhorst  werd  betrokken,  aan  al  deze  verwachtingen 
een  eind.  De  abdij  was  niet  verre  van  de  zee  gelegen 
en  zoo  bevreesd  gevoelde  men  zich  daar  voor  een  landing 
der  watergeuzen,  dat  reeds  op  het  einde  van  1571  eenige 
jufvrouwen  van  Leeuwenhorst  naar  Leiden  zijn  geweken, 
In  1572,  na  het  uitbreken  van  den  opstand,  vluchtte 
ook   de  abdis,  lohanna  van  der  Does,  met  de  overigen 

24 


370 

daarheen.  De  gansche  communiteit,  bestaande  uit  vier 
en  twintig  geprofeste  religieuzen  en  drie  welke  nog  geen 
prove  bezaten,  heeft  toen  voorloopig  haar  intrek  genomen 
in  het  Sint  Michielsklooster,  bij  de  Vrouwekerk  van  Leiden 
gelegen.  Hare  verdere  lotgevallen  behoeven  hier  niet 
vermeld ;  genoeg  zij  het  mede  te  deelen  dat  de  abdij 
in  1573  door  de  Leidsche  jongelingschap  is  vernield  en 
dat  de  goederen  later  aan  de  ridderschap  en  edelen  van 
Holland  zijn  toegewezen. 

A.  H.  L.  Hensen. 

BIJLAGE  I.  Zie  boven  bh.  358. 


1488  April  26. 

Visiiatiebrief  van    Henricus   van    der   Heyden,   abt  van  Camp, 
bestemd  voor  de  abdij  Leeuwenhorst. 

Ad  laudem  et  gloriam   Deificae  Trinitatis. 

Nos  frater  Henricus,  abbas  monasterii  Campensis,  Cisterciensis 
ordinis,  monasterium  nostrum  in  Leeuwenhorst,  ejusdem  ordinis, 
Trajectensis  diocesis,  auctoritate  paterna  visitantes,  infra  scripta 
ab  omnibus  ipsius  monasterii  personis  regularibus,  prout  quam- 
libet  concernunt,  irremissibili  rigore  observanda  statuenda  de- 
crevimus : 

Inprimis  ut  oft'icium  divinum,  cui  ex  decreto  sanctae  regulae 
nichil  omnino  preponendum  erit,  tam  in  choro  quam  eciam 
in  infirmitorio  solito  devocius  percelebretur,  ubi  omnes  mox 
audito  signo  ferventer  occurrant,  nisi  per  debitam  licentiam 
legitima  ex  causa  fuerint  excusate. 

Quod  si  aliquam  debilitatis  seu  alia  racionabili  de  causa  a 
divino  officio  remanere  aut  infra  officium  divinum,  precipue  a 
vigiliisi),  exire  oporteat,  unaqueque  ad  hec  nee  non  ad  cetera 
queque  necessaria  per  se  licentiam  petat  et  non  per  aliam ; 
alioquin  nil  penitus  obtineat, 

NuUa   ad  chorum  sive  ad  ecclesiam  canes,  volucres  seu  alia 

l)  De  Metten. 


371 

hujusmodi    levitatera    provocancia   adducere   presumat ;  quod  si 
qua  fecerit,  durius  propter  hoc  in  capitulo  castigetur. 

Omnes  denique,  que  in  choro  fuerint  ad  illam  horam  post 
quam  capitulum  sequitur,  etiam  simul  ad  capitulum  procedant 
nee  alicubi  divertant. 

Regulare  silencium  et  pacis  conservativum  precipimus  dili- 
gentius,  maxime  locis  et  temporibus  in  ordine  statutis,  observari; 
violatrices  autem,  postquam  semel  et  secundo  per  disciplinam 
fuerint  in  capitulo  emendate  et  non  se  correxerint,  volumus  ut 
penam  ordinis,  id  est  penitenciam  panis  et  aque  in  refectorio, 
indispensabiliter  exsolvant.  Insuper  et  in  refectorio,  sive  in 
infirmitorio  ubi  conventus  pro  tempore  comederit,  post  Benedicite 
coram  mensa  presidentis  prostrate  longam  veniam  petant  et 
non  nisi  ad  nutum  presidentis  surgant.  Cujus  pene  realem 
execucionem  priorisse  et  suppriorisse  in  virtute  salutaris  obe- 
diencie  injungimus  ut  vel  sic  a  prava  consuetudine  metu  pene 
tandem  cessetur. 

Eciam  in  infirmaria  silencium  solito  strictius  observetur 
tempore  refectionis. 

Pulsus  ad  refectionem  non  ultra  Miserere  mei  Deus  pro- 
trahatur,  ubi  omnes  que  adesse  debent  tempestive  occurrant 
aut  pro  sua  tarditate  sequenti  capitulo  corripiantur. 

Item  juxta  dictamen  sancte  regule  lumen  lampadis  in  dor- 
mitorio  a  Completorio  finito  usque  mane  semper  ardeat, 

Cum  item  religiosarum  animabus  minime  conveniat  vagari 
foras,  precipiendo  mandamus  quatenus  egressus  virginum  de 
monasterio  moderetur  nee  terminos  in  novissima  visitatione 
statutos  excedant. 

Inhibemus  autem  domine  abbatisse  in  virtute  sancte  obedientie 
ne  aliquam  exire  permittat  tempore  carnisprivii,  sive  ad  nuptias, 
ad  nundinas  seu  ad  festa  secularia  et  vana. 

Itemque  sub  pena  excommunicatonis  prohibemus  omnibus  et 
singulis,  cujuscumque  officii  aut  nullius  officii  sint,  ne  per 
posticum  apud  puteum  in  curia  procedant  versus  domum 
agriculture,  nisi  de  speciali  et  expressa  licencia  domine  abbatisse. 

Statuentes  pro  hac  parte  ipsum  posticum  terminum  monasterii 
sicut  et  portam  exteriorem. 

Hoc  eciam  annectantes  quod,  cum  presidens  cum  conventu 
ad  spaciandum  exierit,  omnes  exceptis  infirmis  conveniant;  que 
vero    ibi   non   occurrerint,   nullam    ipsa  die  neque  per  sequens 


372 

triduüm  licenciam  habeant  procedendi  in  curiam  sed  intra 
monasterium  permaneant. 

Eciam  districtissime  prohibemus  ne  alique  in  domo  confes- 
soris,  etiam  aliorum  sacerdotum  et  reddituarii  quocumque 
tempore  manducare  vel  bibere,  seu  eciam  ad  domunculas  suas 
in  infirmaria  medio  tempore  homines  virilis  sexus  ad  comme- 
dendum  aut  bibendum  introducere  vel  admittere  presumant, 
sine  speciali  et  expressa  licentia  domine  abbatisse,  ita  ut  ipsa 
domina  super  qualitate  causae  sit  informata,  que  eciam  merita 
personarum  et  causam  pariter  provida  discrecione  in  hiis  advertere 
debet,  perprudens  quid  magis  expediat  pro  honestate  animarumque 
salute. 

Volumus  etiam  et  mandamus  quatenus  conventuales  omnes 
priorissae  et  subpriorisse  in  omnibus  que  ad  earum  officia 
pertinent  sine  murmure  obediant  nee  cum  eis  proterve  contendere 
seque  invicem  contra  ordinis  disciplinam  defendere  quovis  modo 
presumant;  domina  abbatissa  super  hoc  prospiciat  ipsasque  presi- 
dentes pro  ordinis  disciplina  conservanda  manu  teneat. 

Mandamus  insuper  precipientes  quatenus  famuli  et  famulae 
monasterii,  notam  habentes  infamie,  continuo  de  monasterio 
removeantur  nee  tales  unquam  ad  famulandum  recipiantur,  sed 
magis  illese  opinionis  et  bone  fame  sint,  prout  decet  pro  hujus 
monasterii  honestate. 

Ceterum  et  pro  parcitatis  cautela  injungimus  et  mandamus 
domine  abbatisse  quatenus  puUorum  sive  altilium  pluralitatem, 
que  hiis  caris  temporibus  multum  dampnosa  est,  notabiliter 
adhuc  diminui  faciat  et  disponat  atque  superfluitatem  famulantium 
personarum  aut  alias,  pro  ut  paterit,  prescindere  curet. 

Preterea,  cum  onerosum  esset  ea  que  dudum  statuta  sunt, 
etiam  nunc  scriptis  commendare,  de  novo  declaramus  quod 
ea  que  pristinis  temporibus  statuta  et  ordinata  atque  in  usum 
perducta  sunt,  per  hanc  visitacionem  non  abolita  sed  utique 
adhuc  vigorosa  et  observanda. 

Unde  eciam  novissime  visitacionis  cartam  cantrici  pro  infor- 
macione  relinquimus. 

Insuper  et  mandatum  predecessoris  nostri  pie  recordacionis 
pro  pacis  caritatisque  custodia  decretum,  presenti  carte  nostre 
nunc  annexum,  approbamus,  ratificamus  et  innovamus : 

Mandantes  ipsum  una  cum  hac  carte  quater  annis  singulis 
in    capitulo    coram    omnibus    recitari    et   exponi,    nee   non  per 


373 

omnia  presenti  tempore  valere,  sicut  tempore  date  sue  dudum 
valuit,  et  sine  omni  subterfugio  et  dissimulatione  ad  efFectum 
execucionis  produci : 

Hortantes  atque  monentes  hujus  monasterii  personas  regulares 
omnes  affectu  paterno  quatenus  in  divina  pariter  et  mutua 
caritate  firmate  operari  concertent  in  tempore. 

Quod  in  eternum  eis  expediat. 

Datum  sub  appensione  nostri  sigilli,  Sabbato  post  Dominicam 
Misericordie  Domini,  anno  ejusdem  millesimo  quadringentesimo 
octuagesimo  octavo. 

{P.  V.  d.  Schelling).  Beschrijving  van  de  oude  en  eedele  abdij  en 
klooster  Leeuwenhorst  I,  120  verso  —  122  recto. 


BIJLAGE  II.  Zie  bwen  bh.  363. 


1494,  Maart  4. 

Notarieel  verslag  van  de  overeenkomst  tusschen  de  commissarissen 
van  den  abt  van  Citeaux  en  van  het  algetneene  kapittel  der 
Cisterciënsers  ter  eéner  zijde  en  de  nonnen  van  Leeuwenhorst  ter 
andere  zijde  betreffende  verzachtingen  in  de  tucht. 

In  nomine  Domini,  amen.  Per  hoc  presens  publicum  instru- 
mentum  cunctis  pateat  evidenter  et  sit  notum  quod  anno  a 
nativitate  Domini  millesimo  quadragesimo  nonagesimo  quarto, 
indictione  duodecima,  die  vero  Martis  quarta  mensis  Marcii, 
sanctissimi  in  Christo  patris  et  domini  nostri  domini  Alexandri 
divina  providentia  pape  sexti  anno  secundo,  in  mei  notarii 
publici  et  testium  infra  scriptorum  ad  hoc  vocatorum  et  roga- 
torum  presentia,  cum  pro  conformatione  i)  conventus  sive 
monasterii  in  Lewenhorst,  partium  Hollandie  Trajectensis  diocesis, 
ordinis  sancti  Bernardi,  dudum  facta,  inter  venerabiles  viros 
dominum  abbatem  de  Boneffia  2)  et  dominum  priorem  de  Issel- 


1)  Er  staat:   conformationis. 

2)  Boneffe  in  de  provincie  Namen.  Sinds  1461  werd  dit  klooster 
bewoond  door  Cisterciënser  monniken;  in  1494  was  daar  abt:  Petrus 
de  Quaye,  van  Waesmunster  geboortig.  (Berlière  Monasticon  Beige 
(Maredsous   1897)  I. 


374 

steyn  i),  tanquam  commissarios  ab  eorum  superiori  et  generali 
capitulo  ad  infra  scripta  deputatos  dicti  ordinis  ex  una  et  vene- 
rabiles  personas  et  domicellas  dicti  conventus  de  Lewenhorst 
ejusdem  ordinis  ex  altera  partibus  certe  differentie,  altercationes, 
et  dissentiones  suborte  sint  et  habite,  ut  igitur  hujusmodi 
differentie,  altercationes  et  dissentiones  inter  dictas  partes  penitus 
et  omnino  extinguerentur  et  ad  nihilum  devenirent  ac  ut  ipse 
domicelle  eo  liberius  ad  obedienciam  vovendam  pervenirent, 
quedam  libertates  et  gratie  sunt  desuper  ipsis  domicellis  concesse 
et  attribute  per  dictos  dominos  commissarios,  premissis  quibusdam 
altercationibus  inter  dictas  partes  ante  hujusmodi  obedientiam 
factam  ....  prout  hujusmodi  altercationes  et  libertates  concesse 
in  vulgari  lacius  descripte  habentur,  quorum  tenores  sequuntur 
de  verbo  ad  verbum  hujusmodi  sub  tenore : 

Ie  Herman  van  Lokhorst,  deken  van  Oudemunster  en  dom- 
heer tot  Utrecht,  belije  en  bekenne  dat  ie  daer  over  ende  aen 
geweest  hebbe  dat  den  abt  van  Boniffia  en  den  prior  van 
Isselsteyn  als  commissarissen  des  abts  van  Cisterciën  mitten 
vollen  macht  des  abts  van  Cisterciën  en  ook  des  generaal 
capittels  na  utwijsinghe  haere  commissien  ghecomen  zijn  tot 
Lewenhorst  mit  my  deken  voirseyt  ende  enighe  joffrouwen 
desselven  cloesters,  welke  overmits  de  sluytinghe  die  daer 
geschiet  was  gheen  obediëntie  noch  professie  den  abdisse  des 
kloesters  ^)  voerseyt  gedaen  en  hadden.  Als  dan  mijn  vrouwe 
ende  de  convente  des  voergenomde  cloesters  dese  commissarissen 
gehoort  hadden,  soe  hebben  zij  den  commissarissen  voirseyt 
toegelaten  ende  geaccepteert  ende  eenige,  die  nog  geen  obediëntie 
geloeft  en  hadden  den  abdisse  des  kloesters  voirseyt,  hebben 
geseyt  al  te  doen  dat  wael  gedaen  ware,  behouden  dat  men 
mijn  vrouwe  ende  dat  convent  alsulcke  gratie  doen  soude 
willen  als  zy  eyschende  waren.  Dese  commissarissen  hem 
wederom  geantwoort  hebben  dat  sy  alle  gratiën  doen  wolden 
om  tot  rust,  vrede  en  eendrachtigheyt  te  comen  die  doenbaer 
waren  ende  daer  toe,  seyde  den  abt  van  Boneffia,  wolden  zy 
zijnen    raet    volghen    ende    professie   doen,    hy  wederom  hem 

i)  Mariënberg  te  IJsselstein,  aanvankelijk  een  abdij.  Toen  de  Cister- 
ciënser  monniken  van  dit  convent  in  141 8  tot  de  congregatie  van 
Sibculo  toetraden,  kwamen  zij  te  staan  niet  meer  onder  een  abt  maar 
onder  een  prior. 

2)  Gijsberta  van    Vianen   van   Rijsenburch. 


375 

allen  alsulcken  graciên  [zoude]  doen  dat  zy  hem  allen  bedancken 
wolden.  Mer  dese  juffrouwen  noch  also  bedacht  niet  en  waeren 
om  eenige  professie  ofte  obediëntie  te  doen,  ten  ware  saek 
dat  si  ierst  wisten  welke  die  gratiën  wesen  solden  die  hy  hem 
geven  ende  consenteren  wolde,  soe  hebben  deze  commissarissen 
geseyt:  dat  sy  die  gratiën,  welke  sy  eyschende  waren,  in  een 
ceduUe  tekenen  solden.  Dat  geseyt  wesende  ende  als  die  com- 
missarissen dese  cedulle  ontfangen  hadden,  soe  heeft  den  abt 
van  Boneffia  dat  niet  willen  doen,  zy  hadden  eerst  obediëntie 
geloeft.  Mer  want  dese  joffrouwen  waenden  behaelti)  te  wesen, 
soe  en  hebben  sy  dat  niet  angaen  willen.  Aldus  soe  heb  ie 
deken  voirseyt  mitten  commissarissen  alsoe  totten  graciën  ge- 
sproeken,  op  dat  zy  comen  solden  moghen  tot  sulcken  staet 
als  daer  sy  toe  geroepen  waren.  Dat  die  abt  voerseyt  my 
seyde ;  men  en  hoirt  geen  compact  te  maecken  ;  spreekt  tot 
de  joffrouwen  dat  sy  ierst  obediëntie  gheloeven.  Ie  heb  mitten 
joffrouwen  gesproken  ende  geseyt :  dat  si  ierst  obediëntie 
geloefden  ende  alsdan  salmen  hoir  gracie  doen.  Wederom 
hebben  zy  my  geantwoord :  of  ie  daer  voor  staen  wolden,  Ie 
heb  geantwoort,  seggende,  het  sal  gescien.  Als  sy  dan  obediëncie 
geloeft  hadden,  soe  heeft  die  abt  van  Boneffia  des  anderen 
daeghs  in  dat  capittelhuys  een  collatie  of  predicatie  gedaen, 
anders  luydende  dan  den  joffrouwen  geseit  was  ende  heeft  ze 
zaamen  zeer  beswaart,  waer  in  zy  alle  qualic  te  vreden  waren 
ende  zeer  gestoert,  seggende  dat  ie  deken  voirseyt  mitten 
prior  van  Isselsteyn,  commissarius,  hem  verraden  hadde.  Dese 
storinghe  ende  onvrede  aensiende  heb  ie  deken  voerseyt  den 
abt  van  Boneffia  opter  abdiën  genomen  en  biddende  heb  ie 
hem  onderwesen  dat  dit  aldus  niet  dienen  en  soude,  mer  hi 
moste  gracie  doen ;  ie  hadde  den  convente  daer  voer  geloeft. 
Aldus  by  begeren  ende  onderwijsen  van  my  ende  informacie 
sijns  capellaens  heeft  hy  de  priorinne  tot  hem  ontboden,  haer 
bevelende  dat  sy  den  convente  seggen  soude  dat  sy  hem  te 
vreden  stelde ;  hij  gave  hem  die  gracie  die  sy  geeyscht  hadden. 
Mer  als  dat  convent  daer  mede  niet  te  vreden  was,  want  sy 
wouden  dat  die  commissarissen  hem  selver  den  geëischten 
consentieren  ende  geven  solden. 

Dese    commissarissen,    dit    horende    ende    sien[de],    sijn  mit 


I)  misleid. 


376 

haren  capellaenen  ende  my  totten  convente  gegaen  ende  daer 
heeft  hy  my  gevraecht  of  ie  notarius  waer.  Ic  antwoorde  dat 
ie  waer  notarius  apostolicus.  Soe  heeft  den  abt  mitten  prior 
van  Isselsteyn,  als  commissarissen,  om  dese  jofïVouwen  te  stillen 
ende  tot  rust,  vrede  ende  eendrachticheyt  te  brengen,  de 
abdisse  ende  convente  des  voerseyde  cloesters  van  alle  excessen 
geabsolveert  ende  wederom  in  alle  datgeene,  daer  sy  dat  con- 
vente in  beswaert  hadden,  ontlast  ende  hebben  hem  geconsenteert 
ende  gegeven  al  sulcke  graciën  als  hier  nae  beschreven  slaen  : 

Dat  ierste  punt  is,  dat  mijn  vrouw  of  die  kelwaerster  sal 
moghen  utgaen  en  reysen  om  nootsaeken  die  onsen  cloester 
aengaende  wesen  sullen. 

Dat  andere  punt  is,  dat  mijn  vrouwe  of  haer  capellaenster  of  die 
kelwaerster  sal  moghen  gaen  besien  dat  regiment  over  opten  hove 
buyten,  als  dat  mijn  vrouwe  goetdunct  te  sieu  ende  anders  niet. 

Dat  derde  is,  dat  convente  mit  mijn  vrouwe  of  priorinne  of 
presidente  conventualiter  twaelf  werf  t'sjaers  van  den  hove  after 
op  geen  Swetten  gaen  sullen  m.oghen,  als  hun  dat  gelieven  sal. 

Dat  vierde  is,  dat  die  vrouwen  in  alle  manieren  gaen  ende 
staen  sullen  moegen  binnen  den  convente  als  mannen  in  be- 
sloote  convente  van  mannen. 

Dat  vijfde  is,  dat  alle  die  joffrouwen,  als  hem  gasten  over- 
comen,  sullen  nemen  één  vanden  oudsten  jofïrouwen  die  mijn 
vrouw  hem  ordineert,  ende  eeten  daer  mede  op  die  plaatsen 
die  hem  geordineert  sijn  en  dat  mijn  vrouw  mit  hare  gasten 
boven  opten  abdyen  sal  moghen. 

Dat  sesde,  dat  sy  geen  susteren  aanneemen  sullen  tot  pro- 
fessie meer  dan  haer  believet,  behouden  dat  die  maegden,  die 
weerlic  sijn,  simpelic  sullen  gaen. 

Dat  sevende,  dat  mijn  vrouw  haer  capellanen  ende  rent- 
meesteren  of  setten  sal  mogen  als  sy  den  convente  niet  en 
dienen  of  wanneer  sy  daer  mede  niet  te  vreden  zijn. 

Dat  achtste,  dat  mijn  vrouwe  ende  den  convente  viermael 
des  jaers  éénen  persoen  vande  oerde  bieghten  sullen  moeghen. 

Dat  leste  punt  is,  dat  die  joffrouwen  sestien  weeken  sullen 
moeghen  utreysen,  deylende  dese  weeken  ende  utreysen  tot 
hoeren  believen,  behouden  dat  sy  mijne  vrouwe  consent  daer 
toe  requireren  sullen. 

Item  ter  eere  mijns  heeren  van  Camp  ende  vrede  des 
cloesters  van  Lewenhorst  hebben  die  joffrouwen  des  voorseyden 


377 

convents  begheert  opten  prior  van  Isselsteyn,  dat  hy  mijn  heer 
van  Camp  nae  sijn  vermoeghen  daer  toe  willighen  wolde, 
want,  hoewel  dese  voerseyde  graciën  door  de  commissarissen 
voirseyd,  des  macht  hebbende,  hem  geconsenteert  ende  gegeven 
sijn  mitter  macht  mijns  heren  van  Cisterciën  ende  des  generaels 
capittels,  nochtans  soe  heeft  den  commissarissen  voirseyd  belieft 
ende  de  jofirouwen  goedgedunct  dat  sy  consent  mijns  heeren 
van  Camp  daertoe  begeven  solden  om  die  saecken  die  voer- 
seyd  staan  ende  anders  niet. 

De    et    super    quibus    omnibus    et    singulis    premissis    dicte 
domicelle    de    Lewenhorst,    ordinis    predicti,    a    me  Hermanno 
decano,    canonico    et    notario    publico,    supra    et   infra  scripto, 
pecierunt    sibi    fieri    et    confici    unum    vel    plura  publicum  vel 
publica    instrumentum    vel  instrumenta.  Acta  sunt  hec  in  dicto 
conventu  de  Lewenhorst  sub  anno,  indictione,  die,  mense  et  ponli- 
ficatu    prescriptis,    presentibus  ibidem  honorabilibus  et  religiosis 
viris  dominis,  confessore  dicti  conventus  de  Lewenhorst  moderno 
et    cellario   conventus    de    Isselsteyn,   ejusdem  ordinis,  testibus. 
Hermannus  de  Lokhorst, 
Decanus  ecclesie  sancti  Salvatoris  Trajeclensis, 
Notarius  publicus,  manu  propria. 
{P.  V.  d.  Schelling)   Beschrijving  van  de  oude  en  eedele  abdij  en 
klooster  Leeuwenhorst,  II,  424—426. 


B  IJ  L  A  G  E  1 1  L  Zie  boven  blz.  366. 


1494,  Juni  3. 

Nadere  beschikking  van  Henricus  van  der  Heyden,abtvan  Camp, 
op  de  overeenkomst  aangegaan  tusschen  de  comfnissarissen  van 
den  abt  van  Citeaux  alsmede  van  het  algemeene  kapittel  en  de 
nonnen  van  Leeuwenhorst. 

Frater  Henricus,  abbas  monasterü  Campensis,  Cisterciensis 
ordinis,  Coloniensis  diocesis,  venerabilibus  et  religiosis  in  Christo 
Ihesu  filiabus  nostris,  abbatisse  et  priorisse  totique  conventui 
monasterü  nostri  in  Lewenhorst,  dicti  nostri  ordinis,  Trajectensis 
diocesis,  salutem  et  sacro  sancte  monastice  religionis  continuüm 
incrementum. 

Amantissime  filie. 

Literas  vestras,  quibus  ratione  sacre  reformacionis  et  inclusionis 


378 

monasterii  vestri  gravatas  vos  esse  exponitis,  recepimus,  quibus 
eciam  ut  graciis  quibusdam  vos  allevare  velimus  multiplici 
instancia  exposcitis. 

Unde,  optime  filie,  scire  debetis  quod  cordi  nobis  semper 
extitit  et  nunc  usque  existit  vos  in  omnibus  quibus  possimus 
—  ipsius  sane  summi  Creatoris  ofïensis  i),  sacre  religionis  detri- 
mente, fidelium  quoque  scandalo,  cessantibus  —  benignius 
prosequi  favoribus,  fovere  et  graciis,  utpote  vobis  ad  quevis 
decentia  prono  ex  affectu  inclinati,  ne  in  continuis  perturbati- 
onibus  persistentes,  sponso  vestro  Deo  vota  labiorum  vestorum 
placido  corde  exsolvere  non  possitis. 

Ut  igitur  in  divinis  laudibus,  in  sacrosancti  ordinis  ceremoniis, 
in  incepta  quoque  reformacione  ad  honorem  ipsius,  cui  vos 
voluntarie  devovistis,  dilatato  corde  in  vere  caritatis  fervore  in 
dies  vos  ad  profectum  extendatis, 

Gracias,  dudum  per  nos  nee  non  de[inde]  post  per  priorem 
nostrum  Campensem  nostri  ex  parti  concessas  et  admissas, 
presentibus  insertas,  ac  eciam  in  presentiarum  arapliatas,  litterali 
jam  certificatione  auctoritate  nostra  prona  dantes,  pro  ut  sequuntur 
concedimus  et  admittimus: 

Imprimis,  cum  consanguinei  nobiles  et  honesti  hospites  ad 
vos  causa  caritative  visitacionis  declinaverint,  graciose  admittimus 
et  concedimus  quatenus  per  abbatissam  vel  priorissam  et  con- 
fessorem  intromittantur  atque  in  cameram  abbatisse  adjunctam 
sive  contiguam  et  pro  hujusmodi  hospitibus  tractandis  deputatam 
usque  ad  primum  vesperarum  signum  recipiantur  nee  non  ad 
cenandum  de  sero  usque  ad  primum  vesperarum  signum  reci- 
piantur nee  non  ad  cenandum  de  sero  usque  ad  primum 
Completorii  pulsum  et  non  ultra  recipi  multum  reverendi  et 
honesti  hospites,  vires  si  fuerint  quibus  hoc  ipsum  ex  reverencia 
et  honestate  denegari  non  poterit,  de  licentia  abbatisse,  conscien- 
tiam  ejus  desuper  gravantes,  concedimus. 

Item  hujusmodi  hospites  secundum  status  sui  dignitatem  per 
abbatissam  vel  priorissam  vel  eciam  per  suppriorissam  cum  aliis, 
per  diligentem  discrecionem  vestram,  abbatisse  videlicet  et 
priorisse,  deputandis  et  assumendis  virginibus  honorifice  et 
religiose  tractentur. 

A  priorissa  primum  proviso  ut  tales  ac  tante  de  ipso  conventu 


l)  Er  staat:  offensa. 


379 

virgines  ad  presenciam  hospitum  assumantur  ne  disciplina 
ordinis  et  honestas  religionis  alicubi  impedimenturn  seu  detri- 
mentum  patiantur. 

Signanter  inhibito  ne  hujus  virgines,  ipsis  hospitibus  associate, 
de  Vesperis,  Completoriis  ac  ceteris  horis  canonicis  eorum 
hospitum  occasione  absentare  se  audeant. 

Hoc  tamen  hospitibus  feminei  sexus  graciose  admisso  quod 
monasterium  intrare,  cum  conventu  causa  solacii  spaciatum  ire 
atque  in  camera  prescripta  de  sero  manere  et  dormire  poterunt. 

Virgines  autem,  que  de  licencia  priorisse  cum  talibus  feminei 
sexus  hospitibus  de  sero  remanserint,  Completorio  finito  post 
spacium  septem  psalmorum  cum  ipsa  priorissa  et  ad  simpHcem 
ejus  requisicionem  sine  contradictione  aliqua  dormitorium  ascendere 
minime  recusare  debent,  ita  quod  priorissa  ipsum  dormitorium 
per  se  claudere  et  clare  firmare  valeat. 

Hoc  etiara  per  vos,  abbatissam  et  priorissam,  preordinato 
ut  tales  virgines  ipsis  hospitibus  ad  solacium  deputentur  que 
reverenter  et  ordinate  conversari  noverint. 

Nee  in  eorundem  utriusque  sexus  presencia  quicquam  verbo 
vel  facto  pretendatur  per  quod  sacre  reformacionis  vestre  sin- 
ceritas  quovis  modo  denigrari  vel  vilificari  valeat. 

Item  cum  monasterium  vestrum  extra  communem  hominum 
frequenciam  situatum  existat,  gratiose  etiam  admittimus  et  con- 
cedimus  quod  vos,  domina  priorissa  et  suppriorissa,  competentibus 
temporibus  atque  diebus,  Nonis  finitis,  iip  geen  Zwette  ^)  retro 
monasterium  et  non  ultra,  cum  conventu  vestro  causa  recrea- 
cionis  et  solacii  cum  omni  religionis  honestate  spaciatum  ire 
valeaiis,  ad  primum  Vesperarum  pulsum  ad  ipsam  clausuram 
mox  redeundo  et  reintrando. 

Porta  vero  anterior,  per  quam  communis  fit  ingressus,  interim 
clausa  et  clave  firmata  teneatur. 

Item  cymiterium  et  sibi  adjacens  spacium,  quod  etiam  pro 
spaciamento  petitiir,  ita  caute  visitare  curetis  ne  nimius  exiius 
vester  de  clausura  vobis  et  reformacioni  vestre  deordinacionem 
fidelibus  quoque  hominibus  vilipendium  pariat. 

Preterea  tempora  hujusmodi  et  vices  secundum  petita  in 
discretionibus  domine  abbatisse  et  priorisse  ponimus  et  diligenter 
observanda  committimus. 


l)  Langs  de  Zwet  daarginds? 


38o 

Item  de  recepcione  sororum  laicarum  juxta  morem  et  con- 
suetudinem  aliorum  monasteriorum  reformatorum  partium  Hol- 
landie  vos  geratis. 

Eciam  vobis,  domine  abbatisse  et  supperiorisse,  committendo 
precipimus  quatenus  honestam  fainiliam,  maxime  intra  clausuram, 
in  simplici  habitu  semper  habere  curetis,  quousque  sorores  vobis 
proficuas  habere  potestis,  quibus  eciam  difficulter  et  raro  extra 
clausuram  exitus  admittendus  est. 

Item  vobis,  abbatisse  et  priorisse,  admittimus  et  concedimus 
ut,  quando  cum  conventu  vestro  spaciatum  ire  volueritis,  officinas 
et  domos  vestras  cum  virginibus,  debeneplacitisvestrisassumendis, 
intrare  potestis. 

Item  ob  reverenciam  venerabilis  Sacramenti  vobis,  domine 
abbatisse  et  conventui,  concedendo  admittimus  in  die  ejusdem 
venerabilis  Sacramenti  solempnitatem,  huc  usque  solitam  et 
observatam,  tam  processionis  quam  misse  cum  omni  reverencia 
et  honore  morumque  gravitate  celebriter  observare,  nee  non 
ipsum  Sacramentum,  sacram  quoque  unctionem,  cum  infirmis 
deferuntur,  insequi  conventualiter. 

Eciam  vobis,  abbatisse  et  conventui,  prefatis  temporibus 
indulgenciarum  ecelesie  vestre  altaria  visitare  ac  sacriste  sacer- 
dotibus  necessaria  ministrare,  secularibus  tamen  extraneis  prius 
seclusis,  benigne  concedimus. 

Item  tredecim  illas  hebdomadas  pro  reysis  vestris  vobis 
omnibus  extra  monasterium  in  visitacionem  consanguineorum 
et  amicorum  vestrorum,  per  nos  favorabiliter  concescas,  in 
triennio  post  data  presencium  expedire  et  finire  debetis. 

Postremo  igitur  vos  omnes,  filie  sinceriter  dilecte  in  Domino, 
hortamur  quatenus  premissis  graciis,  favorabiliter  ac  graciose 
ex  multiplici  vestra  instancia  vobis  prono  affectu  concessis  et 
admissis,  ita  utamini  ut  in  posterum  majores  percipere  gracias 
mereamini,  pro  ut  conscienciis  discretionibusque  vestris  id  ad 
plenum  committimus. 

Datum    in    monasterio    nostro    Campensi    sub    contra    sigilli 
nostri    abbatialis    appensione   in  fidem  et  testimonium  omnium 
et    singulorum     premissorum,     die    tercia    mensis   Junii,    anno 
Domini  millesimo  quadragintesimo  nonagesimo  quarto. 
{P.  V.  d.  Schelling)   Beschrijving  van   de  oude  en  edele  abdij  en 

klooster  van  Leeuwenhorst  I   122  recto— 124  recto. 


38i 
BIJLAGE  IV.  Zie  bove?i  bh.  368. 


1570.  Juni  1. 

Visitatiebrief  van  Joannes,  abt  van  Morimond,  bestemd  voor  de 
abdij  Leeuwenhorst. 

Ad  honorem  sanctissime  Trinitatis  beatissimeque  virginis 
Marie  et  animarum  salutem. 

Nos  frater  Johannes,  abbas  Moriniundi,  ordinis  Cisterciensis, 
in  Lingonensi  i)  diocesi  commissarius  capituli  generalis  ejusdem 
ordinis  ac  per  totum  eundetn  ordinem  Cisterciensem  vicarius 
generalis  reverendissimi  domini  cardinalis  abbatis  Cistercii  2), 
auctoritate  paterna  visitantes  devotum  monasterium  nostrum 
de  loco  Marie,  alias  Leeuwenhorst  seu  ter  Lee,  ejusdem  Ordinis 
in  diocesi  Harlemensi,  celebri  monasterio  nostro  de  Veteri-campo 
immediate  subjectum.  Repperimus  ibidem  viginti  septem  moniales 
professas  et  unam  sororem  laicam,  quibus  pro  utriusque  status 
conservatione  sequentes  articulos  subscripsimus,  ejusdem  monas- 
terii  omnibus  personis  regularibus  precipientes  in  virtute  salutaris 
obedientie  ut  eosdem,  pro  ut  unamquamque  (decet),  exequantur. 

Imprimis  divino  officio,  propter  quod  professe  sunt,  diligentius 
intererunt  ipsumque  cum  elevatione  mentis  in  Deum,  quantum 
patitur  humana  fragilitas,  cum  punctis  in  medio  et  fine  versuum, 
cum  inclinationibus  devotis,   silentio  et  modestia,  persolvent. 

Quod  si  earum  aliqua  egrotaverit,  morbum  domine  abbatisse 
significabit  et  pro  necessitate  excusabitur. 

Symbolum  cum  organo  in  missa  nunquam  cantabitur  sed 
corde  et  ore  ad  fidei  nostre  protestationem  dicetur. 

Ostia  chori  nunquam  aperientur,  precipue  dum  divinum 
officium  persolvetur. 

Nee  altare  nee  ornamenta  nee  lumiiiaria  a  sacrista  prepera- 
buntur  sed  a  sacerdotibus  aut  eorum  famulo. 

Omnes  moniales  salutarem  confessionem  facient. 

Sacram  Eueharistiam  saltem  bis  singulis  mensibus  suscipient, 
qua  se  contra  demonis  insidias  muniant  ejusque  oppugnationes 
vincant. 


1)  Langres. 

2)  Hieronymus  Sacherus  (de  Souchier)  1566  door  Pius  V  tot  kardinaal 
benoemd,  -J-  1571.  Zie:  Ciaconius.  Historia  Pont.  Rom.  et  Cardinalium 
III,    1032. 


382 

In  Quadragesima  el  Adventu  Domini  singulis  diebus  Domi- 
nicis,  eisque  quolibet  anno  in  Quadragesima  et  in  hebdomade 
ante  festum  Omnium  Sanctorum,  preter  ordinarium  confessorem, 
alius  probus  et  idoneus  ab  abbatissa  cum  consilio  patris  confes- 
soris  et  quatuor  seniorum,  qui  omnium  confessiones  audiat  et 
omnes  absolvat,  offeretur. 

Curabitque  domina  abbatissa  fenestram  honestam  in  muro 
chori  preparari,  per  quam  eis  sacrum  Christi  corpus  ministretur. 

At  vero  illa  oratione  devota,  scilicet  »Salve  regina",  finita 
atque  aqua  benedicta  (ab  abbatissa)  vel  a  presidente  accepta, 
omnes  cum  silentio,  gravitate  orationibusque  in  Ordine  solitis, 
scilicet  sMisere  mei  Deus",  »de  Profundis"  et  collectis  ^)  ecclesiae 
»Visita",   »InefTabile"  et  »Fidelium",  ascendent  dormitorium. 

In  quo  singulis  noctibus  lampas  ardebit. 

Fietque  scrutinium  singulis  diebus  a  presidente  per  omnia 
cubicula  an  omnes  sint  presentes  habeantque  cubicula  munda, 
dormiantque  more  Ordinis. 

Quod  si  aliqua,  quod  Deus  avertat,  abfuerit,  tamquam  infamis 
disciplina  regulari,  carcere  in  pane  et  aqua,  per  mensem  puniatur. 

Terminorum  dormitorii  nee  non  claustri  et  ecclesie  omnia 
ostia  clavibus  a  sacrista  diligenter  claudentur. 

Presidenti  claves  tradentur  et  custodientur  usque  ad  sequentis 
diei  Vigilias  2). 

Que  diebus  solemnioribus  hora  secunda,  diebus  Dominicis  et 
duarum  missarum  hora  tertia,  diebus  privatis  hora  quarta 
pulsabuntur. 

Completorium  semper  post  cenam,  hieme  ad  dimidium  sexte, 
estate  vero  ad  dimidium  septime,  pulsabitur. 

Fietque  lectio  collationis  ante  ipsum  Completorium  in  claustro 
per  quartam  hore  partem. 

Et   diebus   Sabbathi  mandatum  '^)  more  Ordinis  observabitur. 

Caveat  insuper  domina  abbatissa,  presidentes  et  seniores  ne 
antique  Ordinis  ceremonie,  ut  Quadragesime  suffragia,  psalteria 
duodecim  singulis  annis  pro  defunctis,  feriis  sextis  septem  psalmi 
penitentiales,    jejunia    ecclesiastica   et  etiam  Ordinis,  dilabentur. 


1)  Gebeden  in  den  Missaal  vóór  de  Offerande,  welke  echter  ook  in 
den  brevier  zijn  overgenomen. 

2)  de  Metten. 

3)  de  voetwassing. 


383 

Silentium  ubique  ante  »Preciosa"  i)  et  post  Completorium, 
ac  in  locis  regularibus,  veluti  ecclesia,  dormitorio,  refectorio  et 
claustro,  omni  tempore  teneatur. 

Cujus  silentii  antiquarumque  ceremoniarum  nostri  instituti  ac 
simplicitatis  monastice  contemptrix  veluti  perturbatrix  ypocritica 
a  domina  abbatissa  et  a  presidentibus  acrius  corripiatur  in  capitulo. 

Cui  quotidie  altera  presidentium,  nisi  domina  abbatissa  pro 
suo  officio  et  vigilantia  voluerit  adesse,  presidebit. 

Ibidemque  »Preciosa"  cum  martyrologio  ac  uno  regule  divi 
Benedicti  capite  cantabitur. 

A  singulis  autem  spontanee  accusationes  et  a  senioribus 
proclamationes  cum  discretionis  zelo  (fient). 

Tum  etiam  a  presidentibus  in  culparum  emendationem  sine 
dissimulatione  aut  personarum  acceptatione  punitiones  fient. 

Et  ad  Dei  sueque  ecclesie  precepta  adimplenda,  ad  simplici- 
tatem  habitus  Ordinis  retinendam,  devotionem  augendam,  (ad) 
humilitatem,  patientiam,  mutuam  dilectionem  ceteraque  Deo 
et  Ordini  permissa  conservanda  per  frequentes  exhortationes 
excitabuntur. 

Quod  si  aliqua  arrogantius  respondent  culpamque  suam  vel 
alterius  defendere  tentaverit  aut  crimen,  secundum  Ordinis 
formam  punitum,  alteri  improperaverit,  tali  mulctabitur  pena  quod 
deinceps  ab  hujusmodi  rebellione  improperioque  omnes  terreantur, 

Preterea  eidem  domine  abbatisse,  ut  suo  exemplo  ceteras 
inducat  ad  habitum,  Ordinis  simplicitatem  pre  se  ferentem, 
precipimus  cucuUam,  scilicet  ad  instar  nostram,  quam  viderit 
sine  cauda  ^),  vestem  albam,  caligas  albas  et  calceos  ex  corio, 
non  ex  serico,  indusia  ex  lana,  vela  vero  ex  tela  humili  et 
crassiore,  ad  supremum  nasi  demissa. 

Nulla  a  conventuali  refectione  absit  nisi  egrota  et  excusata 
a  domina  abbatissa  aut  ab  eadem  ad  prandium  vel  cenam  vocata. 

In  quibus  refectionibus  nunquam  lectio  deerit. 

Verum  ab  omnibus  summum  prestabitur  silentium. 

Que  ex  eisdem  refectionibus  supererunt  pauperibus  erogabuntur. 

Hinc  ad  ecclesiam  procedentes  per  claustrum  more  Ordinis 
psalmos  et  »De  profundis"  decantabunt. 


1)  Staal  hier  voor  de  Priem. 

2)  De    kap    mocht    van    achteren    niet    uitloopen    in    eene  lange  slip 
(liripipium). 


384 

Inde  in  claustrum  descendentes  diebus  Dominicis  ac  aposto- 
lorum  festis  sollemnioribusque  diebus  omnes  lectioni,  contem- 
plationi  ac  orationi  operam  dabunt,  aliis  autem  diebus  labori 
manuum,  secundum  quod  eis  ab  abbatissa  prescribetur,  non 
quidem  in  privatam  utilitatem  sed  in  communem. 

Omnibus  denique  sub  voti  paupertatis,  quod  Deo  promiserunt, 
infractione  prohibemus  ne  pecunias  aut  aliud  quodvis  munus 
seu  libros  aut  litteras  sine  sue  abbatisse  licentia  recipiant. 

Interim  eligatur  bursaria,  que  illarum  omnium  pecunias  cus- 
todiat  et  jussu  ipsius  abbatisse  eis,  quorum  eguerint,  administret. 

Quarum  tarnen  pecuniarum  bis  in  anno  coram  toto  conventu 
ipsa  bursaria  rationem  reddet. 

Cui  domina  abbatissa  i)  victum  et  vestitum  honestum  et 
sufficientem  absque  ulla  superfluitate  largiatur. 

Infirmarumque  ac  pauperum  maximam  habeat  curam  in- 
jungimus. 

Libros  autem  ab  eis,  nisi  a  patre  confessore  aut  presbitero 
et  catholico  doctore  approbentur,  minime  recipere  permittimus. 

Quoniam  vero  sacrum  concilium  Tridentinum  recipiendum 
et  observandum  ab  omnibus  suis  subditis  regia  majestas  catholica 
publico  edicto  sancivit  nobisque  visitantibus  illud  insinuandum 
precepit,  ideo  2)  omnibus  personis  regularibus  ejusdem  monasterii 
ut  prefatum  consilium  recipiant  observentque  precipimus. 

Eisdem  abbatisse  et  religiosis  sub  pena  excommunicationis 
prohibentes  ne  sine  sui  patris  visitatoris  pro  urgenti  negotio 
licentia,  scripto  obtenta,  monasterii  septa  egredi  presumant. 

Item  ne  in  loco  regulari  cujusque  sexus  personas,  sub  pena 
in  eodem  concilio  contenta,  admittant. 

Demptis  principibus,  patrie  gubernatoribus  cum  eorundem 
uxoribus,  medicis  et  chyrurgis  pro  graviter  egrotantibus,  patre 
confessore  pro  sacramento  Eucharistie  vel  extreme  unctionis 
administrando  s)  et  processionibus  dumtaxat,  turn  etiam  operariis 
et  artificibus  pro  edeficiorum  reparationibus,  quibus  semper 
due  ex  senioribus  aderunt,  ab  abbatissa  designande. 

Preterea  domina  abbatissa  omnes  portas  claustri  preter  unam 
muro  obstruere  faciat. 


1)  Er  staat:   domine  abbatisse. 

2)  Er  staat:  quare. 

3)  Er  staat:  pro  Sacramento  vel  administralione. 


385 

In  qua  portariam  senem  constituet,  cui  in  virtute  salutaris 
obedientie  precipimus  ea  que  de  ingressu  habentur  in  hac 
nostra  charta  visitationis  fidelissime  observare. 

Porro  locutorium  in  eo  loco,  juxta  portam  domus  abbatisse, 
a  nobis  prescripto,  parabitur. 

In  cujus  medio  cratis  ferrea  longitudine  quatuor  pedum  et 
altitudine  duorum  aptatibur, 

In  quo  viri  convenient. 

Consanguineas  autem  in  antiquo  mulierum  hospitio  recipiënt. 

Sed  hic  nulla  deinceps  novicia  ad  profitendum  admittetur, 
nisi  septimum  decimum  sue  etatis  annum  attigerit. 

Ejusque  consensus  liber  a  viro  probo  et  docto  ex  Ordine 
vel  alio  discutiatur. 

Demum  juxta  prefatum  Concilium  Tridentinum  ac  apostolica 
indulta  nostrique  Ordinis  instituta  eidem  domine  abatisse  bono- 
rum  immobilium  sue  ecclesie  alienationem,  donationem,  ven- 
ditionem  aut  impignorationem  facere,  nisi  juxta  Benedictinam 
triumque  postrorum  capitulorum  generalium  nostri  Ordinis 
Cisterciensis  definitiones  prohibemus. 

Turn  etiam  ne  ad  plures  annos  quam  novem  suos  census 
redditusque  ad  firmum  det, 

Toto  conventu  consentiente  et  suo  sigillo  fidem  elocationi 
prostante ; 

Alioquin  nos  auctoritate  prefata  hujusmodi  venditionem, 
donationem  impignorationemque  irritam  nuUiusque  esse  roboris 
ex  nunc  pro  ut  ex  tune  declaramus. 

Eadem  vero  domina  abbatissa  computationes  suas  parabit  reddet- 
que  singulis  annis  coram  patre  visitatore  et  coram  sex  exsenioribus. 

Cujus  quidem  visitatoris  signo  manuali  approbabuntur  vel 
improbabuntur. 

Ceterum  eadem  [charta]  dominam  abbatissam  rogamus  ut, 
primum  querens  regnum  Dei  et  justitiam  ejus,  nihil  sibi  defu- 
turum  speret,  quo  abunde  suis  filiabus,  tam  sanis  quam  egrotis, 
succurrere  possit. 

Quas  etiam  vicissem  monemus,  ut  unanimes  uno  ore  honori- 
ficantes  Deum,  sic  suas  fidei  lampades  bonorum  operum  oleo 
charitatisque  igne  student  omare, 

Ut,  veniente  sponso  suo  Christo,  vigilantes  et  caste  humiliterque 
obedientes,  obviare  possint  et  ab  ipso  recipi  et  ad  celeslas  nuptias 
et  perpetuas  introduci  valeant. 

25 


386 

Ne  quis  autem  ignorantiam  pretendat,  hanc  nostre  visitationis 
chartam  omnibus  feriis  quartis  aut  sextis  Quatuor  temporum 
omnibus,  in  capitulo  congregatis,  legi  et  observari  volumus. 

Datum  in  eodem  monasterio  de  Loco  Marie,  sub  sigilli  nostri 
appensione  et  signi  manualis  nostri  secretarii  subscriptione,  die 
prima  mensis  lunii,  anno  Domini  millesimo  quingentesimo 
septuagesimo. 

R.  de  Greveme. 

(P.   V.  d.  Schelling).  Beschrijving  van  de  oude  en  edele  abdij  en 
klooster  van  Leeuwenhorst  I.  125  recto  —  127  verso. 


B  IJ  L  A  G  E  V.  Zie  boven  blz.  jóg. 


1571,  Augustus  14. 
Transfix. 

Richard  van   Xanten,   abt  van  Camp,  bevestigt  voortnelden  visi- 
tatiebrief. 

Ad  Dei  optimi  maximi  laudem  animarumque,  quarum  im- 
promis  cura  habenda  est,  salutem.  Nos  frates  Richardus,  abbas 
Campensis,  ordinis  Cisterciensis,  in  Coloniensi  diocesi,  auctoritate 
paterna  visitantes  devotum  monasterium  nostrum  de  Leeuwen- 
horst, alias  ter  Lee,  ordinis  ejusdem,  in  diocesi  Harlemensi, 
reperimus  chartam  quandam  monialibus  a  reverendo  domino 
abbate  de  Morimondt,  nee  non  commissario  capituli  generalis 
ordinis  ejusdem,  relictam  quam,  dum  legissemus,  statim  appro- 
bandam  et  confirmandam  (non  sine  causa)  putavimus.  Addentes 
tamen  observarique  precipientes  hos  subsequentes  articulos: 

Imprimis  divinum  officium  cum  pausis,  silentio,  devotis  in- 
clinationibus    nee    non    mentis  ad  Deum  elevatione  persolvant. 

Moniales  juxta  quam  professe  sunt  regulam  vitam  instituant 
atque  componant. 

Vota  castitatis,  obedientie  et  paupertatis  voluntarie  observent. 

Deum  temeant,  ament  et  mandata  ejus  custodiant. 

Insignia  humilitatis  fidelitatisque  gerant. 

Spectantes  pro  levi  tribulationis  et  laboris  pondere  immar- 
cessibilem  gloriae  coronam. 

In  professione  sua  persistant  et  proficiant.  Nam  inquil  beatus 
Augustinus:   sicut   non  memini  me  vidisse  meliores  eis  qui  in 


387 

religione  profecerunt,  ita  nee  deteriores  qui  in  ea  defecerunt  et 
prolapsi  sunt  aut  quicquam  in  habitu,  moribus  et  aliis  Ordinis 
ceremoniis  immutaverunt. 

Introitus  regularium  locorum  omnibus  interdicatur,  presertim 
viris,  sine  licentia  abbatisse.  Nam  liber  accessus  secularium  cito 
perire  facit  sancte  religionis  puritatem  et  observantiam. 

Rarissime  moniales  septa  monasterii  exeant,  vel  si  exierint, 
hoc  fieri  debet  cum  licentia  superioris,  nimirum  abbatisse. 

Quantum  ad  habitum  aitinet,  nihil  immutent  sed  in  eo 
permaneant  quem,  dum  profiterentur,  acceperunt. 

Pacem  el  concordiam  conservent,  Christo  precipiente :  pacem 
meam  do  vobis,  pacem  meam  relinquo  vobis. 

Portremo  omnem  levitatem  devitent,  si  quidem  illa  est  occasio 
multoram  malorum. 

Ne  quis  autem  ignorantiam  pretendat,  volumus  hos  jam 
dictos  articulos  omni  quarta  vel  sexta  feria  Quatuor  temporum, 
omnibus  in  capitulo  presentibus,  legi,  recitariatqueetiamobservari. 

Datum  in  eodem  monasterio  nostro  de  Leeuwenhorst,  sub 
appensione  sigilli  nostri,  decima  quarta  die  mensis  Augusti, 
anno  Domini  millesimo  quingentesimo  primo. 

(P.  V.  d.  Schelling).  Beschrijving  van  de  oude  en  edele  abdij  en 
klooster  van  Leeuwenhorst.  I.  127  verso  —  128  verso. 


HET  HOFJE  VAN  NIEUWKOOP  IN  DEN  HAAG. 


De  Riemer,  in  zijne  bekende  Beschrijvmg van  's  Graven- 
hage  (blz.  572),  wijdt  aan  deze  eigenaardige  stichting 
van  Jan  de  Bruin  van  Buitenwech,  Heer  van  Nieuwkoop 
eenige  regels,  die  vrijwel  alles  mededeelen  wat  een  leek 
er  van  zou  willen  weten.  De  bijgevoegde  afbeelding, 
een  vogelvlucht-gezicht,  laat,  wat  het  uitwendig  aanzien 
betreft,  niets  raden.  Peters,  die  in  het  Haagsch  Jaar- 
boekje voor  1908  zijne  studie  over  den  bouwmeester 
Pieter  Post,  met  eene  reproductie  van  die  afbeelding 
verlucht,  laat  ons  op  een  ander  plaatje  (reproductie 
eener  penteekening  van  1907)  de  zaal  zien  in  het  jaar 
1661,  die  bij  weinigen  bekend  is. 

Peters  getuigt  van  het  gebouw,  als  bouwwerk:  „Zijn 
(Pieter  Post)  Hofje  van  Nieuwkoop  is  een  echt  typisch 
Hofje,  eenvoudig  maar  breed  opgevat,  door  zijn  hoofd- 
ingang en  hoek-pavilj oenen  aan  de  voorzijde,  en  door 
zijn  Regenten-zaal  in  den  tuin,  aan  het  geheel  silhouet 
gevend,  en  trots  de  soberheid,  waarmede  alles  behandeld 
is,  toch  een  gelukkig  geheel  vormend." 

Er  is  bij  de  Riemer  sprake  van  een  achterpoort  aan 
den  tuin  achter  het  Regentenhuis  (de  zaal)  die  uitgang 
had  in  de  Warmoezierstraat,  ook  genaamd  het  Slop 
van  de  drie  Boeren.  Boven  die  poort  was  een  steen 
aangebracht,  waarop  een  paar  versregels  van  Horatius 
waren  aangebracht,  door  de  Riemer  vertaald  weergegeven: 

>Een  mensch  kan,  haast  vergenoegt,  wel  met  een  kleintje  leven. 
Daar  hij  een  zoutvat  heeft  van  aardewerk  of  tin. 
Op  zijn  geringen  disch  uit  gunst  voor  niet  gegeven." 


389 

„Die  achterpoort,  zoo  schrijft  Ridder  de  van  der 
Schueren  (H.  J.  v.  1893),  bestaat  niet  meer;  wanneer 
en  om  welke  reden  ze  werd  afgebroken  zou  ik  niet 
kunnen  zeggen;  de  oude  rekeningen  van  het  Hofje 
zwijgen  er  over ;  ze  werd  vervangen  door  een  een- 
voudige tuindeur,  die  tot  voor  enkele  jaren  nog  in 
wezen  was.  Maar  de  steen  met  het  Latijnsche  opschrift 
is  op  merkwaardige  wijze  teruggevonden. 

„Toen  in  1886  om  het  Hofje  te  vergrooten,  de  tuin 
met  woningen  werd  bebouwd,  werd  het  noodzakeHjk 
een  nieuwe  ingangspoort  aan  de  Warmoeziersstraat  te 
bouwen,  en  dit  maakte  de  afbraak  van  een  paar  huisjes 
noodzakelijk.  Bij  het  toen  verricht  graafwerk,  werd 
diep  in  den  grond,  onder  de  fundamenten  van  een  der 
afgebroken  woningen,  de  steen  met  het  opschrift  terug- 
gevonden; ze  lag  gelukkig  omgekeerd  met  het  beeld- 
houwwerk naar  onderen,  en  toen  zij  gereinigd  was, 
bleek  het,  dat  het  opschrift  niets,  de  daaromheen  aan- 
gebrachte versierselen  slechts  zeer  weinig  beschadigd 
waren.  Die  schade  werd  gemakkelijk  hersteld,  waarna 
de  oude  steen,  in  een  passende  omlijsting  gevat  boven 
de  nieuwe  poort  aan  de  Warmoezierstraat  werd  ge- 
plaatst, gedekt  door  het  wapen  van  den  stichter." 

Het  wel  en  wee  van  het  Hofje  is  tot  heden  toe  niet 
in  kleine  bijzonderheden  beschreven.  Voor  het  geval  zich 
daartoe  een  navorscher  zetten  wil,  geven  we  een  paar 
aanteekeningen,  die  anders  weUicht  zouden  vergeten 
worden. 

Ten  eerste,  dat  in  de  protocollen  van  den  Haagschen 
Notaris  Thomas  Robijn  de  minuut  is  opgenomen  van 
een  acte,  in  dato  22  Augustus  1659,  houdende  eene 
insinuatie  omtrent  het  metselwerk.  Belangrijker  achten 
we,  ten  tweede,  eene  insinuatie  van  21  Juli  1662.  Beide 
dagteekenen  uit  de  vroegste  geschiedjaren  van  het  Hofje. 


390 

In  1658  werd  de  toestemming  verkregen  tot  den  bouw, 
in  1661  heet  het  gebouw  voltooid  te  zijn,  hoewel  de  acte  van 
1662  niet  op  eene  geheele  afwerking  duidt.  De  insinuatie 
in  die  acte  vervat  is  toch,  namens  „Regenten  van  de 
goederen  naergelaten  bij  wijlen  Jor  Johan  de  Bruyn  van 
Buytewech  in  Sijn  leven  Heer  van  Nieucoop,  enz." 
gericht  tot  „Joris  Minnen,  Steenhouwer  en  den  Con- 
trolleur  Pieter  Noorwits,  als  borge  voor  de  deuchde- 
lijckheyt  van  den  steen,  dat  sij  als  aennemers  sullen 
opmaken  ende  voltrecken  de  hardsteene  poort,  als  mede 
de  vloeren  van  't  regentenhuys  van  't  Hoffje  ende 
daertoe  het  hartsteene  wapen  en  't  gene  daer  aen 
dependeert  sullen  hebben  te  leveren  binnen   14  dagen." 

Aan  mogelijke  vergrooting  of  uitbreiding,  (of  wel  gold 
het  eene  afschutting  van  een  ledig  erf,  tot  eigen  veiligheid .-'), 
zou  gedacht  kunnen  worden,  door  wat  we  lezen  in  eene 
acte  van  30  Mei  1665  (Prot.  v.  Nots  Corn.  v.  d.  Hoogh 
te  's-Gravenhage).  Op  dien  datum  verklaren  Hendrick 
Arent  Schrap,  steenkooper,  Matheus  van  Veen  en  Ary 
Corneliszoon  Bol,  meesters  timmerlieden,  ten  verzoeke 
van  Regenten,  „dat  met  haer  kennis  het  lege  erff  van 
den  Heer  Burgemeester  Splinter  zal.,  op  de  Princegracht, 
is  affgeheynt  tot  laste  ende  coste  van  de  voorsz.  regenten." 

Het  aardigste  archiefstuk  echter,  dat  wij  vonden, 
dagteekent  uit  het  jaar  1678.  We  zouden  het  den  titel 
willen  geven :  Oude  vrouwtjes  over  den  Vrede.  Zooals 
de  Fonseca  vermeldt  (II,  bl.  225)  was  het  Hofje  uit- 
sluitend opgericht  voor  „vieilles  femmes". 

Toen  in  den  nacht  van  10  op  11  Augustus  1678  de 
vrede  te  Nijmegen  tusschen  ons  land  en  Frankrijk  ge- 
sloten was,  was  er  groote  blijdschap  in  den  lande. 

Eene  naïeve  uiting  daarvan  geeft  het  volgende  Archief- 
stuk. Het  is  't  concept  van  een  brief,  vermoedelijk  op- 
gesteld   door   den  Haagschen  notaris  Egbertus  van  der 


391 

Pyll,  —  de  notarissen  toen  deden  van  alles,  —  want 
in  een  register  zijner  protocollen  komt  het  voor,  tusschen 
twee  acten  van  17  December  1678,  gemerkt  met  de 
nommers  190  en  191.  Verwonderlijk  is  't  niet,  dat  eerst 
zooveel  tijd  na  den  vrede  de  brief  geschreven  werd.  De 
Prins  zelf  won  nog  den  slag  bij  St.  Denys,  toen  de  vrede 
geteekend  was.  Overigens  spreekt  het  stuk  voor  zich  zelf. 

„A  son  Ex^  Monseigneur  Ie  Comte  d'Avaux,  Ambas- 
sadeur Extraordinaire  de  sa  Maiesté  Tres  Chrestienne, 
resident  a  la  Haye. 

„Tres  humblement  représentent  62  vieille  femmes, 
resident  dans  certain  bastiment  du  glorieuse  mémoire 
Ie  Seigneur  de  Nieucoop  [Hofje  van  Nieuwkoop  a/d. 
Prinsegracht]  que  les  suppliants  avec  grande  ioye  ont 
entendu  la  merveilleuse  et  louable  paix  entre  Sa  Maj*^ 
Tres  Chrestienne  et  leur  Hauttes  Puissances  [van  onze 
Republiek],  en  suitte  de  quelle  les  suppliants  prient 
tres  humblement  une  grace  a  vostre  Ex«  pour  les 
aveugles,  boiteuses  et  autres,  prieront  Dieu  éternellement 
pour  la  santé  de  sa  Maj*^  et  son  Ex^,  si  bien  au 
l'ame  qu'au  coeur  éternellement. 

„Du  nom  général  de  62  vielle  femmes. 

(get.)  Ariaentje  de  Geystere  i), 
mère." 

De  ondergrond  is  wel  een  verzoek  2),  maar  er  zit 
toch  een  vrij  aardige  noot  in  dit  schrijven. 

's-Grav.  25/2   191 5. 

A.   J.    SeRVAAS   van   ROOYEN. 

i)  Deze  naam  valt  af  te  leiden  van  het  kasteel  Geysteren  (Limburg), 
of  »dat  huysken  te  G.".  Zie  Limburg's  Jaarboek  XX,  3e  afl.  (1914, 
bl.  245,  e.  V.). 

2)  De  bezittingen  v.  h.  » Hofje",  waren  gelegen  om  Woerden  en 
hadden  in  1672  verschrikkelijk  geleden  van  de  Franschen,  zóó  zelfs 
dat,  na  1681,  eenige  geldelijke  vergoeding  van  de  inwonenden  moest 
worden  geëischt,  omdat  de  fondsen  bijna  uitgeput  waren. 


ENCHUSANA. 


I.  Oostelijk  Enkhuizen  vóór  de  hervorming. 

Het  merkwaardig  stadje  Enkhuizen,  in  den  laatsten 
tijd  uit  den  doodslaap  der  „villes  mortes  aan  de  Zuider- 
zee" ontwakend,  heeft  eene  belangrijke  geschiedenis  op 
Kerkelijk  gebied,  welke  wij  naar  best  vermogen  willen 
trachten  te  schetsen  i). 

Het  grensgebied  der  burgerlijke  gemeente  is  op  heden 
voor  eene  bevolking  van  8000  zielen,  waaronder  bijna 
IIOO  katholieken,  vrij  uitgebreid.  Vóór  de  uitlegging 
der  stad  in  1590,  toen  de  tegenwoordige  vestingwal 
met  zijn  vijfhoekige  bastions  en  breede  omringgracht 
volgens  het  ontwerp  van  den  Alkmaarschen  burgemeester 
Mr.  Adriaan  Anthonisz.  werd  aangelegd,  werd  de  zee- 
wering gevormd  door  de  tegenwoordige  Breedstraat  en 
den  Visschersdijk  en  stond  Be  oude  stadsmuur  ongeveer 
ter  plaatse  van  wat  nu  heet  Spaanschleger,  Paul-Potter- 


i)  Vele  kerkelijk-hisiorische  bijzonderheden  heb  ik  hier  en  daar 
verspreid  gevonden  bij  en  verzameld  uit:  G.  Brandt,  Historie  der  ver- 
maerde  zee-  en  koopstadt  Enkhuizen,  die  zelf  niet  zelden  geput  heeft 
uit  de  met  zorg  uit  officieele  stukken  afgeschreven  Aanteekeningen  van 
Jan  Simonsz.  Blaeuhulck,  bewindvoerder  der  Oost-Indische  Compagnie, 
t  1628.  De  ie  druk  dateert  uit  1666,  maar  werd  door  .S".  Centen  met 
Vervolg  der  historie  te  Hoorn  in   1747  uitgegeven. 

H.  V.  Heussen,  Batavia  Sacra,  Bruxellis  en  Ultrajecti  1754,  II,  bl.  449 — 451. 

H.  V.  Rijn,  Oudheden  en  gestichten  van  Amstelland,  Noordholland  en 
West-Friesland,  Leiden   1721,   2e  dl.  bl.  390  v.v. 

E.  V.  d.  Hoof,  Ilandtvesten,  privilegiën  enz.  der  stadt  Enchuysen, 
1667  Enkhuizen, 

en  uit  andere   bronnen,   die  zullen  worden  aangegeven. 


393 

straat,  Prinsenstraat  en  Paktuinen  van  zee  tot  zee.  De 
huidige  Oude  Westerstraat  was  de  hoofdverbinding  van 
de  Breedstraat  (toen  De  Dijk  geheeten)  met  de  Wester- 
poort; doch  de  weg  hierbuiten  tot  de  latere  Koepoort 
in  den  vestingwal  (nu  Nieuwe  Westerstraat)  en  het 
verleng-eind  hiervan  tot  de  banne  van  Bovenkarspel 
(nu  het  Westeind)  behoorde  kerkelijk  tot  Enkhuizen 
en  wel  onder  het  territorium  van  de  Westerkerk,  die 
vlak  bij  de  oude  Westerpoort  stond,  't  welk  van  ouds 
Gommerskarspel  genoemd  werd.  Tegenover  dit  westelijk 
gedeelte  lag  Oostelijk  Enkhuizen  aan  de  zee. 

Deze  situatie-beschrijving,  voor  vreemdelingen  mis- 
schien minder  duidelijk,  is  toch  noodig  om  te  begrijpen, 
hoe  de  stad  vroeger  in  twee  parochies  verdeeld  was  en 
hoe  't  mogelijk  was,  dat  de  westelijke  parochie  (juist 
door  de  twee  verlengstukken  buiten  de  poort)  omstreeks 
1800  en  de  oostelijke  slechts  circa  500  kommunikanten 
telde  bij  de  bekende  Informacie  in  't  jaar   15141). 

Graaf  Willem  V  gaf  op  Woensdag  na  St.-Paulus- 
bekeering  1355  aan  de  „lieven  ende  getrouwen  luyden 
van  Enchuysen  ende  van  Gommerskarspel"  poortrecht 
en  verlof  voor  een  jaarmarkt  van  14  dagen,  „daer  men 
alle  jaeren  dat  kruys  af  rechten  sal",  doch  bepaalde  er 
tevens  bij,  dat  voortaan  beide  stadsgedeelten  zouden 
heeten  Enchuysen,  westwaarts  strekkende  tot  aan  de 
banne  van  Bovenkarspel  en  naar  de  andere  zijden  tot 
aan  de  zee  -).  Doch  in  den  wandel  bleef  het  westelijk 
stadsgedeelte  zeker  tot  in  't  begin  der  i6de  eeuw  heeten 
Gommerskarspel  en  het  oostelijk  Enkhuizen  3). 

De    oude    kerk    in    dit    gedeelte    was    toegewijd   aan 


i)  Bijdragen  v.  d.  geschiedenis  v.  h.  Bisdom  v.   Haarletn,  II,    i 

2)  E.   van  den  Hoof,  bl.   4  en    5. 

3)  De  tweede  schets  hopen  wij  te  wijden  aan  Clonimerkarspel. 


394 

Sint  Paulus,  misschien  als  beschermheilige  tegen  schip- 
breuk en  „gevaren  op  zee"  (II  Cor.  XI,  26)  en  was  in 
't  jaar  1325  buitendijks,  d.  i.  ten  oosten  van  de  tegen- 
woordige Breedstraat  gelegen.  Ten  oosten  van  den 
Wierdijk,  de  tegenwoordige  zeewering,  ligt  nu  nog 
in  zee  een  zandplaat,  die  den  naam  draagt  van  „het 
Kerkhof".  Behalve  deze  St.-Pauluskerk  hadden  de 
Enkhuizers  ook  een  kapel,  welke  binnendijks  gelegen 
was,  waarschijnlijk  ter  plaatse  waar  nu  de  monumentale 
Zuidertoren  staat,  welke  toegewijd  was  aan  den 
H.  Martelaar  Pancratius  i). 

In  't  jaar  1398  schonk  de  proost  van  Westfriesland 
Franciscus,  kardinaal-priester  van  Santa  Susanna,  aan 
de  parochianen  van  geheel  Enkhuizen  —  hij  hield  zich 
aan  bovengenoemde  grafelijke  combinatie  —  het  voor- 
recht „de  non  evocando",  d.  w.  z.  dat  bij  het  „zeenen" 
(het  houden  van  geestelijk  recht)  geen  poorter  noch 
door  den  proost  noch  door  den  deken  (die  gewoonlijk 
te  Hoorn  woonde)  noch  door  iemand  anders  buiten  de 
vrijheden  der  parochiekerken  mocht  gedaagd  worden  2). 

Hieromtrent  werd  in  1559  nog  bepaald,  dat  de  deken 
vooraleer  te  Enkhuizen  te  komen  eerst  in  Oudorp,  Hoorn 
en  Medeblik  moest  zeenen  en  dat  alsdan  de  burge- 
meesters, die  de  onkosten  van  drank  bestreden,  bij  den 


1)  In  Phrygië  uit  aanzienlijke  en  brave  ouders,  Cleonius  en  Quirina 
gesproten,  verhuisde  hij  na  hun  dood  onder  de  voogdij  van  zijn  oom 
Dionysius  naar  Rome,  waar  hij  onder  de  vervolging  van  Diocletiaan  en 
Maximiaan  voor  't  H.  Geloof  onthoofd  werd  aan  de  Via  Aurelia,  waar 
zijn  lichaam  begraven  werd  door  de  aanzienlijke  Octavilla.  Een  ge- 
deelte zijner  Relieken  werden  later  overgebracht  naar  de  San  Pancrazio 
in  Trastevere ;  bij  mijn  bezoek  van  dit  thans  verlaten  heiligdom  op 
I  Mei  19 13  bleek  mij,  dat  die  Relieken  in  den  woesten  tijd  van  1798 
uit  het  altaar  verdwenen  waren.  Zijn  Feest  wordt  gevierd  12  Mei  en 
volgens  het  Missale  Romanum  was  b.v.  op  Dominica  in  Albis  er  Statio 
ad  S.  Pancratium.  Zie  Analecta  Bollandiana,  Parisiis  1891,  torn,  X,  bl.  53. 

2)  E.  V.  d.   Hoof,  bl.   17. 


395 

deken  te  gast  zouden  komen  ^).  Gelijk  we  later  in  de 
schets  van  de  Enkhuizer  kloosters  vóór  de  hervorming 
hopen  te  vermelden,  gebeurde  dat  alles  in  't  mooie  z.g. 
Patershof. 

Nadat  de  St.-Elisabethsvloed  zooveel  land  had  doen 
verloren  gaan  en  waarschijnlijk  wel  als  gevolg  daarvan, 
gaf  hertog  Jan  van  Beieren  op  den  4en  Augustus  1422 
aan  de  Enkhuizers  verlof  —  hun  kerk  stond  evenals 
die  van  Gommerskarspel  ter  begeving  aan  de  hertogen 
of  graven  —  de  St.-Pauluskerk  af  te  breken  en  eene 
nieuwe  kerk  binnendijks,  dus  ten  westen  van  de  Breed- 
straat,  te  gaan  bouwen.  Men  besloot  nu  aan  te  bouwen 
aan  de  St.  Pancraskapel,  ten  oosten  hiervan  op  't  z.g. 
Rietbosch.  In  1423  of  's  jaars  daarna  werd  met  den 
nieuwen  bouw  begonnen  en,  gelijk  uit  het  verschil  van 
balken,  metselwerk  enz.  op  te  maken  is,  werd  het  werk 
vervolgd    in    3  tempo's,  waarschijnlijk  naar  gelang  van 

de    behoefte    en de    beschikbare   middelen ;   toch 

schijnt  de  bouw  in  1450  reeds  zóóver  gevorderd  te 
zijn  dat  de  oude  kapel  kon  worden  afgebroken.  Als 
men  nu  in  overweging  neemt,  dat  de  parochie  hoogstens 
500  kommunikanten  telde,  dat  (gelijk  in  1623  bij  het 
zetten  van  een  nieuw  doodbeenderenhuisje  moet  ge- 
bleken zijn)  de  muren  even  diep  in  als  boven  den  grond 
zijn,  dat  de  nieuwe  kerk,  al  is  ze  niet  bijzonder  hoog, 
in  twee  beuken  werd  opgetrokken  en  dat  men  na  den 
afbraak  der  kapel  terstond  begon  met  den  bouw  van 
een  toren  vlak  vóór  den  zuidelijken  beuk,  dan  gevoelt 
men  bewondering  voor  den  geloofsijver  en  de  milddadigheid 
dier  toenmalige  Enkhuizers.  Die  bewondering  zal  hooger 
klimmen,  als  we  zien  wat  ze  hebben  gedaan  tot  ver- 
siering   van    hun    nieuwen    tempel    èn    door   den  fieren 


I)   G.  Brandt,  bl. 


396 

toren  buiten  en  door  het  schoone  schilderwerk  daarbinnen. 

Hier  zij  vermeld,  dat  het  nieuw  Godshuis  met  de 
standplaats  ook  den  Patroon  der  oude  kapel  erfde  en, 
als  ten  zuiden  van  de  Oude  Westerstraat  gelegen,  ook 
de  „Zuiderkerk"  genoemd  wordt. 

Gelijk  zooeven  gezegd  is,  begon  men  met  den  toren- 
bouw reeds  in  1450  en  ondanks  den  kolossalen  omtrek 
vorderde  men  daarmee  voorspoedig,  want  in  1458  had 
men  een  hoogte  van  40  M.  bereikt,  tot  boven  de  nog 
huidige  klokgalmgaten,  waarna  het  bouwwerk  met  een 
lage  kap  werd  afgedekt.  Waarschijnlijk  werd  die  bouw 
zoo  bespoedigd  door  het  verlangen  der  parochianen 
naar  klokgelui;  want  sinds  lang  zweeg  de  klok  van  de 
oude  St.-Pauluskerk,  doch  te  Utrecht  vergoten  en  ver- 
zwaard werd  deze  in  1459  opgehangen.  Nu  volgde 
er  een  intermezzo  van  60  jaren.  Men  zal  zich  toen 
meer  bijzonder  op  de  inwendige  versiering  van  Gods 
huis  hebben  toegelegd.  Intusschen  werd  in  1509  eene 
nieuwe  klok  in  den  toren  opgehangen,  nl.  de  „Salvator". 
Negen  jaar  later  werd  de  torenbouw  hervat.  Misschien 
waren  de  parochianen  van  Sint  Pancras  daartoe  aan- 
gevuurd door  het  goede  voorbeeld  van  die  uit  Gommers- 
karspel,  welke  in  15 18  ten  oosten  van  hun  grootsch 
kerkgebouw  een  vrij  hoog  houten  klokkenhuis,  dat 
reeds  't  volgend  jaar  gereed  was  !  begonnen  op  te  trekken. 
Hoe  het  ook  zij,  het  steenwerk  van  den  Zuidértoren 
werd  nog  enkele  meters  boven  de  galmgaten  opgehaald 
tot  aan  den  eersten  omgang  en  de  geheele  bouw  was 
voltooid  in  1524  door  het  afwerken  der  spits,  die  boven 
de  plaats  voor  een  carillon  bestemd  een  tweeden  om- 
gang kreeg  en  in  1533  geheel  met  koper  werd  bekleed, 
voor  welk  doel  pastoor  Simon  Blaeuhulck  een  gedeelte 
zijner  nalatenschap  had  geschonken. 

De  bouw  had  dus  75  jaren  geduurd;  maar  de  toren 


397 

had  dan  ook  een  hoogte  van  75  meters  bereikt  en  het 
monumentale  en  massieve  gebouw  was  en  is  vooral 
voor  de  visschers-parochianen  een  baken  in  zee! 

Nu  in  eigendom  der  burgerlijke  gemeente,  is  hij  vóór 
enkele  jaren  solied  en  fraai  gerestaureerd  ^). 

Aan  het  een  en  ander  herinnert  het  inschrift  boven 
den  ingang  van  den  toren:  „Incepta  1450.  Perfecta  1533. 
Renovata  1909." 

Hierboven  werd  gezegd,  dat  de  spits  een  met  opzet 
daartoe  ingerichte  plaats  biedt  voor  een  carillon  en 
nog  wel  een  zeldzaam  mooi  carillon !  Het  bestaat  nu 
uit  36  klokken.  Hiertoe  behooren: 

1°.  de  „Joannes".  Deze  is  de  klok  der  oude  St.  Paulus- 
kerk,  welke,  gelijk  boven  is  gezegd,  reeds  in  1459  g^" 
plaatst  werd  in  den  half-opgetrokken  toren.  Na  in  15 18 
nogmaals  vergoten  te  zijn,  droeg  hij  den  zoo-even  ge- 
noemden naam, 

2°.  de  „Salvator".  Deze  is  de  grootste  der  twee  lui- 
klokken,  met  een  middellijn  van  1.55  M.,  doch  kan 
met  het  speelwerk  verbonden  worden.  Gelijk  reeds  ge- 
meld is,  dateert  ze  uit  1509  blijkens  het  randschrift, 
't  welk  naam  en  doel  en  gieter  tevens  aangeeft :  „Salvator  . 
is  .  mijn  .  naem  .  mijn  .  gheluit  .  sij  .  Gode  .  bequaem  , 
Gerhardus  .  de  Wou  .  me  .  fecit  ,  anno  .  Domini  . 
MCCCCCIX." 

In  1 5 1 1  leende  Enkhuizen  van  het  Regulierenklooster 
bij  Haarlem  vijf  „enckel  gouden  Koevorster  guldens"  -). 
Zou  dat  misschien  een  gemeentelijke  subsidie  voor  het 
betalen  van  deze  klok  geweest  zijn.? 

Van  denzelfden  klokkegieter,  doch  in   1523  gemaakt, 


1)  De  spits  is  geheel  vernieuwd;  ook  de  zware  steenen  ballustrade, 
ter  plaatse  van  den  eersten  omgang  en  de  pinakels  aan  den  onderbouw 
zijn  nieuw. 

2)  £.  V.  d.  Hoof,  bl.  62. 


398 

zijn  er  nog  3  klokken  in  Enkhuizen ;  deze  hangen  bij 
de  20  door  Gebrs.  Hemony  circa  1675  gemaakte  carillon- 
klokken  van  de  z.g.  Drommedaris  ^)  en  hebben  als 
randschrift :  „Jhesus  .  Maria  .  Joannes  .  Gerhardus  .  de . 
Wou  .  me  .  fecit .  anno  .  Domini  .  MCCCCCXXIII"  2). 

3°.  De  heeluurklok,  wier  naam  en  maker  mij  niet 
bekend  zijn.  Dit  is  de  grootste,  want  zij  heeft  een 
diameter  van  165  duim  en  werd  eveneens  in  1523 
gegoten. 

De  meeste  andere  klokken  zijn  uit  de  werkplaatsen 
der  Hemony's  2), 

Het  carillon  is  nu  nog  een  dagelijksch  genot  voor 
de  Enkhuizers,  die  dankbaar  mogen  zijn,  dat  de  oude 
St.-Pancrasklokken  niet  door  Mr.  Hendrik  van  Trier 
vergoten  zijn  tot  geschut,  waartoe  de  Prins  van  Oranje 
op  27  Maart  1573  verlof  had  gegeven  en  waartoe  andere 
klokken  en  schellen  van  kapellen  en  kloosters  volgens 
Brandt  werden  gebruikt. 

Na  nog  vermeld  te  hebben,  dat  in  1604  het  oud 
uurwerk  werd  overgebracht  naar  het  klokkehuis  der 
Westerkerk  en  een  geheel  nieuw  werd  geplaatst  in  den 
St.  Pancrastoren,  stappen  we  hiervan  af. 

Men  beweert  ^),  dat  de  kerk  inwendig  is  versierd 
geweest  door  geschilderde  ramen  en  muurschilderingen; 
de  gebrande  glazen  zijn  er  niet  meer  en  we  willen  hopen, 
dat  het  in  de  toekomst  met  de  beweerde  schilderingen 
op    de  muren  even  voorspoedig  moge  gaan  als  met  de 


i)  De  Drommedaris,  eertijds  Zuiderpoort,  is  een  fameus  sterk  gebouw 
en  maakte  een  deel  uit  van  de  verdedigingswerken  der  stad  aan  de 
zeezijde  en  beheerschte  den  toegang  tot  de  havens;  het  ronde  gebouw 
is  eigenaardig  van  een  half  rondeel  voorzien,  vanwaar  die  benaming 
nu  nog  in   den   wandel. 

2)  D.  Brouwer,  Gids  van   Enkhuizen,    19 15,   bl.   41,   42   en    19, 

3)  D,  Brouwer^  bl.   19. 


399 

zolder-  en  absidenschilderingen,  waarover  nu  veel  merk- 
waardigs kan  medegedeeld  worden. 

In  het  jaar  1484  toch,  toen  de  daken  der  beide 
beuken  geheel  met  eikenhout  beschoten  waren,  werd 
aan  een  waar  kunstenaar,  wiens  naam  helaas!  tot  dus- 
verre ons  onbekend  is  gebleven,  opgedragen  om  het 
heele  gewelf  der  beuken  en  ook  der  koorafsluitingen 
te  beschilderen  met  tafereelen  uit  het  Oud  en  het 
Nieuw  Testament.  Omdat  het  stedelijk  bestuur  besloot 
voortaan  in  het  onderhoud  van  den  schilder  en  diens 
gezin  te  voorzien,  bewijst  dat  men  toen  zeer  voldaan 
was  over  den  arbeid  en  terecht,  gelijk  nu  sinds  enkele 
jaren  is  gebleken.  Gelijk  op  andere  plaatsen,  bv.  te 
Haarlem,  Naarden  enz.,  zoo  werd  ook  in  de  St.  Pancras- 
kerk  na  de  alteratie  in  1609  het  geheele  schilderwerk 
door  een  kalklaag  onzichtbaar  gemaakt.  Dat  aanschouwelijk 
godsdienstonderwijs  van  de  oude  en  praktische  Moeder- 
kerk was  voor  de  „erklarte"  menschen  van  „geest  en 
waarheid"  niet  meer  noodig!  En  daar  was  nogwel  bij 
ordonnantie  van  16  Januari  1594^)  door  het  stadsbestuur 
besloten,  dat  „niemandt  met  krijt,  hout-kool  ofte  andere 
materialen  sal  mogen  schrijven  aen  eenige  mueren  ofte 
calommen  binnen  de  kercken  op  poene  van  't  opperste 
kleet  vanden  ghebrekende" ! 

Doch  gelukkig  is  men  nu  sinds  19 10  bezig  om  het 
aloude  schilderwerk  bloot  te  leggen.  Het  plan  daartoe 
werd  in  1903  opgevat  door  den  heer  J.  W.  Lakenman, 
kerkvoogd  der  Zuiderkerk,  die  daarom  hier  met  lof 
dient  genoemd  te  worden.  Voor  die  blootlegging,  welke, 
naar  men  begroot,  ƒ  lo.ooo  moet  kosten,  werden  den 
kerkeraad  bijdragen  toegezegd  door  het  Rijk,  de  Ver- 
eeniging    „Rembrand"   en  het  Kon.  Oudheidkundig  ge- 


I)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.    195. 


400 

nootschap  en  op  heden  zijn  er  onder  toezicht  en  leiding 
van  Jhr.  dr.  J.  Six  verschillende  voorstellingen  voor  den 
dag  gekomen,  welke  geroemd  worden  om  teekening  en 
compositie. 

Het  zijn  alle  bijbelsche  tafereelen,  welke  de  oude 
kunstenaar  schijnt  geschilderd  te  hebben  naar  de  oude 
houtsneden  van  het  Speculum  humanae  salvationis  ^), 
waarvan  juist  één  jaar  tevoren  in  1483  Joan  Veldener 
te  Kuilenburg  eene  nieuwe  hollandsche  uitgave  had 
bezorgd  onder  den  titel  van  Spieghel  onser  Behoudenisse. 

Jhr.  Six  is  voornemens,  zoodra  de  blootlegging  zal 
voleindigd  zijn,  eene  met  de  voornoemde  houtsneden 
vergelijkende  en  den  onderlingen  samenhang  verklarende 
beschrijving  dier  voorstellingen  te  geven. 

Bij  voorbaat  hem  daarvoor  dankbaar,  kan  ik  toch 
niet  nalaten  den  lezer  een  kort  verslag  aan  te  bieden 
van  hetgeen  tot  Kerstmis  van  het  vorig  jaar  weer  zicht- 
baar is  geworden. 

In  de  noorderdÜQsxs:  de  stamboom  van  Jesse.  Boven 
de  Moeder  Gods  met  het  Kindje  Jesus,  in  't  midden 
de  slapende  Jesse,  aan  de  beide  zijden  zes  figuren, 
waaronder  waarschijnlijk  David  met  koningskroon. 

In  de  ^z^zV/^rkoorafsluiting :  het  laatste  oordeel.  In  't 
eerste  vak  aan  de  noordzij  de  hemelpoort  en  aan  de 
zuidzij  de  hel ;  in  't  tweede  vak  Elias  in  de  wagen  met 
vurige  paarden  zijn  mantel  latende  vallen  op  Eliséus 
als  type  van  Christus,  die  ten  hemel  vaart. 

Waarschijnlijk  tengevolge  van  de  zonniger  ligging  is 
de  schildering  in  deze  zuiderabsis  beter  bewaard  en  het 


1)  Dit  Speculum  werd  als  Biblia  pauperum  reproduced  in  facsimile 
from  one  of  the  copies  in  the  British  Museum"  door  J.  Ph.  Berjeau 
uitgegeven  te  Londen  in  1859.  Zie:  Catalogus  van  de  handschriften 
en  boeken  v.  h.  Bissch.  Museum  te  Haarlem,  No.   1131. 


40I 

eikenhout  hier  iets  blanker  gebleken  dan  in  de  noorder- 
koorafsluiting. 

In  het  zuiderkoor  zijn  ook  blootgekomen  vrij  goed 
leesbare  latijnsche  opschriften,  in  fraaie  gothische  letters 
op  banderollen. 

In  de  gewelven  der  beide  beuken  zijn  al  de  tafereelen 
gevat  in  randen  van  gothische  boogjes,  die  distelachtige 
bloemen  verbinden ;  't  zijn  mooie  breede  ornamenten, 
die  veel  doen  denken  aan  verluchte  handschriften.  Op- 
merkelijk is,  dat  die  voorstellingen  in  de  beuken  eene 
liturgische  plaats  hebben,  d.  w.  z.  die  van  het  Oud 
Testament  zijn  geschilderd  op  het  zuidergewelf  en  dus 
aan  den  epistelkant  en  die  uit  het  Nieuw  Verbond  op 
het  noordergewelf,  aan  de  evangeliezijde.  Daarenboven 
zal  de  wél  onderrichte  beschouwer  opmerken,  dat  er 
een  goed  doordacht  verband  bestaat  tusschen  de  tegenover 
elkaar  ter  noorder-  en  ter  zuiderzijde  geplaatste  tafereelen, 
waarvan  enkele  voorbeelden : 

1.  Aan  de  epistelzijde :  de  drie  helden,  welke  het  water 
uit  Bethlehems  put  brengen  aan  David. 

Aan  de  evangeliezijde:  de  drie  koningen  door  het 
sterrelicht  geleid  naar  het  Kind  Jesus  te  Bethlchem, 
die  na  hun  thuiskomst  hunne  landgenooten  lesschcn 
met  het  aqua  vitae  der  Christelijke  waarheid  en  genade. 

2.  Aan    het    zuidergewelf:    de   troon   vermoedelijk    van 
Salomon,  tot  wien  de  Koningin  van  Saba  kwam. 

Aan  het  noordergewelf:  het  Goddelijk  Kind  aan- 
beden en  met  mystieke  gaven  gehuldigd  door  die 
Wijzen  („Omnes  de  Saba  venient  caet.") 

3.  Links:  de  droom  van  den  schenker  van  Pharao,  later 
in  eer  hersteld. 

Rechts :    Christus'    geboorte  ^)    in    den  Kerstnacht, 

i)  Dit  tafereel  heeft  veel  overeenkomst  met  .de  bekende  voorstelling 
van  Lucas  van  Leiden. 

26 


402 

schoener  dan  de  dagen,  waardoor  wordt  aangekondigd 
het  Hcht  der  genade  en  glorie. 

4.  Aan  de  epistelzijde :  David  en  Goliath. 

Aan    de    evangeliezijde :    Christus  door  den  duivel 
bekoord  in  de  woestijn. 

5.  Aan  het  zuidergewelf:  Samgar  verslaat  600  Philistijnen. 

Aan  het  noordergewelf :  Jesus  van  Nazareth  tegenover 
de  bende  dienst-  en  krijgsknechten  na  Judas'  verraad. 

6.  Links :  de  mannaregen  in  de  woestijn. 

Rechts  :  de  instelling  van  de  Allerheiligste  Eucharistie 
in  het  Cenakel. 
Tot    de    versiering  van  een  Godshuis  wordt  ook  niet 

weinig  bijgedragen  door  de  altaren.  Tot  mijn  spijt  heb 

ik    maar    twee    altaren    en  een  kapel,  naar  ik  vermoed, 

niet  zonder  altaar,  vermeld  gevonden : 

1°.  Een  altaar  „venerabilis  Sacramenti"  (misschien  het 
hoogaltaar  in  den  noorderbeuk).  Het  bezat  eene  vicarie, 
waaraan  vermaakt  was  „de  helft  van  IX»  morgen 
in  den  dorpe  van  Hem  onder  de  kerck,  een  koeweij 
sijnde  omtrent  een  1/3  morgen  bij  Enchuysen  en  aen 
renten  sjaers  6:0:0.  Van  deze  vicarie  was  in  1571 
Alard  Jacobsz.  van  Kuilenburg  de  bezitter  ^). 

2°.  Een  altaar  van  den  H.  Joannes  den  Dooper,  Aan 
de  vicarie  van  dit  altaar  was  vermaakt  „omtrent 
5  morgen  lants"  ^). 

3°.  De  kapel  van  het  H.  Kruis.  Ze  is  van  jongeren 
datum  dan  de  kerk,  waaraan  ze  rijzig  onder  twee 
kappen  naar  het  noorden,  dus  in  de  richting  naar 
de  Oude  Westerstraat  in  of  na  15 16  werd  aange- 
bouwd.   En  welke  was  de  aanleiding  tot  dezen  uit- 


1)  Bijdragen,  IX,  141,  waar  nog  hieromtrent  vermeld  wordt:  «Col- 
latrix  Amsterdamensis  de  sanguine  fundatoris,  sed  hic  D.  Alardus  Jacobi 
obtinuit  jure  devoluto."   Vgl.   t.  a.  pi.   XV,   65. 

2)  Bijdragen,  XV,  66. 


403 

bouw?    Volgens   de   z.g.  Divisie-Kronijk^)  had  een 
meisje  in  Noorwegen  na  het  ontvangen  der  Paasch- 
communie  gevomeerd  tegen  een  boom,  waaraan  later 
een  crucifix  was  gegroeid.  Dit  kruis  moet  overgebracht 
zijn    naar    Enkhuizen    in    de    St.-Pancraskerk,  waar 
het    bijzonder    vereerd    werd    en    die    vereering  zou 
bekroond  geworden  zijn  door  meerdere  wonderlijke 
genezingen,  ja  zelfs  moeten  in  Augustus   1 5 1 5  vele 
aanzienlijken  ter  eere  daaraan  milde  offergaven  hebben 
gestort.    Elders    heb    ik    dit   verhaal  niet  bevestigd 
gevonden,  doch  een  feit  is,  dat  de  Kruiskapel  kort 
hierna  is  gebouwd  en  dat  in  de  Acta  Capituli  Harle- 
niensis  van  8  Juli   1631^)  genotuleerd  staat:  „Lecta 
sunt    a    D.    Secretario    notata   quaedam  antiquitatis 
pro  Domino  Wolffio  [2en  pastoor  van  Enkhuizen  na 
de  hervorming  en  kanunnik]  de  Crucifixo  miraculoso, 
de  quo  Chronica  HolL,  Div.   32,  C.  45." 
Aan  het  slot  van  deze  schets  van  Oostelijk  Enkhuizen 
vóór  de  hervorming  geven  wij  de  biografische  bijzonder- 
heden,    welke     hier     en    daar    gevonden    zijn    over    de 
geestelijken,    die    daar    hebben  gearbeid.  Gelijk  reeds  is 
vermeld,    werd   de    Kerk  begeven  door  de  Hollandschc 
graven.   H.  v.  Rijn  3)  schrijft,  dat  er  geen  pastoorshuis 
was,    dat    de  pastoor  aan  vast  inkomen  jaarlijks  slechts 
4    rhijnsche    guldens    genoot,    doch    uit    manualia    nog 
51    rhijnsche  guldens  daarenboven  ontving  en  verplicht 
was   dagelijks    een  gelezen,  maar  op  Zon-  en  Heiligen- 
dagen   een    gezongen    H.    Mis   te  doen  en  op  sommige 
tijden    te    preeken.    Het    behoeft    niet    betoogd,  dat  die 
opgave  van  het  honorarium  betrekking  heeft  op  de  15de 


i)  De  Kronijk  van  Hollandt^  in  1 5 17  te  Leiden  gedrukt  bij  Jan  Severts, 
Div.  32,  bl.  433;  vgl.   G.   Brandt,  bl.   59. 

2)  Bijdragen^  III,   157. 

3)  T.  a.pl.,  bl.   361,   365. 


404 

of  i6de  eeuw,  want  in  den  vroegeren  tijd  moet  er  in 
Enkhuizen  een  zekere  Melchior  i)  gearbeid  hebben,  een 
echte  missionaris,  die  te  midden  van  zijne  visschende 
parochianen,  welke  nog  al  eens  door  hooge  watervloeden 
geteisterd  werden,  aanvankelijk  een  vrij  sober  bestaan 
had  en  nu  eens  bij  deze  dan  bij  gene  't  noenmaal 
genoot;  later,  toen  het  den  menschen  wat  beter  naar 
den  vleesche  ging  door  gelukkiger  vischvangst  —  de 
lezer  excuseere  de  contradictio  in  terminis !  —  zou  hij 
bij  de  meest  gegoeden  ook  het  avondmaal  hebben  ge- 
bruikt en  bij  gelegenheid  van  uitvaart,  maandstond  en 
jaargetij  van  lederen  overleden  parochiaan  genoten  hebben 
een  geheel  brood,  twee  pond  boter  en  eene  kanne  biers. 
Het  verhaal  komt  mij  wel  wat  onzeker  voor,  evenals  de 
opgegeven  tijd  van  zijn  leven,  welke  door  sommigen 
omstreeks  het  jaar  iioo  doch  door  anderen  vroeger  en 
weer  door  anderen  veel  later  bepaald  werd. 

Anno  1356  deed  zekere  Willem  Nanne  afstand  van 
zijne  geestelijke  bediening  —  welke,  wordt  niet  vermeld  — 
en  kreeg  daarin  tot  opvolger  Jan  Hert  2).  Ik  dien  hier 
bij  te  voegen,  dat  niet  buitengesloten  is  de  mogelijkheid, 
dat  deze  beide  geestelijken  verbonden  zijn  geweest  aan 
de  St.-Gommaruskerk  of  misschien  aan  een  ander  geestelijk 
instituut. 

Hendrik  Roelof sz.  is  in  of  vóór  1440  als  pastoor  der 
St.  Pancras  gestorven  en  in  genoemd  jaar  in  dat 
herderlijk  ambt  opgevolgd  door    Volkert  Jansz.  3). 

In  1442  wordt  genoemd  Jan  Thomasz.,  aan  wien 
hertog  Philips  op  19  December  de  Costerije  der  kerk 
vergaf  *). 

1)  G.  Brandt,     bl.   5. 

2)  By dragen,  II,   191. 

3)  T.a.  pi.  II,    191. 

4)  E.  V.   d.  Hoof,  bl.   28. 


405 

Anno  1505  was  of  werd  "pastoor Rtckard Reiniersz.^). 
Bij  de  z.g.  Informacie  van  15 14  gaf  hij  op,  toen 
omstreeks  36  jaren  oud  te  zijn  en  slechts  500  kommuni- 
kanten  te  hebben  ^).  Gelijk  ik  hierboven  heb  doen  op- 
merken, was  dus  toenmaals  het  St.-Pancraskarspel  veel 
kleiner  dan  Gommerskarspel,  'twelk  toen  omtrent 
1800  kommunikanten  telde. 

In  1526  was  Simon  Blaenhiilck  pastoor  en  maakte 
zich  verdienstelijk  bij  den  afbouw  van  den  Zuidertoren. 
Volgens  G.  Brandt  schonk  hij  reeds  in  1526  veel  geld 
daarvoor.  Toen  hij  later  ter  pelgrimstocht  naar  Jerusalem 
ging,  bezat  hij  nog  een  hof  aan  de  Oude  doelen  te 
Enkhuizen  en  eene  pretentie  op  het  Utrechtsch  Bisdom. 
De  man  had  bepaald  een  goed  hart,  want  vooraleer  te 
vertrekken  verkocht  hij  dien  hof  voor  ƒ300. — ,  maar 
onder  voorwaarde  dat  de  kooppenningen  slechts  behoefden 
gestort  te  worden,  indien  hij  van  zijn  reis  te  Enkhuizen 
zou  zijn  teruggekeerd.  Maar  op  de  terugreis  werd  hij  te 
Venetië  opgeroepen  naar  het  hemelsch  Jerusalem,  naar 
we  durven  vertrouwen,  en  wel  in  1532;  bij  laatste  wils- 
beschikking bestemde  hij  zijne  voornoemde  pretentie 
voor  de  koperbekleeding  der  torenspits  en  te  Venetië 
werd  zijn  graf  gedekt  met  een  steen,  waarop  gebeiteld 
waren  zijn  naam  en  zijn  standplaats  en  zijn  wapen. 

In  1541  bezat  Christiaan  Zeegers  een  beneficie  in 
de  St.  Pancras. 

In  1546  wordt  een  zekere  yi//«r/ als  beneficiaris  aldaar 
vermeld ;  misschien  is  hij  dezelfde  als  Alard  Jacobsz. 
van  Kuilenburg,  die  in  1571  de  vicarie  op  het  altaar 
„venerabilis    Sacramenti"  bezat  3).  In   1558  was  volgens 


1)  H.  V.  Rijn  schrijft  bl.  365  verkeerd:  R.  Reimerze. 

2)  Bijdragen,  II,   191. 

3)  Bijdragen,  IX,   141  ;   XV,  65. 


4o6 

Brandt  i),  zekere  Jan  pastoor  te  Enkhuizen  ;  dat  zal  dan 
wel  aan  de  St.-Pancras  geweest  zijn,  omdat  in  dat  jaar 
Corn.  Kooltuin  pastoor  der  St.-Gommaruskerk  was.  Over 
dezen  nieuwgezinden  priester  hopen  wij  later  te  handelen, 
maar  ook  pastoor  Jati  schijnt  niet  zuiver  van  nieuw- 
gezindheid  geweest  te  zijn.  Tenminste  hij  is  bij  den 
Bisschop  aangeklaagd  geworden  wegens  „het  bestraffen 
van  eenige  Pauselijke  doolingen".  Toen  hij  echter  ter 
verantwoording  gedaagd  was,  wist  de  Enkhuizer  burge- 
meester Jan  Albertz.  Groot  hem  te  Utrecht  persoonlijk 
zóó  te  verdedigen,  dat  de  dagvaarding  werd  ingetrokken  2), 

We  komen  nu  aan  het  jaar  1561  en  daarmee  aan 
den  ongelukkigen  pastoor  Andries  Dirksz.,  een  man  die 
ontzettend  veel  kwaad  in  Enkhuizen  heeft  gesticht,  nog 
meer  dan   Corn.  Kooltuin  in  Gommerskarspel. 

Vóór  1561  was  Andr.  Dirksz.  pastoor  te  Castricum, 
waar  St.  Pancras  ook  de  kerkpatroon  was.  Bij  zijn  vertrek 
uit  dit  landelijk  kerspel  liet  hij  zijn  reformatie-w^«/^/ 
achter  om  de  schouders  van  zijn  opvolger  aldaar 
Jan  Pietersz.  en  bracht  zijn  reformatie-^^^j-/  over  de 
roomschen  van  St.  Pancras  en  ongetwijfeld  ook  van 
St.  Gommarus  te  Enkhuizen.  Al  heel  gauw  werd  hij  na 
zijn  aankomst  alhier  als  'n  formeele  ijveraar  voor  de 
nieuwe  leer  aangeklaagd  bij  Rudof  Strackman,  den 
West-frieschen  deken,  die  hem  ter  verantwoording  naar 
Hoorn  ontbood  en  voorloopig  bij  zich  hield  in  verzekerde 
bewaring.    Met   behulp  van  eenige  zijner  geestverwante 


i)  T.  a.  pi.,  bl.  108,   109. 

2)  In  het  voorbijgaan  zij  vermeld,  dat  in  1559  op  den  2en  Maart  te 
Leuven  gestorven  is  een  groot  Enkhuizer,  nl.  Mr.  Ruard  Tapper, 
professor  aan  de  Leuvensche  hoogeschool,  inquisiteur-generaal  der 
Nederlanden,  van  wiens  leerlingen,  naar  men  zegt,  geen  enkele  van 
het  Geloof  is  afgevallen.  Hij  vermaakte  aan  de  armen  geheel  zijn  ver- 
mogen en  aan  de  bibliotheek  der  Universiteit  zijne  boeken,  die  vt^aar- 
schijnlijk  in   1914  ook  de  prooi  van  't  oorlogsvuur  zijn  geworden. 


407 

gemeentenaren  wist  hij  echter  op  'n  behendige  wijze  te 
ontvluchten  buiten  het  dekenaat  op  31  JuH  1561.  Hij 
bleef  daarbuiten  zeker  tot  13  December  1562,  en  pas 
na  25  Juli  1566  trad  hij  te  Enkhuizen  als  „predikant" 
op.  Wel  moest  hij  na  Alva's  komst  in  't  volgend  jaar 
aangeklaagd  om  een  toegediend  doopsel  zich  wat 
kalmeeren  en  zijn  eigen  moeder  Trijn  Jans,  ook  al 
meegesleept  in  de  dwaling,  bij  vonnis  van  14  April  1570 
in  ballingschap  zien  gaan,  doch,  nadat  Enkhuizen  op 
21  Mei  1572  de  partij  van  den  Zwijger  had  gekozen, 
werd  hij  een  der  voornaamste  verspreiders  van  de 
reformatie  in  en  buiten  de  stad.  Op  25  Juni  1590 
presideerde  hij  eene  synode  te  Hoorn  ;  bij  die  gelegenheid 
bleek  hij  „geschillig  met  de  gereformeerde  kercken, 
namelic  int  stuc  van  de  praedestinatie,  maar  heeft  den 
Synodo  genoechsaem  contentement  gedaen"  ^). 

Cornelis  Hendriksz.,  de  verbannen  pastoor  van  Kuinre 
vlak  aan  de  overzijde  der  Zuiderzee,  kende  den  afvalligen 
pastoor  van  St.  Pancras  allicht  van  jaren  her ;  zoo  niet, 
dan  heeft  de  rustelooze  missionaris  tijdens  zijn  arbeid 
in  Augustus  1595  te  Bovenkarspel,  misschien  ook  te 
Enkhuizen,  ongetwijfeld  veel  gehoord  van  diens  ergenissen. 
Hoe  het  ook  zij,  tot  tweemaal  toe  heeft  Cornelis  Hendriksz. 
per  brief  getracht  Andries  Dirksz.  van  het  dwaalpad 
terug  te  brengen ;  de  tweede  brief  werd  uit  Alkmaar 
verzonden  op  18  Juli  1596  en  is  te  vinden  in  de  2de  af- 
deeling  van  het  8ste  deel  der  geschreven  Sermonen  van 
pastoor  Hendriksz.,  die  bewaard  worden  in  de  parochiale 
bibliotheek  te  Limmen  2). 

Sinds  het  jaar  1572  is  de  St.-Pancraskerk  in  gebruik 
van    de    Nederl.     hervormden.     De     parochiekerk    van 


1)  Bijdragen,  XXI,    ii6. 

2)  Bijdragen,  XV,  459. 


4o8 

St.  Franciscus  Xaverius  te  Enkhuizen  is  in  't  bezit  van 
een  oud  kazuifel,  waarop  volgens  de  meening  van 
^'ig^-  J-  J-  Graaf  borduurwerk  uit  de  vijftiende  eeuw, 
o.  a.  de  geboorte  van  Christus  en  de  aanbidding  der 
drie  Magiërs ;  't  welk  in  leenbruik  is  afgestaan  aan  het 
Bisschoppelijk  Museum  te  Haarlem.  Wanneer  de  groote 
overeenkomst,  die  er  bestaat  tusschen  de  voorstelling 
van  Christus'  geboorte  op  de  gewelfschildering  en  die 
op  deze  kazuifel,  hiertoe  genoeg  grond  biedt,  dan  zou 
men  in  dit  grootendeels  goed  bewaard  en  kunstig  bor- 
duurwerk een  dierbaar  overblijfsel  kunnen  zien  van  den 
katholieken  eeredienst  in  de  aloude  St.-Pancras-  of 
Zuiderkerk  i). 

De  roomsche  vereering  van  den  jeugdigen  Martelaar 
Pancratius  zelven  was  omstreeks  1670  aan  het  herleven 
in  het  aan  Hem  toegewijd  statiekerkje  aan  het  Venedie, 
(eene  nu  gedempte  verbindingsgracht  tusschen  Dijk  en 
Oude  Westerstraat);  maar  stierf  ten  tweede  male,  toen 
de  pastoor  dier  statie  omtrent  1720  jansenist  werd.  Ze 
ontlook  echter  weer  in  frisch-jeugdige  kracht  140  jaren 
later,  toen  pastoor  Jacobus  Cornelis  va?i  '/  Rood  voor 
het  onderwijs  van  meisjes  onder  leiding  van  de  Reli- 
gieusen  der  Congregatie  van  O.  L.  Vrouw  te  Amersfoort 
het  Sint-Pancrasgesticht  opende.  Op  14  Augustus  19 12 
werd  de  vriendelijke  parochiekerk  te  Enkhuizen  verrijkt 
met  een  Reliek  ex  ossibus  en  op  5  Januari  1913  met 
een  beeld  (geschonken  door  den  Heer  P.  Koomen)  van 
St.  Pancratius.  Blij  en  dankbaar  weerklinkt  nu  weer  bij 
het  Lof,  dat  ingevolge  Bisschoppelijke  permissie  van 
13  September  19 12  wordt  gehouden  op  eiken  2en  Zondag 
der    maand    in    de   St.  Franciscus-Xaverius  het  lied  ter 


i)    De    Heer    C.    de    Vries    te    Amsterdam    verklaarde    in    1902  aan 
Pastoor  N.  Nieuwenhuizen,  dat  het  wel  een  waarde  van  ƒ  5000. —  heeft. 


409 

eere  van  den  aiouden  Patroon  van  Oostelijk-Enkhuizen 
vóór  de  hervorming : 

O  edele  Pancratius,  Patroon  der  Christenjeugd, 
Thans  schittrend  in  de  glorie,  verwerf  ons  uwe  deugd. 
Vraag  voor  de  Enkhuizer  kindren  uw  deugden  onverlet: 
Gehoorzaamheid  en  reinheid  en  godsvrucht  bij  't  gebed. 

II.   GOMMERSKARSPEL. 

Het  westelijk  deel  van  het  tegenwoordig  stadje  Enk- 
huizen  heette  vroeger  Gommerskarspel,  't  welk  zijn 
naam  ontleende  aan  den  Stichter  en  later  Patroonheilige 
van  Lier  bij  Antwerpen,  St.  Gummarus,  aan  Wien  de 
parochiekerk  van  dat  westelijk  gedeelte  was  toegewijd  i). 
Vóór  het  j.1,  bombardement  was  de  prachtige  laat- 
gothische  hoofdkerk  van  Lier  met  haren  kostbaren 
Reliekschrijn  onder  het  altaar  der  St.-Pieterskapel  niet 
alleen  een  geliefd  bedevaartsoord  maar  ook  de  glorie 
van  deze  stad  en  hare  omgeving.  Maar  niet  minder 
fier  waren  en  zijn  nóg  de  Enkhuizers  op  hun  Gommers- 
kerk,  ook  Westerkerk  geheeten.  Ze  dagteekent  evenals 
de  St.  Pancras-  oT  Zuiderkerk  uit  de  15de  eeuw,  en 
er  ging  ongeveer  100  jaar  overheen,  vooraleer  ze  haar 
tegenwoordige  grootte  had  verkregen  2).  De  stichting 
van  twee  dusdanige  tempels  c.  a.  in  een  stadje  van 
schier     2300    kommunikanten    getuigt    zeer    zeker    van 


i)  Als  'k  me  niet  vergis,  is  de  mooie  kerk  te  Steenbergen  nu  de 
eenigste  St.-Gommerskerk  in  ons  land. 

De  H,  Gummasus  was  omstreeks  het  jaar  700  te  Emblehem  ge- 
boren; door  den  Frankischen  koning  begeven  met  een  «heerlijken" 
titel  en  een  uitgestrekt  grondgebied,  bouwde  hij  thuis  uit  den  strijd 
tegen  de  Saracenen  teruggekeerd,  op  kleinen  afstand  van  Emblehem 
een  kerkje  ter  eere  van  de  H.H.  Petrus  en  Paulus  en  hiernaast  een 
klooster  voor  kanunniken,  welke  beide  reeds  in  800  de  kern  waren 
van  een  stadje,  't  welk  later  is  uitgegroeid  tot  de  stad  Lier.  Hij  stierf 
op  den   iien  October  waarschijnlijk  in  774. 

2)  G.  Brandt,  t.  a.  pi.,  bl.  24. 


4Ï0 

liefde  en  geloofskracht.  Merkwaardig  is  tevens,  dat  de 
bouw  van  onze  Westcrkerk  vrijwel  samenviel  met  dien 
van  de  St.  Gummarus  te  Lier,  waar  men  begon  in 
1377  en  eindigde  in    1517^). 

Onze  Gommerskerk,  natuurlijk  georiënteerd  evenals 
de  St.  Pancras,  heeft  drie  zeer  hooge  beuken,  van 
elkaar  gescheiden  door  twee  rijen  hooge  zuilen,  welke, 
bekroond  door  bladkapiteelen,  steunen  op  achthoekige 
basementen.  De  koorafsluiting  wordt  gevormd  door  drie 
zijden  van  een  achthoek  met  twee  achtzijdige  torentjes 
in  de  beide  hoekpunten. 

De  St.  Pancras  met  hare  twee  veel  lagere  kappen 
kreeg  sinds  1450  haren  monumentalen  toren  vóór  zich; 
de  luyden  van  St.  Gommert  maakten  het  plan  om 
boven  op  hun  kerk  een  hoogen  toren  te  zetten ;  de 
fundamenten  daarvoor  liggen  onder  de  middelste  kap, 
doch  de  omliggende  kloosters,  zegt  men  2),  hebben  dat 
belet.  Toen  nu  in  15 18  het  steenwerk  van  den  St.-Pancras- 
toren  werd  opgehaald  tot  den  eersten  omgang,  bouwden 
de  parochianen  van  Gommerskarspel  in  15 19  enkele 
meters  ten  oosten  van  den  middelbeuk  hunner  kerk 
een  houten  klokkehuis,  rustend  op  een  vierkanten  steenen 
onderbouw,  ongeveer  even  hoog  als  de  kappen,  't  welk 
naast  de  sierlijk-grootsche  afmetingen  van  het  kerkge- 
bouw een  ietwat  zonderling  voorkomen  heeft. 

Evenals  de  twee  torentjes  aan  oostelijke  koorapsis, 
is  de  doopkapel  aan  de  westzijde  der  kerk,  ten  zuiden 
van  den  ouden  ingang  in  het  middenschip,  achthoekig 
uitgebouwd. 


1)  Zoovele  merkwaardige  gebedsverhooringen  hadden  er  tijdens  dezen 
bouw  der  Liersche  kerk  plaats  —  de  notaris  Perre  vermeldt  er  niet 
minder  dan  65  alleen  op  het  jaar  I475  — >  ^^^  ^^  H.  Ridder  toen- 
maals de  Thaumaturg  der  Nederlanden  moet  zijn  genoemd. 

2)  G.  Brandi,  t.  a.  pi.,   bl.  24, 


411 

De  andere  aanbouwingen  ten  oosten  en  ten  zuiden 
dateeren  niet  uit  den  roomschen  tijd. 

Toen  de  eigenlijke  bouw  voltooid  was,  kwam  de 
versiering  van  de  kerk  aan  de  beurt.  In  1 5 1 5  werd  de 
zuidelijke  beuk  voorzien  van  thans  verdwenen  gebrande 
glazen,  een  geschenk  van  Dordrecht;  de  geschilderde 
glazen,  die  vroeger  den  noordelijken  beuk  sierden, 
werden  in  1522  gezet  ten  koste  van  Enkhuizer  gilden 
en  waren  vervaardigd  door  den  Delftschen  glasschilder 
David  Jorisz.,  die  volgens  Brandt  na  zijn  dood  te  Basel 
verbrand  is  om  zijn  vreemde  leer  en  handelwijze. 

In  1524  werd  de  kerk  verrijkt  met  het  „beroemde 
eikenhouten  koorhek,  dat  zeker  althans  in  sommige 
deelen  het  voortreffelijkste  houtsnijwerk  bevat,  't  welk 
de  i6de  eeuw  hier  te  lande  heeft  opgeleverd"  i).  Het 
bestaat  uit  6  vakken ;  de  paneelen  —  op  één  hiervan 
staat  het  zooeven  vermeld  jaartal  — ,  pilasters  en  friezen 
prijken  met  sierlijk  gecomponeerd  ornamentwerk ;  de 
6  bogen  boven  de  kolommen  bevatten  aan  de  naar  het 
volk  gekeerde  zijde  de  figuren  van  Mozes,  Jozue  en  de 
vier  Evangelisten. 

In  1549  kreeg  de  St.  Gommarus  het  groote  orgel  met 
zijn  mooi  front,  't  welk  na  de  laatste  belangrijke  restauratie 
nog  steeds  bij  de  gebruikelijke  zomerconcerten  een  bron 
is  van  heerlijk  kunstgenot  2). 

Het  kleine  orgel  is  8  jaren  jonger  en  nóg  enkele  jaren 
jonger,  dus  waarschijnlijk  dateerend  uit  het  pastoraat 
van  Mr.  Baltassar  Platander,  is  de  preekstoel,  die  evenals 
het  koorhek  uitmunt  door  kostbaar  snijwerk. 

In  het  westelijk  gedeelte  der  kerk  zijn  eenige  oude 
grafzerken  uit  het  midden  der   16de  eeuw,  waarvan  een 


1)  Van  Arkel  en  VVeisman,  Noordhollandsche  oudheden,  ie  stuk,  bl.  96. 

2)  D.   Brouwer,  bl.   28  en   29. 


412 

in    renaissance-vormen    bewerkt,    uit    het   jaar    1 546  ^). 

In  mijn  eerste  schets  heb  ik  gemeld,  dat,  toen  graaf 
Willem  V  in  1355  aan  de  „lieven  en  getrouwen  luyden 
van  Enchuysen  ende  van  Gommerskarspel"  tegelijk 
met  het  verlof  voor  een  jaarmarkt  van  14  dagen  poort- 
recht  verleende,  beide  karspelen  voortaan  met  den 
éénen  naam  van  „Vrijhede  van  Enchuysen"  moesten 
genoemd  worden  *).  Of  de  luyden  van  Gommerskarspel 
met  deze  laatste  bepaling  wel  gediend  waren,  betwijfel 
ik  zeer.  Zelfs  in  het  privilegie  van  Karel  V  uit  15 16 
vond  ik  o.  a.  distinctief  „ghesonden  van  S.  Gommert 
tot  Enchuysen"  ^).  Daarenboven,  ofschoon  het  oostelijk 
deel  der  stad  triumfantelijk  „Enchusa  potens  mari" 
mocht  heeten  en  die  zee  als  goudmijn  bezat  en  exploi- 
teerde, het  westelijk  gedeelte  beschouwde  zich  wellicht 
superieur  niet  alleen  door  den  welvarenden  landbouw» 
maar  ook  door  het  veel  grooter  aantal  kommunikanten 
van  hun  kerspel.  Vandaar  dat  eigenaardig  onderscheid, 
hetwelk,  naar  't  zeggen  van  ouderen,  vóór  'n  50  jaren 
nog  zeer  opmerkelijk  bestond  tusschen  „visschers"  en 
„burgers" ;  vandaar  ook  veel  vroeger  een  soort  van 
naijver  tusschen  beide  „heterogene  elementen",  een 
zeker  streven  om  elkaar  de  loef  af  te  steken,  waarvan 
men  de  sporen  ook  bij  het  bouwen  en  versieren  hunner 
kerken  niet  kan  ontkennen. 

Na  deze  beschrijving  van  den  uitwendigen  luister  van 
Gods  huis  in  Gommerskarspel  komt  als  van  zelf  de 
meer  inwendige  eeredienst  ter  behandeling. 

Over  de  vicarieën  heb  ik  tot  mijn  spijt  weinig  gevonden. 

Volgens    een  stuk  van  den  Deken  van  Westfriesland 


i)  D.   Brouwer,  t.  a.  pi.,  bl.  30. 

2)  E,  V.  d.  Hoof,  bl.  4  en   5. 

3)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.   123. 


413 

uit  't  jaar  1383^)  was  er  een  priesterpraebende,  waaraan 
eenige  perceelen  lands  besproken  waren.  Dit  zal  dan 
de  St.-Antho7nsv\c^x\Q  zijn,  welke  2)  begiftigd  was  met 
„anderhalf  morgen  en  nog  twee  stucken  lants  en  noch 
een  rietbroeck."  Vervolgens  was  er  een  altaar,  waaraan  ^) 
een  kapitaal  van  /  500  geschonken  was. 

Of  deze  beide  beneficies  onderscheiden  zijn  van  „in 
parochiali  ecclesia  D.  Gumari  vicaria,  cujus  professor 
quidam  juvenis  Enchusanus",  waarover  in  een  Visitatie- 
verslag van   1571  ^)  gewag  gemaakt  werd,  weet  ik  niet. 

Aan  de  Kosterij  was  vermaakt  de  opbrengst  van  het 
z.g.  „Kosterbon",  een  stuk  grond  ten  zuiden  van  de 
St.-Pancraskerk,  waarop  in  of  na  1458  het  Augustijnen- 
convent  is  gebouwd. 

Buiten  de  parochiekerk  hebben  er  twee  kapellen  ge- 
staan in  't  z.g.  Westeinde  (d.  i.  het  verlengde  van  de 
tegenwoordige  Nieuwe  Westerstraat  buiten  de  Koepoort). 
Thans  behoort  dat  Westeinde  burgerlijk  nog  steeds  tot 
Enkhuizen,  maar  kerkelijk  tot  Bovenkarspel.  Vroeger 
was  dat  zoo  niet.  Immers  reeds  in  1355  liep  blijkens 
het  voornoemd  handvest  van  Willem  V  „de  Vrijhedc 
van  Enchuysen"  en  dus  ook  het  eigenlijk  parochiegebied 
van  St.  Gummarus,  tot  aan  de  banna  van  Bovenkarspel 
en  omvatte  derhalve  geheel  het  Westeinde,  Later,  in 
15  14,  verklaarde  Jan  Barnaerts,  vice-cureyt  van  Boven- 
karspel 5),  dat  onder  zijne  800  kommunikanten  begrepen 
waren  100  van  het  Westeinde,  verspreid  over  30  haard- 
steden, die  bij  hem  parochieerden,  maar  rechtens  be- 
hoorden   tot    Sint    Gummarus,    welk    karspel    in    15 14 


\)  H.  V.   Rijn,  bl.  362. 

2)  Bijdragen,  XV,  bl.  66. 

3)  Bijdragen,  XV,  bl.  67. 

4)  T.  a.pl.  IX,  bl.   141. 

5)  Informatie  B,   bl.    107,   zie  Bijdragen,   Il   bl.    186,    187. 


414 

omtreeks  1800  kommunikanten  telde  en  waar  het 
institutiegeld  voor  den  Proost  van  't  Utrechtsch  dom- 
kapittel tweemaal  zoo  hoog  was  als  te  Bovenkarspel  i). 

Na  de  reformatie,  was  het  suburbium  Enchusae  sinds 
't  jaar  1617  aan  pastoor  yi .  df^  JVo/j^'s  her derVijke  zorgen 
toevertrouwd  ^).  Een  paar  jaren  later  kregen  we  in 
Enkhuizen  'n  soort  van  Westersch  schisma  te  aan- 
schouwen :  een  zekere  y.  de  Hoogh  tegen  de  VVolff!  maar 
zelfs  hier  ontmoeten  we  de  bepaling  en  nog  wel  van  de 
Nuntii  Morra  en  Severini  „de  Westenda  Enchusano 
pastoratui  [S.  Gommari]  annexa,  non  turbanda  per 
Strecanos."  Toen  de  storm  voorbij  was,  werd  gemeld, 
dat  Petrus  Poulrijck  sinds  1629  „sub  directione  Aug* 
Wo/J^üagit  in  'tWesteynde"  ^).  Daarna  heeft  het  Westeind 
zeker  tot  1721  een  afzonderlijken  pastoor  gehad,  geheel 
onafhankelijk,  naar  't  schijnt,  van  De  Wolffs  opvolgers  in 
linea  recta.  Van  17 16  tot  172 1  was  dat  Joannes  Schaeghen. 
Daar  deze  staat  op  de  lijsten  der  Refractarii  van  17 16 
en  1721,  wil  't  mij  voorkomen,  dat  onder  hem  de  trouwe 
Roomschen  zijn  gaan  kerken  in  Bovenkarspel  en  dat 
zóó  van  lieverlee  het  Westeind  en  Bovenkarspel  kerkelijk 
één  geworden  zijn. 

Na  deze  wel  wat  lange  uitweiding  komen  we  terug  op  de 
kapellen,  die  vóór  de  hervorming  stonden  in  het  West- 
einde. Hertog  Jan  III  van  Beieren  gaf  op  4  Augustus 
1422  *)  verlof  niet  alleen  aan  de  oostelijke  Enkhuizers  om 
hun  buitendijksche  St.-Pauluskerk  af  te  breken  en  eene 
nieuwe  kerk  binnendijks  [n.1.  nevens  de  oude  St.-Pancras- 
kapel]    te    bouwen,    maar    ook    aan  de  westelijke  Enk- 


1)  Bijdragen,  XXVI,  bl.   107. 

2)  Batavia  Sacra.hX.  449   en   450. 

3)  Bi/dragen,  dl.  XXXIII,  bl.  368  ;  hij  was  >introductus"  door  Z>^  IVolff 
en  ook  daar  woonachtig. 

4)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.  20. 


415 

huizers,  dus  de  luyden  van  Gommerskarspel,  om  aan 
het  Westeind  eene  flinke  kapel  te  bouwen,  die,  aan  de 
Noordzijde  daarvan  geplaatst,  aan  Sint  Jan,  volgens 
anderen  aan  Sint  Stephanus  i),  toegewijd  werd.  Op  Palm- 
zondag 1 5 1 2  in  de  asch  gelegd,  werd  ze  herbouwd 
in   1517. 

Volgens  aanteekeningen  van  Jan  Simonsz.  Blaeuhulk  ^) 
en  anderen  moet  er  een  tweede,  kleinere  kapel  gestaan 
hebben  aan  't  Westeinde  dichter  bij  de  stadspoort, 
doch  even  ver  als  vroeger  Golgotha  van  Jerusalem.  De 
vrome  voorbijgangers  plachten  daarin  voor  een  groot 
kruis  hun  gebed  te  storten ;  slechts  eenmaal  per  jaar 
werd  daarin  het  H.  Misoffer  opgedragen,  wanneer  nl.  de 
plechtige  ommegang  buiten  kwam.  In  1569  werden  er 
nog  3  openbare  processies  gehouden,  n.1.  op  de  2  eerste 
Zondagen  in  Augustus  en  op  den  Zondag  na  3  December  2). 
Of  de  kleine  kapel  toen  bezocht  werd,  bleek  me  niet. 
Het  schijnt  dat  een  van  beide  kapellen  na  de  alteratie 
hervormd  is  tot  school ;  ik  vond  tenminste  een  soort 
van  reglement,  in  1659  door  het  stedelijk  bestuur  ge- 
maakt voor  „'t  Capelle-school  in  't  Westeynd"  ■^). 

Of  er  behalve  op  voornoemde  drie  dagen  nog  plechtige 
Ommegang  gehouden  werd  op  of  bij  gelegenheid  van  den 
H.  Sacramentsdag.^  Wel  weten  we,  dat  in  de  St.  Gommarus 
op  dit  feest  een  preek  gehouden,  op  eiken  dag  van  het 
octaaf  een  Lof  gezongen  werd,  waarbij  de  3  Rectoren 
van  het  Caecilia-,  het  Clara-  en  het  Ursula-klooster  in 
koorkleed  assisteerden.  Cornelis  Laurensz.,  rector  van 
Sint  Clara,  schreef  omstreeks  1575,  dat  zijn  convent 
vóór    de    alteratie    den    predikant,  de  drie  voornoemde 


i)  G.  Brandt,  bl.  23. 

2)  G.  Brandt,  bl.    134. 

3)  E.  V.  d.   Hoof,  bl.  263. 


4i6 

assistenten  en  dengene  die  't  orgel  bespeelde  daarvoor 
placht  te  honoreeren,  alle  vijf  heeren  tezamen  met  de 
somma  van  XV  st.  ^). 

De  Batavia  sacra  weet  nog  te  melden '),  dat  de  Enk- 
huizers  vroeger,  ten  einde  de  Relieken  van  St.  Gummarus 
te  vereeren,  gewoon  waren  een  bedevaart  te  doen 
naar  Lier. 

Evenals  de  St.  Pancras  werd  ook  de  Westerkerk 
begeven  door  de  Graven  van  Holland  en  de  voor- 
gestelde geestelijken  kregen  hun  benoeming  van  den 
Proost  van  't  Utrechtsch  domkapittel,  die  in  Westfriesland 
alleen  niet  minder  dan  5  5  kerken  onder  zijn  jurisdictie  had  3). 

Nog  vond  ik  vermeld  *),  dat  er  geen  pastoorshuis  aan 
deze  kerk  behoorde,  dat  de  zekere  inkomsten  voor  den 
pastoor  10  rhijnsche  gulden  —  de  opbrengst  van  3  morgen 
land  —  per  jaar  bedroegen  en  daarenboven  van  zijn 
vice-cureyt  40  rhijnsche  gulden  per  jaar  in  casu  absentiae 
kon  vorderen.  En  toch  bedroeg,  gelijk  ik  reeds  schreef, 
het  institutiegeld  circa  1500  tweemaal  zooveel  als  te 
Bovenkarspel  ^). 

De  eerste  pastoor  van  St.  Gummarus  dien  ik  genoemd 
vond,  was  Hentius,  die  den  21  en  Augustus  1204  tien 
ponden  aan  de  abdij  van  Egmond  besprak. 

In  1355  was  pastoor  Liidolf  van  der  Meulen  6),  in 
de  Grafelijkheidsregisters  op  't  Haarlemsch  rijksarchief 
geheeten  L.  van  Molendin  '^). 


1)  Bijdragen,   XIX,  25. 

2)  T.  a.  pi.,  bl.  449. 

3)  H.  V.  Rijn,    t.  a.  pi.,    bl.  361;    Batavia  sacra  telt  er  ten  onrechte 
slechts  40. 

4)  H.  V.   Rijn,  t.  a.  pi.,   bl.   362. 

5)  Bijdragen,  XXVI,  bl.    107. 

6)  Bijdr.   II,  bl.    191. 

7)  Bijdr.  XXX,  bl.  338. 


417 

In  1358  werd  volgens  dezelfde  Registers  i)  Theodoricus 
de  Dobbe  als  kapelaan  voorgesteld. 

In    1383   bekleedde  Floris  Meijer  het  kostersambt  2). 

In  1427  en  1428  wordt  in  een  schepenbrief  en  in  een 
testament  genoemd  Jacob  Jacobsz.  Fabri  (Smit),  priester 
te  Enkhuizen  '^),  die  met  zijne  moeder  en  zijne  zuster 
verschillende  goederen  schonk  en  vermaakte  aan  het 
St.-Ursulaklooster  ten  zuiden  der  St.  Gummarus.  Of  hij 
ook  aan  deze  kerk  verbonden  was  ? 

In  1435  was  pastoor  Diderijk  van  Zaenden^  die  op 
Paaschavond  aan  St.  Ursula  verschillende  privilegies 
verleende.  Waarschijnlijk  dateert  uit  zijn  pastoraat  het 
handvest  van  hertog  Philips,  d.  3  October  1433,  waarbij 
meerdere  relaties  met  den  Deken  van  Hoorn  geregeld 
werden^);  en  misschien  het  handvest  van  145 1  over 
de  heimelijke  sponsalia  en  de  belastingen  op  te  brengen 
door  de  geestelijken  ^). 

In  15 14  was  Adriaan  Garbrajitsz.,  —  H.  v.  Rijn 
noemt  hem  verkeerdelijk  Ysbrandsz.  —  45  jaren  oud, 
reeds  circa  10  jaren  vice-cureyt  der  parochie,  die  toen 
omstreeks   1800  kommunikanten  telde*). 

Omtrent  1560  was  een  zekere  Lieuwe,  later  een  pro- 
pagandist der  nieuwe  leer,  vicaris  of  kapelaan. 

Thans  doemt  voor  ons  op  de  droevige  figuur  van 
pastoor  Cornelis  Cornelisz.  Kooltuin,  die  veel  onkruid 
in  zijn  parochie  heeft  gezaaid.  Eerlijkheidshalve  dient 
echter  te  worden  geconstateerd,  dat  de  groote  afval  in 
1572  in  beide  parochies  niet  alleen  aan  hare  beide 
ontrouwe  herders  te  wijten  is.  Reeds  vroeger  broeide 
het   in    Enkhuizen;    b.v.  al  in   1533  kwam  Jan  Beukels 


1)  Btjdr.  XXXI,  bl.  38. 

2)  H.  V.  Rijn,  bl.  362  en   370. 

3)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.  31. 

4)  Bijdragen,   II,  bl.    191. 

27 


418 

uit  Leiden  propaganda  maken  voor  Munster's  nieuw 
Jerusalem  ^) ;  de  Oude  doelen  waren  getuigen  van  bijeen- 
komsten van  Mennonisten ;  zekere  pastoor  Jan^  gelijk 
ik  in  de  eerste  schets  heb  verhaald,  meende  zich  geroepen 
tot  „het  bestraffen  van  eenige  Pauselijke  doolingen  -) ; 
vooral  het  onwaardig  gedrag  van  sommige  geestelijken 
in  het  dekenaat  schijnt  ergernis  gegeven  te  hebben 
aan  menigeen,  die  van  de  katholieke  Geloofsleer  slechts 
'n  zeer  oppervlakkige  of  haast  geen  kennis  had. 

Volgens  de  Batavia  sacra  ^)  begon  Kooltuin  in  1558 
het  katholiek  Geloof  te  bestrijden ;  dat  die  strijd  reeds 
vroeger  door  hem  aangevat  werd,  blijkt  uit  zijn  Brief 
aan   Timotheus,  waarover  hieronder  meer. 

Aanvankelijk  was  Kooltuin  verbonden  aan  de  St.Laurens 
te  Alkmaar,  waar  hij  in  155 1  als  lid  van  het  daar  be- 
staand Papengilde  werd  ingeschreven  ^).  Reeds  in  het 
eerste  jaar  van  zijn  priesterlijke  bediening  aldaar  was 
hij  nieuwgezind,  zoodat  hij  herhaaldelijk  ernstig  vermaand 
werd  door  Martinus  Duncanus.  Wanneer  Kooltuin  uit 
Alkmaar  naar  Enkhuizen  verplaatst  werd,  is  mij  niet 
gebleken,  doch  zeker  in  1558  was  hij  pastoor  van 
S.  Gommarus,  want  in  dit  jaar  werd  hij  wegens  zijne 
preeken  naar  den  Haag  ter  verantwoording  geroepen 
voor  den  inquisiteur  Mr.  Ruard  Tapper.  Ofschoon  hier 
van  13  kettersche  stellingen  aangeklaagd,  —  hij  schijnt 
„geluyterd"  te  hebben  '^)  —  weigerde  hij  te  antwoorden. 
Toch  veroordeelde  Tapper  hem  niet,  maar  vermaande 
hem  tot  terugkeer  naar  de  aloude  Moederkerk  onder 
ernstige  waarschuwing  tegen  relapsus.  Als  geboren 
Enkhuizer   schijnt  Tapper  invloed  gehad  te  hebben  op 


i)  Bijdragen,   XXI,  bl.   166. 

2)  G.  Brandt,  t.  a.  pi.,   109,   108. 

3)  BI.  449. 

4)  G.  Brandt,   bl.    III. 


419 

Kooltuin,  want,  ofschoon  niet  dadelijk,  staakte  hij  toch 
spoedig  zijne  preeken  en  na  eene  nieuwe  dagvaarding 
van  den  onder-inquisiteur  Franciscus  Sonnus  verliet  hij 
zijn  parochie  en  keerde  terug  naar  Alkmaar.  Na  korten 
tijd  werd  hij  hier  aan  de  St.-Laurenskerk  de  opvolger 
van  den  gestorven  pastoor  Laurens  Jacobsz.  Zas.  't  Was 
echter  van  korten  duur,  want  ook  hier  las  hij  geen  Mis 
en  reeds  na  twee  preeken  werd  hij  gesuspendeerd  door 
den  Vicaris  van  den  Utrecht,  vanwaar,  nog  altijd  in  't 
jaar  1558,  de  onder-inquisiteur  Nicolaas  de  Castro  naar 
Alkmaar  kwam. 

Kooltuin  vluchtte  nu  naar  Embden  met  ....  Geertruid 
van  Foreest ! !  Hier  publiceerde  de  oppervlakkige  man 
zijn  Evangelie  der  armen,  eene  uiteenzetting  van  zijne 
godsdienstige  opinies  met  z.g.  bewijzen  hiervoor,  vooraf- 
gegaan door  zijn  Brief  aan  Timotheus,  bij  wijze  van 
Voorrede,  gedateerd  12  Januari  1559^),  waarin  hij 
zijn  wedervaringen  in  1558  verhaalt  en  het  weigeren 
van  verantwoording,  zijn  vlucht  enz.  tracht  te  verdedigen. 
Te  Embden  werd  hij  predikant.  Genoemde  Geertr. 
van  Foreest,  die  hij  tot  vrouw  genomen  had,  werd  op 
25  April  1560  moeder  van  een  zoon;  het  kind  stierf 
25  Mei  d.a.v.  en  de  moeder  3  dagen  later  2)  ü  Hij  zorgde 
tevens,  dat  Holland  van  predikanten  werd  voorzien ;  zoo 
adviseerde  hij  zijn  vriend  Claes  Scheltus,  die  als  pastoor 
van  St.  Maarten  bij  Alkmaar  zes  kinderen  had,  een 
beroep  als  predikant  naar  Amsterdem  aan  te  nemen. 
We  ontmoeten  hem  later  te  Leeuwarden  en  predikend 
te  Alkmaar  ^),  ja  zelfs  te  Rotterdam,  ook  al  in  de 
St.    Laurens,    kort    nadat    hier    op    14    November   1572 


i)    Nauwelijks    een    maand    hierna,    nl.    op    7  Februari  werden  zijne 
goederen  te  Alkmaar  verbeurd  verklaard. 

2)  Bijdragen,  XXI,  bl.   168. 

3)  C.   IV.  Bruinvis,  Te  Alkmaar  in  den  Geuzentijd. 


420 

gebeeldstormd  was  ^),  maar  of  hij  ook  te  Enkhuizen 
terug  geweest  is  en  hoe  de  arme  man  gestorven  is, 
weet  ik  niet. 

Mr.  Baltassar  Platander  ^vas  zijn  opvolger  te  Enk- 
huizen  2)  en,  naar  ik  vermoed,  de  laatste  pastoor  van 
de  fiere  Sint  Gummarus. 

Men  was  hier  over  't  algemeen  nog  Roomsch  genoeg 
om  bijv.  in  't  jaar  1555  de  twee  oorlogschepen,  die 
toen  ter  bescherming  van  de  160  Enkhuizer  haring- 
buisen  werden  uitgerust,  „Sint  Gomer"  en  „Sint  Pancras" 
te  doopen ;  om  zelfs  in  1568  aan  de  Regulieren  van 
Onze  Lieve  Vrouw  ten  Nieuwlicht  te  Westerblokker, 
toen  een  langer  verblijf  in  hun  convent  wegens  het 
volk  van  Brederoo  ongeraden  scheen,  een  woonplaats 
binnen  Enkhuizen  aan  te  bieden  ^) ;  om,  zooals  boven 
reeds  verhaald  is*),  nog  in  1569,  tenminste  driemaal 
openbare  processie  te  houden. 

Intusschen  het  uitgestrooide  onkruid  schoot  omhoog, 
vlug  en  woest.  Op  7  December  1558  reeds  werd  Jan 
Buidelmaker  verbannen,  omdat  hij  Kooltuins  geschrift 
openlijk  te  koop  had  aangeboden.  Hetzelfde  wedervoer 
8  dagen  later  Frans  Wiggers  om  het  lezen  van  Menno 
Symonsz.  ^).  Medio  1561  nam  de  pastoor  van  de 
St.  Pancras  Andries  Dirksz.,  die  het  onkruid-zaaien 
van  zijn  vroegeren  ambtgenoot  had  overgenomen,  na 
uit  de  verzekerde  bewaring  bij  deken  Rud.  Strackman 
te  Hoorn  ontsnapt  te  zijn,  de  vlucht.  In  1566  op 
25  Juli  hield  Pieter  Cornelisz.  van  Alkmaar  voor 't  eerst 
een    openbare    predikatie    over    de    nieuwe    leer    achter 


1)  Bijdragen,  XIX,  bl.    175. 

2)  H.  V.  Rijn,  t.  a.  pi.,  bl.  365. 

3)  Bijdragen,  XXXIII,   437.  43«- 

4)  G.   Brandt,   t.  a.  pi.,   bl.    133,    134. 

5)  G.   Brandt,   t.  a.  pi.,   bl.    119. 


421 

Grootebroek  ook  voor  lui  van  Enkhuizen ;  sinds  dezen 
tijd  preekte  Kooltuins  vroegere  kapelaan  Lieuwe  het 
„suyvere  Evangelium"  op  het  z.g.  „Mullem"  buiten  de 
Noorderpoort  en  hervatte  de  inmiddels  teruggekeerde 
Andries  Dirksz.  zijn  aanvallen  op  't  oud  Geloofd).  Of- 
schoon de  Mater  van  het  St.-Ursulaklooster  in  1566 
met  het  oog  op  de  beeldstormerij  èn  nonnen  èn  papieren 
en  zich  zelve  in  veiligheid  bracht  2),  heb  ik  over  dat 
jaar  geen  sporen  van  die  verwoesting  in  de  beide  kerken 
ontdekt.  De  komst  van  Alva  in  't  volgend  jaar  bracht 
eenige  reactie,  ook  in  Enkhuizen ;  want  meerdere  nieuw- 
gezinden werden  gestraft,  hielden  zich  schuil  of  verlieten  de 
stad;  zelfs  de  moeder  van  pastoor  Andries  Dirksz.,  gelijk 
ik  reeds  schreef,  werd  op  14  April  1570  verbannen.  Maar 
toch  wist  zijn  evenknie,  de  predikant  Richard  Claesz. 
in  datzelfde  jaar  1570  met  Dirk  Sonoy  geheime  onder- 
handelingen aan  te  knoopen  om  Enkhuizen  van  Alva 
af  te  trekken  en  te  doen  overgaan  tot  de  partij  van 
Prins  Willem  den  Zwijger.  Toen  dit  laatste  plaats  greep 
op  21  Mei  1572  was  dan  ook  de  afval  van  het  katholiek 
Geloof  te  Enkhuizen  zóó  groot,  dat  niet  alleen  de 
St.  Pancras »)  maar  ook  de  grootsche  St.  Gommarus  *) 
den  hervormden  in  handen  vielen,  dat  Enkhuizers  op 
den  len  Juni  d.a.v.  in  De  Streek  „alle  kerken  gebroken 
en  vele  huizen  geplunderd  hebben",  gelijk  Bossu  reeds 


1)  G.  Brandt,  bl,   128. 

2)  H.  V.  Rijn,  bl.  369. 

3)  Zouden  toen  misschien  de  nu  open  nisjes  aan  de  buitenzijde  dezer 
kerk  van  de  beeldjes  zijn  beroofd? 

4)  Als  ge  door  het  in  1603  aangebouwd  zuiderportaal  deze  kerk 
binnentreedt,  kunt  ge  ter  gedachtenis  hieraan  het  op  twee  balken  in 
gulden  letteren  geschilderd  vers  lezen : 

Int  jaer  vijftienhondert  tseventigh  twee 
Is  door  Jehovae  crachtighe  hant 
't  Pausdom  verstooten  uit  dese  stee, 
De  ware  relygie  daerin  geplant. 


422 

den  volgenden  dag  aan  Alva  schreef,  en  zelfs  hun 
wandalisme  uitoefenden  te  Edam  i),  dat  Enkhuizen  werd 
uitgekozen  om  kort  hierna  5  Alkmaarsche  Minder- 
broeders ter  dood  te  brengen  en  dat  op  de  hier  6  Juli 
1573  gehouden  synode,  mede  door  toedoen  van  Richard 
Claesz.,  aan  5  nieuwgezindachtige  priesters  van  Tessel 
vrij  autocratisch  de  les  werd  gelezen  2). 

De  bezittingen  der  St.  Gomaruskerk  zullen  wel  behoord 
hebben  tot  de  geestelijke  goederen,  waarover  de  ge- 
deputeerden van  het  Noorderkwartier  op  12  Mei  1584 
hebben  besloten,  dat  Alkmaar,  Edam,  Monnikendam, 
Purmerend,  Hoorn,  Medemblik  en  Enkhuizen,  ze,  in 
zoover  ze  tot  dat  kwartier  behoorden,  onderling  maar 
zouden  verloten,  ten  einde  zich  schadeloos  te  stellen 
voor  de  oorlogsuitgaven,  en  elkaar  zouden  bijstaan  tegen 
alle  oppositie  van  de  Staten  van  Holland  en  anderen, 
welke  afspraak  contractueel  4  dagen  later  geteekend  werd^). 

Spoediger  dan  de  eeredienst  van  St.  Pancratius  her- 
leefde te  Enkhuizen  die  van  den  H.  Gummarus,  want, 
gelijk  boven  is  vermeld,  reeds  7  Juni  1619  gelast  de 
nuntius  Morra  „introducere  Alsium  [J.  de  Hoogh]  in 
pastoratum  S.  Gommari  Enchusae"  ^).  Doch  niet  J.  de 
Hoogh  werd,  maar  Atig:  de  Wolff  bleef  de  wettige 
herder  der  St.-Gommarusstatie  en  had  in  17 16  tot 
opvolger  Joatmes  Knotter,  onder  wien  de  statie  jansenist 
is  geworden.  Het  tegenwoordig  jansenisten-kerkje  aan 
de  Breedstraat  heet  nog  Gommaruskerkje.  De  roomsche 


1)  In  1565  had  de  Edammer  pastoor  Meyndert  II  van  Enkhuizen 
een  bezoek  gebracht  eerst  aan  zijn  geboortestad  en  daarna  ster  con- 
sultatie" aan  Brussel.  Zou  er  misschien  verband  bestaan  hebben  tusschen 
die  bezoeken  en  dat  wandalisme  te  Edam,  'twelk  voor  de  Enkhuizers 
nu  juist  niet   in   de   buurt  ligt? 

2)  Bijdragen,   VIII,  bl.  99;  XXXI,  bl.  85,  86 ;  XXXII,  bl.  459-463- 

3)  Bijdragen,   XXXIII,   bl.  432. 

4)  Bijdragen,   I,   bl.   329. 


423 

vereering  van  den  H.  Lierschen  Belijder  herleefde  ander- 
maal te  Enkhuizen  op  24  Juli  19 10,  toen  aan  diezelfde 
Breedstraat  schuins  tegenover  dat  kerkje  het  gebouw 
voor  R.  K.  Vereenigingen  aan  Hem  werd  toegewijd.  Op 
14  Augustus  19 12  werd  de  St.  Franciscus-Xaverius- 
parochiekerk  verrijkt  met  een  mooie  Reliek  en  op 
1 1  October  d.  a.  v.  met  een  kloek  beeld  van  den  ridder- 
lijken H.  Gummarus,  wiens  feest  nu  weer  jaarlijks  op 
1 1  October  wordt  gevierd  ^),  wiens  Lof  ingevolge  Bis- 
schoppelijke premissie  van  13  September  1912  maande- 
lijks op  den  3en  Zondag  wordt  gezongen,  waarbij  dank- 
baar het  blijde  lied  weerklinkt : 

Sint  Gommarus,  wij  vereeren  Uwe  grootheid  in  deez'  stond, 
Zooals  die  in  vroegre  eeuwen  in  Gods  huis  hier  werd  verkond. 

III.  Kloosters  vóór  de  hervorming, 

Enkhuizen  bezat  vóór  de  hervorming  drie  eigenlijke 
vrouwenkloosters,  een  beggijnhof  en  een  mannenklooster, 
welke  we  nu  achtereenvolgens  hopen  te  beschrijven. 

//<?/  Stni-  Ursulaklooster. 

Dit  convent,  ook  het  zuiderklooster  genoemt,  komt 
het  eerst  aan  de  beurt,  omdat  het  de  oudste  brieven  heeft. 

De  heer  G.  Schild  Jzn.,  gemeenteraadslid  te  Enk- 
huizen, heeft  in  Juli  1909  eene  brochure  „Het  Weeshuis" 
uitgegeven  om  te  bepleiten,  dat  het  tegenwoordig  z.g. 
gereformeerd  weeshuis  zijne  rijke  inkomsten  niet  uit- 
sluitend voor  enkele  Nederlandsch-kervormde  weezen 
behoort  te  besteden.  Deze  schets  moge  tevens  bewijzen, 


l)  Zie:  Missae  propriae  Sanctorum  Episc.  Buscoduc.  ad  il  October, 
waar  deze  Oratie  aangegeven  staat:  Deus,  Angelorum  decus  et  gaudium, 
Qui  gloriosum  nominis  Tui  Confessorem  Gummarum  signis  mirabilem 
demonstrasti,  propitiare  populo  supplicanti,  ut,  qui  Ejus  commemora- 
tionem   celebrat,   Ejus  sacro  interventu  salutaris  aeternae  portum  inveniat. 


424 

dat  de  helaas  later  vruchteloos  gebleken  pogingen  van 
den  niet-katholieken  schrijver  gerechtvaardigd  waren 
niet  alleen,  gelijk  hij  als  grond  aangeeft,  omdat  het 
zeker  tot  1780  als  een  dur£-erweeshu\s  werd  beschouwd, 
waarvoor  in  de  17de  eeuw  roomsch  geld  werd  gefun- 
deerd en  waarin  ook  roomsche  kinderen  werden  ver- 
pleegd, maar  ook  door  den  roomschen  oorsprong  en  het 
roomsch  grondgebied  en  de  roomsche  schenkingen  en 
legaten  van  en  aan  St.  Ursula  c.  a. 

Toen  de  Mater  van  dit  klooster  in  het  jaar  1566  de 
beeldstormerij  ontweek  ^),  heeft  ze  de  oude  stukken  van 
haar  gesticht,  in  een  houten  kist  gesloten,  ter  hand 
gesteld  aan  een  aanzienlijk  en  goed-katholiek  Enkhuizer, 
van  wien  ze  zijn  overgegaan  op  diens  erfgenamen. 
Dezen  bewaarden  de  kleine  kostbare  verzameling  met 
groote  zorg  en  lieten  de  stukken  afschrijven  omstreeks 
1700  door  Cornelis  van  Alkemade,  van  wien  H.  v.  Heussen 
schreef 2):  „Van  het  St.-Ursulaklooster  is  eene  nauw- 
keurige en  volledige  beschrijving  gemaakt  door  Cornelis 
van  Alkemade,  patriarum  rerum  apprime  studiosus." 
Waar  de  oorspronkelijke  stukken  gebleven  zijn,  is  mij 
niet  bekend  evenmin  als  de  „nauwkeurige  en  volledige 
beschrijving"  van  C.  v.  Alkemade.  Deze  schets  is  hoofd- 
zakelijk bewerkt  naar  de  kopie  der  oude  stukken,  welke 
bij  H.  V.  Rijn  1)  zijn  afgedrukt. 

Het  St. -Ursula  werd  voltooid  in  1420,  en  men  meent 
dat  reeds  in  1385  de  bouw  ervan  begonnen  is  3),  ter 
plaatse  waar  nu  het  fiere  en  mooie  „gereformeerde 
weeshuis"  staat.  Het  werd  ook  het  zuiderV\oo?X.&x  ge- 
noemd, omdat  het  ten  zuiden  van  de  Westerstraat  en 
dus  ook  van  de  St.-Gommaruskerk  stond,  in  tegenstelling 


i)  H.  V.  Rijn,  bl.   369  v.v. 

2)  Batavia  Sacra,  bl.  449. 

3)  G.   Brandt,   bl.   21. 


425 

met  het  ten  westen  dezer  kerk  gelegen  St.-Caecilia- 
convent,  dat  daarom  het  wesUrklooster  heette.  De  nonnen 
waren  Franciscanessen  van  de  reguliere  3de  Orde  van 
boetvaardigheid. 

De  oude  bescheiden  berichten  dat  er  in  142 1  een 
altaar  in  't  klooster  geplaatst  werd,  naar  ik  vermoed, 
in  eene  voorloopige  bedeplaats,  want  van  een  vasten 
rector  of  pater  wordt  eerst  in  143 1  melding  gemaakt. 
Op  den  8en  Maart  van  zooeven  genoemd  jaar  verleende 
Andries  van  Scorel,  proost  van  Westfriesland  aan 
alle  mannelijke  en  vrouwelijke  franciscanen  van  boet- 
vaardigheid verschillende  privilegies  in  zake  het  bezitten 
van  een  kapel  en  van  een  eigen  kerkhof  met  het  recht 
hierop  te  begraven,  het  kiezen  van  een  biechtvader, 
de  exemptie  ten  tijde  van  interdict,  het  aannemen  van 
een  biechtvader,  de  exemptie  ten  tijde  van  interdict, 
het  aannemen  van  eene  gestrengere  levenswijze  enz., 
doch  alles  met  inachtneming  van  het  Jus  Canonicum 
en  de  rechten  van  den  pastoor,  in  wiens  kerspel  het 
betrokken  klooster  gelegen  was.  Van  dit  algemeen 
privilegie  werd  op  verzoek  van  St.-Ursula's  rector  Jacob 
Jacobsz.  ten  bewijze  voor  zijn  kloostergemeente  in  het- 
zelfde jaar  143 1  een  afschrift  gemaakt  door  Hendrik 
Bruininx  en  aan  dit  stuk  is  eene  in  1437  door  Gysbert 
Rietvelt  opgestelde  confirmatie  gehecht. 

Het  schijnt  echter,  dat  de  pastoor  aanvankelijk 
niet  geneigd  was  het  nog  zoo  jeugdig  klooster  die 
privilegies  te  laten  genieten.  Want  pas  op  Paaschavond 
van  het  jaar  1435  verleende  Dideryk  van  Zaendem. 
pastoor  der  St.  Gommarus,  in  een  gezegeld  stuk  zijne 
goedkeuring,  dat  St.-Ursula,  een  eigen  biechtvader  mocht 
kiezen,  die  de  H.  Mis  opdragen,  preeken  en  de  H.  Sacra- 
menten toedienen  zou,  ten  nutte  niet  alleen  van  de 
nonnen    maar    ook    van    hare   vaste    kostgangsters,  dat 


426 

het  een  kapel  en  een  eigen  kerkhof  mocht  bezitten 
met  het  recht  hier  te  begraven  de  nonnen,  hare  vaste 
kostgangsters,  de  rectoren  en  hunne  huisgenooten,  doch 
niet  de  andere  parochianen ;  verder  werd  door  den 
pastoor  bepaald,  dat  het  convent  bij  elke  overtreding 
van  laatstgenoemde  beperking  binnen  30  dagen  na  de 
begravenis  aan  hem  betalen  moest  een  oude  schild  van 
goede  fransche  munt,  en  geëischt  als  jus  stolae  dat 
jaarlijks  binnen  het  octaaf  van  Paschen  4  loot  zuiver 
zilver  of  de  waarde  ervan  hem  zou  worden  voldaan. 

Nadat  nu  de  wederzijdsche  verhouding  tusschen  den 
parochiepastoor  en  de  kloostercommuniteit  geregeld  was, 
wijdde  op  18  September  van  hetzelfde  jaar  1435  Martinus, 
vicaris-generaal  van  den  bisschop  Walraven  van  Meurs, 
„met  toestemming  van  den  pastoor"  (zooals  uitdrukkelijk 
vermeld  werd  in  de  officieele  wijdingsoorkonde)  het 
altaar  in  de  kloosterkapel  ter  eere  van  S.  Ursula  met 
Gezellinnen,  Sint  Agnes  en  Sint  Catharina.  Hij  stelde 
het  anniversarium  dedicationis  op  den  len  Zondag  na 
S.  Lambertus,  bisschop  en  martelaar,  en  verleende  een 
aflaat  van  40  dagen  aan  al  degenen,  die  na  eene  rouw- 
moedige Biecht  op  dien  jaardag  of  op  eenige  andere 
(in  de  oorkonde  opgenoemde)  feesten  de  kapel  bezoeken 
of  het  klooster  begiftigen  zouden. 

En  vrome  vrienden  en  vriendinnen  hebben  Sint 
Ursula  dan  ook  begiftigd.  Zoo  gaf  Tade,  de  weduwe 
van  Dirk  Willemsz.,  een  huis  bij  schepenbrief  van 
St.-Anthonisdag  1427  en  op  St.-Catharinadag  d.a.v. 
werd  bij  schepenbrief  aan  het  klooster  geschonken  een 
huis  met  erf  gelegen  bij  de  Westerkerk  door  den  Enk- 
huizer  priester  Jacob  Jacobsz.  Fabri  (Smit),  diens  zuster 
Ebela  en  hun  beider  moeder ;  deze  3  laatstgenoemden 
vermaakten  daarenboven  aan  St.  Ursula  bij  testament 
voor    den   notaris   Aalbert    Volkertsz.    Smit  op  6  April 


427 

1428  verscheiden  goederen,  waaronder  twee  huizen  bij 
de  Zuiderkerk.  Eenigen  tijd  later  werd  een  gift  van 
44  rhijnsche  gulden  geschonken  door  Catharina  Laurensdr. 
en  hare  zuster  Agatha  en  hare  moeye  Wyna  te  Hailem  [?]. 
Uit  erkentelijkheid  hiervoor  werd  op  't  Octaaf  van 
H.-Sacramentsdag  1433  aan  de  weldoenster  schriftelijk 
beloofd  door  den  rector  Jacob  Jacobsz.  en  de  mater 
Ave  (Eva)  Volkertsdr.  bijzondere  gemeenschap  in  de 
goede  werken  der  conventualen  en  eene  wekelij ksche 
H.  Mis  voor  hare  drieën  en  hare  vrienden,  zoolang  het 
klooster  bestaan  zou. 

Uit  het  bovenstaande  blijkt,  dat  Jacob  Jacobsz.  zeker 
van    1431    tot    1433    rector   van  St.  Ursula  geweest  is. 

In  1440,  niet  in  1428  of  1430,  zooals  ^r^;/^/ schrijft  i), 
was  hij  opgevolgd  door  rector  Herman,  door  of  onder  wien 
in  1457  een  afzonderlijk  rectoraat  gebouwd  werd.  Dit  huis 
met  omgeving  kreeg  den  naam  van  Patershof  en  besloeg 
langzamerhand,  zich  uitstrekkend  van  de  Westerstraat 
tot  de  binnengracht  aan  den  Dijk,  het  terrein,  waarop 
nu  staan  de  vergader-  en  concertzaal  „de  Westfriesche 
Munt",  het  geheel-onthouders-kofifiehuis  en  logement  (met 
zijn  mooien,  hoogen  oud-hollandschen,  door  het  jaartal 
161 1  gemerkten  gevel),  het  gebouw  van  het  departement 
Enkhuizen  der  Mij.  tot  Nut  van  het  Algemeen  (in  den 
wandel  't  Zeekantoor  genoemd)  en  het  H.  B,  School- 
gebouw. Brandt  schrijft  1),  dat  de  deken  van  West- 
Friesland,  die  niet  altijd  te  Hoorn  woonde,  later  in 
het  patershof  meermalen  zijn  intrek  heeft  genomen, 
niet  alleen  wanneer  hij  kwam  zeenen,  bij  welke  ge- 
legenheid de  burgemeesters  bij  hem  te  gast  gingen  2), 
maar  ook  voor  langeren  tijd.  Op  2  Maart  1487  3)  stuurde 


1)  T.a.pl.,  bl.  21,  33. 

2)  Zie:   Oostelijk  Enkhuizen  vóór  de  hervorming,  bl.  394,  395. 

3)  Bijdragen,  XXVI,   101. 


428 

het  stadsbestuur  van  Enkhuizen  naar  het  Utrechtsch 
Domkapittel  eene  verdediging  van  deken  Jan  Jacobsz. 
tegenover  tegen  hem  ingebrachte  beschuldigingen ;  zou 
dit  niet  eenige  aanwijzing  bevatten,  dat  de  deken  zich 
als  metterwoon  gevestigd  had  in  het  patershof, 
't  welk  voor  rectorsverblijf  alleen  vrij  uitgestrekt  was? 
D.  Brouwer  i),  die  den  bouw  van  het  patershof  in  1467 
stelt,  zegt  (doch  te  exclusief),  dat  het  bestemd  was 
voor  den  dienst  van  den  deken  van  West-Friesland. 

Doch  meer  dan  door  het  stichten  of  het  helpen  stichten 
van  het  patershof  maakte  rector  Herman  zich  volgens 
Brandt  2)  verdienstelijk  door  het  bijleggen  van  geschillen 
en  het  herstellen  van  den  vrede,  waartoe  hij  een  bij- 
zonderen takt  had  en  waartoe  hij  vaak  te  hulp  ge- 
roepen werd. 

Het  convent  kreeg  in  verloop  van  tijd  zelfs  een  eigen 
brouwhuis,  want  in  een  keur  van  15 13  wordt  gewag 
gemaakt  van  het  rieten  dak  daarvan. 

De  rector  Diderijk  Claasz.  van  Zwolle  stichtte  bij 
notarieel  testament  van  9  November  1 5 1 8  vier  wekelijksche 
Missen,  te  weten  :  eene  voor  de  Overledenen  op  Maandag, 
eene  ter  eere  van  Sint  Anna  op  Dinsdag,  eene  ter  eere 
van  de  AUerh.  Drieëenheid  op  Woensdag  en  eene  ter 
eere  van  O.  L.  Vrouw  op  Zaterdag,  te  lezen  door  den 
tijdelijken  rector;  indien  echter  de  aangegeven  Intentie 
door  de  Rubrieken  werd  verboden,  dan  moest  er  in  de 
Mis  eene  commemoratie  daarvan  gehouden  worden. 
Daartoe  legateerde  hij  216  gulden  aan  het  klooster  onder 
beding  dat  de  rector,  mits  hij  de  Intenties  getrouw 
celebreerde,  jaarlijks  een  stipendium  van  12  gulden  zou 
ontvangen.  Dit  legaat  werd  schriftelijk  geaccepteerd  door 


1)  Gids   van   Enkhuizen,   bl.   32. 

2)  T.  a.  pL,   bl.   21. 


429 

de  mater  Grietje  Pietersdr.  en  de  procuratrix  Geertje 
Dirksdr.  en  op  14  November  1520  bekrachtigd  door 
den  Proost  van  Westfriesland. 

In  1531  was  deze  edelmoedige  Stichter  overleden  of 
verplaatst,  want  toen  fungeerde  Jacob  Burchertsz.  als 
rector,  terwijl  Cornelia  Arentsdr.  mater  en  Debora 
Simonsdr.  procuratrix  was. 

In  155 1,  —  dus  waarschijnlijk  onder  het  bestuur  van 
Renesse  W e stp haling  ^),  die  tenminste  in  1550  mater  van 
St.  Ursula  was  —  werd  een  weeshuis  gesticht  ten  oosten 
van  de  kloostergebouwen  en  vlak  hiernaast,  op  de  plaats 
waar  nu  oostelijk  van  het  „gereformeerd  weeshuis"  het 
merkwaardig  gebouw  staat,  dat  inwendig  ingericht  is 
tot  wasch-  en  drooggelegenheid  ten  dienste  van  het 
weeshuis,  en  waarvan  de  gevel  in  1905/06  opgetrokken 
is  uit  het  gebeeldhouwd  materiaal  en  eene  allertrouwste 
kopie  is  van  den  gevel  van  het  oude  armenweeshuis. 

Boven  hebben  wij  reeds  vermeld,  dat  in  1566  de 
Overste  van  St.  Ursula  niet  alleen  hare  nonnen  maar 
ook  de  oude  bescheiden  van  haar  klooster  in  veiligheid 
heeft  gebracht. 

In  1572  hield  de  Zwijger  eenige  dagen  zijn  verblijf 
in  het  Patershof,  'twelk  sinds  dien  tijd  Prinsenhof  ge- 
noemd werd,  zooals  nu  nog  de  zuidoostelijke  verbinding 
van  Dijk  en  Westerstraat  daarachter  officieel  Prinsenstraat 
(in  den  wandel  Tabakstraat)  en  eene  naburige  gracht 
Prinsengracht  (in  den  wandel  Hoornsche  veer)  wordt 
genoemd. 

De  Zwijger  had  27  Maart  1573  besloten  2):  „Noopende 
de  landen  ende  goeden  der  [Enhuizer]  kloosters  is  zijne 
Excellentie    tevreden,    dat    dezelfde    onder   bewaarnisse 


1)  De    familie    Westphaling    of  Westphalen    was  uit  Enkhuizen ;  zie 
Bijdragen,  XV,  408;  XVIII,    162  en  XIX,   20  v.v. 

2)  G.  Brandt,  t.  a.  pi.,  bl.    193. 


430 

endc  administratie  van  goede,  ghetrouvve  en  bequame 
persoenen  beheert  ende  naar  goeddunken  van  burge- 
meesters ende  regeerders  der  stede  van  Enkhuisen  ver- 
deylt  worden  onder  den  armen,  als  gasthuyse,  weeshuyse, 
provenhuyse,  huyssitten  ende  diergelijcke  arme  huysen, 
mits  dat  die  conventualen  van  behoorlijcke  woonplaetse, 
alimentatie  ende  betamelijcke  onderhoudt  voorsien  worden, 
soolange  die  in  leven  sullen  wesen." 

Spoedig  hierna  werden  ook  de  eigenlijke  klooster- 
gebouwen  van  St.  Ursula  door  het  stadsbestuur  bestemd 
tot  huisvesting  en  verpleging  van  „schamele  arme  Wees- 
kinderen", voorloopig  alleen  Enkhuizers  beneden  de 
lo  jaar^),  dus  tot  ^z^r^^^weeshuis. 

Overeenkomstig  die  bestemming  werden  tijdens  de 
17de  en  de  i8de  eeuw  daarin  dus  ook  roomsche  kinderen 
verpleegd,  echter  niet  altijd  ten  voordeele  van  hunne 
ziel,  b.v.  uit  de  Vroedschapsnotulen  van  't  jaar  165 1 
blijkt,  dat  er  geklaagd  was  over  een  apotheker  te 
Enkhuizen,  omdat  hij  een  weesmeisje  van  roomsche 
ouders,  bij  hem  uitbesteed  op  kosten  van  het  weeshuis, 
niet  voldoende  opvoedde  in  de  gereformeerde  religie.  En 
toch  had  bij  't  begin  der  17de  eeuw  een  roomsch 
Enkhuizer  aan  dat  weeshuis  een  fonds  vermaakt,  'twelk 
in  1665  ter  beschikking  werd  gesteld  door  2  roomschen, 
die  het  als  belast  met  vruchtgebruik  tot  laatstgenoemd 
jaar  onder  hun  beheer  hadden  gehouden. 

In  1780^)  werd  er  te  Enkhuizen  andermaal  en  in 
1863  door  pastoor  Jacobus  Cornelis  van  't  Rood  voor 
de  derde  maal  een  roomsch  weeshuis  geopend,  maar 
zonder  blijvenden  duur.  Ik  eindig  deze  schets  met  de 
hoop    uit    te   spreken,   dat    Gods  zegen  een  duurzamen 


\)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.    176,    177. 

2)  Zie :   G.  Schild  Jzn.,  Het  Weeshuis. 


431 

bloei  moge  schenken  aan  het  op  St.-Nicolaasdag  191  o 
te  Enkhuizen  voor  de  vierde  maal  begonnen  liefdewerk : 
de  verpleging  van  R.K.  arme  oudelieden  en  weesmeisjes, 
welke  sinds  den  len  September  1913  door  de  Eerw.  Zusters 
der  Amersfoortsche  Congregatie  van  O.  L.  Vrouw  (die 
zich  aldaar  reeds  sinds  i  September  1854  wijden  aan  het 
onderwijs  in  het  St.-Pancrasgesticht)  geheel  belangeloos 
behartigd  wordt  in  het  St.-Nicolaasgesticht  aan  de  Oude 
doelen,  'twelk  zeer  bescheiden  grenst  aan  het  ruim 
grondgebied  van  het  voormalig  St.-Ursulaklooster. 

Ten  slotte  een  lijstje  van  de  rectoren,  maters  en 
procuratricen  van  St.  Ursula,  wier  namen  in  deze  schets 
voorkomen : 

Rectoren:  Maters:  Procuratricen: 

Jacobjacobsz.  1431,1433.  Ave  (Eva)  Volkertsdr.  1433.      Geertje  Dirksdr.  1518. 

Herman.  1440, 1457.  Grietje  Pietersdr.  1518.      DeboraSinionsdr.1531. 

Diderijk  Claasz.  Cornelia  Arentsdr.  1531. 

V.  Zwolle.  1518.  Renesse  Westphaling.  1550. 

JacobBurchertsz.    1531. 

Het  Sint-Claraklooster. 
Voor  het  bewerken  van  de  geschiedkundige  schets 
van  dit  klooster  waren  van  belang  de  aanteekeningen 
van  den  laatsten  rector  van  dit  convent  Cornelis  Laurensz., 
welke  door  de  onvermoeide  zorgen  van  den  Alkmaarschen 
gemeente-archivaris,  den  Heer  C.  W.  Bruinvis,  werden 
afgedrukt  in  deze  Bijdragen,  dl.  XIX,  bl.  21 — 27.  Die 
aanteekeningen  zijn  hoofdzakelijk  eene  opgave  van  het- 
geen hij  als  Rector  te  doen  had,  n.1.  welke  Intenties 
wekelijks  gelezen,  welke  Memories  jaarlijks  gehouden 
en  op  welke  feestdagen  de  zeven  getijden  voor  de 
communiteit  in  de  kapel  gebeden  moesten  worden  als- 
ook eene  opgave  van  de  honoraria  voor  den  Rector  ^). 


l)  Ze  zijn,  helaas  niet  voltooid,  in  een  boekje  van  16  bladz.  klein  8" 
geschreven  in  of  na  Mei  1582.  Dit  boekje  is  in  handen  gekomen  van 
de    katholieke    Familie    Westphalen    te    Enkhuizen.    Op    het    eind    der 


432 

Het  St.-Claraklooster  lag  ten  oosten  van  de  St.-Gum- 
maruskerk  en  aan  de  noordzijde  van  de  Oude  Wester- 
straat, dus  vlak  tegenover  het  klooster  van  Sint  Ursula 
en  Gezellinnen.  De  bouw,  in  144 1  begonnen,  was  24 
jaren  later  voltooid  i)  en  het  klooster  werd  betrokken 
door  Clarissen  '^),  terwijl  hare  zuidelijke  overburen  slechts 
Tertiarissen   de  Poenitentia  van  Sint  Franciscus  waren. 

De  kloosterkapel,  aan  den  H.  Eucherius  toegewijd, 
was  waarschijnlijk  ook  in   1465  voltooid. 

Het  convent  der  arme  Clarissen  heeft  vele  weldoeners 
gehad.  Dit  blijkt  niet  alleen  uit  de  hieronder  volgende 
fundatoren  maar  ook  uit  het  terrein,  'twelk  langzamer- 
hand door  de  kloostergebouwen  werd  ingenomen,  'twelk 
zich  n.1.  uitstrekt  oostelijk  van  het  St.-Gummarus- 
klokkehuis  tot  en  met  de  plaats,  waarop  vóór  eenige 
jaren  twee  heerehuizen  ten  oosten  van  het  gebouw  voor 
gymnastiek  en  rijksnormaallessen  gezet  zijn  en  noordelijk 
van  de  Westerstraat  tot  de  Driebanen.  B.  Brouwer^) 
beweert  dat  de  kapel  gestaan  heeft  op  de  plaats  der 
beide  heerenhuizen ;  alleen  het  gebouw  voor  gymnastiek 
enz.,  'twelk  in  de  i8de  eeuw  de  turf/^é-rX' heette,  en 'twelk 
niet  alleen  georiënteerd  is  maar  ook  nog  een  soort  van 
absis  heeft,  herinnert  nog  eenigszins  aan  hetgeen  hier 
sinds  lang  verdwenen  is. 

Gelijk  rector  C.  Laurensz.  aanteekende,  waren  er  wel 
8  wekelijksche  Missen  gefundeerd,  n.1. 


17de  eeuw  was  het  in  bezit  van  den  advocaat  Adriaan  Westphalen  te 
Alkmaar,  die  er  eene  door  het  verbleeken  van  den  inkt  bijna  onleesbare 
superscriptie,  eene  goede  bewaring  aanbevelend  en  eindigend  salcmarie 
1683  en  1694''  opzette.  Nu  schijnt  het  eigendom  te  zijn  van  den  Heer 
C.  W,  Bruinvis. 

1)  H.  V.  Rijn,  bl.  368. 

2)  Zie     het     H.     S.    over    de    Franciskanen    in    de    Nederlandsche 
Provincie,  Bijdragen,   XX,  bl.    183. 

3)  Gids  voor  Enkhuizen,   bl.   35. 


433 

voor  den  Zondag  door  Allert  Allertsz.  en  echtgenoote 
en  een  tweede  H.  Mis  door  Freeck  Oriaertsz. ; 

voor  den  Maandag  door  Vrouwe  [waarsch.  Veronica] 
Arentsdr.,  in  of  even  vóór   1563; 

voor  den  Dinsdag  door  Heer  Victor  en  Duue  Arentsdr. ; 

voor  den  Woensdag  door  een(e)  onbekende; 

voor  den  Donderdag  door  Albert  Albertsz.  en  zijne 
echtg.  Vrouwe  Arentsdr. ; 

voor  den  Vrijdag  2  H.  Missen  door  onbekenden, 

en  op  een  (niet  gedetermineerden)  dag  per  week  door 
de  geprofeste  zuster  Diewer  Jans  te  Haarlem. 

Behalve  deze  fundatoren  behoorden  ook  tot  de  wel- 
doeners, van  Sint  Clara,  van  welke  in  den  loop  des 
jaars  „Memorie"  gehouden  werd,  de  families  Tapper 
en  Westphalen,  [Eduarda  stierf  daarin  an°  1571  en 
Renesse  was  in  1550  mater  van  St.  Ursula  aan  de 
overzijde],  Mr.  Frederik  Pietersz.  en  Mr.  Jan  Maertsz., 
pastoor  Ysbrand  Hendriksz.  van  Coldo  (?)  en  familie, 
de  rector  Mr.  Jacob  Dirksz.  van  Edani^  Jan  Outgersz. 
en  echtg.  Dieu  Jans  en  haar  zuster  Teet  Folkertsdr., 
Riewert  Claesz.  en  familie,  Harme  Pietersz.  en  echt- 
genoote, Freek  Dirksz.  en  familie,  Zeger  Albertsz., 
Mr.  Ysbrant  Albertsz.  en  zijn  broeder  Mr.  Albert  Albertsz. 
Langwambis,  de  vroegere  rector  Gerrit  Frederiksz.  Crab, 
de  Alkmaarsche  rector  Simon  Dirksz.  Pax  van  Enk- 
huizen  met  zijne  ouders,  Pieter  Pietersz.  Cruyfif,  die 
400  gulden  aan  het  convent  legateerde  en  eindelijk  Aefje 
Baniaert,  huisvrouw  van  Adriaen  Jansz.  Westphalen,  die 
in  1562  dertig  k.  gulden  [jaarlijks  ongeveer  36  st.  los- 
renten  doende]  gaf,  om  op  4  Maart  jaarlijks  memorie 
te  houden  van  haar  en  haar  man  alsook  van  Nanning 
Tapper  en  echtgenoote  Freeck  en  dezer  kinderen  Mr. 
Ruart,  Frans,  Margriet  en  Barbara. 

Er    bestond    in    Sint    Clara    het   gebruik    dat   op  23 

28 


434 

„hoichtijts"-dagen  in  het  jaar,  waartoe  natuurlijk  de 
feestdagen  van  St.  Clara,  St.  Franciscus  en  St.  Gummarus 
(ii  October)  behoorden,  „den  seven  ghetijden  inder 
kercken  voor  den  ghemeente  vander  pater  gelesen 
werden,  beginnende  met  den  eersten  vesper."  Aardig 
is  het  na  deze  aanteekening  bij  rector  Corn.  Laurensz. 
te  lezen,  dat  op  „S.  Claren  en  Sinte  Franciscus  dagen 
aen  des  paters  tafel  wordt  beweesen  den  beleefth.  ende 
dancbaerh.  van  het  convent  nae  der  ouersten  goet- 
duncken"  i). 

Natuurlijk  zal  het  in  de  refter  der  nonnen  op  die 
feesten  ook  wel  beter  dan  gewoonlijk  geweest  zijn.  Het 
schijnt  dat,  ondanks  al  de  bovenopgesomde  fundaties 
en  weldoeners,  de  spijs  der  Clarissen  gewoonlijk  sober 
was ;  want  de  jaarlijksche  renten  van  36  st.  ongeveer, 
door  Aefje  Baniaert  gelegateerd,  moesten  hoofdzakelijk 
dienen  om  op  den  Memoriedag  de  nonnen  te  onthalen 
op  „witte  brood". 

Een  tweede  gebruik  was,  dat  St.  Clara  niet  alleen 
aan  de  5  priesters,  die  op  H. -Sacramentsdag  en  ge- 
durende het  Octaaf  hiervan  in  de  St.-Gummaruskcrk 
officieerden  een  honorarium  aanbood  "),  maar  ook  aan 
de  (gewoonlijk  7,  waaronder  steeds  de  3  rectoren  der 
„drie  susteren  conventen  tenchuysen")  priesters,  die 
„tsamen  geroepen  werden  tot  der  vigiliën"  omstreeks 
St.-Paulus-bekeering  in  het  St.-Claraklooster  (waarop 
de  memorie  van  pastoor  Ysbrant  Hendriksz.  van  Coldo  (i*) 
en  familie  gehouden  werd),  omstreeks  de  Vigilie  van 
St.  Jacob  in  het  St.-Ursulaklooster  en  omstreeks  Alle- 
heiligen  in  het  St.-Caeciliaconvent.  Telkens  werden  dan 
den  officiant  „daert  office  wert  gedaen"  3  st.  en  aan  de 
andere  priesters  2  st.  aangeboden. 

i)  Bijdragen,  XXI,  bl.   27. 

2)  Zie  de  schels:   Gommerskarspel,  bl.  415,  416. 


435 

Dat  de  rectoren  van  St.  Clara  Minderbroeders-Obser- 
vanten waren  volgt  uit  het  bovengenoemd  H.  S.  ^): 
„Fuit  coenobium  Clarissarum  Primae  Regulae  Enchusae 
sub  patrum  nostrorum  directione."  Als  rectoren  vond 
ik  vermeld : 

Gerrit  Fredericsz.  Crab,  Noorman  bijgenaamd  door 
Adr.  Westphalen,  die  hem  noemt  als  medestichter  van 
eene  vicarie  in  de  Alkmaarsche  Sint  Laurens  op  2 1  Sep- 
tember 1430  2).  Is  dit  zoo,  dan  zal  hij  de  eerste  rector 
geweest  zijn.  Uit  zijn  rectoraat  dateeren  de  annotaties 
van  2  gefundeerde  Missen  in  het  nog  in  1572  aanwezig 
„gheschreven  missael  boeck". 

Gerrit  Volkertsz.,  die  vermeld  wordt  als  boedelredder 
van  een  rector  van  St.  Ursula  zonder  jaartal  ^). 

Mr.  Jacob  Dirksz.  van  Edam  in  1 5  . .  .  Van  hem  werd 
in  St.  Clara  omstreeks  9  Februari  memorie  gehouden 
„met  vier  keersen". 

Mr.  Cornelis  Laurensz.,  die  reeds  in  1 563  als  zoodanig 
in  functie  was.  Na  de  alteratie  van  zijn  klooster  in  1572 
bleef  hij  in  of  bij  Enkhuizen  tot  1582,  in  welk  jaar 
„sijn  ick  uytlandich  geworden  inde  meymaent",  gelijk 
hij  zelf  bericht  in  zijne  Aanteekeningen  ^). 

De  kloostergebouwen  zelve  werden  door  de  stedelijke 
regeering  bestemd  tot  een  oude-mannen-  en  vrouwen- 
huis, dus  misschien  het  provenhuis,  waarvoor  de 
ordonnantie  van  3  Juli  1581  gegeven  werd*)  en  de 
kapel  werd  gedegradeerd  tot  gevangenis  ^).  In  18 10  werd 


1)  Bijdragen,  XX,  bl.   183;  vgl.  XXXI,  bl.   10. 

2)  Bijdragen,  XVIII,  bl.  398. 

3)  Bijdragen,  XIX,  bl,  20,   27. 

4)  E.  V.  d.  Boof,  bl.  190. 

5)  In  den  Atlas  van  Noordholland  op  het  provinciaal  archief  te 
Haarlem  worden  bewaard  teekeningen,  in  Üostindische  inkt  gemaakt 
door  Jac.  Stellingwerf  (die  van  1724  tot  1756  vele  dergelijke  teekeningen 
vervaardigde),    niet    alleen    van    het  St.-Ursula-  en  het  St.-Claraklooster, 


436 

het  tegelijk  met  het  oude  armengasthuis,  het  leprozen- 
huis  en  de  twee  weeshuizen  gecombineerd  onder  een 
gemeenschappelijk  bestuur  tot  een  algemeen  instituut 
„Wees-  en  armenhuis". 

Het  St. -  Caeciliaklooster  i) . 

In  tegenstelling  met  het  St.-Ursulaklooster,  dat  ten 
zuiden  der  parochiekerk  gelegen  was,  werd  St.  Caecilia, 
dat  ten  westen  en  noordwesten  daarvan  stond,  het 
w^j/^;'klooster  geheeten. 

Evenals  voor  St.  Clara,  zijn  ook  voor  dit  klooster 
de  jaren  144 1  en  1465  de  datums  van  het  begin  en 
de  voltooiing  van  den  bouw  geweest.  Langzamerhand 
besloegen  de  gebouwen  het  terrein,  dat  nu  ingenomen 
wordt  door  de  kostelooze  openbare  school  voor  lager 
onderwijs  met  omgeving  ten  oosten  en  ten  noorden  tot 
de  Driebanen  toe ;  de  nonnen  2)  verheugden  zich  in  het 
bezit  van  een  met  riet  gedekte  kapel,  waarop  zelfs  een 
torentje  met  een  uurwerk  geplaatst  werd,  doch  dat 
naderhand  een  prooi  der  vlammen  is  geworden  ^).  Brandt 
vermeldt  dat  deze  kapel  stond  vlak  naast  het  ziekenhuis, 
waaruit  ik  opmaak  dat  de  conventualen  zich  wijdden 
aan  de  verpleging  der  kranken. 

Uit  een  akkoord  tusschen  burgemeesters  en  het  convent 
van  12  Januari   1560^)  weten  we,  dat  men  toen  nog  in 


maar  ook  van  de  drie  hierna  beschreven  conventen  en,  naar  't  schijnt, 
het  Termijnshuis  der  Minnebroers,  zooals  ze  zich  vertoonden  in  het 
jaar   1590, 

Deze  opgave  werd  mij  verstrekt  door  de  behulpzaamheid  van  den 
Archivaris  C.  J.  Gonnet. 

i)    Hoofdzakelijk  geput   uit    G.   Brandt,  Historie   enz. 

2)  H.   V.  Rijn,   t,  a.  pi.,   bl.   368. 

3)  Nog  in  15 13  had  het  klooster  een  rieten  dak,  gelijk  blijkt  uit 
een  keur  van  dat  jaar. 

4)  E.  V.  d.  Hoof,  t.  a.  pi,   bl.  80. 


437 

het  klooster  aan  het  bouwen  was;  dat  akkoord  is 
hierom  ook  merkwaardig,  omdat  ons  daaruit  blijkt, 
dat  een  gedeelte  der  kloostergebouwen  aan  de  zuidzijde 
slechts  door  een  steeg  van  de  St.-Gommaruskerk  ge- 
scheiden waren  en  dat  in  genoemd  jaar  Hessel  Robbrechtz, 
rector  en  Teetmoer  Gerritsdr.  mater  van  het  klooster  was. 

Na  de  alteratie  bestemde  het  stedelijk  bestuur  de 
gebouwen  tot  bayard  of  leprozen-  en  zieken-  of  pesthuis, 
welke  beide  inrichtingen  volgens  de  platte-grondteekening 
der  stad  bij  G.  Brandt  door  een  straat  gescheiden  waren. 
Doch  reeds  in  1587  had  het  reeds  een  ordonnantie^) 
gemaakt  „waernae  alle  krancke,  desolate  ende  miserabele 
persoonen,  die  in  het  pesthiiys  komen,  haer  zullen  hebben 
te  reguleeren,  opdat  de  goede  ordre  in  't  selve  Godts- 
huys  mach  werden  onderhouden",  uit  de  bepalingen 
waarvan  blijkt,  dat  de  pokkenlijders  en  de  melaatschen 
niet  hierin  werden  opgenomen ;  ze  hoorden  trouwens 
thuis  in  de  bayard  of  het  leprozenhuis,  dat  pas  na  16 10 
geopend  werd  2). 

Het  Beggijnhof. 

G.  Bratidt  ^)  verhaalt,  dat  er  te  Enkhuizen  ook  een 
beggijnhof  en  een  St.  Agnesklooster  geweest  is.  Htigo 
van  Rijn  *)  weet,  dat  St.  Agnes  gesticht  werd  in  't  jaar 
15 15,  en  eerstgenoemde  vermeldt  nog  5),  dat  in  1398 
de  „Wethouders  seker  begijnhof  met  d'  ingesetenen 
vandien  in  hunne  bescherminge  naemen",  en  dat  in 
't  St. -Agnesklooster  eenige  Enkhuizer  meisjes  zich 
wijdden  aan  het  afgezonderd  leven.  D.  Brouwer  ^)  schrijft, 


i)  E.  V.  d.  Hoof,  t.  a.  pi.,  bl.    192, 

2)  S.   Centen^  Vervolg  der  historie  van  Enkhuizen,  Hoorn  1747,  bl,  2. 

3)  T.  a.  pi.,  bl.  60. 

4)  Bl.  369. 

5)  T.  a.  pi.,  bl.    18,  60. 

6)  Gids  van  Enkhuizen,  bl.  34. 


438 

dat  dit  gesticht  gelegen  was  ten  westen  van  het  St.-Ursula- 
klooster  i)  en  elke  bezoeker  van  Enkhuizen  kan  't  op  het 
straatnaambordje  lezen,  dat  nu  nog  de  verbinding  van 
de  Oude  Westerstraat  rechtsstreeks  zuidelijk  met  den 
Dijk,  westelijk  van  't  vroeger  St.-Ursulaklooster,  Beggijn- 
straat  heet. 

Van  den  anderen  kant  schreef,  gelijk  wij  vroeger 
hebben  vermeld,  de  laatste  rector  van  het  St.-Clara- 
klooster  in  of  na  1582,  dat  in  zijn  klooster  bij  zekere 
gelegenheid  eenige  priesters  „tsamen  geroepen  werden 
met  die  drie  paters  der  drie  susterenconventett  tenchuysen^' 
en  dat  „die  drie  paters  alle  dagen  [in  't  Octaaf  van 
H.-Sacramentsdag]  int  lofif  van  Sinte  Gummaruskerk 
kwamen." 

Gelet  op  deze  gegevens,  dunkt  mij  het  volgende  als 
het  meest  waarschijnlijke:  In  of  even  voor  1398  zal 
ter  plaatse  grenzend  aan  de  huidige  Beggijnstraat  een 
convict  van  Enkhuizer  meisjes,  die  zonder  eigenlijke 
geloften  af  te  leggen  God  beter  wilden  dienen  in  zekere 
afzondering  van  de  wereld,  gesticht  zijn.  Misschien  is 
dit  wel  't  werk  geweest  van  Paulus  van  Enkhuizen, 
van  wien  Willem  Voncken,  zijn  tijdgenoot,  getuigde  2), 
dat  hij  omstreeks  1390  te  Enkhuizen  op  de  prediking 
van  Mr.  Geert  Groete  van  zijn  geest  bezield  en  door 
zijn  ijver  ontstoken  de  maagden  tot  het  kloosterlijk 
leven  gebracht  of  haar  bestuurd  heeft  als  rector  van 
eene  Windesheimsche  Congregatie.  In  15 15  zal  dan 
voor  de  beggijntjes  een  nieuw  domicilie  onder  de  be- 
scherming van  St.  Agnes  gesticht  zijn.  In  dit  vermoeden 
word    ik    versterkt   doordat    Brandt^)    nog   meldt   dat, 


i)  Ook     Stellingwerf    teekende    een    St.-Agnesklooster    volgens    den 
toestand  van    1590. 

2)  Bijdragen,  XXV,   267,  268. 

3)  T.  a.  pi.,  bl.   284. 


439 

terwijl  de  kloosters  van  S.  Ursula,  S.  Clara  en  S.  Caecilia 
na  1572  gestichten  bleven,  het  z.g.  S.-Agnesklooster 
veranderd  werd  in  gewone  woonhuizen,  iets  wat  zich 
van  een  beggijnhof  bestaande  uit  naast  elkaar  liggende 
kamers  of  huisjes  zeer  goed  laat  begrijpen. 

Hei  Augustijnenklooster . 

Het  vraagt  de  aandacht,  dat  er  in  Gommerskarspel 
wel  3  vrouwenkloosters  en  een  beggijnhof  waren,  terwijl 
Oostelij k-Enkhuizen  slechts  één  convent  en  wel  voor 
mannelijke  religieusen  bezat.  Dit  Augustijnenklooster 
stond  op  het  terrein,  dat  nu,  begrensd  door  Zuider- 
kerkplein, Drie  groene  eikels,  Kreupeltje,  Vrijdom  en 
Meidemarkt,  in  den  wandel  „'t  Bosch"  genoemd  wordt.  De 
kapel  of  kleine  kerk  liep  evenwijdig  met  de  St.-Pancras- 
kerk,  was  hiervan  slechts  door  het  kerkplein  en  het 
kerkhof  gescheiden  en  had  een  ingang  aan  de  oostzijde, 
zoodat  de  bewoners  van  den  Havendijk  door  een  hierop 
uitloopend  dwarsstraatje  zeer  spoedig  het  kloosterkerkje 
konden  bezoeken. 

Htigo  van  Rijn  1)  meent,  dat  't  een  klooster  der 
Franciskanen  was,  doch  ten  onrechte.  De  Minderbroeders- 
observanten hadden  in  Enkhuizen  het  Rectoraat  van 
het  St.-Claraklooster ;  daarenboven  hadden  die  van 
Alkmaar  een  z.g.  Termijnshuis,  n.1.  een  woning  waarin 
de  paters,  die  bij  hooge  feesten  enz.  in  de  parochie- 
kerken kwamen  assisteeren  door  preeken,  biechthooren 
enz.  tijdelijk  hun  intrek  namen-).  Reeds  lang  vóór  1506 
kwamen  de  Alkmaarsche  Franciskanen  te  Enkhuizen 
de  passie  preeken.  —  In  't  voorbijgaan  wijs  ik  op  de 
tragische  omstandigheid,  dat  Daniël  van  Arendonck  en 
zijne  4  Gezellen,  in   1572  te  Enkhuizen  om  't  H.  Geloof 


1)  BI.  368. 

2)  Bijdragen,  XXXI,   i68. 


440 

ter  dood  gebracht,  Alkmaarsche  Franciskanen  waren ; 
zóó  is  's  werelds  loon !  —  Dat  preeken  enz.  gebeurde 
met  verlof  van  de  kerkmeesters,  maar  had  niet  de 
volle  sympathie  van  de  Enkhuizer  paters  noch  van  het 
stedelijk  bestuur.  De  Observanten  beklaagden  zich  nu 
bij  het  Domkapittel  te  Utrecht,  onder  de  jurisdictie 
waarvan  Enkhuizen  behoorde,  dat  zij  van  den  kant  èn 
van  de  „Augustijnen  residerende  binnen  Enchuysen" 
èn  van  het  stadsbestuur  „empeschement  of  behindert- 
heyt"  ondervonden  in  hun  „sinds  onheuglijke  tijden" 
dateerend  termijnrecht.  Doch  het  stadsbestuur  antwoordde 
daarop  den  i8en  Maart  1506  aan  het  kapittel,  dat  er 
vroeger  ook  wel  andere  paters  de  passie  kwamen  preeken, 
dat  de  Observanten  slechts  uit  gunst  mochten  komen 
maar  nimmer  \.^xxmy!\^recht  hadden  gehad  en  dat  het 
meer  genegenheid  voor  de  eigen  dan  voor  vreemde 
paters  koesterde  1). 

Uit  dit  antwoord  blijkt  genoeg,  dat  H.  v.  Rijn  zich 
vergist  heeft  en  de  Enkhuizer  paters  van  de  Orde  van 
St.  Atigustinus  waren. 

Het  klooster  werd  gesticht  in  het  jaar  1458  3).  Toen 
tenminste  gaf  het  stadsbestuur  aan  br.  Dirk  van  Schoorl 
van  de  3de  Orde  en  br.  Pieter  van  Avenhorn  verlof, 
zich  te  Enkhuizen  te  vestigen  op  deze  voorwaarden : 
1°.  zij  mochten  niet  meer  dan  4  in  getal  zijn;  2°.  zij 
moesten  in  eigen  onderhoud  voorzien  door  boekbinden 
of  perkament-maken ;  in  geval  van  nood  echter  mochten 
ze  tweemaal  per  week  hun  brood  gaan  bedelen; 
3°.  zij  zouden  zich  verplichten  in  tijd  van  pest  de  zieken, 
die  zulks  begeerden,  te  verzorgen  en  de  dooden  te  be- 
graven en  4°.  zonder  tegenweer  zouden  ze  uit  Enkhuizen 


i)  Bijdragen,  XVIII,  318—320,  426. 
2)   G.   Brandt,  t.  a.  pi.,   bl.   33. 


441 

moeten  vertrekken,  indien  zij  „teenigen  tijde  quaedt 
huis  hielden  ofte  de  stadt  niet  wilden  waeren." 

De  heeren  waren  niet  gemakkelijk  en  leken  wat 
pessimistisch ! 

Hoe  het  zij,  na  deze  voorwaarden  voor  zich  en  hunne 
opvolgers  schriftelijk  te  hebben  aangenomen,  kregen  zij 
een  stuk  grond  vlak  bij  de  St.-Pancraskerk,  „het  koster- 
bon", 'twelk  toebehoorde  aan  de  kosterij  der  Westerkerk, 
om  daarop  een  klooster  voor  zich  te  bouwen. 

Uit  de  opgesomde  toelatingsvoorwaarden  zou  men 
m.i.  moeten  opmaken,  dat  de  eerste  bewoners  van  dit 
convent  slechts  geestelijke  broeders  waren.  Doch  50  jaar 
later  waren  er  zeker  priesters  onder,  want  in  1 506  worden 
de  Augustijnen  door  het  stadsbestuur  geprezen  —  het 
pessimisme  was  geheel  verdwenen  !  —  als  „goede  devote 
mannen  ende  daer  ons  stede  van  goddelijcken  diensten 
dagelijcx  seer  of  gedient  werd".  Ze  hadden  het  toen 
echter  niet  breed,  want  achter  die  lofprijzing  volgt : 
„ende  die  00c  van  grooten  noode  hebben  hulpe  ende 
bijstant  van  goeden  menschen,  want  sij  niet  en  hebben 
dan  men  hemluyden  om  Godswillen  geeft"  ^).  Hieruit 
schijnt  te  volgen,  dat  het  convent  geen  vruchtdragende 
goederen  bezat  bij  het  begin  der  i6de  eeuw.  Ook  in 
1520  lijkt  de  economie  niet  rooskleuriger  geworden  te 
zijn,  want  volgens  G.  Brandt")  had  paus  Leo  X  aan 
het  convent  het  privilegie  verleend,  dat  zij  die  het  door 
een  aalmoes  bijstonden  een  aflaat  konden  verdienen ; 
een  dergelijk  voorrecht  had  het  St.-Ursulaklooster  reeds 
op  18  September  1435,  kort  na  de  stichting  ervan,  van 
den  Utrechtschen  Vicaris  Martinus  ontvangen. 

Het    is   spijtig,    dat   zoo  weinig  over  de  geschiedenis 


i)  Bijdragen,  XVIII,  319. 
2)  T.  a.  pi.,  bl.  65. 


442 

van  dit  Augustijnenklooster  voor  't  nageslacht  is  bewaard 
gebleven. 

De  eenige  pater,  dien  ik  met  naam  vermeld  vond,  is 
br.  Jati  van  Mechelen  in  't  jaar  1506,  die  het  boven- 
aangehaald  bescheid  van  de  „goede  stede  van  Enchuysen" 
moest  brengen  en  mondeling  toelichten  bij  het  Utrechtsch 
Domkapittel. 

G.  Brandt^),  die  in  zijne  „Historie  van  Enkhuysen" 
voortdurend  blijken  geeft  van  vooroordeel  ten  opzichte 
van  roomsche  personen,  zaken  en  toestanden,  beschuldigt 
de  Augustijnen  omstreeks  1565  van  dronkenschap.  Als 
bewijs  voor  deze  aantijging  haalt  hij  tiiet  de  Aanteeke- 
ningen  aan  van  Jan  Simonsz.  Blaeuhulck  of  Marten 
Pietersz,  Proost,  maar  —  zonder  een  bron  te  noemen  — 
omdat  „men"  toen  dit  rijmpje  op  hen  toepastte: 

De  monniken  in  't  monnikenconvent 
Die  waeren  tot  sterken  drank  gewent. 
Sij  hadden  drie  groote  kannen. 
Die  hadden  naemen  als  mannen: 
De  eene  hiete  Huigemondt, 
De  tweede  hiete  Maekeblij, 
De  derde  hiete  Drinkom. 

Na  1572  werden  de  kloostergebouwen  natuurlijk  ge- 
annexeerd. In  1602  of  1603  werden  ze  bestemd  tot 
aalmoezeniers-  en  nieuwe  armenweeshuis,  waarin  Enk- 
huizer  weezen  boven  10  jaar  en  vreemde  weezen  zouden 
worden  opgenomen,  terwijl  in  1646  de  vanouds  zoo 
genoemde  „monnikenkerk"  ten  dienste  van  de  Nederl. 
hervormden  gegeven  werd  en  den  naam  kreeg  van 
„kleine  kerk". 

In  18 10  werden  de  weeskinderen  overgebracht  naar  het 
oude  armenweeshuis  ('t  voormalig  St.-Ursulaklooster  ca.) 
en  nadat  in   18 19  de  gebouwen  tegelijk  met  de  „kleine 


I)  T.  a.  pi.,  bl.  129. 


443 

kerk"  gesloopt  waren,  werd  het  hierdoor  open  komend 
terrein  beplant  met  boomen,  vanwaar  de  nog  steeds 
gebruikelijke  benaming  van  „'t  Bosch". 

IV.  Andere  geestelijke  stichtingen 
VÓÓR  de  hervorming. 

Nadat  we  de  beide  Parochiekerken  en  de  kloosters 
hebben  geschetst,  blijft  nog  over  te  vermelden  hetgeen 
we  hier  en  daar  gevonden  hebben  over  de  school  en 
het  gasthuis  te  Enkhuizen  in  den  roomschen  tijd. 

De  School. 

Het  oudste  bericht  over  „die  scole  tot  Enchuysen" 
vond  ik  in  de  Gravelijkheidsregisters  van  het  Haarlemsch 
Rijksarchief!),  die  op  het  jaar  1422  vermelden,  dat 
Klaas  van  der  Stege,  pastoor  te  Rotterdam,  van  die 
scholasterije  afstand  deed  ten  behoef  e  van  zijn  neef 
Albrecht  van  der  Stege. 

Het  begeven  van  het  schoolrectoraat  was  waarschijnlijk 
toen  reeds  in  handen  van  Willem  Legrain,  doch  zeker 
in  1436;  in  dit  jaar  toch  deed  Philips  van  Bourgondië 
bij  manifest  van  28  Augustus  2)  het  coUatierecht  van 
kosterij,  scholasterij,  kerkambacht  en  eene  vicarie  in 
het  gasthuis  overgaan  van  genoemden  Willem  op  de 
stedelijke  regeering,  omdat  deze  beter  in  staat  was 
geschikte  personen  daarvoor  uit  te  kiezen. 

Behalve  de  beide  van  der  Stegen  ontmoette  ik  nog 
als  schoolmeesters  ^) : 

in  1550  Mr.  Crispinus  Arendonck  en  Mr.  Reinier 
Reiniersz.  van  Stavoren,  toen  benoemd  tot  rector  en 
onder-meester ; 


1)  Bijdragen,  XXXI,  64. 

2)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.  25. 

3)  G.   Brandt,  bl.  95,    124,   286. 


444 

in  1562  Mr.  Gerbrandt  Cloeting,  die  23  Januari  werd 
aangesteld  op  een  jaarwedde  van  150  gulden  doch  verplicht 
werd    twee   ondermeesters   op    eigen   kosten  te  houden. 

Het  schoolgebouw  stond  in  de  Oude  Westerstraat 
zuidzijde,  niet  verre  van  de  St.-Pancraskerk  en  trok 
nog  in  1650  de  aandacht  door  oudheid  en  aanzienlijkheid. 

Het  Gasthuis. 
Aan  den  oostkant  van  de  Breedstraat,  een  weinig 
ten  zuiden  van  de  hierop  uitloopende  Oude  Westerstraat, 
ziet  gij  het  Snouck-van-Loosengebouw  voor  hervormd- 
godsdienstonderwijs,  waarvan  de  boogruimten  boven  de 
drie  ramen  gevuld  zijn  met  in  zandsteen  uitgevoerd 
relief  beeldwerk,  dat  het  geloof,  de  hoop  en  de  liefde 
voorstelt.  Op  of  omstreeks  de  plaats  van  dit  gebouw  stond 
vroeger  het  oude  gasthuis,  't  welk  volgens  G.  Brandt  ^) 
tusschen  de  jaren  1394  en  1396  gesticht  werd  voor 
zieken  en  arme  vreemdelingen-).  Reeds  in  1397  gaf 
hertog  Albrecht  bij  handvest  van  17  Maart  3)  „die 
Wage  binnen  Enchuysen  mit  alre  nutschap  ende  profijt 
dat  daer  of  komen  sal,  die  op  te  boeren  jaerlijcks  van 
de  Gasthuysmeisters  totten  armen  luyden  behoef."  Zeer 
spoedig  had  het  liefdegesticht  een  eigen  kapel  en  blijkens 
een  manifest  van  hertog  Philips  ^)  was  daarin  vóór  1436 
eene  vicarie  gesticht,  welke  volgens  H.  van  Rijn 
St.  Andries  was    toegewijd. 


i)  T.  a.  pi.,  bl.    17. 

2)  Niet  te  verwarren  met  het  verblijf  voor  niet-arme  vreemdelingen 
in  de  stadsherbergen  ;  in  1527  werden  er  aan  den  Dijk  nieuwe  gebouwd, 
die  —  niet  aanlokkelijk!  —  »de  hel"  en  »het  vagevuur"  werden  ge- 
noemd. Nog  heden  heeft  een  steegje,  dat  Dijk  met  Zuiderhavendijk 
verbindt,  den  niet-onvermakelijken  naam  van :  >Tusschen  de  hel  en 
het  vagevuur" ! 

3)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.    16  en    17, 

4)  E.  V.  d.  Hoof,  bl.  25. 


445 

In  't  begin  der  15de  eeuw  deed  het  gasthuis  tevens 
dienst  als  stede-huis  en  hielden  magistraat  en  justitie 
heel  gemoedelijk  vergaderingen  en  rechtszittingen  in 
de  kapel.  Toen  echter  de  nabijheid  van  zieken  en 
armen  moeielijkheden  veroorzaakte  voor  de  rechtspraak, 
begonnen  schout  en  schepenen  de  vierschaar  te  spannen 
in  de  open  lucht  vóór  de  St.-Anthoniskapel,  die  ongeveer 
50  M.  zuidelijker  aan  denzelfden  oostkant  der  Breede- 
straat  stond,  of  zelfs  in  herbergen;  maar  dit  werd  in 
145 1  verboden  door  den  Graaf,  die  in  een  handvest 
bepaalde,  dat  de  gerechtszittingen  alleen  mochten  ge- 
houden worden  in  het  gast-  of  stedehuis.  In  't  voor- 
bijgaan zij  vermeld,  dat  deze  bepaling  de  aanleiding 
werd,  dat  in  1460  een  afzonderlijk  stadhuis  gebouwd 
werd  vóór  de  St.-Anthoniskapel,  ongeveer  ter  plaatse 
waar  in  1668  het  nu  nog  monumentaal  rijzend  raadhuis 
gezet  werd. 

Later  ^)  is  ook  het  gasthuis  zelf  verplaatst,  meer 
noordwaarts,  vergroot  en  uitgebreid  met  een  provenhuis. 
Jammerlijk  heb  ik  over  dit  liefde-gesticht  niet  meer 
kunnen  vinden  dan  nog  deze  bijzonderheid,  dat  in 
't  jaar  1555  Gerrit  Prms  werd  aangesteld  —  tegen 
een  jaarlijksch  honorarium  van  14  carolus  gulden  — 
om  daarin  de  H.  Mis  te  doen  en  't  Woord  Gods  te 
prediken. 

Naschrift. 

Ter  aanvulling  van  bl.  400: 

In  het  Bulletin  v.  d.  Nederlandsch  Oiidheidkimdigen 
Bond,  jg.  8,  afl.  i  en  2,  bl.  59,  in  deze  week  verschenen, 
geeft  prof.  Six  een  zeer  merkwaardig  vierde  voorloopig 
bericht  omtrent  de  schilderingen  in  de  kap  der  St.  Pancras. 


[)  G.  Brandt,  t.  a,  pi.,  28  en   103. 


446 

Ter  aanvulling  van  bl.  411: 

In  't  jaar  1522  gaf  ook  „het  Gerechte  ende  Vroescap" 
van  Haarlem  voor  de  St.  Gummarus  te  Enkhuizen, 
„omdat  men  aldair  veel  Hairlems  bier  drinckt  ende 
slijt",  een  door  Willem  Dirksz.  Tybaut  ad  ƒ96. —  ge- 
maakt en  geleverd  geschilderd  glas  met  deze  voorstel- 
lingen: „in  de  eene  zijde  staende  die  historie,  hoedat 
die  van  Hairlem  in  voirtijden  Damyaten  gewonnen 
hebben  mit  een  schip  van  oirloge  ende  eene  zaghe 
dair  ondere,  ende  in  d'  andere  zijde  hoe  de  wapene 
van  Hairlem  bij  Paeus,  Keyser,  Cardinalen  etc.  gegeven 
is."  (Thesaurier srekenmg  der  stad  Haarlem  1522). 

Nog  ter  elfder  ure  ontving  ik  deze  mededeeüngen 
van  den  Rijksarchivaris  C.  J.  Gonnet  te  Haarlem,  die 
de  laatste  drukproef  had  nagezien. 

Noordwijkerhout,  Rector  E.  H.  RijKENBERG. 

I   Mei   1915. 


NAMEN  VAN  PRIESTERS  UIT  HET 

TEGENWOORDIGE  BISDOM  VAN  HAARLEM, 

VOORKOMENDE  IN  HET  TIJDSCHRIFT 

DE  GODSDIENSTVRIEND. 


In  het  gedenkboek :  Het  katholiek  Nederland  1813 — 
^P^J»  wordt  op  meer  dan  eene  bladzijde  op  de  belang- 
rijkheid gewezen,  die  het  voornaamste  der  oude  of 
zoogenaamde  doode  tijdschriften:  De  Godsdienstvriend 
heeft  voor  de  kerkgeschiedenis  uit  de  eerste  helft  der 
19de  eeuw.  En  inderdaad  voor  eene  volledige  beschrijving 
eener  plaatselijke  kerkgeschiedenis  uit  genoemd  tijdvak, 
is  het  noodzakelijk  „de  Godsdienstvriend"  die  een  levens- 
bestaan  had  van  51  jaren  (18 18— 1869)  en  tot  een 
boekwerk  van  102  deelen,  met  nog  drie  deelen  Bij- 
dragen uitgroeide,  door  te  bladeren  en  te  doorzoeken, 
waar  iets  van  zijne  gading  staat  opgeteekend.  Maar, 
merkwaardig  genoeg,  wordt  De  Godsdienstvriend  hoogst 
zelden  in  de  bibliotheek  van  particulieren  en  in  de 
boekerij  van  godsdienstige  of  wetenschappelijke  instel- 
lingen slechts  schaars  en  meestal  onvolledig  aangetroffen  ^). 

En  toch  blijft  dat  tijdschrift  voor  den  geschiedschrijver 
eener  plaatselijke  kerkgeschiedenis  eene  onmisbare  bron. 

Daarom  hebben  ondergeteekenden  De  Godsdienst- 
vriend  doorgewerkt  en  naamlijsten  aangelegd  van  geeste- 
lijken, decanaatsgewijze  in  gedeeld,  voorkomende  in 
genoemd    tijdschrift;    en    al  datgene  aangeteekend    wat 


l)  De  Katholiek:  dl.   144,  jg.    19 1 3,  blz.  40,  42. 


448 

voor  eene  plaatselijke  geschiedenis  merkwaardig  of  nuttig 
geacht  kan  worden.  De  vindplaatsen  werden  zorgvuldig 
aangegeven  i).  Wat  wij  vonden  wordt  thans  meegedeeld 
deels  in  het  Archief  v.  Utrecht  en  deels  in  de  Bijdragen 
V.  Haarlem.  Alzoo  verkrijgt  men  terstond  een  over- 
zicht van  hetgeen  in  De  Godsdienstvriend  omtrent  deze 
of  gene  parochie  vermeld  staat. 

♦ 

Het  door  ons  gebruikte  exemplaar  was  afkomstig 
uit  de  boekerij  van  wijlen  pastoor  J.  H.  Hofman  en 
behoort  thans  tot  de  bibliotheek  van  het  Seminarie 
Culemborg.  Zooals  van  den  geschiedkundigen  bezitter 
te  verwachten  was,  is  zijn  exemplaar  op  verscheidene 
bladzijden,  aan  den  rand  of  tusschen  den  tekst,  met 
verschillende  historische  bemerkingen  verrijkt. 

Toch  moet  de  lezer,  die  in  dezen  arbeid  belangstelt, 
wel  weten,  dat  de  naamlijsten,  vooral  uit  de  jaren  van 
het  aartspriesterlijk  bestuur,  aan  volledigheid  te  wenschen 
overlaten;  het  gebeurt  niet  zelden  dat  van  een  priester 
wel  zijne  komst  in  de  statie  maar  niet  zijn  vertrek  — 
of  omgekeerd  —  wordt  medegedeeld,  terwijl  met  de 
spelling  der  eigennamen  of  met  de  opgave  der  voor- 
namen wat  lichtvaardig  werd  omgesprongen.  Bovendien 
bleef  bij  benoemingen  in  de  steden  de  juiste  opgave 
der  statie  meermalen  achterwege,  zoodat  ons  niets  anders 
te  doen  overbleef,  dan  eenvoudig  in  een  afzonderlijken 
lijst  de  namen  te  vermelden  der  priesters,  die  in  deze 
of  gene  stad  werkzaam  waren. 

Tot    het   aanbrengen    van    verbeteringen  of  het  aan- 


i)  Het  op  de  bibliotheek  te  Hageveld  aanwezige  register  op  »de 
Godsdienstvriend"  loopt  van  i  Juli  1818 — 30  Juni  1840  en  beslaat 
slechts  44  deelen.  Bovendien  geeft  het  een  alphabetischen  inhoud  naar 
de  zaken  en  is  derhalve,  voor  het  naslaan  van  kerkelijke  personen, 
zonder  waarde. 


449 

vullen  van  leemten  hebben  wij  ons  in  den  regel  niet 
geroepen  geacht,  maar  veiliger  geoordeeld  dat  over  te 
laten  aan  den  toekomstigen  geschiedschrijver,  die  uit 
doopboeken  of  andere  in  het  kerkarchief  berustende 
documenten,  het  gebrekkige  in  de  naamlijsten  met  af- 
doende zekerheid  kan  aanvullen. 

De  door  ons  gebruikte  verkortingen  behoeven  geene 
nadere  verklaring. 

Op  het  Pinksterfeest  van  1914,         J.  C.  VAN  DER  Loos. 
Nieuwerkerk  a.d.  IJsel. 

Didam.  L.  J.  van  der  Heijden. 

I. 
Decanaat  Alkmaar. 

Alkmaar. 
Vinkesteyn,  E.,  p.  1799  — 18 19,  kanunnik,  f  i  Sept.  18 19, 

dl.  3,  blz.   188. 
Kok,    J.,    p.    18 19 — 1822,    f   10   Sept.   1822,  landdeken 

van  Noord-Holland,  dl.  3,  blz.  241,  dl.  9,  blz.  177. 
Gerving,  B.  J.,  p.  1822— 1835,  landdeken,  sinds  25  Maart 

1834  aartspriester  van  H.  Z.  en  W.  Fr.,  f  12  Dec. 

1842,  necrologie,  dl.  32,  blz.  254,  dl.  35,  blz.  59, 

dl.  50,  blz.  55—56. 
Bakker,   J.   J.,    des.  f  30  April  1835,  dl.  32,  blz.  255, 

dl.  34,  blz.  300—301. 
Mierlo,    J.    G.  W.    van,    p.   1835 — 1841,  landdeken  van 

Noord-Holland,  dl.  35,  blz.  59,  dl.  47,  blz.  51. 
Fick,  J.  F.,  k.  tot  1835,  dl.  35,  blz.  59. 
Gent,  J.  van,  p.  van  1841,  landdeken,  dl.  47,  blz.  52. 
Eerste  steenlegging  der  kerk,  dl.  83,  blz.  199. 
Kruisweg-wijding  Dec.  1861,  dl.  87,  blz.  292. 
Boerkamp,  W.  A.,  k.  tot  1862,  dl.  88,  blz.  253. 
Volkers,  J.  A.  G.,  k.  van   1862,  dl.  88,  blz.  253. 


29 


450 

Mens,  J.  H.,  p.  tot  1826,  f  16  Juni   1826,  dl.  17,  blz.  97. 
Nieuwendijk,  C.  van  den,  p.   1826 — 1851,  rustend  gew., 

dl.   17,  blz.  251,  dl.  ^,  blz.   155. 
Meijer,  F.   F.,  p.  van   185 1,  dl.  66,  blz.  261. 

Pro  memorie. 

Het  voormalige  Clarissenklooster  te  Alkmaar, 
dl.  82,  blz.   195. 

Getuigenis  van  „outste  en  catholycke  Burgers 
der  stede  Alckmaer",  gegeven  den  8en  Dec.  1668 
aangaande  de  twee  eerste  Franciskaner  Missio- 
narissen te  dier  stede,  dl.  82,  blz.  246 — 250. 

Het  gewezen  klooster  der  Minderbroeders  obser- 
vanten te  Alkmaar,  dl.  82,  blz.   303—306. 

Mey,  Isaac  van  der,    1638,  dl.  87,  blz.  32. 

Plempius,  Petrus,   1640,  dl.  87,  blz.  32. 

*  * 

Alkmaar  (Franciscanen). 

Sparmakering,  Fr.  X.,  k.  tot   1832,  dl.  28,  blz.  211. 
Kanshuizen,  Fr.,  k.  van   1832,  dl.  28,  blz.  211. 
Beugen,  J.  van,  p.   1818 — 1834,  f  27  Oct.  1834,  dl.  33, 

blz.  306. 
Sparmakering,  Fr.  X.,  p.  1834— 1855,  necrologie,  dl.  33, 

blz.  306,  dl.  jS,  blz.    145,  dl.  96,  blz.  194 — 196. 
Loonink,  H.  T.,  k.  van   1853,  dl.  72,  blz.    102. 
Straman,  L.  J.,  p.  van   1855,  dl.  ^6,  blz.   145. 

*  * 

Alkmaar  (Dominicanen). 

Lens,  J.  Th.,  p.  tot  1862,  rustend  gew.,  f  18  Juni  1864, 

dl.  90,  blz.   56,  dl.  93,  blz.  48. 
Reynders,  G.  W.,  p.  van   1862,  dl.  90,  blz.   56. 
Jansen,  A.,  k.  tot   1862,  dl.  90,  blz.  56. 


451 

Kreling,  L.,  k.  1862—1865,  dl.  90,  blz.  56,  dl.  95,  blz.  190. 
Gijsbers,  A.,  k.  van   1865,  dl.  95,  blz.   190. 
Verkerk,  J.  A.,  k.  van   1867,  dl.  99,  blz.  315. 
Burmanje,  J.,  k.  tot  1867,  dl.  99,  blz.  315. 

Bergen. 

Spal,  B.,  p.  tot   1820,  rustend  gew.,  dl.  4,  blz.  302. 
Kok,  Th.  L.,  p.  van   1820,  dl.  4,  blz.  302. 
Huysick,  P.  F.,  p.  tot   1848,  f   1848,  dl.  61,  blz.  45. 
Heyningen,  H.  van,  p.  van   1848,  dl.  61,  blz.  45. 
Blom,  C.  F.  S.,  p.  tot  1863,  rustend  gew.,  dl.  91,  blz.  246. 
Rood,  B.  A.  van  't,  p.  van   1863,  dl.  91,  blz.  246. 

Egmonden  (Rinnegom). 

Kriek,  J.  P.,  p.  tot   1831,  dl.  28,  blz.   59. 

Bleijenberg,   J.   S.  van,  p.   1831— 1841,  dl.  28,  blz.  60, 

dl.  46,  blz.   198. 
Deyl,  Th.  H.  van,  p.  van   1841,  dl.  46,  blz.    198. 
Meijer,  F.  F.,  p.  tot   1862,  dl.  88,  blz.   103. 
Janmaat,  W.,  p.  van   1862,  dl.  88,  blz.   103. 
Beumer,  J.  C,  k.  van   1867,  dl.  98,  blz.  238. 

Heer-Hugo- Waard. 

Gesticht  in   1867. 
Deyl,  H.  Th.  van,  p.  van   1867,  dl.  99,  blz.  314. 

Heilo. 

Smedding,    F.    F.,    ass.    1837— 1838,    dl.    38,    blz.   156, 

dl.  42,  blz.  99. 
Bongaerds,  A.  J.,  ass.  tot  1838,  dl.  40,  blz.   155. 
Sluyter,    H.    A.,    p.    tot    1837,    rustend    gew.,    f   1840, 

dl.  40,  blz.   155,  dl.  44,  blz.  321. 
Geurs,    M.,  p.  van   1838— 1866,  f   19  Maart   1866,  oud 

62  jaar,  dl.  40,  blz.   155,  dl.  96,  blz.  202. 


452 

Langendijk. 

Loos,  B.  J.  de,  p.   1814— 1826,  dl.    18.  blz.  89. 
Albert,    A.    H.,  p.   1826— 1832,  dl.   19,  blz.  91,  dl.  28, 

blz.  60,  dl.  30,  blz.  52. 
Honschoten,    P.    van,    p.     1832 — 1839,    dl.    30,  blz.  52, 

dl.  42,  blz.  248. 
Romijn,  J.  L.,  p.  van   1839,  dl.  42,  blz.  300. 
Gijn,  H,  van  den,  p.   1843 — 1865,  rustend  gew.,  dl.  50, 

blz.   119,  dl.  95,  blz.  94. 
Nabbeveld,  J.  L.  A.,  p.  van   1865,  dl.  95,  blz.  94. 

Oudorp. 

Kok,  J.,  p.  tot   1819,  dl.  3,  blz.  241. 
Lieshout,  G.  van,  p.  van   18 19,  dl.  3,  blz.  241. 
Houbraken,    J.  P.  J.,    p.    1822— 1857,  f  27  Dec.    1857, 
necrologie,  dl.  80,  blz.  46. 

Schoorl. 

Hoven,  P.  L.  van  der,  p.  tot   1821,  dl.  82,  blz.  242. 
Poppe,  G.,  p.  tot   1825,  dl.   15,  blz.  92. 
Dijk,  P.van,  p.  1825 — 1834,  dl.  15,  blz.  231,  dl,  32,  blz.  255. 
Inwijding  der  nieuwe  kerk,  6  Dec.  1830,  dl.  26, 

blz.  41 — 42. 
Bach,    W.  van    den,    p.    1834 — 1844,   dl.    32,  blz.  302, 

dl.  52,  blz.  239. 
Terstappen,  A.,  p.    1844 — 1846,  f  27  Nov.  1846,  dl.  52, 

blz.  239,  dl.   58,  blz.  44. 
Husing,   J.  W.,    p.    1846— 1848,  dl.   58,  blz.  44,  dl.  61, 

blz.   198. 
Terpoorten,  J.  A.,  p.  van   1848,  dl.  61,  blz.    198. 

Tuitjenhorn. 
Keuss,  H.  H.,  p.   18 13— 1826,  dl.   18,  blz.  89. 
Schermer,  C.  G.,  p.  1826— 1835,  dl.  18,  blz.  208,  dl.  34, 
blz.   55. 


453 

Sonjee,  H.  J.,  p.   1835 — 1845,  dl.  54,  blz.  306. 

Mathot,  B.,  p.  1845—1852,  rustend  gew.,  f  te  Tuitjen- 
horn  23  Mei  1859,  necrologie,  dl.  54,  blz.  306, 
dl.  68,  blz.  47,  dl.  82,  blz.  316,  dl.  83,  blz.  48—49. 

Deyl,  H.  Th.  van,  ass.  185 1  — 1852,  dl.  6"],  blz.  209, 
dl.  68,  blz.  47. 

Vlasselaar,  H.  Th.  van,  p.  van   1852,  dl.  6Z,  blz.  47. 

Warmenhuizen. 
Veltman,  J.,  p.  f  25  Oct.    1826,  dl.   17,  blz.  297. 
Bramink,  F.  A.,  p.   1826— 1847,  dl.   18,  blz.  89,  dl.  58, 

blz.   148. 
Hoctin,  L.  J.,  p.  1847—1851,  werd  Redemptorist,  dl.  58, 

blz.   148,  dl.  66^  blz.  312. 
Leeuwen,  C.  van,  p.    185 1 — 1862,  rustend  gew.,  dl.  66, 

blz.   312,  dl.  88,  blz.  253. 
Grossel,  W.  J.  van,  p.  van    1862,  dl.  88,  blz.  253. 

II. 
Decanaat  Alfen. 

Aarlanderveen. 

Ootmar,  G.  W.,  p.   1809— 1826,  dl.   18,  blz.  89. 

Briqué,  B.  N.  J.,  p.   1827— 1835. 

„Briqué  was  genoodzaakt,  uit  hoofde  van  des- 
zelfs  zwak  en  ziekelijk  gestel,  zich  voor  een 
onbepaalden  tijd  van  zijne  pastorele  functiën  te 
onthouden,  met  behoud  nogtans  zijner  pastorele 
titel :  zoo  is  hem,  onder  de  benaming  van  deservitor 
toegevoegd  de  Weleerw.  Heer  P.  J.  van  Vlaanderen, 
voorheen  pastoor  te  Philippine  (Staats-Vlaanderen) 
met  regt  van  opvolging,  zoodra  pastoor  Briqué 
het  exeat  of  ontslag  mogt  gevraagd  en  verkregen 
hebben."  Dl.   18,  blz.  305,  dl.  35,  blz.  60. 

Vlaanderen,  P.  J.  van,  p.   1835  — 1843,  dl.  34,  blz.  256, 
dl.   50,  blz.  294. 


454 

Groot,    B.    de,   p.    1843 — 185 1,  dl.   50,  blz.  294,  dl.  6t, 

blz.  337. 
Vlasselaar,  H.  Th.  van,  ass.   1847,  dl.   57,  blz.   53. 
Heyningen,  W.  C.  F.  van,  p.  van  1851,  dl.  67,  blz.  337. 
Hagen,  P.  van  der,  p.  van   1859,  dl.  83,  blz.    153. 
Kerschner,  J.  L.  A.,  ass.  van   1866,  dl.  97,  blz.  212. 

Alfen  aan  den  Rijn. 

Eerste  steenlegging  der  kerk.  Maart  1824,  dl.  12, 

blz.    177. 
Koeterei,  C,  p.  tot   1825,  dl.   15,  blz.  92. 
Poppe,  G.,  p.  van   1825,  dl.    15,  blz.  92. 
Langran,  A.  I.  L.  J.,  p.  tot   1843,  dl.   51,  blz.  342. 
Bruyn,    G.  de,  p.   1843— 185 1,  dl.   51,  blz.  342,  dl.  66, 

blz.  312. 
Zeyl,  J.  P.  J.  van,  p.  van   185 1,  dl.  66,  blz.  312. 
Aanstoots,    P.,  k.   1853— 1854,  dl.  71,  blz.  204,  dl.  72, 

blz.  286. 
Aanstoots,  P.,  k.  van   1854,  dl.  74,  blz.   121. 
Aarsen,    B.    J.   van,    k.    1859 — 1862,    dl.    83,    blz.  202, 

dl.  89,  blz.  264. 
Nieuwenhoven,  J.,  k.  van   1862,  dl.  89,  blz.  264. 
Zeegers,  H.  P.,  k.  van   1863,  dl.  91,  blz.  247. 

Bodegraven. 

Kok,  G.,  p.  tot   1846,  dl.   57,  blz.  261. 

Leek,  H.  J.  van,  p.   1846 — 1857,  f  Febr.   1857,  dl.  57, 

blz.  261,  dl.  78,  blz.   153. 
Brinkman,  B.  H.,  k.  van   1854,  dl.  72,  blz.  286. 
Honig,  G.  G.,  k.  tot   1861,  dl.  88,  blz.  55. 
Trosée,  J.  A.,  k.  tot   1863,  dl.  90,  blz.   164. 
Bekker,  G.  F.  D.,  k.  van   1867,  dl.  98,  blz.   119. 

Pro  memorie. 
Mey,  Isaac  van  der,  O.F.M.,   1643,  dl.  87,  blz.  32. 


455 

Langeraar. 

Burgmeijer,  J.  J.,  k.   1835— 1837,  dl.  34,  bl.  152,61.39, 

blz.   104. 
Houtman,  M.  F.,  k.   1837 — 1839,  dl.  39,  blz.  296,  dl.  43, 

blz.   100. 
Lieshout,  G.  van,  p.   1822— 1839,  t  ^  Juni  1839,  dl.  43, 

blz.  51. 
Buys,    P.    C,    p.    van    1839,  viert  in   1850  zijn  zilveren 

priesterfeest,  dl.  43,  blz.  100,  dl.  64,  blz.  327 — 328. 
Eerste  steenlegging  der  nieuwe  kerk,  April  1842, 

dl.  48,  blz.  322—323. 

Inwijding    der    kerk,    Nov.    1842,    dl.    50,  blz. 

109 — I II. 
Duivenstein,  L.,  k.  van   1849,  ^^*  ^2,  blz.    105. 
Looijaard,    A.    J.,    k.,   f    5    Mei    185 1   ten  huize  zijner 

ouders  te  Delfshaven,  dl.  66,  blz.   305. 
Willenborg,  J.  F.,  k.   185 1  — 1855,  dl.  67,  blz.  52,  dl.  75, 

blz.  227. 
Vogel,  G.  J.,  ass.  tot   1854,  dl.  74,  blz.    121, 
Blom,  F.,  k.  van   1855,  ^^-  75.  blz.  227. 

Leimuiden. 

Homburg,    G.    ten,    k.    f   14  Nov.   18 18,  dl.  2,  blz.  76. 
Tomas,  A.,  p.  tot  1819,  f  25  Dec.  1819,  dl.  4,  blz.  89. 
Freese,  F.  F.,  p.  van   1820,  dl.  4,  bl.  203. 
Ende,  D.  van  den,  p.  1828 — 1841,  f  Maart  1841,61.46, 

blz.  254. 
Hulst,    J.  van  den,  p.   1841  — 1861,  f  5  Mei   1861,  oud 

64  jaar,  dl.  46,  blz.  254,  dl.  86,  blz.  312. 

Eerste  steenlegging  der  nieuwe  kerk,  Mei  1852, 

dl.  68,  blz.  313—314. 

Inwijding   der   nieuwe  kerk.  Juli   1856,  dl.  77, 

blz.    140 — 141. 
Levisse,  L.  J.  H.,  k.  tot  i86i,.dl.  87,  blz.   195. 


456 

Deyl,    H.    Th.    van,    k.    1861  — 1863,    dl.    87,    blz.    195, 

dl,  90,  blz.   164. 
Mols,  C.  A.,  p.  van   1861,  dl.  87,  blz.   195. 
Wiegman,  G.  J.,  k.   1867— 1867,  dl.  98,  blz.  238,  dl.  99, 

blz.  315. 
Teunissen,  P.  P.  S.,  k.  van   1867,  dl.  99,  blz.  315. 

Nieuwkoop. 

Winkelaar,  C.  J.,  p.   1808 — 1847,  rustend  gew.,  f  1848 

te  Gouda,  dl.  59,  blz.   118,  dl.  62,  blz.  57. 
Poppe,  H.,  p.  1847— 1861,  dl.  59,  blz.  118,  dl.  8y,  blz.  195. 
Ruigrok,    C,    k.    1852— 1862,    dl.   69,  blz.  247,  dl.  88, 

blz.  253. 

Inwijding  der  nieuwe  kerk,  Nov.  1852,  dl.  70, 

blz.   38 — 40. 
Grijskamp,  W.,  p.  van   1861,  dl.  87,  blz.    195. 
Moors,    P.    F.,  k.   1862— 1862,  dl.  88,  blz.  253,  dl.  89, 

blz.  215, 
Groot,  J.  J.  de,  k.  van   1862,  dl.  89,  blz.  215. 

Pro  memorie. 

Leeuwen,  Ant.  van,  geb.  te  Nieuwkoop  1796, 
bekeerd  uit  het  protestantisme,  priester  gewijd 
1820,  gaat  naar  Suriname  25  Mei  1821,  keert 
terug  4  Febr.  1822,  f  13  Sept.  1822,  dl.  1 1,  blz.  85. 

Plaatselijke   geschiedenis,    dl.   70,  blz.  38 — 40. 

Nieuwveen. 

Gesticht  22  Sept.   1865. 
Verstraten,  H.,  p.  van   1865,  dl.  95,  blz.   190. 

Noorden. 
Beukman,  J.,  p.   1801  — 1822,  dl.  9,  blz.   126. 
Aangevaart,    L.    G.,    k.    1834— 1836,    dl.    33,  blz.   152, 
dl.  36,  blz.   304. 


457 

Deyl,    Th.  H.  van,  k.  van   1834,  dl.  5^,  blz.   208,  260. 
Warmerdam,  C,  k.   1836 — 1837,  dl.  ^6,  blz.  304,  dl.  38, 

blz.   104. 
Stoot,  J.  A.  van  der,  p.  tot  1836,  rustend  gew.,  f  1840, 

dl.   38,  blz.   54,  dl.  44,  blz.  321. 
Smidt,  J.  J.,  p.   1836 — 1852,  f  I  Juni  1852,  necrologie, 

dl.  68,  blz.  43. 
Knaapen,  Th.  F.,  p.  van   1852,  dl.  68,  bl.  47. 
Schudelaro,  L.  A.  C,  ass.  1 866 —  1 866,  dl.  97,  blz.  211,316. 

Roelof-Arendsveen. 

Veen,  S.  van,  p.  tot  1831,  f  21  Mei  1831,  dl.  28,  blz.  58. 
Bode,  G.,  p.  1831  — 1841,  t  3  Dec.  1841,  dl.  28,  blz.  58, 

dl.  48,  blz.  46. 
Vredenveld,    N.,    k.    van    1833,  vertrekt  als  missionaris 

naar  Samarang,  dl.  30,  blz.  97. 
Tetteroo,  Fr.,  k.  tot  1835,  f  7  Juli  1835,  dl.  35,  blz.  120. 
Bosch,    G.    van    den,    k.    1836 — 1837,   dl.    37,  blz.    163, 

dl.  38,  blz.   156. 
Blom,  C.  F.  S.,  k.   1838- 1838,  dl.  41,  blz.  306,  dl.  42, 

blz.  99. 
Rest,  P.  van,  k.  van   1839,  dl.  43,  blz.   100. 
Gijn,    H.    van    der,    ass.    1839 — 1840,    dl.   43,  blz.  277, 

dl.  44,  blz.  260. 
Kriek,  J.,  k.  1841  — 1842,  dl.  47,  blz.  174,  dl.  49,  blz.  270. 
Leeuwen,  C.  van,  p.  van   1842,  dl.  48,  blz.   157. 
Cornelissen,    B.    K.,    k.    1843 — ^1844,    dl.    50,    blz.   119, 

dl.   52,  blz.  239. 
Tiebes,    J.  M.,  k.    1845— 1845,  dl.   54,  blz.  211,  dl.   55, 

blz.   337. 
Vlasselaar,    H.    Th.    van,    k.   tot   1848,  dl.  60,   blz.   328. 
Funnekotter,  S.  J.,  k.  van   1848,  dl.  60,  blz.  328. 
Brand,  J.  van  den,  k.  tot   1850,  dl.  Ó4,   blz.   330. 
Janmaat,  W.,  k.  1850  — 1850,  dl.  65,  blz.  154,  dl.  66,  blz.  54. 


458 

Eisen,  H.  A.  C,  k.  1851  — 1851.  dl.  66,  blz.  54,  dl.  67, 

blz.   52. 
Hagen,  P.  van  der,  k.  185 1  — 1852,  dl.  67,  blz.  52,  dl.  68, 

blz.  210. 
Staveren,  C.  van,  k.  1852— 1853,  dl.  68,  blz.  210,  dl.  71, 

blz.  203. 
Trosée,  J.  A.,  k.    1853 — 1854,  dl.  71,  blz.  203,  dl.  73, 

blz.  293. 
Heuvel,  F.  H.  van  den,  k.  1854— 1855,  dl.  7^,,  blz.  293, 

dl.  75,  blz.  227. 
Scheefhals,  M.  G.,  k.  van   1855,  dl.  75,  blz.  227. 

Inwijding   der    nieuwe  kerk,  Juli   1856,  dl.  77, 

blz.   137—140. 
Stralen,  B,  van,  k.  tot   1860,  dl.  85,  blz.   116. 
Blom,  Fr.,  k.  van   1860,  dl.  85,  blz.   116. 
Rutten,  A.,  k.  van   1867,  dl.  99,  blz.  315. 

Plaatselijke  geschiedenis,  Bijdr.  I,  blz.  16 — 31. 
Plaatselijke  geschiedenis,  dl.  66,  blz.  148—150. 

Zevenhoven. 

Utberg,  S.,  p.  1821  — 1826,  dl.  5,  blz.  92,  dl.  6,  blz,  193, 

dl.   18,  blz.  89. 

Wijding   van  het  kerkhof,  Sept.   1826,  dl.   17, 

blz.  250. 
Bosch,  J.  van  den,  p.  1826— 1838,  dl.  18,  blz.  89,  dl.  40, 

blz.  252. 
Keil,  A.  J.  J.,  p.    1838— 1848,  dl.  40,  blz.  252,  dl.  61, 

blz.   198, 
Husing,  J.  W.,  p.  van  1848,  dl.  61,  blz.   198. 
Houtman,  Th.  L.  F.,  k.  van   1852,  dl.  6?>,  blz.  47. 
Schouten,  A.,  k.  van   1853,  dl.  70,  blz.  215. 
Muré,  J.  C.  H.,  ass.  tot  1853,  dl.  72,  blz.   102. 
Rood,    B.    A.    van    't,   k.   1853— 1854,  dl.  72,  blz.   102, 

dl.  72,  blz.  286. 


459 

Root,  J.  W.  E.,  ass.   1854— 1854,  dl.  73,  blz.  293,295. 

Masker,  P.  F.,  k.  van   1854,  dl.  "Ji^  blz.  295. 

Pronk,    G.    J.,    p.     1859 — 1865,    rustend    gew.,    dl.    83, 

blz.  261,  dl.  95,  blz.   190. 
Dijkhoff,  A.  J.  W.,  p.  van   1865,  dl.  95,  blz.   190. 

III. 
Decanaat  Amsterdam. 

St.  Aloysius-Gesticht. 
Hesseveld,    P.    J.,    p.    viert    5    Juni    1855    zijn    zilveren 

priesterfeest,  f  7  Febr.  1859,  dl.  75,  blz.  44 — 46, 

dl.  82,  blz.   156. 
Wennen,    P.    J.   B.,  belast  met  de  bediening  der  kapel, 

1855,  dl.  'je,  blz.   145. 

St.  Antonius  van  Padua. 

Lieshout,  J.  van,  k.  tot  1859,  dl.  84,  blz.  54. 
Veer,  J.  H.  A.  de,  k.  van   1859,  dl.  84,  blz.  54. 
Swildens,    Ph.    P.    C,    k.    tot    1862,    f    11   Sept.   1862, 

oud  55  jaar,  dl.  89,  blz.  168,  215. 
Bouten,  Th.,  k.  van  1862,  dl.  89,  blz.  264. 
Bengvoort,  A.  J.,  k.  1866— 1868,  dl.  96,  blz.  202,  dl.  loi, 

blz.  94. 
Balthazaar,    A.    M.,    p.   tot  1867,  f  27  Jan.   1867,  oud 

61  jaar,  dl.  98,  blz.   119,   120. 
Burgmeijer,  J.  J.,  p,  van   1867,  dl.  98,  blz.   119. 
Overmars,  C.  H.,  k.  tot   1868,  dl.   100,  blz.   180. 
Hoeben,  G.  A.,  k.  van   1868,  dl.   100,  blz.   180. 
Brunott,  A.  L.,  k,  van   1868,  dl,   10 1,  blz.  94. 

Begijnhof. 

Hegeman,  J.,  p.  f  20  Febr.    1818,  dl.   i,  blz.  28. 
Udeman,    H.,    p.    1818 — 1822,  f  14  April   1822,  dl.   i, 
blz.  28,  dl.  8,  blz.  226,  233,  271. 


460 

Kok,  J.,  k.   tot   1820,  dl.  4,  blz.   302. 
Haagen,  E.  S.  van  der,  k.  tot  1824,  dl.  8,  blz.  272. 
Kokkelink,  B.  H.,  p.  1822 — 1840,  rustend  gew.  f  1842, 
dl.  9,  blz.  43,  dl.  44,  blz.  260,  dl.  49,  blz.  334. 
Schermer,  C,  k.  tot  1826,  dl.   18,  blz.  208. 
Steins  Bisschop,  N.  J.  A.,  k.  tot  1834,  dl.  32,  blz.  254. 
Brussel,  J.  Th.  van,  k.   1834 — 1836,  dl.  37,  blz.  219. 

Uitvaart  van  graaf  Libry,  waarbij  in  eene  toe- 
spraak herroeping  geschiedt  van  hetgeen  de  over- 
ledene tegen  de  H.  Kerk  misdeed:  dl.  2,6,  blz.  lOi. 
Steins  Bisschop,  N.  J.  A.,  p.  1840— 1855,  dl.  44,  blz.  260, 

dl.  82,  blz.  93. 
Grappenhuis,  H.  P.,  k.  tot  1841,  dl.  46,  blz.  255. 
Lans,    J.    B.,   k.    1841  — 1842,    dl.    46,    blz.  255,  dl.  49, 

blz.  47. 
Schut,  J.,  k.  1842 — 1843,  dl.  49,  blz.  47,  dl.  50,  blz.  230. 
Mehler,    W.    F.    A.,    k.    1843— 1848,    dl.    50,   blz.  230, 
dl.  61,  blz.  45. 

Brief  van  Mgr.  Ferrieri,  in  1845,  over  het 
500-jarig  bestaan  van  het  H.  Sacrament  van 
Mirakel,  dl.   54,  blz.   150 — 154. 

Over  de  viering  van  dit  500-jarig  feest :  dl.  54, 
blz.   190 — 210. 
Jansen,  J.,  k.  van   1848,  dl.  61,  blz.  45. 
Akker,  J.  A.  van  den,  k.  tot  185 1,  dl.  66,  blz.   156. 
Randshuysen,  A.  F.,  k.  van   185 1,  dl.  66,  blz.  212. 

25    Mei    1852    wordt    herdacht    dat    500  jaar 

geleden  de  Heilige  Stede  verbrandde  zonder  het 

H.  Sacrament  te  deeren,  dl.  68,  blz.  291,  311 — 312. 

Schuyt,    A.  G.  P.,  k.  f  21   Juli   1860,  dl.  85,  blz.   114. 

Dijkhoff,    A.    J.    W.,    k.    1860— 1862,   dl.  85,  blz.   175, 

dl.  88,  blz.   104. 
Akker,    J.    A.    van    den,  p.  van   1862,  dl.  88,  blz.   104. 
Lucassen,  P.  J.,  k.  van   1862,  dl.   ^^,  blz.    104. 


461 

Smeulders,  N.  J.,  k.  van   1868,  dl.   lOi,  blz.  94. 
Mehler,  W.  F.  A.,    rustend    pastoor    op  het  Begijnhof, 
f  17  Juli   1862,  oud  45  jaar,  dl.  89,  blz.   112. 

St.  Dominicus. 

Sjoukes,  P.  F.,  p.   1836— 1860,  t  22  Mei   1860,  dl.  81, 

blz.  44,  dl.  84,  blz.  330. 
Sars,  F.,  p.  van   1860,  dl.  85,  blz.   175. 
Robart,  Th.  L.,  p.  f  25  Aug.  1860,  oud  59  jaar,  dl.  85, 

blz.   176. 
Jansen,  A.,  k.  van  1862,  dl.  90,  blz.  56. 
Baars,  J.  H.  van,  k.  tot  1866.  dl.  96,  blz.  313. 
Koors,  B.,  k.  1866— 1867,  dl.  96,  blz.  313,  dl.  98,  blz.  238. 
Rensen,  J.  A.,  k.  van   1867,  dl.  98,  blz.  238. 

Buiten  de  Raampoort. 
Mols,  J.,  k.  tot  1820,  dl.  4,  blz.  203. 

Viering   van    het  50-jarig  bestaan  der  kerk  in 

1836,  dl.  36,  blz.  295 — 296. 
Hoefnagel,  F.,  k.,  f  7  Aug.   1838,  dl.  41,  blz.  200. 
Mosmans,  W.  L.,  k.  1838 — 1841,  dl.  41,  blz.  200,  dl.  46, 

blz.   198. 
Telders,    A.   H.,    p.    1841  — 1855,  f  13  Oct.   1855,  oud 

52  jaar,  dl.  46,  blz.   198,  dl.  75,  blz.  280. 

Inwijding  van  het  kerkhof  „de  Liefde",  25  Aug. 

1845,  dl.   55,  blz.  216—217. 
Leeuwen,  P.  J.  van,  k.  van   1845,  dl.   55,  blz.  225. 
Vroomans,    P.  J.,  p.,  f  20  Sept.   1846  in  het  Gesticht: 

Brentano's  steun  des  ouderdoms,  dl.  S7>  blz.  210. 
Kriek,  J.,  k.  tot   1847,  dl.   58,  blz.  207. 
Jansen,  J.,  k.  tot   1848,  dl.  61,  blz.  45. 
Teunisse,    H.,  k.   1848— 1865,  f  i?  Sept.   1865,  dl.  6r, 

blz.  45,  dl.  95,  blz.    190. 
Heuvel,    F.   H.  van  den,  k.  van   1855,  dl.  75,  blz.  227. 


402 

Haanraads,  F.  J.,  p.   1855 — 1863,  rustend  gevv.,  dl.  y6^ 

blz.   145.  dl.  91,  blz.  246. 
Eisen,  S.  van,  k.  tot   1868,  dl.  84,  blz.  329. 
Spoorman,  L.  C,  k.  tot  1860,  dl.  85,  blz.    116. 
Martz,  C.  J.  A.  Ph.,  p.  van   1863,  dl.  91,  blz.  246. 
Schudelaro,  L.  A.  J.,  k.  van   1865,  dl.  95,  blz.   190. 
Feijen,  A.  R.  G.,  k.  van   1865,  dl.  95,  blz.   191. 
Driessen,  A.,  k.  van   1866,  dl.  97,  blz.  211. 
Dennig,  G.,  k.  van   1868,  dl.   100,  blz.   180. 

Buiten  de  Utrechtsche  poort. 

Wel,  C.  S.  van,  k.  tot  1832,  dl.   30,  blz.   100. 

Born,  J.  H.  van,  k.   1842 — 1843,  dl.  48,  blz.  205,  dl.  50, 

blz.   119. 
Wagelaar,  k.  van   1843,  dl.   50,  blz.  230. 
Marck,  J.  H.  van  der,  k.   1843 — 1843,  dl.   51,  blz.  278, 

dl.   52,  blz.   149. 
Snickers,  P.  M.,  k.  1843 — 1846,  dl.  52,  blz.  149,  dl.  56, 

blz.  296. 
Schrijvers,    J.  Th.  H.,  k.   1846—1847,  dl.  56,  blz.  296, 

dl.   59,  blz.   185. 
Gussenhoven,  L.  A.,  k.  van  1847,  dl.  59,  blz.   185. 
Lami,  J.  J.,  k.  1847 — 1849,  dl.  59,  blz.  245,  dl.  64,  blz.  127. 
Schut,  J.,  k.  tot  1842,  dl.  48,  blz.  205. 
Deekens,  J.  A.,  p.  1814^ — 1849,  rustendgew.,dl.  64,  blz.  62. 
Simmers,  V.  T.,  p.  van   1849,  dl.  64,  blz.   127. 

De  Boom. 

Idsert,  Th.  van  den,  p.  f  i  Jan.  18 19,  dl.  2,  blz.  ^J. 
Molenaars,  G.,  p.  1819— 1830,  dl.  2,  blz.  68,  dl.  28,  blz.  59. 
Triennekes,  J.  R.,  k.  f  31  Aug.  1831,  dl.  28,  blz.  59. 
Jacobs,  P.,  p.   1830 — 1838,  t  12  Nov.  1838,  necrologie, 

dl.  42,  blz.  34—35- 
Berkel,  W.  A.  van,  k.  van  1853,  dl.  72,  blz.   102. 


463 

De  Fransche  kerk. 
Delmotte,  J.  J.,  k.  tot  18 19,  dl.  3,  blz.   187. 
Stook,  Th.,  p.  1824— 1841,  t  Maart  1 841,  dl.  12,  blz.  76, 

dl.  46,  blz.  254. 
Lottum,  A.  van,  k.   1825 — 1833,  dl.  30,  blz.  298. 
Bruns,  J.,  p.  van   1841,  dl.  46,  blz.  254, 
Frink,    N.    A.,  k.   1 841  — 1844,  dl.  47,  blz.  282,  dl.  53, 

blz.  275. 
Groen,    P.    C,   k.   1844 — 1846,  dl.   53,  blz.  275,  dl.  57, 

blz.   106. 
Tiebes,  J.  M.,  k.   1846— 1846,  dl.  57,  blz.   106,  211. 
Heuvels,  A.,  k.  tot   1847,  dl.  58,  blz.  207. 
Vregt,  J.  F.,  k.  1847— 1847,  dl.  58,  blz.  207,  dl.  59,  blz.  53. 
Os,  J.  G.  van,  k.   1847— 1850,  dl.  59,  blz.   185,  dl.  64, 

blz.   179. 
Dam,    J.  J.  ten,    p.   1848— 1861,  f  8  Juli   1861,  dl.  61, 

blz.  45,  dl.  87,  blz.   100. 
Smit,  W.,  k.  van  1850,  dl.  64,  blz.   179. 
Bruyn,    J.    de,    k.   1852— 1853,  dl.  69,  blz.   194,  dl.  71, 

blz.  203. 
Viotta,   J.    M.,    k.     1853— 1863,    t    31    Mei    1863,  oud 

34  jaar,  dl.  71,  blz,  203,  dl.  90,  blz.   214. 
Winkelhagen,    J.    W.    C,  k.  tot   1854,  dl.  Ji,  blz.  294. 
Poppe,  H.,  p.  van  1861,  dl.  87,  blz.   195. 
Houten,  A.  J.  van,  k.  tot  1862,  dl.  89,  blz.  214. 
Quant,  G.  J.  W.,  k.  van  1862,  dl.  89,  blz.  214. 
Buuren,  B.  van,  k.   1863— 1865,  dl.  90,  blz.  305,  dl.  95, 

blz.   191. 

Vervolg  in  deel  XXXVII. 


ALPHABETISCH  REGISTER. 


A. 

Aa  (Fred.  v.  der),  1789,  113. 

—  (G.  V.  der),  f  1849,  past.,  118. 

—  (Joan.  G.  V.  der),  f  1857, 
past.,  113  —  219. 

Aangevaart  (L.  G.),  1836,  kap., 

456. 
Aanstoots  (P.),  1854,  kap.,  454. 
Aar  (Ter),  253,  255,  258,  267. 
Aarlandervee